Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 9
Onze vriend wandelde langs de verschillende gebouwen, genoot van het prachtige uitzicht en slenterde ten slotte naar het stille dal waar hij Napoleon het eerst had gezien. De frissche zeewind koelde hier de temperatuur wat af, Ned koos een plaatsje en vleide zich neer in de schaduw der wilgen.
Allerlei gedachten dwarrelden door zijn brein: Napoleons gevallen grootheid, Albions trotsche macht, zijn liefelijk tehuis, zijn vrienden op de "Magada" en de diefstal der diamanten. Kwam er toch maar een schip waarmee hij naar Kaapstad kon vertrekken! Intusschen zou hij zich zoo goed mogelijk amuseeren met wat het toeval hem bood..... De vriendelijke, beminnelijke familie Balkombe, dat prachtstuk van een Wallis, die in iederen vreemde een verrader zag! Was zelfs deze rit niet op touw gezet om naar verdachte individuen te zoeken? En men had geen sterveling gezien....
Een windvlaag, die de takken der wilgen schudde en de dorre blaadjes heinde en ver strooide, brak Neds gedachtengang af. Hij keek op en zag een smal strookje wit papier, dat dwarrelend, nu hoog dan laag, op den adem van den wind tot hem kwam. Gewoon alles van beteekenis te achten zoolang hem het tegendeel niet was gebleken, nam hij het papiertje van den grond en streek het glad.
Hij las:
"Gereed! Op den dag van het inloopen van de C. Een u. v. m. Prosperious!
C."
"Well! Dat lijkt een afspraakje," zeide Ned hardop. "Vriendelijk van den wind voor brievenbesteller te spelen..... of..... wacht eens..... "Gereed!"..... Waar..... wanneer?..... "Op den dag van het inloopen van de C.".... C.?..... de "Conqueror", zonder twijfel..... dus heden!..... "Een u. v. m."..... Een uur voor middag..... kan niet, het schip is nog niet binnen..... "voor morgen"? evenmin..... om dezelfde reden..... blijft..... voor middernacht. "Prosperious" wil zeggen: gelukkig of gelukkend..... Zeide Balkombe niet dat het beekje in het dal der Nymphen in de Prosperious baai uitmondt? Hm.... loopt ten zuiden van Longwood.... een tamelijk steile helling daar..... maar, nood breekt wetten. De onderteekening "C", zóó kan iedereen heeten. Zoowaar een avontuurtje, maar..... als ik me goed herinner heb ik dit stukje papier op een der lievelingsplekjes van den keizer zien liggen en wel daar, waar hij die diepte liet graven. Ik moet er het mijne van hebben!"
Ned sprong op en had weldra het bedoelde plekje bereikt maar trots zijn onvermoeid zoeken kon hij niets vinden. Het moest dus hetzelfde strookje papier zijn dat daar gelegen had.
Voor het huis van den keizer ontmoette hij kapitein Poppleton.
"Welkom op Longwood, Mylord," zeide deze, hem de hand toestekend. "Generaal Bonaparte is vreeselijk slecht gehumeurd! Hij voelde zich niet al te wel en bevindt zich reeds in zijn kamer."
Ned spitste de lippen als wilde hij fluiten en een schalksch lachje vloog over zijn gelaat.
"Kapitein, ik heb velerlei gezien vandaag. Mag ik u raden streng acht te geven op generaal Bonaparte, vooral als de avond gevallen is."
"Mylord!"
"Word niet boos, kapitein. Liever zou ik een vermoeden, ofschoon een zeer gegrond vermoeden, niet als een feit behandelen, maar..... het is zeker beter de kooi te sluiten voordat de vogel gevlogen is. Ik vond toevallig dit in elkaar gefrommeld papiertje waarop in het Engelsch geschreven staat:
"Gereed! Op den dag van het inloopen der C. Een u. v. m. Prosperious.
C."
"Geef hier," zeide Poppleton, het papiertje uit Neds hand rukkend. "Het schrift is niet verdraaid maar mij geheel onbekend. Ongetwijfeld een complot."
