Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'
Part 17
Dáár knielde Everest voor den kijker, en het kloppen van zijn hart inhoudende, keek hij er door. O, hoe loste zich op dat oogenblik zijn geheele leven in dien enkelen blik op. Ja, het licht was dáár, schitterende tusschen het netwerk van den mikrometer! Ja, het licht scheen op den top van den Volquiria! Ja, het toppunt van den laatsten driehoek was eindelijk gevonden!
Het was inderdaad een zonderling schouwspel die twee geleerden te midden van het rumoer van den strijd te zien werken. De al te talrijke inlanders waren eindelijk door de omwalling heengedrongen. John Murray en de Boschjesman betwistten hun voet voor voet het terrein. Kogels werden met pijlen, lanssteken met bijlslagen beantwoord. En toch deden de kolonel en Mathieu Strux, beurtelings voor den kijker gebogen, voortdurend hunne waarneming! Zij vermenigvuldigden de aanwijzingen op den repetitiecirkel, om fouten bij het aflezen begaan te verbeteren, en de ongevoelige Nikolaas Palander teekende op zijn register den uitslag hunner waarnemingen op! Meer dan eens snorde hun een pijl langs het hoofd en vloog tegen de wanden van den wachttoren stuk. Zij keken telkens naar het licht op den Volquiria, gingen dan met eene loep de aanwijzingen van den nonius na, en de een bevestigde voortdurend de berekeningen van den ander!
»Nog ééne waarneming?" zeide Strux, terwijl hij den kijker over den graadcirkel voortschoof.
Eindelijk sloeg een zware steen, die door een inlander geworpen was, Palander het register uit de hand en wierp den repetitiecirkel om, die daardoor gebroken werd..... doch de waarnemingen waren afgeloopen. De richting van het licht was tot op een duizendste van eene seconde berekend!
Maar nu moesten zij ook vluchten om den uitslag van den roemrijken en prachtigen arbeid te behouden. De inlanders drongen reeds in de kazemat door en konden elk oogenblik in den wachttoren verschijnen. Kolonel Everest en zijne beide ambtgenooten namen hunne geweren weder op, Palander pakte zijn kostbaar register in, en allen vluchtten door de bres. Daar wachtten hunne makkers, van wie eenigen licht gekwetst waren, en stonden gereed om den aftocht te dekken.
Maar op het oogenblik dat zij van de noordelijke helling van den Scorzef wilden afdalen, riep Mathieu Strux: »Ons signaal!"
Inderdaad, men moest het licht der beide jeugdige astronomen beantwoorden met een vurig en lichtend teeken. Om den geodesischen arbeid te voleindigen, moesten Emery en Zorn op hunne beurt den top van den Scorzef waarnemen, en zonder twijfel wachtten zij op den Volquiria vol ongeduld op dit teeken.
»Nog ééne poging!" riep kolonel Everest.
En terwijl zijne makkers met bovenmenschelijke inspanning de drommen Makololo's terugwierpen, trad hij den wachttoren binnen. Deze was van zeer droog hout gemaakt. Eéne vonk kon dit gebouwtje vlam doen vatten. De kolonel stak er door middel eener patroon den brand in; oogenblikkelijk vatte het hout vlam, waarna de kolonel naar buiten ijlde, en zich weder bij zijne makkers voegde. Eenige oogenblikken daarna daalden de Europeanen onder een regenbui van pijlen en steenen van den berg af, terwijl zij de mitrailleuse voor zich uit lieten zakken, omdat zij deze niet in den steek wilden laten. Na de inlanders nog eens door een moordend salvo terug te hebben doen stuiven, kwamen zij bij de stoomboot.
Volgens bevel van den kolonel had de machinist alles gereed. De touwen werden losgemaakt, de schroef zette zich in beweging en de Queen and Tzar snelde over het meer voorwaarts.
Weldra was de boot ver genoeg om den top van den Scorzef te kunnen zien. De brandende wachttoren schitterde als een vuurbaak en moest van den top van den Volquiria gemakkelijk gezien kunnen worden.
Een luid gejuich van Engelschen en Russen begroette het reusachtige licht, welks flikkering de duisternis tot op vrij grooten omtrek verdreef.
William Emery en Michel Zorn konden er niet over klagen. Zij hadden eene ster laten zien, en werden met eene zon beantwoord.
XXII.
Palanders woede.
