Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'

Part 11

Chapter 113,749 wordsPublic domain

Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen, of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich, en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem: »Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?"

»Ernstige tijdingen, mijne heeren," was het antwoord, »zeer ernstige, die ik u zal mededeelen."

De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.

De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux, en zeide:

»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik u eene opmerking te maken, mijnheer!"

»Ik ben gereed u aan te hooren," antwoordde de Rus.

Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:

»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook, moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?"

Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.

»Ten gevolge van nieuwe omstandigheden," hervatte de kolonel, »zal die voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting, die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen."

De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde; zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken, minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:

»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting, die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen, die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen; ik begrijp niet wat...."

»U zult me begrijpen, mijnheer Strux," zeide de kolonel op een toon, die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand."

Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.

De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.

»Eindelijk!" riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!"

»Neen mijnheer!" antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden, gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!"

En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen, die ons dit mededeelen!"

Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de Zwarte Zee met het kanon behandeld.

De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die enkele woorden: »de oorlog is verklaard!" waren genoeg; het waren geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!

Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.

Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken, maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen worden voortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten parallel voortzetten.

Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste grenzen van welvoeglijkheid.

Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet kon verdeeld worden.

De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids, insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen tot nog toe waren ingeschreven.

Den 31sten Augustus scheidden de leden der vroegere internationale commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren 's morgens, na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.

En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar gescheiden was, de hand drukte!

XV.

Één graad meer.

De scheiding was volbracht. De astronomen, die den arbeid voortzetten, zouden meer werk krijgen, doch de meting zelve moest er niet onder lijden. Men zou den nieuwen meridiaan met dezelfde juistheid, dezelfde nauwkeurigheid meten en de waarnemingen zouden met evenveel zorg geschieden. Alleen zouden de drie Engelsche geleerden het werk onder elkander deelen en daardoor, hoewel zij het moeielijker hadden, niet minder spoedig vorderen; maar het waren er geen menschen naar om zich te ontzien. Wat de Russen van hun kant zouden doen, wilden zij op den nieuwen meridiaan volbrengen. De nationale eigenliefde zou hen, zoo noodig, in deze langdurige en moeilijke taak steunen. Drie waarnemers moesten nu het werk voor zes verrichten. Daaruit ontsproot de noodzakelijkheid om alle gedachten en alle oogenblikken aan de onderneming te wijden. Het was dus noodzakelijk voor William Emery om zich minder aan zijne droomerijen over te geven; en voor John Murray om niet meer zoo druk met het geweer in de hand de fauna van Afrika te bestudeeren.

Aanstonds werd er een nieuw programma opgemaakt, dat aan elk der drie astronomen een gedeelte van het werk toewees. Murray en de kolonel belastten zich met de hoogte- en geodesische metingen. William Emery moest Palander als rekenaar vervangen. Het spreekt van zelf dat de keuze der stations, het plaatsen der bakens in gemeenschappelijk overleg werd besproken, en dat men niet behoefde te vreezen dat er eenig misverstand tusschen de geleerden ontstaan zou. De dappere Mokum bleef, zooals vroeger, de jager en de gids van de karavaan. De zes Engelsche matrozen, die de helft der bemanning van de Queen and Tzar hadden uitgemaakt, waren hunne aanvoerders natuurlijk gevolgd, en al was nu de stoomboot ter beschikking van de Russen gebleven, zoo was toch de caoutchouc-boot voldoende om over gewone rivieren heen te komen. De wagens waren verdeeld naarmate van den voorraad, dien zij bevatten. Voor de voeding en zelfs voor het gemak van de beide karavanen was dus gezorgd. De inlanders, die onder bestuur van den Boschjesman het geleide hadden gevormd, waren ook in twee gelijke groepen verdeeld, niet zonder door hunne houding te hebben doen zien dat deze scheiding hun mishaagde. Misschien hadden zij gelijk met het oog op de algemeene veiligheid. Deze Boschjesmannen zagen zich ver van de hun bekende oorden, ver van de weiden en rivieren, in welker nabijheid zij leefden, naar eene noordelijke streek gevoerd, door zwervende stammen bewoond, die ongelukkig genoeg vijandig gezind waren jegens de meer zuidelijk wonende Afrikanen! en onder deze omstandigheden meenden zij mogelijk, dat het niet goed was om hunne krachten te verdeelen. Maar toch hadden zij door tusschenkomst van den Boschjesman en den gids er in toegestemd dat de karavaan zou gescheiden worden, terwijl hun beloofd was (en dit was een der overredingsmiddelen, waarvoor zij zich het meest gevoelig hadden getoond), dat de beide deelen der commissie betrekkelijk in elkanders nabijheid en in dezelfde landstreek hun arbeid zouden voortzetten.

