Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'
Part 14
Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen, dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokum wees de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in de karrou komen, waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.
Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste wijze meten.
Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken werd hoe langer hoe grooter. Den 16den Januari meende de karavaan een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen; men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte, die in de zonnestralen schitterde.
Tegen vijf uren 's avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.
De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door niets vertraagd werden.
Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voor die moedige en met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders, die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor de lastdieren, die de karavaan met zich voerde, hoog tijd werd het meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.
Den 21sten Januari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen; hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren 's morgens zag men in het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.
De Boschjesman keek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en zeide naar het noorden wijzende:
»Daar is het meer!"
»Ngami, Ngami!" juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen van vreugde.
De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door Makololo's onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander te blijven.
Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef te ontsteken.
De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.
Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben, maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen, en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van Makololo's gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeelte van den meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te zien eindigen.
En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux, Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo's de vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.
De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd, maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.
Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door een der kijkers van den repetitie-cirkel.
Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaad geene andere hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel, waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen; op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek met volkomen juistheid.
Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21ste Februari ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.
»Ik ben tot uw dienst, Mokum," zeide hij toen tot den Boschjesman.
»Het is niet al te vroeg meer, kolonel," antwoordde Mokum, »en ik vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan den oever van het meer over te brengen."
»Maar wie belet ons nog te vertrekken?" vroeg Everest. »Een afstand van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij behoeven niet bang te zijn om te verdwalen."
»Ja .... inderdaad ...." antwoordde de Boschjesman, die bij zich zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer, wij zullen dus vertrekken, kolonel."
»Zooals gij wilt, Mokum!" hernam de kolonel.
Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.
Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen en zich van amunitie te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had, en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.
Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel; evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.
De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren 's avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden hebben.
Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden; hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een gedeelte zijner manschappen.
Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.
De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch verwijderde schoten.
De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten verwondering en angst verwekken.
»Wat is dat?" vroeg de kolonel.
»Geweerschoten!" antwoordde John Murray.
»Geweerschoten?" riep Everest, »en in welke richting?"
»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost," antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in de duisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo's, die daar Europeanen aanvallen."
»Europeanen!" zeide William Emery.
»Ja, mijnheer," antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen dat het juistheidswapenen zijn."
»Zouden daar dan Europeanen zijn?..."
De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!"
»Ja, ja, zeker!" riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.
Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.
»Die lafaards!" riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij om te vluchten!" Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!"
De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo's. Men kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.
Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren, hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de Makololo's dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.
Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo's stoven uit elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaar was. De belegerden hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders, die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik des gevaars verlaten.
Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.
»Gij mijne heeren Engelschen!" riep de astronoom van Pulkowa.
»Wij zelve, mijne heeren Russen," antwoordde de kolonel op ernstigen toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!"
XIX.
Meten of sterven.
De woorden van kolonel Everest werden met gejuich ontvangen. Tegenover die Makololo's en het gemeenschappelijk gevaar vergaten Russen en Engelschen den internationalen oorlog en konden zich slechts tot gemeenschappelijke verdediging vereenigen. De toestand beheerschte alles, en inderdaad was de Engelsch-Russische commissie tegenover den vijand veel sterker en eendrachtiger vereenigd dan ooit te voren. William Emery en Michel Zorn waren in elkanders armen gevallen. De andere Europeanen hadden hun nieuw verbond met een handdruk bekrachtigd.
Het eerste werk der Engelschen was om hun dorst te lesschen; het water uit het meer ontbrak in de Russische legerplaats niet. Onder eene kazemat, die een gedeelte uitmaakte van eene verlaten schans op den top van den Scorzef, verhaalden de Europeanen elkander wat er sedert hunne scheiding te Kolobeng gebeurd was. Gedurende dien tijd hielden de matrozen de Makololo's in het oog, die hun eenige rust gaven.
Waarom bevonden de Russen zich op dien bergtop, zoover links van hun meridiaan? Om dezelfde reden die de Engelschen rechts daarvan deed verschijnen. De Scorzef was ongeveer halfweg tusschen de beide meridianen in gelegen, en de eenige hoogte in deze streek, die aan den oever van het meer Ngami als signaal dienen kon. Het was dus zeer natuurlijk dat de beide commissiën elkander ontmoetten op de eenige hoogte, die hen bij hunne waarnemingen helpen kon. De Engelsche en Russische meridianen eindigden op twee vrij ver van elkander verwijderde punten beiden aan het meer. Daarom moesten de waarnemers de zuidelijke en noordelijke oevers door geodesische opmeting met elkander verbinden.