Toen de dag aanbrak, landde de boot aan den noordelijken oever van het meer. Daar was geen spoor van inlanders meer te vinden. Kolonel Everest en zijne makkers, die er reeds op voorbereid waren om hier den strijd te hernieuwen, trokken de patronen van hunne buksen, en de Queen and Tzar liet het anker vallen in eene kleine kreek tusschen twee uitstekende rotsen. De Boschjesman, John Murray en een der matrozen liepen den omtrek af om te jagen. De streek was vrij woest; er was geen spoor van Makololo's, maar gelukkig voor de hongerige reizigers ontbrak het niet aan wild. Tusschen het lange gras van de weilanden en onder het kreupelhout graasden kudden antilopen. De oevers van het meer werden bovendien bezocht door een groot aantal watervogels, die tot de eenden behoorden. De jagers kwamen met een grooten voorraad van die dieren te huis. De kolonel en zijne makkers konden dus hunne krachten herstellen met dit heerlijke wild, waaraan zij geen gebrek meer zouden hebben.
In den morgen van den 5den Maart werd het kamp op den oever van het meer bij een klein riviertje, in de schaduw van eenige groote wilgen opgeslagen. De plaats waar men met den gids had afgesproken weder bij elkander te komen, was juist aan dien noordelijken oever van het meer bij die kleine baai. Kolonel Everest en Mathieu Strux moesten daar hunne ambtgenooten afwachten en het was waarschijnlijk dat deze hun terugtocht onder betere omstandigheden en bij gevolg sneller zouden afleggen. Het waren dus eenige dagen van gedwongen rust, waarover niemand zich na zooveel vermoeienis beklaagde. Nikolaas Palander maakte daarvan gebruik om de uitkomst van de laatste driehoeksmeting te berekenen. Mokum en John Murray rustten uit door als een paar hartstochtelijke jagers de wildrijke, vruchtbare en goed besproeide streek af te loopen, die Murray gaarne voor het Engelsche gouvernement had willen aankoopen.
Drie dagen daarna, der 8sten Maart, gaven eenige geweerschoten de aankomst van de beide jeugdige astronomen te kennen. Emery, Zorn, de twee matrozen en de Boschjesman kwamen in volmaakte gezondheid terug. Zij brachten den theodoliet, het eenige instrument, dat der Engelsch-Russische commissie nog over was gebleven, behouden mede terug. Men kan begrijpen hoe de beide geleerden en hunne makkers ontvangen werden. Men was niet spaarzaam met gelukwenschen. In eenige woorden vertelden zij hunne reis. De heenreis was moeielijk geweest; gedurende twee dagen waren zij verdwaald geweest in de bosschen, die zij door moesten voor zij den berg bereikten. Daar zij geen enkel richtsnoer hadden, en alléén op de vrij onzekere aanwijzingen van het kompas voorttrokken, zouden zij den Volquiria nimmer bereikt hebben zonder de schranderheid van hun gids. Deze was altijd en overal schrander en trouw geweest. Het beklimmen van den berg was eene moeielijke zaak. Vandaar de vertraging, die den jongen lieden even onaangenaam was als hunnen ambtgenooten op den Scorzef. Eindelijk hadden zij den top van den Volquiria bereikt. De electrieke lantaarn werd den 4den Maart geplaatst, en in den volgenden nacht schitterde het licht, door een krachtigen spiegel teruggekaatst, voor het eerst op den bergtop. De astronomen op den Scorzef zagen het dus bijna even snel als het verscheen.
Van hun kant hadden Zorn en Emery het groote vuur op den Scorzef gemakkelijk kunnen zien. Zij hadden er door middel van den theodoliet de richting van bepaald, en op die wijze de meting van den driehoek geëindigd, waarvan de Volquiria de top was.
»En kent gij de breedte van dien bergtop!" vroeg de kolonel aan William Emery.
»Nauwkeurig, kolonel, door het juiste meten van eenige sterrehoogten," antwoordde de jonge astronoom.
»En waar ligt die bergtop?..."
»Op 19° 37' 35'' 337, dus met eene nauwkeurigheid van duizendste deelen eener seconde," antwoordde Emery.