"Wat zijt gij van plan te doen, kapitein?"
"Onmiddellijk rapport maken aan den gouverneur."
"Het is zeker de voorgeschreven weg, maar zal even zeker aanleiding geven tot nog grooter botsingen tusschen Napoleon en sir Hudson Lowe. Zou het niet verstandiger zijn den keizer elke poging tot vluchten te beletten?"
"Ja, dat zou het."
"Well! zet een wacht voor Bonaparte's deur, of beter nog, één aan weerszijden van het huis en geef bevel ieder neer te schieten, die het gebouw verlaat."
"Ik zal hem terstond mededeelen, dat wij verplicht zijn dezen maatregel te nemen. En dan hield hij zich nogal ziek! Om te lachen! Soldaten hebben wij genoeg. Dagelijks trekt een heele compagnie uit."
"Zet gij de wachten uit tusschen licht en donker?"
"Me dunkt niet vroeger."
"Precies mijn meening. Laten wij tot dien tijd het geheim bewaren. Mogelijk komt er nog een derde signaal."
"Dat geen onheil kan stichten. Wij weten nu dat er een samenzweering bestaat en de keizer, streng bewaakt, kan zijn paleis niet verlaten."
"Neen, hij blijft gevangen. Gaarne stel ik mij voor deze zaak ter uwer beschikking om.... nu ja, om den plannenmaker te overrompelen en hierheen te brengen. Het zal niet gemakkelijk gaan, maar wij kunnen het beproeven. Mijn pistolen heb ik bij mij."
"Dat zou prachtig zijn," juichte Poppleton.
"Van Longwood mogen in geen geval signalen worden gegeven. Zoodra de schemering invalt, worden alle deuren en vensters gesloten en het licht mag men niet verwijderen van de tafel waarop het staat. De mededeeling, dat de wacht bevel heeft onmiddellijk te vuren, moet kracht aan uwe bevelen bijzetten."
"'t Zal geschieden. Ik houd den "ouden Nap" voortdurend gezelschap. En wie het waagt, ondanks de strenge orders licht aan te steken, wordt doodgeschoten."
"Wilt gij mij een handvol soldaten toevertrouwen, kapitein?"
"Natuurlijk, Mylord! Stipt twee uur voor middernacht zullen zij op de door u aangewezen plaats zijn."
"Dan wacht ik ze bij de monding der Prosperious-baai in het Nymphen-dal."
"All right."
"Verzwijg ook voor Balkombe onze afspraak, kapitein. Ik zie hem daar komen. Welke reden zullen wij voor mijn verblijf hier opgeven?"
"Gemakkelijk genoeg! Gij hebt mijne uitnoodiging aangenomen om een wacht op Longwood mede te maken."
"Best. Afgesproken."
ONTPOPT.
Ballière en Miguel Carril begaven zich op zekeren morgen naar de kajuit van den kapitein om hun gevangene te bezoeken, die met een geledigd glas voor zich, aan tafel zat.
Hij was gekleed als een gewoon matroos, maar zijn fijn besneden gelaat en zijn blanke handen bewezen dat hij niet in de lagere rangen diende.
"Staat gij me toe, heeren," vroeg hij, oprijzend, "eenige oogenblikken naar het dek te gaan?"
"Met welk doel als ik vragen mag?" vroeg kapitein Ballière.
"Om te zien waarheen wij zeilen."
"Maar dat weet gij toch? Wij beloofden immers den kapitein van uw schip, van wien wij u ziek overnamen, u te Kaapstad aan wal te zetten."
"Dat hebt gij niet kwaad bedacht, kapitein," luidde lachend het antwoord. "Maar..... voor ik aan boord, kwam, was mijn bewustzijn al teruggekeerd, ofschoon ik het u niet liet blijken. Laten wij openhartig en eerlijk met elkaar spreken. Ik ben uw gevangene tot.... het eerste Engelsche fregat in het zicht komt. Dan zijt gij de mijnen en... misschien zeer tot uw nadeel. Beter ware het geweest mij te laten verdrinken dan mij gevangen te nemen."
