Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'

Part 15

Chapter 153,860 wordsPublic domain

In het noorden daarentegen werd de Scorzef door eene geheele andere landstreek begrensd. Welk een onderscheid met de woeste steppen in het zuiden! Water, boomen, weilanden en al die planten, die eene voortdurende vochtigheid tot onderhoud behoeven! Over eene uitgestrektheid van minstens honderd kilometers strekte zich oost- en westwaarts het schoone water van het meer uit, en weerkaatste het de stralen der opkomende zon. Het meer had juist in deze richting zijne grootste breedte. Maar van het noorden naar het zuiden was het niet meer dan dertig of veertig kilometers breed. Aan de oostzijde scheen de grond zacht op te loopen, en leverde met zijne bosschen, weilanden en rivieren (zijtakken van de Liambi en Zambese) een even rijk als afwisselend panorama op, verschillend van uitzicht, terwijl geheel in het noorden, maar op minstens tachtig kilometers afstand, eene rij kleine bergen het geheel schilderachtig omlijstte. Eene schoone landstreek, eene oase in de woestijn! De grond was uitstekend bevochtigd door een net van kleine beken, en ademde leven en groeikracht. Het was de Zambese, de groote stroom die door hare zijtakken deze wonderbare groeikracht onderhield! Hij mag met recht de onmetelijke slagader genoemd worden, die voor zuidelijk Afrika is wat de Donau is voor Europa en de Maranon voor Zuid-Amerika.

Zoo was het panorama dat zich voor de blikken der Europeanen ontrolde. Wat den Scorzef betreft, deze verhief zich op den oever van het meer, en zooals Mathieu Strux reeds gezegd had, rezen de wanden van den berg loodrecht uit het water omhoog. Maar geen helling is zoo steil of een zeeman kan er wel op en af en langs een zeer sterk glooiend pad hadden deze toch het meer bereikt, waar de stoomboot voor anker lag. Men was dus zeker van water in overvloed te hebben, en de kleine bezetting kon, zoolang de levensmiddelen duurden, het achter de muren der verlaten schans wel uithouden.

Maar hoe kwam deze schans in de woestijn op den top van dien berg? Men vroeg er Mokum naar, die deze streek reeds als gids van dokter Livingstone bereisd had; hij antwoordde ongeveer het volgende: de omtrek van het meer Ngami werd oudtijds dikwijls bezocht door ivoor- en elpenbeenhandelaars; het ivoor wordt door olifanten en neushoorns geleverd; het elpenbeen is het menschenvleesch, dat levende vleesch waarin de slavenhandelaars handelen. Het geheele land van de Zambese wordt nog bezocht door die ellendige vreemdelingen die den slavenhandel drijven. Oorlogen, twisten en plundering verschaffen eene groote menigte gevangenen, die als slaven verkocht worden. Juist langs dezen oever van het meer trokken nu de handelaars naar het westen. Vroeger was de Scorzef het middelpunt van de legerplaatsen der karavanen. Daar rustten zij uit voordat zij langs de Zambese naar hare monding trokken. De kooplieden hadden derhalve deze stelling versterkt om zich met hunne slaven te verdedigen tegen plunderaars, want het gebeurde niet zelden dat inlandsche gevangenen weder werden weggehaald door hen, die ze eerst verkocht hadden, om ze dan op nieuw te verhandelen.

Zóó was deze schans ontstaan, maar op dit tijdstip was zij zeer in verval. De weg voor den karavaanhandel had zich verlegd. Het meer zag die kooplieden niet meer aan zijne oevers; de Scorzef behoefde niet meer verdedigd te worden, en de muren, die er omheen stonden vielen in puin. Van die schans was niets meer over dan eene omwalling in den vorm van een cirkelsector, welks boog naar het zuiden, en waarvan de koorde noordwaarts gekeerd was. In het midden verhief zich eene met kazematten voorziene redoute met schietgaten, en waarboven een klein houten koepeltje uitstak, dat door den afstand verkleind, tot mikpunt voor den kijker van kolonel Everest gediend had. Maar hoe vervallen ook, toch bood de schans nog eene vrij zekere schuilplaats voor de Europeanen aan. Achter die van dikken zandsteen gebouwde muren, en gewapend als zij waren met achterladers, konden de astronomen en matrozen het tegen een geheel leger Makololo's uithouden, zoolang zij levensmiddelen en amunitie hadden, en misschien zelfs hunnen geodesischen arbeid ten einde brengen.

De kolonel en zijne makkers hadden amunitie in overvloed, want de kist, die deze bevatte had in den wagen gestaan, waarmede de stoomboot vervoerd was, en zooals men weet, hadden de plunderaars zich van dezen wagen niet meester gemaakt.

