Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'

Part 16

Chapter 163,804 wordsPublic domain

Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden, was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich dus slechts met geduld wapenen en wachten.

Gedurende den 28sten Februari, at de kleine bezetting van den Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.

De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder verscheen.

Gedurende den dag van den 1sten Maart at men niet. Waarschijnlijk waren de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgenden dag vreeselijk lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich eenigermate herstellen.

John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel voorspeld had?

»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!" dacht de arme Murray, »wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild, geen vogeltje!"

Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van de Queen and Tzar hadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels, die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.

Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden, benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er zich dus met genot aan over.

Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer, beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.

Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van, stak die in den mond en at ze met graagte op.

»He, foei, Mokum!" zeide de Engelschman, die misselijk werd van deze gulzigheid.

»Eet, eet, doe zooals ik!" antwoordde de jager, zonder tijd te verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!...."

Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgens hen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijk met de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.

Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne maag langzamerhand bedaren.

Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.

Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk, en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen de zorg over om ze in zakken te stoppen.

Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.

Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.

»Daar hebben wij ons gebraad, heeren," zeide de Boschjesman. »Wij hebben er lang op moeten wachten, maar 't zal daarom niet minder lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!"

De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met mieren bedekt weder intrekt.

Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige minuten bradens aan, doch de honger maakte hen ongeduldig! De helft van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop van die dappere Europeanen er door verlevendigd!

En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den Volquiria!

XXI.

Het licht verschijnt.

Er waren nu negen dagen verloopen sedert de geleider en zijne metgezellen vertrokken waren. De geleider en zijne makkers waren voor negen dagen vertrokken. Waardoor was hun tocht vertraagd? Hadden menschen of dieren hun onoverkomelijke hinderpalen in den weg gelegd? Moest men uit die vertraging opmaken dat Michel Zorn en William Emery op hun tocht bepaald waren opgehouden? Moest men niet denken dat zij onherroepelijk verloren waren?

Men kan zich de vrees, den angst, de afwisselende hoop en twijfelingen van de op den Scorzef gelegerde astronomen voorstellen. Hunne ambtgenooten en vrienden waren sedert negen dagen vertrokken! In zes of zeven dagen hadden zij het doel kunnen bereiken; het waren ijverige, moedige mannen, die door wetenschappelijken heldenmoed werden aangevuurd. Van hunne tegenwoordigheid op den Volquiria hing het welslagen der groote onderneming af. Zij wisten het, en zouden dus niets verzuimd hebben om goed te slagen. Het lange dralen kon hun niet geweten worden. Indien dus het licht negen dagen na hun vertrek nog niet op den Volquiria schitterde, moesten zij door zwervende horden gedood of gevangen genomen zijn!

Dit waren de ontmoedigende gedachten en de droevige veronderstellingen, die de kolonel en zijne ambtgenooten maakten. Met welk een ongeduld wachtten zij dat de zon onder den gezichteinder verdwenen was, om hunne waarnemingen in de duisternis weder te beginnen! Welke voorzorgen namen zij daarbij in acht! Al hunne hoop vestigde zich op het oculair waardoor zij het verre licht zouden ontwaren. Hun geheele leven was als samengetrokken in het kleine gezichtsveld van een kijker! Gedurende den 3den Maart dwaalden zij op de hellingen van den Scorzef rond, wisselden nauwelijks één woord met elkander, en beheerscht door een eenig denkbeeld, leden zij zooals zij nog nimmer geleden hadden! Noch de buitengewone hitte in de woestijn, noch de afmatting van eene reis onder de stralen eener tropische zon, noch de kwellingen van den dorst hadden hen zoo ter neergeslagen.

Gedurende dien dag werden de laatste stukken vleesch van den miereneter verorberd, en de bezetting der schans was toen in de noodzakelijkheid zich slechts zeer onvoldoende te voeden met den voorraad uit het mierennest.

De nacht kwam zonder maanlicht, kalm en duister, en was bijzonder geschikt voor waarnemingen. Doch geen licht was op den top van den Volquiria te zien. De kolonel en Mathieu Strux wisselden elkander tot aan de eerste morgenschemering af, en staarden met bewonderingswaardige volharding naar den gezichteinder. Niets, niets verscheen er, en de eerste zonnestralen maakten weldra elke waarneming onmogelijk!

Van den kant der inboorlingen was nog niets te vreezen. De Makololo's schenen besloten te zijn om de belegerden door hongersnood te dwingen. En inderdaad kon het niet missen of zij zouden slagen. Gedurende den dag van den 4den Maart kwelde de honger de belegerden op nieuw, en de ongelukkige Europeanen konden dit lijden slechts verminderen door op de knolachtige wortels der lischbloemen te kauwen, die in de spleten der rotsen groeiden.