»Welnu, mijne heeren," hernam de kolonel, »onze taak is om zoo te zeggen geëindigd. Wij hebben een gedeelte van een meridiaan van meer dan acht graden door middel van drie en zestig driehoeken gemeten, en wanneer wij ons werk hebben nagerekend, zullen wij juist weten hoe lang een graad en bij gevolg een meter op dit gedeelte van de aarde is."
»Hoera, hoera!" riepen de Engelschen en Russen eenstemmig.
»Nu rest ons alléén nog," voegde de kolonel Everest er bij, »den Indischen Oceaan te bereiken, door de Zambese af te stoomen. Is dit uw oordeel ook niet, mijnheer Strux?"
»Ja, kolonel," antwoordde de astronoom van Pulkowa, »maar ik geloof dat wij ons werk meetkunstig moeten narekenen. Ik stel u dus voor de rij van driehoeken naar het oosten te verlengen, tot dat wij eene plaats hebben gevonden waar wij eene nieuwe basis kunnen meten. De overeenkomst die er bestaat tusschen de lengte van die basis, welke verkregen is door de berekening en de rechtstreeksche meting op den grond, moet ons alléén den graad van zekerheid aan de hand geven, waarmede wij onze geodesische waarnemingen hebben volbracht."
Het voorstel van Mathieu Strux werd zonder discussie aangenomen. Deze contrôle op de reeks van driehoeksmetingen sedert de eerste basis gemeten was, scheen noodzakelijk. Men kwam dus overeen dat men in oostelijke richting eene rij nevendriehoeken meten zou tot daar waar één van de zijden van een driehoek rechtstreeks kon gemeten worden, door middel van de platina-linialen. De stoomboot moest de astronomen beneden den beroemden Victoria-waterval opwachten.
Toen alles aldus geregeld was, ging de kleine troep, onder aanvoering van den Boschjesman, behalve vier matrozen die zich op de Queen and Tzar inscheepten, met het opgaan der zon op den 6den Maart op weg. Westwaarts waren de stations gekozen, hoeken gemeten, en men kon in deze streek, die zoo geschikt was voor het plaatsen van signalen, verwachten, dat men gemakkelijk eene rij driehoeken meten kon. De Boschjesman had zeer behendig een quagga gevangen, een soort van wild paard met bruine en witte manen, met rossen en gestreepten rug, en goedschiks of kwaadschiks maakte hij er een lastdier van, dat bestemd was om de bagage van de karavaan te dragen, namelijk den theodoliet, de linialen en de schragen om de basis te meten, al hetwelk met de stoomboot gered was.
De reis werd vrij snel volbracht. Het werk hield de astronomen niet lang bezig. Voor de nevendriehoeken, die niet zeer groot waren, vond men in dit heuvelachtig land gemakkelijk hoekpunten. Het weer was gunstig en het was onnoodig om 's nachts waarnemingen te doen. De reizigers konden bijna voortdurend werken in de schaduw van de groote boomen, die in deze streek groeiden. Bovendien was de warmte draaglijk, en door den invloed der vochtigheid, die door beken en vijvers in de atmosfeer onderhouden werd, rezen dampen uit den grond op, die de hitte der zonnestralen eenigszins temperden.
De jacht voorzag in alle behoeften der kleine karavaan. Er was geen sprake meer van inlanders. Het was waarschijnlijk dat de roofzieke benden verder ten zuiden van het meer Ngami plunderden.
Mathieu Strux en de kolonel hadden geen enkel oneenig woord meer met elkander. Het scheen dat hun persoonlijke naijver vergeten was. Er bestond dan ook in wezenlijkheid geen vijandschap tusschen de beide geleerden, maar meer moest men ook niet van hen vergen.
Gedurende eenentwintig dagen, van 6 tot 27 Maart viel er geen enkel meldenswaardig voorval voor. Vóór alles zocht men eene goede plaats voor eene basis, doch het land was er niet geschikt voor. Hiervoor was eene vrij groote uitgestrektheid van vlak en horizontaal terrein over eene breedte van verscheidene kilometers noodig, en de heuveltjes en hoogten, die voor het plaatsen van seinpalen zoo gunstig waren, verhinderden de rechtstreeksche meting eener basis. Men trok dus altijd noordoostwaarts, terwijl men soms den rechter oever van de Chobé, een van de voornaamste zijtakken der boven-Zambese volgde, zoodat Maketo, de voornaamste stad der Makololo's, vermeden werd.