Daarop trad Strux in eenige bijzonderheden over den door hen volbrachten arbeid. Van Kolobeng af was de driehoeksmeting zonder ongeval geschied. Deze eerste meridiaan, die het lot aan de Russen had toegewezen, liep door een vruchtbaar, zeer weinig golvend terrein, dat de meting van een net van driehoeken zeer gemakkelijk maakte. De Russische sterrekundigen hadden evenals de Engelschen veel te lijden gehad van de ontzettende hitte, maar niet van het gebrek aan water. Er was overvloed van riviertjes in deze streek, en deze onderhielden er eene heilzame vochtigheid. Paarden en ossen waren dus om zoo te zeggen voortdurend door onmetelijke groene weilanden getrokken, die hier en daar door bosschen en kreupelhout waren doorsneden. Door 's nachts vuren aan te steken, had men de wilde dieren van de legerplaatsen verwijderd kunnen houden. De bevolking bestond uit de bewoners van die dorpen en kralen, waar dokter Livingstone bijna altijd gastvrij ontvangen was. De Boschjesmannen hadden op die reis dus geene reden tot klagen gehad. Den 20sten Februari bereikten de Russen den Scorzef, en waren er sinds zesendertig uren gevestigd toen de Makololo's ten getale van drie- of vierhonderd in de vlakte verschenen. De verschrikte Boschjesmannen verlieten aanstonds de karavaan en lieten de Russen aan zich zelven over. De Makololo's begonnen de wagens, die aan den voet van den berg stonden, te plunderen; maar gelukkig waren de instrumenten bij de aankomst aanstonds in de schans geborgen. Bovendien was de stoomboot onbeschadigd, want de Russen hadden vóór de komst der plunderaars den tijd gehad haar in elkander te zetten en thans lag zij te dobberen in een kleinen inham van het meer. Aan dien kant rezen de zijden van den berg bijna loodrecht uit het meer omhoog, zoodat men daar niet kon aangevallen worden; doch aan den zuidkant kon de helling van den berg gemakkelijk beklommen worden, en bij den aanval, dien zij beproefd hadden, zouden de Makololo's misschien tot aan de schans zijn doorgedrongen zonder de toevallige komst der Engelschen.
Zoo was in hoofdtrekken het verhaal van Mathieu Strux. Kolonel Everest deelde hem op zijne beurt mede, wat hun op zijn tocht naar het noorden overkomen was, het lijden en de afmatting der karavaan, den opstand der Boschjesmannen, de moeilijkheden en hinderpalen, die men had moeten overwinnen. Daaruit bleek, dat de Russen sedert hun vertrek van Kolobeng vrij wat meer begunstigd waren dan de Engelschen.
De nacht van 21 op 22 Februari ging zonder ongeval voorbij. De Boschjesman en de matrozen hadden aan den voet van de schans de wacht gehouden. De Makololo's vernieuwden den aanval niet; maar eenige vuren aan den voet van den berg bewezen dat die roovers nog altijd op dezelfde plaats lagen en hun plan nog niet hadden opgegeven.
Den volgenden dag, 22 Februari, kwamen de Europeanen bij het aanbreken van den dag uit de kazemat te voorschijn om het oog over de vlakte te laten weiden. De eerste morgenschemering verlichtte in een oogwenk de geheele uitgestrekte vlakte tot aan de uiterste grenzen van den gezichteinder. Aan de zuidzijde zag men de woestijn met haar geelachtig zand, met haar verbrand gras, en haar dor uiterlijk. Aan den voet des bergs was het kamp opgeslagen, waarin vier of vijfhonderd inlanders door elkander krioelden. Hunne vuren brandden nog. Eenige stukken wildbraad werden op gloeiende kolen geroosterd. Het was duidelijk, dat de Makololo's de plaats niet wilden verlaten, hoewel zij zich reeds hadden meester gemaakt van al wat de karavaan kostbaars bezat, al het materieel, de wagens, paarden, ossen en levensvoorraad. De buit was hun zonder twijfel niet voldoende, en na de Europeanen vermoord te hebben, wilden zij zich zeker van hunne wapenen meester maken, waarvan de kolonel en de zijnen zulk een verschrikkelijk gebruik hadden gemaakt.
Na het kamp te hebben opgenomen, hadden de Engelsche en Russische geleerden een langdurig onderhoud met den Boschjesman; men moest een bepaald besluit nemen, doch dit zou afhangen van zekeren samenloop van omstandigheden, en bovendien moest men eerst nauwkeurig de ligging van den Scorzef bepalen.
De astronomen wisten reeds dat deze berg aan de zuidzijde begrensd werd door de onmetelijke vlakte, die zich tot aan de karrou uitstrekte; ten oosten en westen was het de woestijn, doch in hare kleinste breedte. In het westen kon men aan den gezichteinder flauw den omtrek zien van de heuvels, die het vruchtbare land der Makololo's begrenzen, en welks hoofdstad, Maketo, op ongeveer honderd kilometers noordoostelijk van het meer Ngami ligt.