Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'
Part 18
Het omsingelen van dien troep apen was inderdaad het eenige middel om den dief in handen te krijgen. De Europeanen verdeelden zich in twee afdeelingen; de eene, bestaande uit Mathieu Strux, William Emery, Michel Zorn en de drie matrozen, moest den gids opzoeken en zich in een halven cirkel om hem heen uitbreiden. De andere troep, die gevormd werd door Mokum, John Murray, den kolonel, Nikolaas Palander en de drie andere matrozen, wendde zich links ten einde om de dieren heen te trekken en dus de apen in te sluiten.
Op voorschrift van den Boschjesman trok men slechts met de uiterste omzichtigheid vooruit. Men hield de wapenen gereed, en men kwam overeen dat de chacma met het stuk goed om het lijf het mikpunt voor alle schoten zijn zou.
Nikolaas Palander, wiens vurigen ijver men nauwelijks kon betoomen, liep naast Mokum. Deze evenwel hield hem in het oog, uit vrees dat zijne woede hem eenige dwaasheid zou doen begaan; en inderdaad, de waardige astronoom was zich zelven geen meester meer. Het was voor hem eene levensvraag. Na een half uur in een halven kring te zijn voortgetrokken, terwijl men meermalen halt had gehouden, oordeelde de Boschjesman dat het oogenblik gekomen was om de jacht te beginnen. Zijne makkers, die op twintig schreden van elkander afstonden, trokken zoo stil mogelijk voorwaarts. Geen woord werd gesproken, geene beweging gemaakt, geen takje kraakte. Men zou gezegd hebben dat het een troep roovers was, die voortslopen om reizigers te overvallen.
Plotseling bleef de jager staan. Zijne makkers hielden ook halt, met den vinger aan den haan van 't geweer, en gereed om aan te leggen. De troep chacma's was in het gezicht; de dieren hadden iets gemerkt; zij waren op hunne hoede. Een groote baviaan, juist de dief van de registers, gaf duidelijke teekenen van ongerustheid. Nikolaas Palander had zijn roover herkend; echter scheen deze de registers niet bij zich te hebben; Palander zag ze ten minste niet.
»Hij ziet er als een schurk uit!" mompelde de geleerde. Die groote aap scheen in zijn angst zijnen makkers teekens te geven. Eenige wijfjes schoolden met hare jongen op den rug bij elkander; de mannetjes sprongen om haar heen. De jagers naderden weder; ieder had den dief herkend, en kon reeds met zekerheid mikken, toen door eene onwillekeurige beweging het geweer van Palander afging.
»Vervloekt!" riep John Murray, terwijl hij zijne buks afschoot. Welk eene uitwerking! Tien schoten knalden te gelijk. Drie apen vielen dood op den grond. De anderen deden een vreeselijken sprong, en vlogen over de hoofden der jagers heen. Een chacma was slechts achtergebleven; het was de dief. In plaats van te vluchten, sprong hij op een vijgeboom, klom er met de behendigheid van een acrobaat in en verdween tusschen de takken.
»Dáár heeft hij de registers verborgen!" riep de Boschjesman, en Mokum bedroog zich niet.
Het was echter te vreezen dat de aap zich redden zou, door van den eenen boom op den anderen te springen; doch Mokum legde bedaard op hem aan en schoot; de aap was in den poot gewond en tuimelde van tak tot tak naar beneden. In een van zijne pooten hield hij de registers, die hij uit eene holte van den boom te voorschijn had gehaald. Op dit gezicht sprong Nikolaas Palander als geëlectriseerd op, wierp zich op den aap, en een gevecht begon. Welk eene worsteling! De woede zette den cijferaar aan; tusschen het geblaf van den aap hoorde men het gebrul van den astronoom. Welk een wanluidend geschreeuw bij dien strijd; men wist niet meer wie van beiden de aap of de astronoom was! Men kon op den chacma niet mikken, uit vrees van Palander te kwetsen.
»Schiet! schiet op beiden!" schreeuwde Mathieu Strux buiten zich zelven van woede, en de opgewonden Rus zou het gedaan hebben, als hij nog een schot op zijn geweer had gehad. De strijd duurde voort. Palander, die dan eens onder, dan weder boven was, trachtte zijn tegenstander te worgen. Zijne schouders waren geheel bebloed, want de aap verscheurde ze met zijne klauwen. Eindelijk maakte de Boschjesman met de bijl in de hand van een gunstig oogenblik gebruik en doodde den aap met een enkelen slag op den kop.
