Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 8
De matrozen drongen naar voren; de reizigers, meestal vrouwen, braken in luide jammerklachten los. Ned, James en Tom stonden met het pistool op de muiters gericht voor de boot, de stuurman en nog een paar heeren voegden zich dadelijk bij hen.
"Terug!" donderde Ned, die plotseling vergat een arme klerk te zijn, "terug! De eerste, die de boot aanraakt, schiet ik dood. Jim, als je een oud wijf bent....."
"Vervloekte klerk, pas op je tong," schreeuwde Jim.
"Als je een ellendig oud wijf bent," vervolgde Westfield onvervaard, en een der heeren zijn pistool reikend, "dan zal ik naar de kruitkamer gaan en naar de oorzaak van den brand zoeken."
Al pratende was hij het luik genaderd en verdween onder dek.
Onder onuitsprekelijken angst verliepen eenige minuten, minuten, die de wachtenden uren geleken. Tot aller verlichting verscheen eindelijk Neds hoofd; vlug sprong hij op het dek, snelde naar de achterzijde, naar de hut door Sir Cook gehuurd en bonste met zijn vuisten op de deur. Er volgde geen antwoord en snel besloten trapte hij de deur in. Een dikke walm sloeg hem tegen; een oogenblik week hij aarzelend terug, toen stormde hij naar binnen en kwam een oogwenk later terug, miss Cook, de dochter van den rechter, in zijn armen dragend.
"Stilte! Orde!" beval onze vriend. "Het kruit loopt geen gevaar."
Allen slaakten een zucht van verademing.
"Mannen," voer hij voort, "je hebt nu gelegenheid goed te maken, wat je zooeven hebt misdreven. Volg mij, dan zullen wij den brand blusschen."
Vlug en zonder tegenspraak gehoorzaamden de matrozen de bevelen van Ned, behalve Jim, die brommend en vloekend tegen de fokkemast leunde.
De brand was reeds gebluscht; de passagiers en het scheepsvolk waren op het dek verzameld, eenigen druk pratend en gesticuleerend, anderen met bezorgden blik de matrozen beschouwend, toen de booten terugkeerden. Nauwlijks aan boord overvielen allen Ned Westfield met vragen; ieder wilde haarfijn weten wat er gebeurd was en wie het kanonschot gelost had. Met enkele woorden gaf hij hun de noodige inlichtingen, doch was zoo verstandig den voorgenomen aanval der samenzweerders te verzwijgen.
Toen Ned zoo onverschrokken in het ruim afdaalde ontdekte hij dadelijk, dat de rook niet van de zijde kwam waar het kruit en de patronen waren geborgen, maar van den tegenovergestelden kant. Hij vloog er heen en zag, dat er brand ontstaan was in de kajuit van den kapitein. Deze zat aan tafel en stak aan een brandende kaars, die voor hem stond, propjes papier aan, die hij naar alle zijden om zich heen wierp. Het bed had vuur gevat, de vlammen om zich heen grijpend hadden de hut van mijnheer Cook aangetast. Als een bliksemstraal ging het Ned door het hoofd, dat Miss Cook haar vader niet vergezelde op zijn tochtje naar de baai van Biafra en dat hij het jonge meisje ook niet op het dek had gezien. Zou ze mogelijk slapen en gevaar loopen om te stikken? Zonder zich te bezinnen was hij naar haar hut geijld, en had haar, bedwelmd door den rook naar het dek gebracht, waar zij spoedig haar bewustzijn herkreeg.
De kapitein, die met starren blik en open mond zijn vernielingswerk was begonnen, zag met het glunderendste gezicht ter wereld naar het water, dat zijn kajuit binnenstroomde en de vlammen doofde. Blijkbaar was hij door een aanval van waanzin overvallen. Hij kreeg een andere hut en werd dag en nacht bewaakt.
De scheepstimmerman had handen vol werk, maar na eenige dagen was de schade hersteld en kon de "Magada" haar reis voortzetten.
