Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'
Part 10
»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?"
»Wij kunnen er niet door," antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost- of westzijde om het bosch heen te trekken."
Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer meten dan noodig was.
Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch heen te trekken, daar de afwijking aan beide zijden ongeveer dezelfde was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.
De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dien onoverkomelijken hinderpaal heen te trekken. [3] Het kwam er niet op aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beide aanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts, omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht, zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.
De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.
Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten, zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde meeningen.
Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.
Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen, dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis, die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.
»Ik stel me voor," zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen."
»Het is een noodlottige omstandigheid," antwoordde Murray, »en ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was, zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten, waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik met het geweer op schouder het jachtveld afloopen."
»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier tot in het oneindige verlengd worden."
»Ik vrees het, Mokum," antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerders hebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak, die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden, die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan juist door het bosch loopt!"
»De duivel hale die bosschen!" antwoordde de Boschjesman, »als er van zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij, mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol, dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen, mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut van uw werk geloof slaan!"
Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.
Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van »graphycerus elegans" bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels, en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen, die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk een jager.
Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten, vragen en antwoorden. Hij zag hem met het geweer in rust, zonder te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander, wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafel zocht. Maar Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.
Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem: »Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens zullen worden?"
Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en Engelschen te vreezen stond.
Toen zij 's avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:
»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan de beide geleerden hun zin te geven."
»Zoo... dappere jager?" antwoordde Murray vrij verbaasd.
»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind maar gunstig is."
»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?"
»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!"
»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken der wetenschap worden opgeteekend."
»Veel eer voor mij," antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.
Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal stelden.
's Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.
Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaak van hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens, en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid der karavaan.
Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat »er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen."
Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in, vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.
Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen reeds op de been.
Het bosch stond in brand.
Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een weg banen.
De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen, die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate van de soort van boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.
Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena's, buffels, leeuwen en olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den donkeren gezichteinder.
De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.
XIV.
Eene oorlogsverklaring.
Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.
Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden, wezen de plaats aan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw uitbarsten, en het geheele woud verslinden.
Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den heuvel stond, was als 't ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.
De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur gespaard was gebleven.
De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik was genoeg om hem te herkennen.
»Een Makololo!" riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray, door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.
Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?"
»Het is een Makololo, kolonel," antwoordde Mokum, »een inboorling uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers, die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen, dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken."
»Maar Boschjesman," hernam de kolonel, »wat hebben we van een dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand te bieden?"
»Op dit oogenblik, ja," hervatte de Boschjesman, »maar deze plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebreke blijven met eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken."
Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.
Den 17den Augustus had men een derden graad van den meridiaan gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.
Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten, en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng, een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen, zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.
De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken, en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.
Den 22sten Augustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemd wordt, heette eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den naam van Bakoninen bekend zijn.
De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone, zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van 1852 niet ontzien.
Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren, vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten, en deze week brachten zij dan ook in een dolce far niente door, terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.
Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en hart gegrond was.
Den 30sten Augustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht, waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.
Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke zending ernstig bedreigden.
Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels nommers van de Times, de Daily News en het Journal des Débats. De daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandigheden een bijzonder belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.
De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van het zendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had losgemaakt, nam hij een nommer van de Daily News van 13 Mei 1854, ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.