Nikolaas Palander lag in zwijm, en werd door zijne makkers opgenomen; hij hield de beide registers, die hij heroverd had, tegen de borst gedrukt. Het lichaam van den aap werd naar het kamp medegenomen en 's avonds aten de astronomen met inbegrip van hun bestolen ambtgenoot, die weder bijgekomen was, den roover op zoowel uit wraak als uit lekkernij, omdat het vleesch goed smaakte.
XXIII.
De waterval van de Zambese.
De wonden van Palander hadden niet veel te beteekenen. De Boschjesman, die daar verstand van had, wreef ze met eenige kruiden, en de astronoom van Helsingfors kon de reis weder mede aanvaarden. Zijn zegepraal gaf hem krachten; maar die overspanning verdween spoedig, en hij werd weldra weder de afgetrokken geleerde, die slechts in eene wereld van cijfers leefde. Men had hem één van de registers gelaten; maar als voorzichtigheidsmaatregel had hij het andere aan William Emery moeten afstaan, dat hij overigens goedschiks deed.
Het werk werd nu voortgezet. De driehoeksmeting ging goed en spoedig voort. Men behoefde nog slechts eene geschikte vlakte te hebben om eene basis te meten.
Den 1sten April moesten de Europeanen uitgestrekte moerassen doortrekken, waardoor hun tocht eenigszins vertraagd werd. Op die vochtige vlakten volgden talrijke vijvers, welker water een verpestende lucht verspreidde. Kolonel Everest en zijne makkers haastten zich dit ongezonde oord te verlaten, door aan hunne driehoeken de grootst mogelijke uitgebreidheid te geven.
De toestand van het kleine gezelschap was voortreffelijk en de beste geest heerschte onder hen. Michel Zorn en William Emery wenschten elkander geluk dat zij zulk eene gewenschte overeenstemming tusschen de beide aanvoerders zagen heerschen. Deze schenen vergeten te hebben dat een internationale oorlog hen had moeten scheiden.
»Beste vriend," zeide Zorn eens tegen zijn jeugdigen makker, »ik hoop, dat, als we in Europa terugkomen, de vrede tusschen Engeland en Rusland gesloten is, en we dan het recht zullen hebben dáár, evenals hier, vrienden te blijven."
»Ik hoop het even goed als gij, waarde Michel," antwoordde Emery. »De hedendaagsche oorlogen kunnen niet lang duren; een of twee veldslagen en de vrede wordt geteekend. Die ellendige oorlog is sedert een jaar aan den gang, en ik denk, evenals gij, dat bij onze terugkomst de vrede wel geteekend zal zijn."
»Uw plan is toch niet om naar de Kaapstad terug te keeren, William?" vroeg Zorn. »Het observatorium heeft u niet zoo volstekt noodig, en ik hoop u op mijn observatorium van Kiew bij mij te zien."
»Ja, mijn vriend," hernam William Emery, »ja, ik zal u naar Europa vergezellen, en niet naar Afrika terugkeeren, voordat ik eene reis door Rusland gemaakt heb. Maar ge zult mij ook eens te Kaapstad opzoeken, niet waar? Ge zult eens met mij komen ronddwalen tusschen de prachtige gesternten van ons zuidelijk halfrond. Ge zult eens zien welk een rijken sterrenhemel wij hebben, en wat een genot het is er niet met volle handen, maar met volle blikken in te tasten! Kom aan, als ge wilt zullen we samen de ster theta van den Centaurus in tweeën deelen! Ik beloof u dat ik zonder u niet beginnen zal."
»Is dat afgesproken, William?"
»Zeker, Michel. Ik bewaar theta voor u, en zal u daarentegen te Kiew een van uwe nevelvlekken helpen oplossen!"
Die flinke jonge mannen! Was het niet alsof het uitspansel hun toebehoorde! En inderdaad, aan wie zou het eerder toebehooren dan aan die schrandere geleerden, die tot in zijne diepten zijn doorgedrongen?
»Maar vooral moet eerst die oorlog geëindigd zijn," hernam Michel Zorn.
»Dat zal wel zijn, Michel. Veldslagen met het kanon duren veel korter dan twisten over sterren. Rusland en Engeland zullen veel eerder verzoend zijn dan de kolonel en Mathieu Strux."
»Gelooft ge dan niet aan hunne oprechte verzoening," vroeg Zorn, »nadat zij zoovele beproevingen met elkander hebben doorgestaan?"