Toen de troep van kolonel Everest den 31sten Augustus Kolobeng verliet, richtte deze zich naar den dolmen, die bij de laatste waarnemingen als baken had gediend. Men trok dus het afgebrande woud weder binnen en kwam bij den heuvel. Den 2den September werd de arbeid hervat. Een groote driehoek, welks toppunt links een opgesteld baken op een heuveltje was, liet den waarnemers toe zich onmiddellijk tien of twaalf kilometers westwaarts van den vroegeren meridiaan te verplaatsen.

Zes dagen later, den 8sten September, was de reeks hulpdriehoeken gereed, en koos kolonel Everest in overleg met zijne ambtgenooten, na de kaarten te hebben in orde gebracht, den nieuwen meridiaanboog, die door verdere metingen tot aan den twintigsten zuiderparallel moest berekend worden. Deze meridiaan lag een graad westelijk van den eersten. Het was de drieëntwintigste oostelijk van Greenwich. De Engelschen zouden dus op niet meer dan twintig uren gaans van de Russen werken, doch deze afstand was groot genoeg om hunne driehoeken niet met elkander in aanraking te doen komen. Onder deze omstandigheden was het onwaarschijnlijk dat de beide gezelschappen elkander bij hunne opmetingen zouden ontmoeten, en dus ook onwaarschijnlijk dat de keuze van een baken de oorzaak van een twist of misschien van eene betreurenswaardige ontmoeting zou zijn.

De landstreek, door welke de Engelsche astronomen gedurende de maand September heentrokken, was vruchtbaar en heuvelachtig, doch weinig bevolkt. De tocht van de karavaan werd er dus door begunstigd. Het weer was fraai en zeer helder, zonder mist en zonder wolken. De waarnemingen werden met het grootste gemak gedaan. Weinig groote bosschen, wijd uit elkander staand kreupelhout, uitgestrekte weiden, hier en daar met heuveltjes, die geschikt waren om er 's nachts of daags bakens op te plaatsen, en goed werkende instrumenten. Het was tevens eene streek, wonderwel voorzien van allerlei natuurvoortbrengselen. De meeste bloemen lokten door hare aangename geuren zwermen bijen, en voornamelijk eene soort, niet ongelijk aan de Europeesche, die in spleten van rotsen of van boomstammen eene witte, zeer vloeibare en lekkere honig vervaardigen. Soms waagden zich 's nachts eenige groote dieren in den omtrek van de legerplaats; het waren giraffen, verschillende soorten van antilopen, enkele verscheurende dieren als hyena's, en ook neushoorns of olifanten. Maar John Murray wilde zich niet meer van zijn werk laten aftrekken. Hij hanteerde nu den astronomischen kijker en niet meer het jachtgeweer.