DE "OUDE NAP"
De blauwe golven van den Atlantischen Oceaan, zich wiegend tusschen Zuid-Amerika en Afrika, omspoelen de steile rots van het eiland Sint Helena, waarop Napoleon zijne dagen in ballingschap sleet. De Corsicaan was op zekeren dag, tot niet geringe verbazing der bewoners, die noch van zijn ontvluchting van Elba, noch van zijn tweede nederlaag iets gehoord hadden, op de "Northumberland" aangekomen. Natuurlijk was er geen geschikte woning voor den keizer gereed en er werd besloten, dat hij het huis van den heer Porteus te Jamestown zou betrekken, tot Longwood voor zijn ontvangst zou zijn gereedgemaakt. De dag na zijn aankomst maakte Napoleon een tochtje te paard en zag bij die gelegenheid het buitenverblijf van den heer Balkombe, officier magazijnmeester bij het leger, dat zeer in zijn smaak viel en waar hem op zijn verzoek, werd toegestaan zich te vestigen. Deze villa "Briars" geheeten, lag ongeveer vier Engelsche mijlen van Jamestown op een der vriendelijkste plekjes van het eiland. Een groene vlakte met weelderigen plantengroei en een groote vijver, waarin duizenden goud- en zilvervischjes spartelden, strekten zich voor het huis uit. Het geheel was omgeven door kale rotsen; van den hoogsten stroomde een kristalhelder beekje, dat schuimend zich in den vijver stortte.
Ruim drie weken had Napoleon dit kleine paradijs bewoond en op vriendschappelijken voet met de familie Balkombe omgegaan, toen hij den wensch te kennen gaf het als zijn eigendom te mogen beschouwen. De gouverneur echter weigerde aan zijn verlangen te voldoen en de keizer werd naar Longwood gevoerd, waar hij nu reeds twee jaar woonde.
Op een namiddag zat onder de veranda van de "Briars" een klein gezelschap rond de tafel geschaard. Mevrouw Balkombe rees op en ging haar echtgenoot tegemoet, die vergezeld van een Engelsch zeeofficier en twee heeren in buitenlandsch uniform met snellen pas naderde.
"Ik breng een vreemden gast mee," zeide de heer des huizes, den zeeman aan zijn vrouw voorstellende. "Mijn vrouw--Lord...."
"Westfield! zoo waar, Westfield! Wel, vriend, ik herkende je dadelijk al zie je er verd... excuseer mij, dames--al zie je er veel mannelijker uit. Welkom op St. Helena!" zeide met een commandostem een kapitein ter zee. Hij liep naar den vreemde toe en drukte hem hartelijk de hand.
"Mijneheeren," begon de heer des huizes, "mag ik u voorstellen Lord Westfield uit Londen, die vanmorgen plotseling uit zee opdook en gaarne als eerste luitenant op de "Eagle" zou worden aangesteld in de plaats van mijnheer Cupples die het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld."
"En die men voor luitenant Tom Hunter heeft aangezien," voegde onze vriend er bij.
"Ei zoo, is dat het geval," klonk weer de commando-stem.
"Dan krijgen wij zeker een interessante geschiedenis te hooren," merkte een andere officier op.
"Waar wij gaarne naar willen luisteren," zeide mevrouw Balkombe. De gastheer stelde de andere gasten aan Ned voor en allen namen plaats aan de tafel, die van allerlei verfrisschingen was voorzien.
"Weet je nog, Westfield," vroeg zijn oude kennis, kapitein Wallis, "waar wij elkaar het laatst hebben gezien?"
"Zeker! Te Plymouth!"
"Ja, en daags daarna ging je onder zeil naar het Afrikaansche station."
"Op de goede, oude "Pandora!""
"En heb je verdui..... excuseer dames.... en heb je daar kranig aangesteld. Ik hoorde het, toen ik eindelijk uit de handen der Franschen kwam. Dat was een vervloek.... nogmaals excuus.... ik wou zeggen een ingewikkelde geschiedenis, die mij naar Parijs bracht."