»Ik zou het niet vertrouwen," antwoordde William Emery. »Denk toch eens, het is de afgunst tusschen geleerden, en nog wel beroemde geleerden."
»Laten we dan maar minder beroemd zijn, waarde William," antwoordde Zorn, »maar elkander steeds liefhebben."
Er waren elf dagen sedert het geval met de bavianen voorbijgegaan, toen het kleine gezelschap dicht bij den waterval der Zambese eene vlakte vond, die zich verscheidene kilometers ver uitstrekte. De grond was hier volkomen geschikt om eene basis rechtstreeks te meten. Aan den rand der vlakte stond een klein dorp van slechts eenige hutten. De zeer geringe bevolking bestond uit vreedzame inlanders, die de Europeanen goed ontvingen. Het was gelukkig voor de reizigers, want zonder wagens, zonder tenten, bijna zonder kampmaterieel zou het moeilijk geweest zijn om zich voldoende in te richten; de meting van de basis kon wel eene maand duren, en men kon toch die maand niet in de openlucht doorbrengen, met de takken der boomen als eenige beschutting.
De wetenschappelijke commissie vestigde zich dus in die hutten, die voorloopig voor de nieuwe bewoners werden ingericht, en de geleerden waren mannen, die met weinig tevreden waren. Een enkele zaak hield hun geest bezig, namelijk het nagaan der nauwkeurigheid van hun vroegeren arbeid, die zou worden verkregen door de rechtstreeksche meting eener nieuwe basis, dat is te zeggen van de laatste zijde van den laatsten driehoek. Volgens de berekening toch had deze zijde eene meetkunstig bepaalde lengte, en hoe meer deze maat met de later door meting verkregene zou overeenkomen, des te beter zou het blijken dat de meting van den meridiaan nauwkeurig verricht was.
De astronomen begonnen aanstonds met die rechtstreeksche meting. De schragen, paaltjes en platina-linialen werden op dezen vrij vlakken grond opgesteld. Men nam even nauwkeurig dezelfde voorzorgen als bij de meting van de eerste basis. Men bracht den toestand van de atmosfeer, de veranderingen van den thermometer, het vlak leggen der toestellen, enz. in rekening. Kortom, niets werd bij deze laatste bewerking verzuimd, en de geleerden leefden voor het oogenblik voor niets anders dan voor dezen arbeid alleen.
Het werk begon den 10den April, en eindigde niet vóór den 15den Mei. Vijf weken waren aan dit nauwkeurige werk besteed geworden. Het hart klopte den astronoom hoorbaar, toen de uitslag der opmeting werd bekend gemaakt. Welk eene vergoeding voor hunne vermoeienis, voor hunne beproevingen, indien bij de narekening en nameting van hun arbeid, »deze als een kostbaar, onaantastbaar wetenschappelijk erfdeel aan de nakomelingschap kon overgaan."
Toen de verkregen lengten door de rekenaars herleid waren tot boogjes, die met het vlak der zee, en met die van eene temperatuur van 61° Fahrenheit (16° C.) moesten overeenkomen, boden Palander en Emery hunnen ambtgenooten de volgende cijfers aan:
Nieuw rechtstreeks gemeten basis 5075.25 vademen. Dezelfde basis door berekening en driehoeksmeting verkregen 5075.11 »
Verschil 0.14 »
dus 14/100 van een vadem, nog geen tien centimeters, en toch lagen de beide bases op meer dan 600 kilometers van elkander verwijderd!
Toen men in Frankrijk den meridiaan tusschen Duinkerken en Perpignan gemeten had, was het verschil tusschen de basis bij Melun, en die bij Perpignan gemeten ongeveer elf centimeters. De nauwkeurigheid door de Engelsch-Russische commissie bereikt is dus veel merkwaardiger, en maakt dat deze arbeid onder moeilijke omstandigheden, in het midden der Afrikaansche woestijnen, en tusschen allerlei gevaren en beproevingen verricht, als de meest volmaakte van alle geodesische metingen, die ooit ondernomen zijn, moet beschouwd worden.
Een driemaal aangeheven hoera begroette deze prachtige uitkomst, die in de jaarboeken der wetenschap zonder voorbeeld was.
