Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 5
"Gij dwaalt, Tehuelch. Zij is mijn eigen zuster, geroofd door de Molutchen bij de verwoesting der missie's. Zijt gij uw eed reeds vergeten? Mij en de mijnen hebt gij de vrijheid gewaarborgd."
"Sluwe vos!" spotte Lupan. "De bleeke bloem, gelijk met mij opgegroeid, is aan die zijde van den sneeuwberg geboren, waarheen de zon wijkt als ze ter ruste gaat. Nooit heeft zij den stroom gezien waar de blanke vaders wonen. Mijn grootvader Kellipan heeft het mij dikwijls verteld."
"Gij liegt, Molutch! Gij weet heel goed, dat lang geleden uwe benden dit meisje gestolen hebben aan den oever van de Laboleofu. [12] Gij wilt dus uw eed breken, huichelachtige schelmen?"
"De slavin blijft hier!" zeide Metipan beslist.
Als een razende stortte Miguel zich op hem. De wapens kletterden, Lupan trok zijn mes om den bombero in den rug aan te vallen, toen Amata hem met zoo'n kracht een pak vellen tegen de borst wierp, dat hij achterover tuimelde. Woedend greep hij het dappere meisje bij den arm, het opgeheven mes glinsterde in den maneschijn, maar.... een dof gehuil weerklonk.... met een geweldigen sprong vloog een donkere gedaante op den Toki af, rukte hem op den grond en zette zijn krachtig gebit in den schouder van den Indiaan. Op hetzelfde oogenblik zonk Metipan neer, het wapen van zijn tegenstander in de borst.
Met een luid hoera kwamen Lord Westfield, Alonso, Antonio en Juliano aangesneld. Zij waren de gestalten door Miguels scherpen blik bespeurd, maar niet door hem herkend. De Brit bevrijdde Lupan van zijn aanvaller, den grooten hond, die den Engelschman altijd vergezelde, waarna de hoofdman handen en voeten werden gebonden. Het schrandere dier, op den kleurling gedresseerd, had zonder een der strijdenden te kennen, op het juiste oogenblik den juisten man gegrepen.
"Precies op tijd," zeide Miguel, met een guanacovel zijn wapen schoonmakend. "Señor Inglese, mijn broeders, ik heb de eer u voor te stellen..... Amata Carril."
DE "ZWEMMENDE HEL".
Ongeveer een half jaar na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk medegedeeld, betrad een zeeman in zijn beste plunje de vorstelijke woning van Lord Westfield te Londen. Het was een oud matroos, dienende op het "Witte Kasteel", die namens zijn kapitein den zoon des huizes kwam halen, om op dien bodem zijn loopbaan als zeeman te beginnen.
Kort geleden had een Argentiniër het bericht gebracht van den dood van Lord Westfield en hoe gaarne mevrouw hem in haar dienst had gehouden, de afgezant--het was Pedro--weigerde en liet zich liever als matroos aanmonsteren. Overeenkomstig den wensch van zijn vader zou Eduard--door zijn moeder Ned genaamd--op zee gaan en het was Mevrouw gelukt voor den zestienjarigen knaap een plaats op het "Witte Kasteel", en in den kapitein Smiles een knappen leermeester te vinden. Ned, wiens wenschen samenvielen met die zijner ouders, was overgelukkig en eenige dagen later verliet het "Witte Kasteel" de haven van Greenwich, den jongen Westfield aan boord. Wel is waar eischte de traditie der adellijke Engelsche geslachten een indiensttreding bij de Marine, maar Lady Westfield was niet te bewegen geweest haar lieveling te wagen aan de oorlogskansen, daar toen ter tijde den strijd tusschen Engeland en Frankrijk nog niet beslecht was.
Ned doorliep op den koopvaarder een harde school. De matroos, die hem uit het ouderlijke huis had afgehaald, een echte pekbroek met ruwe manieren maar een hart van goud, was een leermeester, die geen aarzelen kende, en den jongen geen enkele uitspanning schonk, integendeel, zijn kweekeling moest alles leeren. Maar Ned bezat geestkracht, zelfbeheersching en karakter. Aan niemand liet hij blijken wat er in hem omging, en veel te trotsch om zich, door terugkeeren op den ingeslagen weg, aan aller spot bloot te stellen, deed hij gewillig elken arbeid die hem werd opgedragen. Toen het "Witte Kasteel" op zijn reis naar Indië de kaap de Goede Hoop bereikt had, was Ned een bruikbare maat, die zich op de blauwe golven thuis gevoelde. Tusschen hem en den braven James Walker was een hechte vriendschapsband gesloten.