Onder deze omstandigheden vervulden Mokum en eenige inlanders het ambt van spijsverzorgers, maar men kan gerust aannemen, dat het knallen van hunne geweerschoten het hart van den heer Murray kloppen deed. Onder de schoten van den Boschjesman vielen twee of drie groote buffels, die van den snuit tot den staart vier meters lang en op de schoft gemeten twee meters hoog zijn. Hun zwarte huid had een blauwen weerschijn; het waren groote dieren met kort ineengedrongen en krachtige ledematen; een kleine kop, woeste oogen en zware zwarte horens. Het was een heerlijke voorraad van versch vleesch, waardoor het gewone voedsel van de karavaan eens eenige wijziging onderging.

De inlanders bereidden dit vleesch, evenals de in Noord-Amerika wonende Indianen, op eene eigenaardige wijze, zoodat zij het onbepaalden tijd konden bewaren. De Europeanen volgden met belangstelling deze bewerking, waarvoor zij eerst eenigen tegenzin toonden. Nadat het buffelvleesch in smalle en in de zon gedroogde repen gesneden was, werd het in een gelooid vel gedaan en daarna met knuppels zoolang geslagen, dat het in bijna ondeelbare stukjes verdeeld werd. Het was dan niets meer dan poeder van vleesch; dit fijn verdeeld poeder werd in lederen zakken gepropt en dan met kokend vet van hetzelfde dier bevochtigd. Bij dit eenigszins ongelachtige vet voegden de Afrikaansche koks fijn merg en eenige bessen, waarvan het suikergehalte zich oogenschijnlijk niet best verdroeg met de stikstof houdende bestanddeelen van het vleesch. Daarna werd dit mengsel fijn gewreven en zoo gekneed dat het koud geworden een koek vormde, die zoo hard als steen was. Dan was de schotel gereed.

Mokum verzocht de astronomen dit mengsel te proeven. De Europeanen gaven gehoor aan de uitnoodiging van den jager, die van dit nationale gerecht bijzonder veel hield. De Engelschen vonden de eerste beten onaangenaam, maar weldra waren zij gewend aan den smaak van dezen Afrikaanschen podding en vonden dien toen zeer lekker. Het was inderdaad een zeer versterkend voedsel, dat zeer geschikt was voor de behoefte van eene karavaan, die door een onbekend land trok, en dikwijls gebrek aan versch voedsel hebben kon; een krachtig voedsel, dat gemakkelijk vervoerbaar, bijna nimmer aan bederf onderhevig was, en in een klein volumen eene groote hoeveelheid voedende bestanddeelen bevatte. Dank zij de behendigheid van den jager, bedroeg de voorraad van dit voedsel weldra eenige honderden ponden, zoodat voor de behoeften in de toekomst was gezorgd.

Zóó gingen de dagen voorbij. Soms werden ook de nachten tot het doen van waarnemingen besteed. Emery dacht altijd aan zijn vriend Zorn, en betreurde de noodlottige omstandigheden, die eensklaps de banden der innigste vriendschap verscheurd hadden. Ja, hij miste Michel Zorn, en zijn hart, altijd zoo vol van indrukken, die deze groote en woeste natuur in hem opwekten, kon zich nu niet meer uitstorten. Hij verdiepte zich dan in zijne berekeningen, en wierp zich in de cijfers met de volharding van een Palander; zoo gingen dan de uren sneller voorbij. Wat den kolonel aangaat, deze bleef dezelfde man, met hetzelfde koele karakter, die slechts in geestdrift geraakte voor zijne triangulaties. John Murray betreurde openhartig zijne halve vrijheid van vroeger, maar wachtte zich wel zich daarover te beklagen.

Evenwel wilde het geluk dat hij zich van tijd tot tijd kon schadeloos stellen. Al had hij geen tijd meer om het bosch af te jagen, en de wilde dieren in den omtrek te vervolgen, zoo namen deze beesten soms de moeite om naar hem toe te komen, en trachtten dan zijne waarnemingen te verhinderen. In dat geval waren de jager en de geleerde één persoon; Murray was dan tot zelfverdediging gewettigd. Zoo had hij onder anderen den 12den September eene ernstige ontmoeting met een rhinoceros, die hem, zooals men zien zal, vrij duur te staan kwam.