En welke was nu de lengte van een graad op dit gedeelte van den aardbol? Naar de berekening van Nikolaas Palander juist 57037 vademen. Op één vadem na was het dus dezelfde lengte als Lescaille in 1752 aan de Kaap de Goede Hoop gevonden had. Een eeuw na elkander hadden dus de Fransche sterrekundige en de leden der Engelsch-Russische commissie bij hunne berekening zoo weinig verschil.
Wat nu de lengte van den meter betreft, daarvoor moest men den uitslag der opmetingen afwachten, die later in het noordelijk halfrond zouden ondernomen worden. Die lengte moest het tien millioenste gedeelte zijn van het vierde van één meridiaan. Naar vroegere berekeningen was zulk een vierde meridiaan, als men de afplatting der aarde als 1/49915 in rekening bracht, 10,000,856 meters lang, zoodat de juiste lengte van een meter 0.513074 vadem, of drie voet, elf streep en 296/1000 van een streep moet zijn. Was dit cijfer juist? Dit moest door den lateren arbeid van de Engelsch-Russische Commissie bewezen worden.
De geodesische arbeid was dus geheel afgeloopen. De astronomen hadden hunne taak volbracht. Men behoefde nu nog slechts de monding der Zambese te bereiken, en in omgekeerde richting den weg volgen, dien dokter Livingstone bij zijne tweede reis van 1858 tot 1864 zou afleggen. Den 25sten Mei kwamen zij, na eene vrij moeilijke reis door eene landstreek, die met beken en riviertjes doorsneden was, bij den Victoriawaterval.
Deze wonderschoone waterval rechtvaardigt den naam die daaraan door de inlanders gegeven is, en die beteekent »geruchtmakende rook." Boven de watermassa, die een kilometer breed, van eene hoogte nederstort welke het dubbele bedraagt van die der Niagara verheft zich een drievoudige regenboog. Tusschen de diepe kloven in de basaltrotsen brengt de vreeselijke stroom een gerommel voort als van het ratelen van een twintigtal donderslagen tegelijk.
Beneden den waterval en op de oppervlakte van den kalmer geworden stroom wachtte de stoomboot, die sedert veertien dagen langs een zijtak van de Zambese daar aangekomen was, de reizigers op. Allen waren tegenwoordig en namen plaats aan boord. Slechts twee mannen bleven op den oever achter, de Boschjesman en de gids. Mokum was meer dan een trouwe gids, het was een vriend, dien de Engelschen en vooral John Murray in Afrika achterlieten. De laatste had den Boschjesman voorgesteld om hem met zich naar Europa te nemen, en hem zoo lang bij zich te houden als het Mokum behaagde; doch Mokum had eene latere verbintenis op zich genomen en wilde die niet verbreken. Hij moest toch David Livingstone vergezellen op den tweeden tocht, dien deze koene reiziger weldra op de Zambese zou ondernemen, en Mokum wilde zijn woord gestand doen.
De jager bleef dus achter, doch werd schitterend beloond, en, waar hij nog het meeste prijs op stelde, de Europeanen, die hem zooveel verplicht waren, omhelsden hem hartelijk bij het afscheid. De boot stak van den oever, stoomde naar het midden van den stroom, en zoolang John Murray de gestalte van zijn vriend den jager kon onderscheiden, zond hij hem zijne afscheidsgroeten over.
Zonder inspanning of bijzondere voorvallen werd deze reis afgelegd; het ging stroomafwaarts bijzonder snel, en men kwam voorbij talrijke dorpen langs den oever. De inboorlingen beschouwden met eene bijgeloovige bewondering dit rookende schip, dat door eene onzichtbare macht door het water werd voortgestuwd, en verhinderden daarom de reis in geen enkel opzicht.
Na eene afwezigheid van achttien maanden kwamen de kolonel en de zijnen weder aan te Quilmiane, een van de voornaamste steden aan den mond der Zambese.
Het eerste wat de Europeanen deden was aan den Engelschen consul te vragen hoe het met den oorlog in Europa was. Deze was nog niet geëindigd, en Sebastopol hield het tegen de Engelsch-Fransche legers nog altijd vol.
Deze tijding was eene teleurstelling voor de Europeanen, die in een zelfde wetenschappelijk belang zoo vereenigd waren geweest; zij waagden evenwel geene enkele opmerking, en maakten zich gereed om te vertrekken.
Een Oostenrijksch koopvaardijschip, de Novara was op het punt van naar Suez te vertrekken. De leden der commissie besloten met dat schip de reis te ondernemen.