Wat levensmiddelen aangaat, dat was een andere vraag; daarin bestond juist de moeilijkheid; de provisiewagens waren geplunderd. In de schans was niet meer voorhanden dan om de achttien mannen gedurende twee dagen te voeden. Dit bleek uit eene nauwkeurige lijst, die daarvan door den kolonel en Mathieu Strux werd opgemaakt.

Toen de lijst opgemaakt en een zeer sober ontbijt genuttigd was, vereenigden de astronomen en de Boschjesman zich in de kazemat, terwijl de matrozen goed de wacht hielden om de muren der schans.

Men besprak met elkander het gebrek aan levensmiddelen en wist niet op welke wijze daarin te voorzien, toen de jager het volgende in 't midden bracht:

»Gij bekommert u over gebrek aan levensmiddelen, en ik zie waarlijk niet in, waarom u dit zoo kan verontrusten. Wij hebben slechts voor twee dagen voorraad, zegt gij? Maar wie noodzaakt ons nog twee dagen in de schans te blijven? Kunnen wij haar niet vandaag of morgen verlaten? Wie belet het ons? De Makololo's? Maar zij loopen voor zoover ik weet, nog niet over het water van het meer, en met de stoomboot neem ik aan u binnen weinige uren aan de noordzijde van het meer neder te zetten."

Op dit voorstel keken de geleerden elkander en den Boschjesman aan. Het scheen inderdaad alsof dit zoo natuurlijke denkbeeld geen van allen in het hoofd was gekomen. En inderdaad, zij hadden daaraan niet gedacht! Deze gedachte kon ook bij die stoutmoedige mannen niet opkomen, die bij dezen gedenkwaardigen tocht tot het einde toe de helden der wetenschap zijn moesten.

John Murray vatte het eerst het woord op, en antwoordde den Boschjesman:

»Maar dappere Boschjesman, wij hebben onze taak niet volbracht."

»Welke taak?"

»Het meten van den meridiaan!"

»Denkt gij dan," hernam de jager, »dat die Makololo's wat om uw meridiaan geven?"

»Het is mogelijk dat zij er niets om geven," hernam John Murray, »maar wij geven er om, wij zullen deze onderneming niet in den steek laten. Is dat uwe meening ook niet, waarde ambtgenooten?"

»Zoo denken wij er ook over," antwoordde de kolonel, die uit aller naam sprak en daardoor de tolk was van de gevoelens, die door allen gedeeld werden. »Wij zullen de meting van den meridiaan niet opgeven! Zoolang één van ons zal overblijven, zoolang één onzer nog door een kijker zien kan, zal de driehoeksmeting worden voortgezet. Wij zullen als 't noodig is met het geweer in de eene en onzen kijker in de andere hand onze waarnemingen voortzetten, maar wij zullen tot onzen laatsten ademtocht volhouden."

»Hoezee voor Engeland! Hoezee voor Rusland!" riepen deze moedige geleerden, die de wetenschap stelden boven elk gevaar. De Boschjesman keek zijne metgezellen een oogenblik aan en antwoordde niet: hij had het begrepen.

Het sprak dus van zelf dat de meting zou worden voortgezet. Maar zouden de plaatselijke moeilijkheden, dat meer, de keuze van een goed station, de uitvoering niet beletten? Deze vraag werd aan Mathieu Strux gedaan. De Russische astronoom die reeds twee dagen op den Scorzef zat, moest deze vraag kunnen beantwoorden.

»Mijne heeren," zeide hij, »het werk zal moeilijk en omslachtig zijn, het zal veel geduld en ijver vorderen, maar het is niet onuitvoerbaar. Want wat is de zaak? Om den Scorzef met een station ten noorden van het meer te verbinden? Bestaat er zulk een station? Ja het bestaat, en ik heb aan den gezichteinder reeds een bergtop uitgekozen, die als mikpunt voor onze kijkers dienen kan. Hij verheft zich ten noordwesten van het meer, zoodat deze zijde van den driehoek het meer Ngami in schuine richting zal snijden."

»Welnu," zeide de kolonel, »als er zulk een punt bestaat, waar zit dan de moeilijkheid?"

»De moeilijkheid," antwoordde Mathieu Strux, »zit in den afstand, die den Scorzef van dien bergtop scheidt!"

»Hoe groot is die afstand?" vroeg Everest.

»Ten minste honderdtwintig kilometers."

»Onze kijker zal dien afstand overschrijden."

»Maar men zal een vuur op den top moeten aansteken."

»Dat zal gebeuren."

»Dat vuur moet daar worden heen gebracht."

»Dat zal ook gebeuren."

»En gedurende dien tijd zal men zich tegen de Makololo's moeten verdedigen," voegde de Boschjesman er bij.

»Dit zal ook geschieden."

»Mijne heeren," zeide Mokum, »ik ben tot uw dienst en ik zal alles doen wat gij mij zult opdragen...."