"Dat moet gij mij toch eens vertellen, kapitein," zeide een der vreemden, die een donkergrijs uniform droeg, gebrekkig Engelsch sprak en aan Ned was voorgesteld als een gedelegeerde van Rusland. Zijn metgezel, gekleed in een witte rok, was een Oostenrijker. Beide heeren waren door hun Keizers naar St. Helena gezonden om de gangen van den nog altijd gevreesden Corsicaan te bespieden.
"Een ander maal," antwoordde de kapitein, "nu is Westfield aan het woord. Hij moet ons zijn raadselachtige komst verklaren."
"Graag," riep een officier, kapitein Poppleton van het 53e regiment, wiens plicht het was Napoleon geen seconde uit het oog te verliezen. "Ja, lord Westfield mag vertellen. Dan hoor ik nog wat nieuws en geniet dubbel van mijn vrijen dag. Ik kan u verzekeren, dat het op Longwood zeer vervelend is."
"Mijn verhaal is kort en eenvoudig, nauwelijks de moeite van luisteren waard," merkte Ned aan. "Ik was te Cowford, met stijgend ongeduld mijn aanstelling bij de marine wachtend, toen mij een paar kostbare diamanten werden ontstolen. De vervolging van den inbreker bracht mij naar Portsmouth, waar ik Tom Hunter, eerste luitenant op de "Orion" ontmoette, die in een duel zijn chef had doodgeschoten. Natuurlijk redde ik mijn ouden vriend, die tot dat duel gedwongen was geworden, en stak zijne papieren in mijn zak. Ik stapte weer op den Oost-Indiëvaarder waar de dieven zich bevonden, doch had nog geen bewijzen genoeg om hen gevangen te laten nemen, toen de "Eagle" ons schip aanhield om naar Tom Hunter te zoeken. Het spreekt vanzelf dat ik een naamkaartje van Tom verloor en als vluchteling werd gepakt. Naar St. Helena gebracht, trof ik een aantal zeeofficieren, die mij als Ned Westfield herkenden en als gevolg kreeg ik mijn vrijheid terug. Dat is het heele verhaal."
"En op eens zijt gij weer luitenant bij de marine. Dat hebt gij aan Cupples te danken."
"Hoe zal het nu met de gestolen diamanten afloopen?" vroeg mevrouw Balkombe.
"Met de eerste gelegenheid ga ik naar Kaapstad om de dieven verder te vervolgen."
"Dat kan nog wel eenige weken duren," meende kapitein Wallis, "al is het ook waar, dat tegenwoordig hier meer schepen aanleggen dan vroeger."
"Een paar dagen geleden meenden wij, dat uit het Noorden een schip hierheen kwam," vertelde Poppleton, "maar het zette koers naar het Westen."
"Uit Kaapstad is heden een brik binnengeloopen. Wat een prachtig vaartuig!" zeide de Oostenrijker. "Het is bestemd voor Marseille. Wie daarop mede kon!"
"Een prachtstuk," stemde kapitein Wallis toe. "Het schip heeft een officier van den "Ouden Nap" [14] aan boord, die zijn leven wil wagen om nog eenmaal zijn keizer te zien."
"Stond Sir Hudson Lowe hem toe Napoleon te bezoeken?" vroeg de dochter van mijnheer Balkombe.
"Wij hebben noch Poppleton, noch Sir Hudson, den cerberus van den "Ouden Nap" om verlof gevraagd. Ik zag den man te Jamestown rondsluipen en liet hem aan boord van zijn brik terugbrengen met de boodschap, dat hij als spion zou behandeld worden zoodra hij weer een voet aan wal durfde zetten."
"Waarom zoo wreed?" vroeg mevrouw Balkombe.
"Omdat het mij niet verwonderen zou, indien de Franschen, die onzalige kikkerknauwers, die zoo verd.... excuseer me.... zoo weinig tevreden zijn met hun koning, pogingen zullen aanwenden om hun keizer terug te krijgen. En wie weet welke onheilen die ellendeling stichten zou als men hem zijn vrijheid weer gaf."