Gevangen waren zij echter niet! De stoomboot lag nog altijd in de kreek en kon, als zij zulks wilden, hen over het meer naar vruchtbaarder streken brengen waar wild en groenten en vruchten in overvloed voorhanden waren. Verscheidene malen had men de vraag geopperd of het niet goed zou zijn den Boschjesman naar den noordelijken oever te zenden, ten einde er voor de belegerden te jagen. Maar behalve dat dit door de inlanders gemerkt kon worden, waagde men daarmede de stoomboot en dus aller behoud in geval andere stammen van Makololo's den noordelijken oever van het meer bezet hielden. Dit voorstel werd dus verworpen. Allen zouden vluchten of samen blijven. Er was evenwel geen sprake van den Scorzef te verlaten voor dat de arbeid ten einde was gebracht. Men moest wachten totdat alle kansen op goeden uitslag in rook vervlogen waren. Het was eene zaak van geduld, en men zou geduld hebben!

»Toen Arago, Biot en Rodriguez," zeide de kolonel tegen zijne om hem heen zittende metgezellen, »zich voorstelden den meridiaan van Duinkerken tot op Iviza voort te zetten, verkeerden die geleerden bijna in denzelfden toestand als wij. Men moest het eiland met de Spaansche kust verbinden door een driehoek, waarvan de zijden meer dan honderd twintig kilometers lang waren. Rodriguez vestigde zich op een der bergtoppen van het eiland en onderhield er het licht in een lantaarn, terwijl de Fransche geleerden op meer dan honderd kilometers daarvandaan onder eene tent in de woestijn van Las Palmas leefden. Gedurende zestig nachten keken Arago en Biot uit naar het licht, dat zij wilden waarnemen. Ontmoedigd wilden zij hunne onderneming reeds opgeven, toen zij den eenenzestigsten nacht door hun kijker een lichtend punt zagen, dat met geene ster der zesde grootte verward kon worden, omdat het zoo onbeweeglijk stond. Eenenzestig nachten wachten! welnu mijne heeren, wat twee Fransche geleerden in het belang der wetenschap gedaan hebben, zouden dat Russische en Engelsche astronomen niet doen?"

Het antwoord van al die geleerden was een gejuich tot bevestiging. En toch hadden zij den kolonel kunnen antwoorden dat noch Biot, noch Arago bij hun langdurig verblijf in Las Palmas de kwelling van den honger ondervonden!

Gedurende dien dag waren de Makololo's buitengewoon bedrijvig. Zij gingen en kwamen, zoodat de Boschjesman ongerust werd. Misschien wilden zij bij het vallen van den nacht een nieuwen aanval wagen, of maakten zij zich gereed hunne legerplaats op te breken. Nadat Mokum hen nauwkeurig had gadegeslagen, meende hij in deze beweging vijandelijke plannen te bespeuren. De Makololo's maakten hunne wapenen gereed. De vrouwen en kinderen, die tot nog toe bij hen waren gebleven, verlieten de legerplaats en trokken onder geleide van eenige gidsen oostwaarts naar de oevers van het meer Ngami. Het was dus mogelijk dat de belegeraars een laatste maal wilden beproeven de schans te vermeesteren vóór dat zij voor goed naar hunne hoofdstad Maketo terugtrokken.

De Boschjesman deelde den Europeanen den uitslag van zijn onderzoek mede. Men besloot dien nacht streng de wacht te houden, en alle wapenen gereed te maken. Het getal der belegeraars moest aanzienlijk zijn. Niets belette hen om met honderden te gelijk de hellingen van den Scorzef te beklimmen. De schans lag op vele plaatsen in puin, en zou dus aan een troep inlanders gemakkelijk toegang verschaffen. De kolonel meende dus voorzichtig te handelen als hij eenige voorzorgen nam voor het geval dat de belegerden genoodzaakt waren om terug te trekken en hun station tijdelijk te verlaten. De stoomboot moest gereed gehouden worden om op het eerste teeken te vertrekken. Een van de zeelieden, de machinist van de Queen and Tzar, kreeg bevel om het vuur aan te leggen, en stoom te maken voor het geval dat de vlucht noodzakelijk werd. Maar hij moest wachten totdat de zon onder was, opdat de inlanders den rook der stoomboot niet zouden gewaar worden.