Sedert eenigen tijd dwaalde dit dier ter zijde van de karavaan rond. Het was een verbazend groote chucuroo, welken naam de Boschjesmannen aan dat dikhuidige dier geven. Het was veertien voet lang en zes hoog, en aan de zwarte en minder rimpelige huid dan die van zijne Aziatische natuurgenooten, had de Boschjesman het als een zeer gevaarlijk dier herkend. De zwarte soorten toch zijn veel vlugger en meer geneigd om aan te vallen dan de witte, en zij randen dikwerf, zonder daartoe getart te worden, menschen en dieren aan.

Dien dag was Murray met Mokum uitgegaan om op zes kilometers afstands van het station eene hoogte te gaan opnemen waarop de kolonel plan had een baken te zetten. Uit zeker voorgevoel had hij zijn buks en geen eenvoudig jachtgeweer medegenomen. Hoewel de bedoelde rhinoceros sedert twee dagen niet bespeurd was, wilde Murray niet ongewapend door een onbekend land trekken. Mokum en zijne makkers hadden meermalen vruchteloos op dit dier jacht gemaakt en het was mogelijk dat het beest zijn oogmerk had opgegeven. De Engelschman had zich niet te beklagen dat hij zoo voorzichtig gehandeld had. Zonder ongeval hadden zijn makker en hij de hoogte bereikt, en waren op den hoogsten top geklommen toen aan den voet van den heuvel, en aan den rand van een laag en dicht kreupelbosch de chucuroo plotseling verscheen. Nooit nog had Murray hem zoo dicht bij gezien. Het was inderdaad een ontzettend groot dier; zijne kleine oogen glinsterden; de rechte eenigszins achterwaarts gebogen horens, die bijna even lang, namelijk twee voet waren en stevig achter elkander op den grooten beenachtigen neus stonden, vormden een geducht wapen. De Boschjesman zag het eerst dat het dier op een halven kilometer afstands onder een boschje van mastikboomen nederlag. »Mijnheer!" zeide hij aanstonds, »het geluk begunstigt u; daar is de chucuroo."

»De rhinoceros!" riep Murray, wiens oogen in vuur geraakten.

»Ja, mijnheer," antwoordde de jager; »het is, zooals u ziet, een prachtig dier, dat zeer genegen schijnt om ons den pas af te snijden. Ik weet niet waarom het beest zóó op ons gebeten schijnt, want het is een plantetend dier; maar het is nu eenmaal dáár, onder dat boschje, en dus moeten wij het verdrijven."

»Kan hij bij ons komen?" vroeg Murray.

»Neen, mijnheer," antwoordde de Boschjesman. »De helling is te steil voor zijne korte ineengedrongen leden; hij zal ons dus opwachten."

»Wel nu, laat hij wachten," antwoordde de Engelschman, »en wanneer wij dit station goed hebben opgenomen, zullen wij dien lastigen buurman wel wegkrijgen."

Murray en Mokum hervatten dus hunne even afgebroken opname; zij verkenden zorgvuldig den heuveltop en kozen de plaats om een baken te zetten. Andere vrij belangrijke, doch meer in het noordwesten gelegen heuvels waren zeer geschikt tot het opmeten van een nieuwen driehoek.

Toen dit werk was afgeloopen, wendde Murray zich tot den Boschjesman, en zeide: »Als ge maar wilt, Mokum."

»Ik ben tot uwe bevelen, mijnheer."

»Wacht de rhinoceros ons nog altijd?"

»Altijd."

»Laat ons dan naar beneden gaan, en hoe sterk het dier ook zijn moge, zoo zal een kogel uit mijn buks het wel tot reden brengen."

»Een kogel!" riep de Boschjesman, »u weet niet wat een chucuroo is. Die dieren zijn taai, en nimmer heeft men nog een rhinoceros door een eersten kogel zien vallen, hoe goed de jager ook mikte."