"Ik handelde volgens de ingeving van mijn hart," antwoordde Carril, "en nam u in de boot juist om u niet te laten verdrinken."
"Ik, persoonlijk, ben u er dankbaar voor; of anderen eveneens zullen oordeelen moeten wij afwachten. Laten wij verstandig met elkaar spreken, heeren. Gedane zaken zijn niet te veranderen."
"Geschied is geschied" stemde Ballière toe. "Gij schijnt op de hoogte van alles...."
"Ik was zoo gelukkig te Longwood een strookje papier te vinden, waarop geschreven stond: "Gereed! op den dag van het inloopen der "Conqueror...."
"Der "Conqueror"? Maar.... overste....", zeide Ballière verwijtend.
"Pardon, vriendje, niet waar. De naam "Conqueror" was niet genoemd."
"Neen, toch las ik het er uit. "C" kon niet anders verklaard worden, daar er in de haven geen schip lag of verwacht werd, wiens naam met een C. begint. Een u. v. m., dus vóór middernacht en ten slotte "Prosperious", dat moest de Prosperiousbaai zijn."
"Goed uitgelegd," verklaarde de overste. "Ik zelf, kapitein, legde het strookje papier in de handen van Bertrand. Dat ik den keizer niet durfde naderen, weet gij."
"Het is de schuld van een der generaals, mogelijk ook die van Napoleon, dat door onvoorzichtigheid onze plannen verraden zijn."
"Misschien wel," zeide de zeeman, in wien wij Ned Westfield herkennen. "Ik had even veel deel aan het verijdelen uwer plannen. Maar, heeren, hebt gij goed de gevolgen bedacht, indien uw waagstuk had mogen gelukken? Opnieuw zou een ontzettende storm over Europa zijn losgebroken. Denkt gij werkelijk dat generaal Bonaparte zich vergenoegd zou hebben met enkel heerscher der Franschen te zijn?"
"Zijn rampen zouden hem wel de oogen hebben geopend," meende Carril.
"Toegegeven. Hij mist echter alle eigenschappen, die iemand tot een bekwaam en wijs regeerder stempelen, en om zich te handhaven op het standpunt, waarop hij nu eenmaal wenscht te staan, zou hij zeker politieke verwikkelingen in het leven hebben geroepen om nogmaals het zwaard te kunnen trekken. Ik benijd Napoleon zijn roem als veldheer niet."
"De toestand in Frankrijk is onhoudbaar; overal heerscht ontevredenheid," zeide Ballière. "Den keizer uit de handen der Engelschen te redden en hem naar Amerika te brengen was mijn doel. Later, als de hartstochten wat uitgewoed waren, kon men van daar de verhoudingen langs diplomatieken weg regelen."
"Alle eer aan uw goede bedoelingen, en alle respect voor uw aanhankelijkheid aan uw held. Maar ik bezweer u, laat den man aan zijn noodlot over, die in duizende gevallen bewezen heeft, hoe weinig hem het leven van anderen deert, indien hij voor zichzelf roem, eer of voordeel kan behalen."
"Helaas, ja, en toch.....," sprak de overste, een zucht slakend. "Ik ben geen Franschman, mij bindt een groote schuld der dankbaarheid aan Napoleon. Voor mij en de mijnen is hij goed geweest, nadat hij ons het leven en de vrijheid had geschonken."
"Hadt gij uw leven verspeeld?"
"Niet precies!"
"Ik ken nu zoo ongeveer den staat van zaken te St. Helena en onderstel dat elke poging om den banneling te bevrijden, vruchteloos zal zijn," merkte Ballière op.
"Volkomen vruchteloos. Ik erken dat uw plan meesterlijk in elkaar gezet was en het zou zeker gelukt zijn, indien de wind me dat strookje papier niet in handen had gespeeld."
"Wanneer gebeurde het?"