Het avondmaal bestond uit witte mieren en wortels van lischbloemen. Een treurig voedsel voor mannen, die misschien slag moesten leveren! Maar zij waren vast besloten, boven elke zwakheid verheven en wachtten het noodlottige uur zonder vrees af.

Tegen zes uren, toen de avond viel met die snelheid, waarmede dit gewoonlijk in de keerkringsstreken plaats heeft, daalde de machinist van den berg af, en begon het vuur onder den ketel der boot te stoken. Het spreekt van zelf dat kolonel Everest niet aan vluchten dacht, dan in den uitersten nood en wanneer het hem verder onmogelijk scheen de schans te houden. Hij had er niet veel zin in zijn wachtpost te verlaten, vooral niet gedurende den nacht, want elk oogenblik konden William Emery en Michel Zorn het licht op den top van den Volquiria ontsteken.

De andere zeelieden werden als wachtposten buiten de omheining der schans geplaatst met bevel den toegang tot de bressen tot het uiterste te verdedigen. Alle wapenen waren gereed. De mitrailleuse werd geladen en met een groot aantal patronen voorzien; hare vreeselijke mondingen staken door eene opening naar buiten.

Men wachtte verscheidene uren. Kolonel Everest en de Russische astronoom wisselden elkander in den nauwen wachttoren af, en keken onophoudelijk naar den bergtop, die door hun kijker te zien was. De gezichteinder bleef duister, terwijl de schoonste sterren van den zuiderhemel aan het uitspansel schitterden. Geen windje beroerde de atmosfeer. De diepe stilte der natuur was indrukwekkend. De Boschjesman, die op eene vooruitspringende rotspunt stond, luisterde aandachtig naar elk geluid dat zich uit de vlakte verhief. Langzamerhand werden die geluiden duidelijker. Mokum had zich in zijne gissingen niet bedrogen: de Makololo's maakten zich gereed om een laatsten aanval op den Scorzef te wagen.

Tot tien uren bewogen de belegeraars zich niet. Hunne vuren waren uitgedoofd. De legerplaats en de vlakte waren door de duisternis niet van elkander te onderscheiden. Plotseling zag de Boschjesman schaduwen, die zich op de hellingen van den berg bewogen. De belegeraars waren op niet meer dan honderd voet van de schans verwijderd.

»Onraad! onraad!" riep Mokum.

De kleine bezetting kwam aan de zuidzijde van de schans aanstonds naar buiten, en begon dapper op de aanvallers te vuren. De Makololo's beantwoordden dit met hun krijgsgeschreeuw, en niettegenstaande het goed onderhouden geweervuur, bleven zij naar boven klauteren. Bij het licht der geweerschoten zag men zulk een dichten drom van inlanders, dat alle tegenstand onmogelijk scheen. Te midden van die massa brachten evenwel de kogels, die nimmer misten, eene vreeselijke slachting te weeg. Troepen Makololo's stortten naar beneden en vielen over elkander heen tot onder aan den berg. Tusschen de kort op elkander knallende schoten konden de belegerden hun woest geschreeuw hooren. Maar niets hield hen tegen, zij klommen voortdurend in dichte drommen naar boven, zonder een enkelen pijl af te schieten, omdat zij er geen tijd voornamen, en slechts den top van den Scorzef wilden bereiken.

De kolonel streed aan het hoofd der zijnen. Zijne makkers, evenals hij gewapend, stonden hem moedig ter zijde, zelfs Palander niet uitgezonderd, die waarschijnlijk voor de eerste maal van zijn leven een geweer hanteerde. Murray, die van de eene rotspunt op de andere sprong, nu eens knielde, dan weder plat op den grond lag, deed wonderen van dapperheid, en zijn buks, die door de snel op elkander volgende schoten warm was geworden, brandde hem reeds in de handen. De Boschjesman was in dezen bloedigen strijd weder de geduldige, stoutmoedige jager, die steeds zich zelven meester bleef.

Noch de bewonderenswaardige dapperheid der belegerden, noch de zekerheid hunner schoten, noch de juistheid hunner wapenen konden echter iets uitrichten tegen den opstijgenden stroom van aanvallers. Als er één Makololo sneuvelde, namen twintig anderen zijne plaats in, en dit werd te veel voor tien Europeanen en den Boschjesman! Na een half uur strijdens begreep de kolonel dat hij overmand zou worden. Want niet alleen langs de zuidzijde maar ook langs de andere hellingen van den berg nam de stroom der aanvallers voortdurend toe. De lijken van de gesneuvelden dienden als trap voor de anderen. Eenigen maakten zich een schild van een lijk, en kwamen aldus naar boven. Dit alles kon telkens bij het snelle en rosse licht der schoten gezien worden en was vreeselijk, ontzettend. Men gevoelde wel dat er van zulke vijanden geen genade te wachten was. Het was een aanval van wilde dieren, die aanval van plunderaars, dorstende naar bloed en erger dan de verscheurende beesten der Afrikaansche fauna! Gewis konden zij de plaats bekleeden van tijgers, die in deze streken ontbraken!