"Voorzichtigheid is geraden. Ondanks voorzorgen en waakzaamheid wordt er nog gelegenheid gevonden generaal Bonaparte te naderen," merkte Poppleton aan, die het bevel volgend, Napoleon den titel gaf dien Engeland hem toestond.
"Wel, wel, kapitein, gij volgt hem als zijn schaduw en kan dan tòch nog een vreemde hem nabij komen?" spotte Ned.
"Ja toch," bevestigde Poppleton langzaam met het hoofd knikkend. "Gisteren gebeurde er iets, waardoor ik niet weinig ontsteld was. De generaal, vergezeld door Bertrand, Montholon, Gourgaud en mijn persoon volgde het voetpad langs Halleys Mount. Plotseling sloeg hij links af, gaf zijn paard de sporen en reed tot het hoogste punt van den rots. Groote steenen vlogen naar alle kanten. Wel zijn wij goede ruiters, maar geen onzer volgde hem. De generaals waagden het niet en mijn paard weigerde verder te gaan."
"Bonaparte kon toch onmogelijk te paard naar Frankrijk vluchten," spotte nu ook de Rus.
"Natuurlijk niet. Maar hoe licht kan een mededeeling een complot betreffend, hem op die wijze bereiken, zonder dat wij er iets van gewaar worden! Tot mijn schrik zag ik hem aan de andere zijde van den berg verdwijnen. Ventre à terre reed ik naar de hoofdstraat, vandaar naar Lemon Balley.... geen spoor van hem te ontdekken. Wel zag ik op Harvey Hill een onbekend individu, maar het ontbrak me aan tijd om mij met hem te bemoeien. God weet of hij niet een tusschenpersoon was. In vliegende vaart ging het verder, naar Longwood, waar ik tegelijk met Bonaparte aankwam."
"Hoe zag die kerel er uit?" vroeg Wallis.
"Gewone lengte, zwart haar en donkeren knevel....,"
"Intelligent gezicht, gekleed als een landrat?" viel de ander hem in de rede.
"Juist, juist!"
"Maar die men best voor een zeeman zou kunnen houden?"
"Ja, dat is de kerel! Kent gij hem?"
"Het is dezelfde die "oude Nap" wilde zien en die ik naar zijn schip liet terugbrengen."
"Het zou wat moois zijn als de wreede tyran zijn vrijheid herkreeg en Europa opnieuw zijn zonen moest offeren aan den bloeddorst van dezen tijger!"
"Gaat gij niet een weinig te ver in uw haat tegen Napoleon?" vroeg Mevrouw Balkombe.
"Hij heeft niets anders verdiend," beweerde Wallis, de schouders ophalend. "Mijn haat tegen den ouden Nap is algemeen bekend, daarom heeft men mij op de "Podargus" geplaatst en hierheen gezonden om hem te bewaken."
"Haat is een streng bewaker," meende Poppleton, "maar vindt een waardigen tegenpartij in..... list."
"Maar Poppleton, heeft die Franschman te Halleys Hill je zoo angstig gemaakt?" plaagde Balkombe.
"Te voorzichtig is beter dan nalatig," luidde het antwoord.
"Zullen wij morgen tot geruststelling van den kapitein een razzia door het eiland houden?" stelde Balkombe voor. "Ik moet toch te Longwood zijn. De heeren gedelegeerden willen misschien gaarne medegaan?"
Beiden bogen toestemmend en Balkombe vervolgde:
"En gij, Mylord? Zijt gij vrij van dienst en hebt gij lust u bij ons aan te sluiten?"
"Ik heb onbepaald verlof om de dieven te kunnen vervolgen," zeide Ned. "Gaarne wil ik van de partij zijn, mijnheer Balkombe. Gij voorkomt mijn wenschen, waarvoor ik u zeer dankbaar ben."