"'s Middags. Tijdig genoeg om een spaak in het wiel te steken. Napoleon werd ten strengste bewaakt en het geven van een signaal verhinderd."
"De afspraak was: een lichtsignaal, voor het geval dat er iets in den weg kwam," bekende Ballière.
"Gij liet ons dus aan land komen om.....?"
"U gevangen te nemen, overste. Ik lag met twintig man in een hinderlaag in de Prosperious baai; de booten kwamen niet op den vastgestelden tijd, waardoor mijn voornemen u te overrompelen, mislukte."
"Toen hebt gij mij aan wal laten komen!"
"Dat moest ik wel. Wat werd er toch tegen mijn hoofd geslingerd toen ik aan den rand van de rots stond. Ik verloor onmiddellijk mijn bewustzijn."
"Een handspaak. Vuurwapens zijn bij een dergelijke expeditie niet te gebruiken."
"En in de verwarring, door mijn plotseling verdwijnen in het water ontstaan, vergaten de soldaten te schieten?"
"Juist. Toen de eerste schoten vielen, was onze boot met u aan boord al lang in de duisternis verdwenen. Begrijpend dat wij verraden waren, aarzelde ik geen oogenblik."
"De manoeuvre is uitstekend bedacht en uitgevoerd! De brik binnenbrengen zonder dat het op het wachtschip bemerkt werd. En de boot precies op tijd in de Prosperious baai," zeide Ned, vol bewondering voor zulk een koenen daad.
"Wij waren den vorigen nacht al op St. Helena. De "Mariëtta" lag voor Jamestown en lichtte gisterenmiddag het anker."
"Dan bevindt zich de Fransche officier aan boord, dien kapitein Wallis op het schip liet brengen?"
"Dat was ik," zeide Ballière buigend.
"En dan is de overste misschien wel de Pool Pintkowsky?"
"Ja. Ik....."
"En de papieren van dien Pool?"
"Zijn echt. Zij werden mij kort voor zijn dood door den rechtmatigen eigenaar, die op den terugtocht van Moskow het leven verloor, ter hand gesteld om aan zijn familie te bezorgen. Ik kon me niet van dien opdracht kwijten omdat intusschen al zijn verwanten overleden waren. De papieren bleven dus in mijn bezit. Al het overige weet gij."
"Behalve waar mijn kleeren en wapens zijn gebleven. De pistolen vooral zijn mij dierbaar als een aandenken aan mijn vader."
"Ik zag ze niet meer," zeide Carril "maar...."
"Een matroos gaf ze aan mij," viel Ballière hem in de rede. "De pistolen steken nog in de halters, en zijn evenals uw sabel, natuurlijk ter uwer beschikking."
"Vriendelijk dank. Maar, heeren, het wordt tijd onze verhouding onderling te regelen voor een Britsch oorlogsschip ons achterhaalt. Als een gevangen man kunt gij mij niet behandelen, tenzij gij bekent zeeroovers te zijn."
"God bewaar ons!" riep Ballière. "Gij zijt vrij en kunt aan land gaan waar gij verkiest, uitgezonderd te St. Helena en op voorwaarde dat gij ons geen moeielijkheden berokkent."
"Vaart gij dan zonder doel?" vroeg Ned in zekere spanning.
"Ons plan is mislukt, dus... U ter wille zullen wij naar Kaapstad zeilen en dan gaan wij terug naar Frankrijk."
"Excuseer me, maar aanhoudend zweeft me een vraag op de lippen. Aan wie behoort dit schip?"
"De "Mariëtta" is mijn eigendom," zeide de kapitein.
"En wat gaat gij er nu mee doen?"
"Terwille dezer mislukte onderneming zal ik het wel niet behoeven te verlaten. Mijn schip wordt als ik een koopvaarder."
Op dat oogenblik kwam een oude matroos in de kajuit en meldde dat er een zeil in 't zicht was in de richting van St. Helena."
"Het is goed," zeide de kapitein, den man wenkend heen te gaan.
"Gij ziet heeren..." sprak Ned lachend.