»Kom!" zeide Murray, »omdat men geen puntkogels gebruikte!"

»Puntig of rond," antwoordde Mokum, »uwe eerste kogels zullen zulk een dier niet vellen."

»Welnu, dappere Mokum," hernam de Engelschman, die in zijn eer als jager werd aangetast, »ik zal u eens toonen wat Europeesche wapens vermogen, omdat ge daaraan twijfelt!"

Dit zeggende laadde Murray zijne buks, en was gereed om vuur te geven, zoodra de afstand daarvoor klein genoeg was.

»Een woord nog, mijnheer!" zeide de Boschjesman, die een weinig geraakt was, en zijn makker met een wenk tegenhield, »zoudt u met mij willen wedden?"

»Waarom niet, brave jager?" antwoordde de Engelschman.

»Ik ben niet rijk," hernam Mokum, »maar ik zou gaarne een pond sterling tegen den eersten kogel zetten."

»Goed!" hervatte Murray aanstonds. »Ik betaal u een pond als de rhinoceros niet door mijn eersten kogel valt."

»Meent u het?" vroeg de Boschjesman.

»Zeker."

De twee jagers daalden den steilen kant van den heuvel af, en waren weldra op slechts vijf honderd voet van den rhinoceros, die onbeweeglijk liggen bleef. Het dier was dus zoo gunstig mogelijk voor den jager geplaatst, en hij kon op zijn gemak mikken. De eerzame Engelschman meende zulk een gemakkelijk spel te hebben, dat hij op het oogenblik dat hij zou schieten, den Boschjesman zijne weddingschap wilde doen terugtrekken, waarom hij zeide:

»Meent gij het nog altijd?"

»Zeker!" antwoordde Mokum bedaard.

De rhinoceros lag zoo onbeweeglijk als eene schijf. Murray kon dus de plaats kiezen waar hij hem wilde raken om hem in eens dood te schieten. Hij besloot het dier in den snuit te treffen, en daar zijne eer als jager er mede gemoeid was, mikte hij zeer nauwkeurig, hierin nog geholpen door de juistheid van zijn wapen. Een schot knalde; maar de kogel in plaats van in het vleesch door te dringen, vloog tegen den horen van den rhinoceros en verbrijzelde daarvan de punt. Het dier scheen den schok zelfs niet te gevoelen.

»Dit schot geldt niet," zeide de Boschjesman, »u hebt het vleesch niet getroffen."

»Wel zeker!" antwoordde Murray, een weinig geraakt. »Het schot geldt wel, Boschjesman. Ik heb een pond verloren, maar ik wil het wel gelijk of dubbel doen."

»Zooals u wilt, mijnheer, maar u zult het verliezen."

»Dat zullen wij eens zien!"

De buks werd met zorg geladen, en Murray mikte op de zijde van het dier; een tweede schot knalde, maar de kogel trof de plaats waar de huid uit laagsgewijze elkaar bedekkende hoornachtige schilden bestaat en viel op den grond, niettegenstaande de groote kracht, waarmede hij er tegen aankwam. De rhinoceros maakte eene beweging en ging eenige schreden verder.

»Twee pond!" zeide Mokum.

»Durft gij?" vroeg Murray.

»Gaarne."

Ditmaal riep Murray, die een weinig kwaad begon te worden, al zijne koelbloedigheid te hulp, en mikte op het voorhoofd van het dier. De kogel trof de bedoelde plek, maar sloeg terug, alsof hij tegen een ijzeren plaat was aangekomen.

»Vier pond!" zeide de Boschjesman bedaard.

»En nog vier!" riep Murray woedend.

Ditmaal drong de kogel in de zijde van het dier, dat een vreeselijken sprong deed; maar in plaats van dood te vallen, wierp het zich met onbeschrijfelijke woede op de struiken en begon ze te vernielen.

»Ik geloof dat hij zich nog een weinig beweegt, mijnheer!" zeide de jager kalm.