"Blijf vannacht hier logeeren, Mylord, dan vertrekken wij morgenochtend, zoodra de kanonnen op de batterijen het aanbreken van den dag hebben aangekondigd."
"Ook deze uitnoodiging neem ik gaarne aan. Maar ik heb mijn bagage niet bij de hand."
"Tobias zal ze dadelijk uit Jamestown halen. Nog op de "Eagle"?"
"Neen. In het hotel "Roos en Kroon."
Balkombe verwijderde zich om de noodige bevelen te geven.
"Het spijt me, mevrouw, dat ik u zooveel moeite veroorzaak," vervolgde Ned, zich tot de gastvrouw wendend.
"Volstrekt geen moeite. Tobias gaat elken avond naar stad. Hebt u nog boodschappen, wees dan zoo goed ze op te geven."
"Vriendelijk dank, mevrouw."
"En zullen wij spoedig afscheid nemen?" stelde de Oostenrijker voor. "Het zal morgen een vermoeiende reis zijn, een goede dosis slaap zal ons best te pas komen."
De heeren betuigden hun bijval en in opgewekte stemming verlieten zij de gastvrije woning.
"Stipt op tijd," zeide de Rus toen hij en zijn Oostenrijksche collega gelijktijdig met Ned en Balkombe "Plantation House", het verblijf van den gouverneur, bereikten.
Het gedonder der kanonnen kondigde den bewoners der dalen den nieuwen dag aan. In het Oosten wierp de zon haar eerste schitterende stralen over de blauwe golven en kleurde rozenrood den blanken nevel waarachter de bergen zich verscholen.
"Geschrikt van de aardbeving vannacht?" vroeg Balkombe, de heeren de hand schuddend.
"In den kortst mogelijken tijd stonden wij allen buiten de huizen," antwoordde de Oostenrijker. "Sir Hudson Lowe meende, dat de "Podargus" in de lucht was gevlogen."
"Of er ook ongelukken gebeurd zijn?"
"Wij hebben er niets van gehoord," zeide de Rus.
"Zullen wij eerst het Noordelijk deel van het eiland afrijden?" Of hebben de heeren een ander voorstel?" vroeg Balkombe.
Allen stemden met het plan in, alleen werd op Neds verzoek eerst het prachtige park van "Plantation House" bezocht, toen ging de stoet verder het Noorden in, over vlakten, heuvels en berghellingen. Tegen den middag werd er halt gehouden, het medegebrachte maal genuttigd en een glas Kaapsche wijn gedronken. Daarna kwamen de pijpen te voorschijn; de rookwolkjes stegen kronkelend omhoog boven de hoofden der mannen, die zich behagelijk hadden uitgestrekt aan den voet van den Diana-piek.
"Nu kunt gij u een goede voorstelling maken van St. Helena, Mylord," zeide de Oostenrijker. "Kale vlakten, steengroepen en rotsen in overvloed, maar om het eiland, zooals de Franschen doen, een onherbergzaam oord te noemen, is toch bezijden de waarheid."
"Dat is het zeker! "Briars" bijvoorbeeld is heerlijk gelegen en "Plantation House!" Allermooist! De dalen en bergen zijn hier zoo liefelijk, daar zoo romantisch, ginds zoo woest, dat ze in hooge mate mijn bewondering wekken."
"En dan de aanblik van de onmetelijke zee," voegde de Rus erbij.
"Ik moet eerlijk bekennen, dat het zien van die eindelooze watermassa me dikwijls wee maakt", zeide de Oostenrijker. "In Longwood krijgt men er meer dan genoeg van."
"Voor Bonaparte moet het al bijzonder onaangenaam zijn, omdat de zee hem elke poging tot ontsnappen belet. Hij heeft nu ruimschoots gelegenheid er over na te denken waarheen grenzelooze eerzucht en eigenbelang voeren."
"Gij zijt onverzoenlijk Mylord," merkte Balkombe aan. "Heeft kapitein Wallis u met zijn haat aangestoken?"