"Ik begrijp dat wij spoedig moeten onderhandelen," meende Carril, terwijl Ballière zich het voorhoofd wreef, als wilde hij op die wijze zijn denkvermogen scherpen. "Worden wij door een fregat opgebracht," vervolgde Carril, "dan veroordeelt men ons volgens de Engelsche wet als hoogverraders en wij betalen onze gehechtheid aan den keizer verduiveld duur."
"Zonder Bonaparte in eenig opzicht van dienst te zijn geweest," voegde Ned er bij.
"Weldra zal het signaal van het fregat klinken, maar de brik is moeilijk in te halen, niet waar Ballière?"
De kapitein haalde de schouders op.
"De brik zeilt uitstekend," oordeelde Ned. "Wat zullen we doen, heeren?"
"Hoe is het mogelijk dat het oorlogsschip zoo dichtbij is? Ik kan het niet gelooven," zeide de kapitein, snel de kajuit verlatende.
"De vraag van den kapitein is gemakkelijk te beantwoorden. Het eerste schot bracht alles in beweging, mijn troepje soldaten berichtte natuurlijk ten spoedigste het voorgevallene en vijf minuten later bulderde het kanon te Ladderhill aan gene zijde van Jamestown."
"Wat raadt gij te doen?"
"Geef mij het recht om te handelen, overste. U zoudt me een grooten dienst kunnen bewijzen en uit dankbaarheid wil ik u gaarne uit deze ongelegenheid redden. Ik vraag u mij voor eenigen tijd de "Mariëtta" af te staan om een voor mij gewichtig doel te kunnen bereiken. Doe het..... en gij zijt buiten gevaar."
"Gaarne wil ik u van dienst zijn, maar het schip behoort niet aan mij."
"Ik zeide u reeds, dat ik de eigenaar van de "Mariëtta" ben," merkte de kapitein op, die juist binnen kwam.
"Ik weet het en vertelde aan uw vriend op welke wijze gij aan de moeilijkheden kunt ontsnappen."
"Onze gast, zóó mag ik u immers noemen, wenscht over uw brik te beschikken om een doel, dat alleen hem persoonlijk aangaat, na te jagen."
"Natuurlijk tegen behoorlijke vergoeding," haastte Ned zich er bij te voegen.
"Ook zonder dat, mijn vriend! Ik ben rijk genoeg om u een jaar lang rond de heele wereld te varen."
"Is het u ernst, dan de hand er op; over de betaling spreken wij later."
Met een stevigen handdruk werd de belofte bezegeld; op hetzelfde oogenblik klonk een kanonschot.
"Het sein om bij te leggen," zeide kapitein Ballière.
"Wees zoo goed de noodige bevelen te geven, kaptein. Het overige bespreken wij later. Mijn uniform zal te nat zijn om aan te trekken, jammer genoeg. Laat ze alsjeblieft op het dek te kijk liggen; ingeval een mij onbekend officier aan boord komt, moet ze mijn identiteit bewijzen."
Zonder een woord te verspillen, ging Ballière naar het dek.
"U, overste, moet ik mijn excuses aanbieden. Gij zijt passagier op deze brik en zonder rekening te houden met uw wenschen, heb ik er bezit van genomen."
"Ik heb maar een vriend meer..... Ballière. Waarheen hij gaat, trek ik gaarne mee."
Het oorlogsschip bleek de "Podargus" van kapitein Wallis te zijn. Zonder veel moeite wist Ned hem te bewegen om terug te keeren en dank zij zijn onderhandelingen met den visiteerenden officier kon de "Mariëtta" haar reis vervolgen. Eindelijk dacht men er aan zich aan elkander voor te stellen en nu bleek het, dat de jonge Lord in den overste, die zich bekend maakte als reisgezel van Neds vader in Argentinië, en in den flinken kapitein helpers had gevonden, die zijn zaak tot de hunne maakten en voor geen moeite terugdeinsden om de geroofde steenen weer te vinden.