Met deze woorden van den getrouwen jager eindigde een gesprek, waarvan de toekomst der wetenschappelijke onderneming afhing. Met dezelfde gedachte bezield en besloten zich zoo noodig op te offeren, verlieten de geleerden de kazemat en namen het land op dat zich ten noorden van het meer uitstrekte. Mathieu Strux wees den bergtop aan, dien hij had uitgekozen. Het was de top van den Volquiria, een soort van kegel, die door den verren afstand nauwelijks zichtbaar was. Hij verhief zich tot eene aanzienlijke hoogte, en niettegenstaande den grooten afstand, zou een groote electrieke lantaarn door den kijker wel gezien kunnen worden als men slechts een veel vergrootend oculair gebruikte. Maar die lantaarn moest men op meer dan honderd kilometers van den Scorzef en op den top van een berg overbrengen. Dit was de grootste, maar geen onoverkomelijke moeilijkheid. De hoek dien de Scorzef aan de eene zijde met den Volquiria, en aan den anderen kant met het vorige station vormde, zou de meting van den meridiaan waarschijnlijk ten einde brengen, want de Volquiria moest dicht bij den twintigsten parallel liggen. Men begrijpt dus al het belang van deze waarneming, en met welk een ijver de astronomen daarvan de moeilijkheid trachtten te overwinnen.

Voor alles moest men beproeven den lantaarn te plaatsen. Daarvoor moest men honderd kilometers door eene onbekende streek afleggen. Michel Zorn en William Emery boden zich daarvoor aan; hun aanbod werd aangenomen. De gids stemde er in toe hen te vergezellen, zoodat zij zich aanstonds gereed maakten om te vertrekken.

Zij wilden de stoomboot niet gebruiken; deze moest ter beschikking blijven van hunne makkers, die misschien verplicht zouden zijn zich met spoed te verwijderen, als zij hunne waarneming hadden volbracht. Om het meer over te steken was het voldoende van berkenschors eene boot te vervaardigen, die licht en sterk was, en die de inboorlingen in weinige uren kunnen maken. Mokum en de gids daalden naar den oever af, waar eenige kleine berken groeiden, en hadden het werk spoedig verricht.

Om acht uren 's avonds had men de instrumenten, de electrieke lantaarns, eenige levensmiddelen, wapenen en amunitie in de boot geladen. Men sprak af dat men elkander terug zou vinden aan den zuidelijken oever van het meer, in eene kreek die de Boschjesman en de gids beiden kenden. Bovendien zou de kolonel, zoodra de lantaarn op den Volquiria waargenomen en de hoek berekend was, op den top van den Scorzef een vuur ontsteken, opdat Michel Zorn en William Emery evenzeer die plaats konden waarnemen en bepalen.

Na afscheid van hunne makkers te hebben genomen, verlieten de reizigers de schans en daalden in de sloep af. De gids, een Engelsch en een Russisch matroos waren reeds vooruitgegaan.

Het was stikdonker; het touw werd losgemaakt en de lichte boot gleed door de kracht der riemen stil over het water van het meer.

XX.

Acht dagen op den top van den Scorzef.

Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien mocht men veronderstellen dat de Makololo's, die al te zeer om den Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet, dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden 's nachts beurtelings de wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde, waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.

De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo's aanzienlijk was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht, omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.

Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid, die daarin bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht, en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte van den Scorzef berekenen kon.

Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden, en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde, en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers, opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit, gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman, dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch zij waren boven dergelijk lijden verheven.

»Bovendien is het niet verboden te jagen," zeide John Murray tegen den Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der schans om den berg nauwkeurig op te nemen.

De makololo's waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan de belegerden door honger te dwingen!

De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters, voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit erica's met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd, stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen, die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den naam niet kende. (Waarschijnlijk was het de ardunia bispinosa). Na een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting van leeftocht te voorzien.

»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen," zeide John Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond en de prachtige watervlakte beschouwde.

»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de vlucht grijpen," zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft, en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren."

»Het toeval!" hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd, en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!"

»En zal het ons voeden?" vroeg de Boschjesman.

»Zeker, vriend Mokum," antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval slechts zijn plicht doen."

De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich zelven de belofte af dit des noods te doen.

De dag van den 25sten Februari bracht geene verandering in den toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo's bleven binnen hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg en scheen naar een voetpad te zoeken, dat hem des te zekerder op den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo's met hun krijgsgeschreeuw, schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.

Den 26sten Februari waagden de inlanders eene meer ernstige poging, en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo's eenige verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood, en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat, hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo's den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te krijgen. Echter waren de matrozen van de Queen and Tzar zoo behendig, vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse den 26sten in een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.

Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19° 37' 18'' 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.

De Makololo's herhaalden in den nacht van den 26sten op den 27sten Februari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop gericht, dat deze juist in het veld van den kijker zichtbaar was. Deze voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden en dan was de hoek bekend.

Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig, want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maar pro domo sua, als men ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans spoedig tot het uiterste gebracht zijn.