Na de eerste reis volbracht te hebben, nam Ned ontroerd afscheid van kapitein Smiles. James, wiens vrouw te Greenwich woonde, moest dikwijls de familie Westfield bezoeken en Ned had het aan hem te danken, dat zijn moeder zich eindelijk gewonnen gaf en hij bij de Marine in dienst mocht treden. James hield het niet lang aan de wal uit en liet zich aanmonsteren op een schip, dat naar Noorwegen bestemd was. Toen Ned als adelborst op het fregat "Pandora" geplaatst werd, zwalkte zijn oude leermeester al lang op het ruime sop.
Acht jaar later was Ned tweede luitenant aan boord van zijn fregat. Na met gunstig gevolg het officiers-examen te hebben afgelegd, had hij als bevelhebber van een veroverde brik, een aantal vijandelijke schepen buit gemaakt. Later door zijn kapitein, die aan de golf van Guinea was gestationeerd, met een schoener de "Iris" naar de Cameroenmonding gezonden om het uitloopen der slavenhalers te verhinderen, had hij veel eer ingeoogst. Het gelukte hem kort na elkaar vier groote schepen, deels door overrompeling, deels door kracht van wapenen te bemachtigen. Onder zijn manschappen, die voor hun jongen bevelhebber door het vuur zouden gegaan zijn, bevonden zich twee bekenden: James Walker die--trots den toenmaligen tegenzin der matrozen voor den dienst op de oorlogsschepen--zich uit genegenheid voor Ned op de "Pandora" had laten aanwerven, en Pedro die als gevangene op een slavenschip was gevonden. Bij een schipbreuk was Pedro door een slavenhaler gered, maar zou naar Brazilië gevoerd en daar als slaaf verkocht worden. Op de "Iris" werd het spoedig ruchtbaar dat hij Neds vader had gekend en toen gaarne onder de manschappen opgenomen.
Na eenige maanden vol strijd en avonturen op het Afrikaansche station te hebben doorgebracht, zeilde de jonge Lord, zijn veroverde schepen medevoerend, weer naar de Pandora, waar intusschen bevel was ontvangen om naar Engeland terug te keeren. Na de gevangenneming van Napoleon was de oorlog met Frankrijk geëindigd en de Britsche vloot moest een geheele vernieuwing ondergaan. Op den terugtocht ontmoette de kleine vloot het Britsche eskader, dat den gevallen keizer der Franschen, Napoleon I, naar het eiland St. Helena bracht.
Na een veelbewogen leven in de zonnige baai van Biafra volgde voor Ned een eentonig bestaan onder den neveligen hemel van Engeland. Want trots zijn moed en beleid was hij nog niet in actieven dienst hersteld.
Mevrouw Westfield had zich met haar dochter Jane te Cowford, een stadje dicht bij Londen aan den oever van de Theems, gevestigd, waar zij treurend over het verlies van haar echtgenoot, zeer teruggetrokken leefde. Op dit stille plaatsje vinden wij den voormaligen luitenant van de "Pandora" weder.
Met hoeveel hartelijke zorg en liefde zijn moeder en zuster ook trachtten hem het verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken gevoelde de jonge zeeman zich thuis niet op zijn gemak. Hij verveelde zich overal, in gezelschappen, op bals en concerten, zelfs de jacht kon hem niet bekoren. Hij smachtte naar de blauwe golven, de frissche zeelucht en den helderen hemel; hij zou het uur zegenen dat hem weer aan boord van een schip riep. Een gebeurtenis, op zichzelf van geringe beteekenis, zou hem een stap nader brengen tot de vervulling van zijn hartewensch.
In gezelschap van zijn moeder en zuster bezocht Ned op zekeren avond een bal, waarmede de feestelijkheden ter eere van een goed geslaagden wedren besloten zouden worden.