Den 18den Juni, op het oogenblik van inscheping, vereenigde de kolonel zijne ambtgenooten en sprak op kalmen toon deze woorden:
»Mijne heeren, gedurende de achttien maanden, die wij met elkander doorbrachten, hebben wij allerlei beproevingen doorgestaan, doch wij hebben een werk verricht dat de goedkeuring van het geheele geleerde Europa zal verwerven. Ik voeg er nog bij, dat dit gemeenschappelijke leven tusschen ons eene onwrikbare vriendschap moge hebben aangekweekt."
Mathieu Strux boog even zonder te antwoorden.
»Evenwel," zoo vervolgde de kolonel, »woedt de oorlog tusschen Engeland en Rusland nog altijd voort; men is slaags voor Sebastopol, en tot op het oogenblik dat de stad in onze handen vallen zal...."
»Dat zal niet gebeuren!" zeide Mathieu Strux, »of Frankrijk moest...."
»De toekomst zal het ons leeren, mijnheer," hervatte de kolonel koel. »In allen gevalle, en tot het einde van dien oorlog, geloof ik dat wij elkander op nieuw als vijanden moeten beschouwen..."
»Ik zou u dit juist hebben voorgesteld," antwoordde de astronoom van Pulkowa dood eenvoudig.
De toestand was dus juist afgeperkt, en onder deze omstandigheden scheepten de astronomen zich op de Novara in.
Eenige dagen later kwamen zij te Suez aan; op het oogenblik van scheiden greep William Emery Michel Zorn bij de hand en zeide:
»Altijd vrienden, Michel?"
»Ja, waarde William, altijd en onder alle omstandigheden!"
DE BLOKKADEBREKERS.
DE DOLFIJN.
De eerste stroom welks wateren schuimden onder het rad eener stoomboot, was de Clyde; het was in 1812.
Die boot heette de Komeet, en deed geregeld dienst tusschen Glasgow en Greenok. Na dien tijd hebben millioenen stoomschepen de Schotsche rivier op- en af gevaren, en de inwoners van Glasgow zijn sinds lang aan de wonderen der stoomkracht gewoon.
Niettemin waren op den 3en December 1862 de modderige straten van Glasgow bijna verstopt door eene ontzaglijke menigte menschen; reeders, kooplieden, winkeliers, werklieden, matrozen, vrouwen en kinderen drongen allen in ééne richting voort, naar Kelvindok, eene groote scheepstimmerwerf van de heeren Tod en Mac-Gregor.
Kelvindok ligt eenige minuten buiten de stad, op den rechter oever der Clyde; in een oogenblik was de gansche ruimte door nieuwsgierigen opgevuld; niet het kleinste plekje aan de kade, geen enkele muur om de werf heen, geen enkel pakhuisdak, dat nog een oningenomen plaatsje aanbood; de rivier zelve was vol vaartuigen van verschillenden aard en op den linker oever wemelden de heuvelen van toeschouwers.
Al die drukte gold nochtans geene bijzondere plechtigheid; er zou eenvoudig een stoomschip van stapel loopen. Nu kon het wel niet anders of het publiek van Glasgow moest aan zoo iets zeer gewoon zijn. Was er dan iets bijzonders te zien aan dien Dolfijn, zoo als de heeren Tod en Mac-Gregor hunne nieuwe stoomboot gedoopt hadden?--Volstrekt niet. Het was een groot vaartuig van vijftien honderd ton van geslagen plaatijzer, en dat alles in zich vereenigde om snel vooruit te kunnen komen. Zijne machine was van hooge drukking en vijfhonderd paardekracht. Zij bracht twee schroeven, aan weerszijden van den achtersteven in beweging, die onafhankelijk van elkander werkten; de toepassing van een geheel nieuw stelsel, dat eene groote snelheid aan de vaartuigen geeft en hun vergunt zich in een zeer beperkten kring te wenden en te keeren.
De Dolfijn kon niet veel diepgang hebben. De kenners zagen het duidelijk en leidden er te recht uit af dat de boot bestemd was om in ondiep water te varen. Doch al die bijzonderheden konden de ijverige belangstelling van zulk eene menigte niet rechtvaardigen. Over het geheel was de Dolfijn niets meer of niets minder dan andere stoombooten. Zou dan het van stapel loopen met een of ander technisch bezwaar te worstelen hebben?--Evenmin. De Clyde had reeds menig vaartuig van grooter omvang in hare wateren opgenomen, en de Dolfijn zou zonder eenige bijzonderheid te water gaan.