Zonder twijfel kon men verwachten dat de terugtocht aldus onder gunstige omstandigheden plaats hebben, dat de natuur den astronomen geen hinderpalen of wezenlijke moeilijkheden meer in den weg leggen en dat de tijd van beproevingen nu niet weder beginnen zou. De kolonel en zijne makkers trokken inderdaad door eene betrekkelijk bekende streek en zij moesten weldra de dorpen en vlekken aan de Zambese bereiken, die dokter Livingstone vroeger bezocht had. Zij dachten dus, en met reden, dat het moeilijkste gedeelte van hunne taak vervuld was. Misschien bedrogen zij zich niet, en toch dreigde een voorval, dat de ergste gevolgen na zich had kunnen slepen, de uitkomsten der onderneming onherstelbaar te vernietigen.
Het was Nikolaas Palander, die de held of liever bijna het slachtoffer van dit voorval was geworden.
Men weet dat de onversaagde, maar onnadenkende cijferaar in zijne berekeningen verdiept, dikwijls van zijne makkers afdwaalde. In een vlak land leverde deze gewoonte geen enkel gevaar op. Men was den afwezige spoedig genoeg op het spoor. Maar in eene boschrijke streek konde de afgetrokkenheid van Palander zeer ernstige gevolgen na zich slepen. Ook hadden Mathieu Strux en de Boschjesman hem duizenden keeren daartegen gewaarschuwd. Nikolaas beloofde er om te denken hoewel hij zich uitermate verwonderde over die buitensporige voorzichtigheid. De waardige man bemerkte zijne afgetrokkenheid niet eens!
Op den genoemden dag, 27 Maart, hadden Strux en de Boschjesman Nikolaas Palander reeds sedert verscheidene uren gemist. De kleine karavaan trok door een dicht kreupelhout, van lage en dikgebladerde boomen, waardoor het uitzicht zeer belemmerd werd. Men moest dus dicht bij elkander blijven, want het zou moeilijk geweest zijn het spoor van iemand, die verdwaald was, terug te vinden. Maar Palander die niets zag en nergens op paste, was met het potlood in de ééne en de registers in de andere hand links van de karavaan afgedwaald, en weldra verdwenen.
Men oordeele over de ongerustheid van Mathieu Strux en zijne makkers, toen zij tegen vier uren na den middag Palander niet zagen. De herinnering aan de krokodillen was nog levendig in hun geest en de afgetrokken cijferaar was waarschijnlijk de eenige van allen, die dit vergeten had! De reizigers verkeerden dus in grooten angst, en wilden niet voorttrekken voordat Nikolaas Palander weer bij hen was. Men riep, maar te vergeefs. De Boschjesman en de matrozen onderzochten dus het bosch in een vrij grooten omtrek, zochten onder de struiken, liepen door het hooge gras en schoten van tijd tot tijd hunne geweren af. Niets! Nikolaas Palander verscheen niet.
Zij waren allen zeer ongerust, maar men moet er bijvoegen dat Mathieu Strux niet alleen ongerust, maar ook zeer boos was op zijn onhandigen ambtgenoot. Het was de tweede maal dat zulk eene gebeurtenis door de schuld van Palander plaats had, en indien de kolonel hem er een verwijt van had gemaakt, zou Mathieu Strux zeker niet geweten hebben wat hij moest antwoorden.
In deze omstandigheden kon men dus slechts één besluit nemen, namelijk om in het bosch eene legerplaats op te slaan, en een zeer nauwkeurig onderzoek in te stellen om den rekenaar op te sporen.
De kolonel en zijne makkers maakten zich gereed zich neer te slaan bij eene groote open plek, toen een kreet, die niets menschelijks had, op eenige honderden passen links af uit het bosch weerklonk. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen Palander. Hij liep zoo snel als hij kon, blootshoofds, met te berge gerezen haren en verscheurde kleeren, terwijl de lompen hem om het lichaam sloegen.
De ongelukkige kwam bij zijne makkers, die hem met vragen bestormden. Maar de arme man kon niet spreken; hij had de oogen wijd opengespalkt, zijne oogappels waren buitensporig verwijd, en de neusvleugels dichtgedrukt, zoodat hij bijna geen adem kon halen, en slechts kort en gejaagd hijgde. Hij wilde antwoorden maar kon niet.
Wat was er toch gebeurd? Waarom was Palander zoo ontsteld, waarom was hij in zulk een spanning? Men kon er zich geen denkbeeld van maken.