"Volstrekt niet. Maar het lot, den Corsicaan getroffen, schijnt mij een gerechte straf."
"'t Is inderdaad geen gekheid voor den man, gewoon de geheele wereld sidderend aan zijn voeten te zien liggen, nu gedoemd te zijn dag aan dag de meer of minder wilde vaart der wolken te beschouwen, het spel der golven gade te slaan," beweerde de goedhartige Oostenrijker. "Of zich den tijd te korten door met kleine pistolen, die niet eens een haan het leven kunnen benemen, naar de schijf te schieten!"
"Hudson Lowe is een streng bewaker," mengde de Rus zich in het gesprek. "Maar Napoleon en vooral zijne vrienden hebben dit aan zichzelf te wijten."
"Dat moet ik volmondig toegeven," sprak Balkombe. "Buitendien heeft de gouverneur strenge orders van de Britsche regeering. Meermalen heb ik bijgewoond hoe Napoleon inbreuk maakte op de rechten van Sir Hudson en hoe hij het hoogste woord verlangde zelfs in het administratief beheer van het havenstadje. De heeren Franschen hebben zich vaak gedragen als waren ze niet gevangen genomen, niet hierheen verbannen. Na tallooze botsingen heeft Napoleon zich teruggetrokken en bemoeit zich met niets meer. Daarbij komt nog dat hij ziekelijk is. De generaals, die zijn ballingschap deelen, houden hem gezelschap. In de eerste plaats Bertrand en zijn echtgenoote; ook mijn familie bezoekt dikwijls Longwood. Onlangs bezocht hem een graaf Pintkowski, die als officier den veldtocht naar Rusland heeft meegemaakt. Hij wilde bij den ex-keizer blijven, maar Sir Hudson weigerde zijn verzoek."
"Op mijn raad," bekende de Rus. "Hij was geen Pool. Wie weet waar kapitein Pintkowski gesneuveld was en hoe de ander in het bezit zijner papieren is gekomen."
"Misschien was hij wel een handlanger van een handlanger, die een poging om te ontvluchten wilde voorbereiden," spotte Ned.
"Wie onze fregatten, onze batterijen en de talrijke wachtposten ziet, zal den lust tot zulk een poging wel vergaan," beweerde Balkombe.
"Gij moet weten, Mylord, dat dagelijks een heele compagnie de wacht betrekt."
"Buitendien zijn op alle punten, die er zich toe leenen, stations voor de optische telegraaf ingericht, waarmee men onmiddellijk dag en nacht de noodige seinen kan geven. Het centraal bureau ligt op een heuvel ten Noordoosten van "Plantation House."
"Wie bij zulke voorzorgsmaatregelen nog vluchten kan!" plaagde Ned.
"Te paard, heeren! Nu naar Longwood!" zeide Balkombe. "Wij hebben niet ver te rijden."
De paarden, die genoeg voedsel gevonden hadden, werden bestegen en toen ze de berghelling waren omgereden lag de hoogvlakte van Longwood voor hen. Het is een naar het Noorden afhellende, kale vlakte, waarop behalve een soort van ruw gras, dat door de paarden niet gegeten wordt, weinig groeit. In het Zuiden gaat zij over in ruwe rotsen, die met steile wanden afdalen. De inzinking, hierdoor gevormd,--het stille of Nymphen-dal genoemd--wordt doorsneden door een van den Diamant-piek afstroomend riviertje. Zoowel het dal als het water komen uit in de Prosperious baai.
Op weg naar de gebouwen van Longwood kwamen de ruiters voorbij de hoofdwacht en reden toen langs een klein dal, waarin eenige treurwilgen een borrelende bron beschaduwden, die door een weelderige vegetatie was omringd. Bij het koele water hadden zich drie personen neergezet; het waren Bonaparte, Bertrand en Montholon.
"Dat is Napoleons lievelingsplekje," zeide Balkombe tot Westfield, terwijl hij den hoed afnam. De anderen volgden zijn voorbeeld en de Franschen groetten achteloos terug.