Op den tocht naar Kaapstad leerde het drietal elkaar kennen en waardeeren. Ballière verhaalde van zijn vele zeereizen; Carril schilderde zijn veelbewogen leven, zijn ontmoeting met Westfield in de Argentinische pampa's, de reis naar La Plata en het overlijden van Neds vader; de luitenant deelde zijn ervaringen mede en toen men het doel van de reis naderde, was tusschen de drie mannen, ondanks hun verschil in leeftijd, een onverbreekbare vriendschapsband gesloten.
De voorvallen der laatste weken besprekend, bleek het dat de "Mariëtta" de brik was geweest, die aan de Westkust van Afrika herhaaldelijk de aandacht der bemanning van de "Magada" had getrokken.
Miguel verheugde zich van ganscher harte op het weerzien van Pedro, en was niet weinig nieuwsgierig of deze ook berichten omtrent den blonden Charles had ingewonnen. Ned vertelde dat hij uit den mond van Jim had vernomen, hoe de arme stakkert te Portsmouth met een zekeren José had gevochten en door dezen was vermoord.
"José, altijd weer José," riep Miguel, van zijn stoel opspringend en snel heen en weer loopend. "José, of het dezelfde schurk zou geweest zijn?"
Op zekeren middag liep de "Mariëtta" Kaapstad binnen. Neds geoefend oog vloog over de voor anker liggende schepen, maar de "Magada" was er niet bij. De vrienden hadden reeds vastgesteld hoe men in dit geval zou handelen om den minst mogelijken tijd te verliezen. Zoodra de brik geankerd was, voeren twee booten tegelijk naar den wal. In de eene bevonden zich Ned en Carril; in de andere de tweede stuurman, met order vleesch, vruchten en water te halen en zoo spoedig mogelijk terug te komen. Westfield begaf zich naar het bureau van de havenpolitie om nauwkeurige inlichtingen omtrent den Oost-Indiëvaarder in te winnen; Carril trachtte hetzelfde doel op het kantoor van de Britsch-Oost-Indische Compagnie te bereiken. Ongeveer een uur later ontmoetten zij elkaar weer bij hun boot. Ned wist dat de "Magada" een halven dag in de tafelbaai had gelegen; de overste berichtte dat er maar één boot aan wal was geweest om vleesch en water op te doen.
Volgens opgaaf van den havenmeester was de "Magada" acht en veertig uur geleden uitgezeild. De "Mariëtta" kon de oude kast spoedig inhalen, dus steeg men weer in de booten en weldra was de brik op weg om den Oost-Indiëvaarder te zoeken.
Met gunstig weer zeilde men de kaap om, daarna wisselden storm en onweer elkaar af, tot eindelijk de lucht helder en het water kalm werd. Op den vijfden dag was de "Magada" in 't zicht en bleef de "Mariëtta" haar op een afstand volgen.
Na de gevangenneming van Ned Westfield was er op de "Magada" niets van belang voorgevallen. Er werd geschertst, gelachen, en kaart gespeeld als te voren; geen andere afwisseling was er in het eentonige leven geweest, dan een onweer en het korte verblijf in Kaapstad.
De rechter en mijnheer Hyde waren gaarne aan land gegaan, maar stuurman Frog had het beslist geweigerd op grond dat er te Cameroen te veel tijd verloren was gegaan. Zelfs de krankzinnige kapitein was aan boord gebleven.
Eenige dagen later waren Tom, James en Pedro tot het besluit gekomen aan den flinken mijnheer Hyde, den man van rijpe ervaring, hun geheim mede te deelen. Tom had dus den ouden planter verteld wie Ned, James, Pedro en hij zelf waren. Deze had den pseudomissionaris op den schouder geklopt en lachend gezegd:
"Dat uw zuchten niet de verdorvenheid der menschen golden, begreep ik al lang, maar..... mijn hand er op, gij kunt op mij rekenen."
Met een woord van lof besprak hij Neds handelwijze, die zoo nabij het doel, de vervolging had opgegeven, om zijn vriend van nut te kunnen zijn.