Eindelijk kwamen deze bijna onverstaanbare woorden uit zijn keel. »De registers! de registers!"
Bij die woorden liep den astronomen eene rilling over het lichaam; zij hadden het begrepen! De beide registers, waarop de uitkomst van alle geodesische opnamen stond opgeteekend, die registers, van welke de rekenaar nimmer scheidde, zelfs niet des nachts, die registers waren weg! Die registers droeg Nikolaas Palander! Had hij ze verloren? Had men ze gestolen? Dat deed er niets toe, zij waren weg; alles moest worden overgedaan, en men kon weder van voren af aan beginnen!
Terwijl zijne verslagen makkers elkander stilzwijgend aankeken, barstte Mathieu Strux in woede uit. Hij kon zich niet bedwingen. Wat voer hij tegen den ongelukkige uit! Met welke scheldnamen overlaadde hij hem! Hij ontzag zich niet hem met den toorn van de Russische regeering te bedreigen, er bijvoegende dat als hij onder de knoetslagen niet bezweek, hij zeker naar Siberië zou gezonden worden!
Op dit alles antwoordde Nikolaas Palander slechts door een hoofdschudden. Hij scheen in al die straffen te berusten, en te willen zeggen dat hij ze verdiende, dat zij zelfs nog te zacht voor hem waren!
»Maar wie heeft ze dan toch gestolen?" vroeg de kolonel. »Wat doet het er toe!" riep Mathieu Strux buiten zich zelven. »Waarom heeft die ellendeling zich verwijderd? Waarom is hij niet bij ons gebleven na al het waarschuwen dat wij hem reeds gedaan hebben?"
»Ja," antwoordde Murray, »maar wij moeten toch weten of hij ze verloren dan of men ze hem ontstolen heeft. Heeft men u beroofd, mijnheer Palander?" vroeg de Engelschman, terwijl hij zich naar den armen man wendde, die van afmatting op den grond was gevallen. »Heeft men u bestolen?"
Nikolaas Palander knikte bevestigend.
»En wie heeft u bestolen?" hernam Murray. »Zijn het inboorlingen, zijn het Makololo's?"
Palander knikte ontkennend.
»Europeanen, blanken?" vervolgde Murray.
»Neen," antwoordde Palander met gesmoorde stem.
»Maar wie dan toch?" riep Strux, terwijl hij den ongelukkige de gebalde vuist onder den neus duwde.
»Neen," zeide Nikolaas Palander, »geen inboorlingen .... geen blanken .... maar bavianen!"
Als de gevolgen van dit voorval niet zoo ernstig geweest waren, zouden de kolonel en zijne makkers zeker in lachen zijn uitgebarsten! Ja, Nikolaas Palander was door apen bestolen!
De Boschjesman verzekerde, dat zulke feiten dikwijls voorkwamen. Voor zoover hij wist waren reizigers dikwijls beroofd door chacma's, hondskop-apen, die tot de bavianen behooren, en waarvan men in de Afrikaansche bosschen geheele troepen aantreft. De cijferaar was door die roofzuchtige dieren bestolen, evenwel niet zonder hevige worsteling, zooals zijne verscheurde kleeren bewezen. Dit verontschuldigde hem echter niet, want het zou niet gebeurd zijn, als hij bij de karavaan was gebleven; de registers van de wetenschappelijke commissie waren met dat al nu verloren, en 't was een onherstelbaar verlies, dat zoovele gevaren, zooveel lijden en zooveel opofferingen als ongedaan maakte.
»Het is dus zeker," zeide de kolonel, »dat het der moeite niet waard is geweest, een deel van een meridiaan in de binnenlanden van Afrika te meten, opdat een onhandig schepsel ...."
Hij eindigde evenwel niet. Waarom den ongelukkige nog harder gevallen, dan hij het zich zelven reeds deed, en wien de vertoornde Strux zonder ophouden de hatelijkste scheldnamen naar het hoofd wierp.
Men moest echter raad schaffen, en 't was de Boschjesman die wederom raad wist, want alleen hij, wien dit verlies het minste trof, bewaarde bij deze gelegenheid zijne koelbloedigheid. Het is dan ook zeker dat de Europeanen zonder onderscheid als vernietigd waren.