Op het hoogste punt van Longwood hadden de ruiters een prachtig uitzicht.
De zee baadde in zonneglans, de golven vleidden hun geschuimde koppen tegen de steile rotsen en het zachte grastapijt dat de gebouwen omgaf, vormde een liefelijke tegenstelling met den somberen aanblik van het overige deel van het eiland. In het Zuiden werd de blik begrensd door groote rotsblokken, overhangende klippen en hooge bergen waarop geen andere planten tierden dan bosjes zeevenkel en eenige aloës.
De woning van Napoleon, één verdieping hoog, stak uiterlijk weinig af bij de overige gebouwen. Het front had vijf ramen en een deur, vanwaar een kleine trap naar den tuin voerde; aan weerszijden sloten zich de bijgebouwen aan, elk met vier vensters. De zeven vertrekken, die hij ter zijner beschikking had, waren klein en laag; aan de wanden, bekleed met gestreept linnen, hingen enkele familieportretten. De keizer had buiten zijn slaapvertrek, waarin het kleine veldbed stond, dat hij op al zijn krijgstochten medenam, een kleed-, bad-, eet- en biljardkamer laten inrichten, De overige ruimte en eenige nabij gelegen huizen werden door het personeel en het gevolg bewoond. "Hutsgate," ten noorden van Longwood, was door generaal Bertrand en zijn familie betrokken. Het tuintje om Napoleons huis, door een eenvoudige houten schutting afgesloten, diende den ex-keizer dikwijls tot afleiding.
De gedelegeerden van Rusland en Oostenrijk begaven zich naar hun eigen woningen, die in de onmiddellijke nabijheid der overige gebouwen gelegen waren en Ned liet zich door Balkombe de verschillende plekjes wijzen waar Bonaparte gaarne vertoefde.
Bij hun terugkomst stonden op eenige passen afstand van zijn huis Napoleon en Bertrand, die intusschen uit het dal waren weergekeerd. Zonder eenigen aandacht te schenken aan de schuimende branding, die den banneling een eeuwige, onverbreekbare keten moest voorkomen, tuurden zij naar een schip, dat aan den horizont opdoemde.
"De "Conqueror"?" vroeg Ned.
"Ik geloof het wel," antwoordde Balkombe.
Napoleon en Bertrand kwamen naderbij.
Balkombe boog en Ned groette zooals hij een Britsch generaal zou hebben gegroet.
"Sire, ik heb de eer u Lord Westfield, mijn gast, voor te stellen."
"Aangenaam," zeide Napoleon met een ernstig gezicht en zich niet de minste moeite gevend, om zijn slechte luim te verbergen. "Zoo juist verneem ik dat men een voormalig officier van de groote armee, den Pool Pintkowsky, belet heeft mij te bezoeken," vervolgde hij in slecht Engelsch. "De eigendunkelijke handelingen van den gouverneur zijn nauwelijks meer te verdragen."
"Pardon, Sire. Ik weet uit de beste bron, dat de bewuste officier noch een Pool, noch kapitein Pintkowsky was."
"De gouverneur kent natuurlijk kapitein Pintkowsky persoonlijk!" klonk het vinnig van Bonaparte's lippen.
"Dat niet; maar de Russische gedelegeerde....."
"Kende hem vermoedelijk evenmin..... maar genoeg. Ik weet buitendien wel hoe de Britsche hoffelijkheid zich uit. Pardon, heeren, voor u maak ik een uitzondering. Gij zijt kort geleden tot hooger rang bevorderd, mylord?"
"Dat niet," zeide Ned, "maar wel is mijn uniform nieuw."
"Gij zijt gelukkiger dan ik, monsieur. Ik moest mijn rok laten keeren, omdat ik geen groen laken kan krijgen zooals ik voor mijn uniform noodig heb. Kan ik u even over zaken spreken, mijnheer Balkombe?"
Napoleon groette Ned kortaf en ging, gevolgd door Balkombe zijn woning binnen.