Inderdaad, bij het kenteren van het tij, op het oogenblik waarop de ebbe merkbaar werd, begonnen de manoeuvres; de hamerslagen weerklonken met een volmaakte harmonie op de wiggen, die bestemd waren om de kiel van het vaartuig op te lichten. Weldra trilde het geheele vaartuig; men zag het bewegen, hoe weinig het nog opgeheven was; het gleed, het gleed sneller en, de zorgvuldig met vet besmeerde helling afglijdende, plofte de Dolfijn in de Clyde, te midden van dikke wolken van opstuivend water. Zijn achtersteven drukte den bodem der rivier, verhief zich vervolgens op den rug eener reusachtige golf en de prachtige boot zou in hare vaart tegen de kaden der scheepstimmerwerven verbrijzeld zijn geworden, indien niet al hare ankers met een vreeselijk geraas gelijktijdig uitgeworpen, haar in haren loop hadden gestremd.
Het afloopen was volkomen gelukt. De Dolfijn wiegde zich bedaard op de wateren der Clyde. Al de toeschouwers klapten in de handen toen hij zijn natuurlijk element veroverd had en ontelbare hoera's rezen aan de beide oevers op.
Maar waarom al die toejuichingen?--Het zou den hartstochtelijksten toejuicher zeer moeielijk zijn gevallen zijn enthousiasme te verklaren. Van waar dan die zoo bijzondere belangstelling juist in deze boot? Eenvoudig vanwege de geheimzinnigheid harer bestemming. Men wist niet aan welke soort van handel zij zich wijden zou, en wanneer men er de groepen van nieuwsgierigen naar gevraagd had, zou men zich te recht verwonderd hebben over de verschillende meeningen omtrent deze ernstige zaak.
Intusschen waren de best onderrichten, of zij die zich daarvoor hielden, het met elkander eens dat deze stoomboot eene rol zou spelen in den vreeselijken burgeroorlog, waardoor de Vereenigde Staten van Amerika toen geteisterd werden. Doch meer wisten zij niet en niemand had kunnen bepalen of de Dolfijn een kaper, een transportschip, eene oorlogsboot der Geconfedereerden of voor de Noordelijken was.
»Hoera!" riep er een, die beweerde dat de Dolfijn voor rekening der Zuidelijken gebouwd was.
»Hip, hip, hip!" riep een ander, die zwoer dat nooit vlugger vaartuig op de Amerikaansche kusten had gekruist.
Het was dus het onbekende en, om met juistheid te weten waaraan men zich houden moest, had men de compagnon, of althans een intieme vriend van Vincent Playfair en Co. te Glasgow moeten zijn.
Een rijk, machtig en schrander huis was het, dat door Vincent Playfair en Co. werd vertegenwoordigd. Eene oude en geachte familie, afstammelingen van die Tabak-lords, die de fraaiste wijken der stad bebouwd hadden. Die bekwame handelaars hadden, tengevolge der Unie-akte, de eerste kantoren van Glasgow gesticht, door den handel in tabak van Virginië en Maryland. Er werden onmetelijke fortuinen gemaakt; er was een nieuw middelpunt voor den handel geschapen. Welhaast werd Glasgow eene stad van industrie; fabrieken, spinnerijen en smelterijen rezen overal als uit den grond op, en in weinig jaren had de voorspoed der stad haar toppunt bereikt.
Het huis Playfair bleef den ondernemingsgeest zijner voorvaderen getrouw. Het stortte zich in de stoutste ondernemingen en hield de eer van den Engelschen handel op. Zijn tegenwoordige chef, Vincent Playfair, een achtenswaardig man van vijftig jaren, was iemand van een praktisch en positief karakter, een stoutmoedig, ondernemend man, een echte reeder. Niets ging hem meer ter harte dan de handel. Daarbij was hij onkreukbaar eerlijk en loyaal.
Hij was het intusschen niet die zich de eer kon toerekenen den Dolfijn gebouwd en uitgerust te hebben. Die eer kwam toe aan James Playfair, zijn neef, een knap mensch van dertig jaren en de stoutste schipper der koopvaardijvloot van het Vereenigde Koninkrijk.
Op zekeren dag had James Playfair, nadat hij de Amerikaansche bladen gelezen had, zijn oom een zeer gewaagd plan voorgesteld.
»Oom Vincent," zoo viel hij met de deur in het huis, »er zijn twee millioen te winnen, in eene maand tijds!"