»Mijne heeren," zeide de Boschjesman, »ik begrijp uw wanhoop, maar de oogenblikken zijn kostbaar, en men moet ze niet verliezen. De registers van mijnheer Palander zijn gestolen; hij is beroofd door bavianen, welnu, laat ons zonder dralen de roovers vervolgen. Die dieren passen bijzonder goed op de voorwerpen, die zij stelen. Bovendien kunnen registers niet opgegeten worden, en als wij den roover terugvinden, zullen wij ook de registers terugkrijgen!"
De raad was goed. Het was eenige hoop, die de Boschjesman liet doorschemeren; men moest die niet laten varen. Nikolaas Palander herleefde weder bij het voorstel. Hij werd een ander mensch; hij ontdeed zich van een gedeelte zijner lompen, trok de jas van een matroos aan, zette den hoed van een ander op, en verklaarde zich bereid om zijne makkers naar het tooneel der misdaad te begeleiden. Dien zelfden avond werd de weg volgens de aangegeven richting door den rekenaar gewijzigd, en de karavaan trok rechtstreeks naar het westen. Noch de nacht, noch de volgende dag bracht verbetering aan. Op verscheidene plaatsen herkenden de Boschjesman en de gids aan sporen op den grond en tegen de boomen den weg, dien de apen even te voren gevolgd waren. Nikolaas Palander verzekerde dat hij met een tiental van die dieren te maken had gehad. Men was er weldra zeker van ze op het spoor te zijn, en ging dus met de uiterste omzichtigheid voorwaarts, daarbij zorgdragende altijd verborgen te blijven, omdat die bavianen slim, schrander en niet gemakkelijk te genaken zijn. De Boschjesman meende in zijne nasporingen niet te zullen slagen, als men de chacma's niet plotseling overviel.
Den volgenden morgen tegen acht uren, zag een der Russische matrozen, die vooruit liep, zoo niet den dief dan toch een van de makkers van den roover. Hij kwam voorzichtig naar de zijnen terug.
De Boschjesman liet halt houden. De Europeanen die besloten hadden hem in alles te gehoorzamen, wachtten zijne bevelen af. De Boschjesman verzocht hen op die plaats te blijven staan, en ging met Murray en den gids naar de plek van het bosch, dat door den matroos bezocht was, waarbij hij zorg droeg zich zooveel mogelijk achter boomen en onder heesters te verschuilen. Weldra bespeurde men den baviaan en bijna tegelijkertijd een tiental andere apen, die op de takken heen en weder sprongen. De Boschjesman, die met zijne beide makkers achter een boom ineen gedoken zat, nam ze met de uiterste nauwkeurigheid op.
Het was inderdaad, zooals Mokum gezegd had, een troep chacma's, wier lichaam met groenachtig haar bedekt was. Zij hadden zwarte ooren en een zwart gezicht, en zweepten met den langen staart voortdurend langs den grond; het waren sterke beesten, die zelfs voor verscheurende dieren te vreezen waren door hunne krachtige spieren, groote tanden en scherpe nagels. Deze chacma's, die de eigenlijke roovers onder het apengeslacht zijn, en de koren- en maïsvelden voortdurend plunderen, zijn de schrik der Boeren, wier woningen zij somwijlen zelfs verwoesten. De apen blaften en keften onder hun heen- en weerspringen evenals honden waarop zij eenigszins geleken. Geen hunner had de hen bespiedende jagers nog bemerkt.
Maar was nu de beroover van Palander bij die troep? Dit punt moest eerst worden uitgemaakt; doch men behoefde niet meer te twijfelen, toen de gids aan zijne makkers een der bavianen aanwees, die zich een stuk van de kleederen van Nikolaas Palander om het lichaam geslagen had.
O, welke hoop verlevendigde weder het hart van John Murray; hij twijfelde er niet aan of die groote aap bezat de gestolen registers. Men moest zich dus ten koste van alles van dit dier meester maken, en met de grootste omzichtigheid handelen. Eene enkele onhandige beweging en de geheele troep zou zeker door het bosch vluchten zonder dat het mogelijk was hem weder in te halen.
»Blijf hier," fluisterde Mokum tegen den gids. »Mijnheer Murray en ik gaan weder naar de anderen terug om maatregelen te nemen om den troep te omsingelen. Verlies echter die roovers vooral niet uit het oog!"
De gids bleef op den aangewezen post en de Boschjesman en Murray zochten den kolonel weder op.