"Dan zullen wij met nog meer ijver waken," voegde hij er bij. "Tast gij nog altijd in het duister, of zijn de daders bekend?"
"Ja, en de steenen zijn aan boord. James weet het zeker. De wilde Jim is de eene dief; Pedro kent den anderen. Maar hij wil den naam niet noemen uit vrees dat er iets verraden zal worden."
"We moeten hoogst voorzichtig zijn. Want al pakken wij de dieven, dan kunnen toch de diamanten verloren gaan."
"Vervolgens," ging Tom voort, "wacht ons bij de eerste gelegenheid een..... oproertje. Tijdens uwe afwezigheid--destijds in de Cameroenmonding--scheelde het niet veel of bij uwe terugkomst waren onze stukken van waarde, het grootste deel der manschappen en een boot verdwenen geweest. Had Pedro niet zoo handig gebruik gemaakt van dien dwazen streek van kapitein Harryson, dan hadt gij wel het schip maar uw effecten niet meer teruggevonden."
"Gij vergeet het alarmschot van den tweeden stuurman."
"Wij schoten het af, Westfield en ik. Wij wisten van Pedro, dat er iets gaande was. Deze heette en heet nog bij de kwaadgezinde matrozen te behooren.
"Kent gij de matrozen?"
"Zeker. Te Cameroen bleek wie zich bij de bende heeft aangesloten."
"Gelooft gij werkelijk dat er ernstige dingen zullen gebeuren?"
"Een muiterij, of juister gezegd, een diefstal door ons eigen volk op ons eigen schip. Jim staat aan het hoofd en hoopt in de algemeene verwarring zijn medeplichtige aan den diefstal der diamanten om het leven te brengen, teneinde de steenen voor zich alleen te kunnen houden. Ook uw bezittingen loopen gevaar...."
"Ik heb niet veel van waarde bij me. De kredietbrieven worden alleen aan mij persoonlijk uitbetaald, en iedereen kent mij in Indië," beweerde mijnheer Hyde lachend.
"Voorts de schatten van Sir Cook....."
"Ja, hij mag wel op zijn hoede zijn. Trouwens zijn Maleische bediende bewaakt hem met argusoogen. Wanneer wacht ons die verrassing?"
"Wij naderen langzamerhand het doel van onze reis, lang kan het niet meer uitgesteld worden, mogelijk bij den eersten storm....."
De "Magada," gevolgd door de "Mariëtta," was reeds Mauritius en Rodriguez gepasseerd, toen men op den Oost-Indiëvaarder de brik bemerkte. Jim zwoer bij hoog en bij laag dat het de zeeroover uit de Cameroenmonding was. Ook Tom herkende de brik, en Frog, wien het eveneens verdacht voorkwam, liet het schip scherp gadeslaan.
De toestand aan boord werd steeds zorgwekkender. De bevelen van Frog werden nauwelijks, die van den tweeden stuurman in 't geheel niet gehoorzaamd. Een scheepsjongen verpleegde den zieken kapitein dag en nacht; James was het toezicht opgedragen, een postje waarmee hij zich tevreden stelde omdat het hem gelegenheid schonk het scheepsvolk te spionneeren.
Pedro was natuurlijk op de hoogte van alles.
"Eerdaags moet het gebeuren," had Jim gezegd. "De Kaap hebben wij achter den rug, vóór Ceylon moet de "Magada" schipbreuk lijden."
"Hm," had Pedro geantwoord. "Is de tijd er, dan ben ik op mijn post. Dat weet je."
Na eenige dagen gunstig weer gehad te hebben, brak een hevig onweer los. Met den nacht vermeerderde het gevaar. De lucht zag roetzwart, de zee stond buitengewoon hol, de wind huilde ontzettend. Hemelhooge golven bedreigden het schip, de regen plaste met stroomen neer, de storm bracht met reuzengeweld de zee in beroering.
Behalve Tom en mijnheer Hyde waagde geen der passagiers zich aan dek.