Om half elf drongen de eerste inlanders op het plateau van den Scorzef door. De belegerden konden, als zij van hunne wapenen geen gebruik meer konden maken, onmogelijk man tegen man strijden. Het was dus dringend noodzakelijk eene schuilplaats binnen de schans te zoeken. De kleine troep was gelukkig nog ongedeerd, daar de Makololo's zich noch van hunne pijlen, noch van hunne lansen hadden bediend.

»Achterwaarts!" riep de kolonel met eene stem, die boven het rumoer van den strijd uitkwam. En na een laatste salvo volgden de belegerden hun aanvoerder, en trokken zich achter de muren van de schans terug.

Ontzettende kreten begroetten dezen terugtocht. De inboorlingen vertoonden zich aanstonds voor de middelste bres, om eene bestorming te beproeven. Maar plotseling liet zich een vreeselijk geraas hooren, iets dat geleek op het aanhoudend geknetter, bij het ontladen van een sterken elektrieken stroom. Het was de mitrailleuse, die door John Murray bediend werd; de vijfentwintig loopen, die waaiervormig geplaatst waren, bestreken met hunne kogels een boog van meer dan honderd voet oppervlakte van het plateau, waarop de inlanders doordrongen. De kogels, die door een vernuftig samengesteld werktuig voortdurend in de loopen werden gebracht, vielen als hagel op de belegeraars; vandaar dat zij voor een oogenblik als geheel werden weggevaagd. Eerst beantwoordden zij het ontploffen van dit vreeselijke werktuig met een spoedig onderdrukt gehuil, daarna met een zwerm van pijlen, die den belegerden geen kwaad deed.

»Dat dingetje speelt goed!" zeide de Boschjesman, terwijl hij Murray naderde; »als u te vermoeid zijt om nog een deuntje er op te spelen...."

Maar de mitrailleuse zweeg op dat oogenblik. De Makololo's, die eene schuilplaats zochten tegen dien kogelregen, waren verdwenen. Zij hadden zich ter zijde van de verschansing teruggetrokken, nadat zij het plateau met hunne dooden bedekt hadden gelaten.

Wat deden gedurende dit oogenblik van rust de kolonel en Mathieu Strux? Zij waren weder naar het wachttorentje gegaan, en lagen daar met het oog voor den kijker, om te zien of zij den top van den Volquiria ook in de duisternis konden gewaar worden. Zij lieten zich noch door het geschreeuw, noch door het gevaar afleiden. Met kalm gemoed, helderen blik, en bewonderenswaardige koelbloedigheid wisselden zij elkander af; zij keken en namen met zooveel nauwkeurigheid waar, alsof zij in den koepel van een observatorium zaten, en toen het gehuil der Makololo's hun na eene korte rust verkondigde dat de strijd weder begon, bleven de beide geleerden beurtelings de wacht bij het kostbare instrument houden.

De worsteling begon inderdaad op nieuw. De mitrailleuse was niet meer voldoende om de aanvallers tegen te houden, die zich nu voor alle bressen tegelijk vertoonden onder het aanheffen van hun krijgsgeschreeuw. Het was onder deze omstandigheden en voor die openingen, welke voet voor voet verdedigd werden, dat de strijd nu nog een half uur voortwoedde. De belegerden, die zich met hunne vuurwapenen konden verdedigen, waren slechts zeer licht gewond door eenige lanspunten. De verbittering van weerszijde verminderde niet, en de woede nam toe bij dien strijd van man tegen man.

Het was ongeveer half twaalf in het dichtste van den strijd en te midden van het knetterende geweervuur dat Mathieu Strux naar den kolonel toekwam. Zijn oog schitterde, doch zijn blik was verwilderd; een pijl had hem den hoed doorschoten en trilde nog boven zijn hoofd.

»Het licht! het licht!" riep hij.

»Wat!" antwoordde de kolonel, terwijl hij zijn geweer afschoot.

»Ja, het licht!"

»Hebt gij het gezien?"

»Ja!"

Na een laatste maal zijn geweer afgeschoten te hebben, hief de kolonel een zegevierend gejuich aan en snelde naar den wachttoren, gevolgd door zijn onversaagden ambtgenoot.