Viel een bal opzichzelf al niet bijzonder in den smaak van onzen vriend, het beetje genoegen dat hij smaakte, werd vergald door de tegenwoordigheid van een aantal officieren van de landmacht, die na den roemrijken slag bij Waterloo evenzeer werden gevierd als de zeeofficieren over den schouder aangekeken. Ned trok zich terug en alleen uit beleefdheid voor zijn zuster, danste hij mede in een quadrille.
Op dit bal raakte hij in kennis met een heer in burgerkleeding, een hupschen jongen man met frissche, eenigzins gebruinde gelaatskleur, een donkeren knevel en zwart haar. Het uiterlijk van deze elegante heer trok niet zoozeer de aandacht van Ned als wel zijn ietwat schommelenden, wiegenden gang, die hij dikwijls had gezien, maar zelden bij zulk een naar de mode gekleede gentleman. Beide heeren sloten spoedig vriendschap en reeds den volgenden dag was de nieuwe bekende van Ned, die zich Lord Falton noemde en wiens goederen volgens zijn zeggen in Schotland lagen, de gast van den huize Westfield. Een schoolkameraad van onzen Ned, Tom Hunter, eveneens zeeofficier, verwijlde ook te Cowford, omdat hij zijn kort verlof in de nabijheid van zijn besten vriend wilde doorbrengen.
Op zekeren morgen was Ned reeds vroeg naar een tamelijk ver verwijderd jachtterrein vertrokken. In den loop van den dag ontving Tom bevel zich onmiddellijk naar zijn fregat te begeven, en ook Lord Falton was verplicht te vertrekken, beiden ontbrak dus de gelegenheid afscheid te nemen van hun vriend Ned. Pedro die,--zooals wij weten, den laatsten groet van den ouden lord aan de familie had overgebracht, later door Ned in de Baai van Biafra uit de handen van een slavenhandelaar verlost en bij den terugkeer van den luitenant als factotum in den huize Westfield gebleven was, kreeg een boodschap dat zijn jonge meester hem nog voor den avond met de beide jachthonden op het terrein verwachtte. Bij zijn komst vernam hij tot zijn groote verbazing, dat Ned niet om hem had gezonden. Het geval besprekend, kwamen onze vrienden tot het besluit, dat men om bijzondere reden den wakkeren Pedro en de honden uit het huis had gelokt en zonder meer woorden te verspillen reden ze naar Cowford terug. Ze kwamen echter te laat om den goed beraamden schurkenstreek te beletten.
Op de bovenverdieping van de villa bevond zich een rijke verzameling wapens en andere schatten door den ouden Lord Westfield op zijn vele reizen verzameld. Deze kostbaarheden hadden de begeerte der dieven gewekt. Uit een kunstvolle schaal, uit Hindostan afkomstig, misten zes diamanten van groote waarde; twee prachtige pistolen waren uit het foedraal genomen en ook ontbrak een kostbare met juweelen versierde dolk uit Golconda, door een Indisch vorst aan Lord Westfield ten geschenke gegeven.
Ned wekte zijne moeder en zuster en deelde haar het voorgevallene mee; daarna maakte hij zich reisvaardig om met Pedro de inbrekers te vervolgen. De honden vonden spoedig het spoor, maar het gelukte niet de dieven in te halen. In Londen, die reusachtige wereldstad, waren ze spoedig het spoor bijster, maar Ned ontzag geen moeite om zijn doel te bereiken. Hij gaf nauwkeurige inlichtingen aan de politie, kwam door een toeval te weten, dat de inbrekers zeelieden waren en riep toen de hulp in van James Walker, zijn voormalige leermeester, later zijn krijgsmakker. James herkende nauwelijks zijn luitenant noch Pedro, zoo uitstekend was hun vermomming. Bij den ouden pekbroek waren ze aan het goede kantoor. In de nabijheid van de haven had hij een winkel van scheepsbenoodigdheden, waar veel zeelieden zich kwamen voorzien; mogelijk gaf een onberaden gezegde van een zijner klanten een kleine vingerwijzing. En deze hoop was al verwezenlijkt; een der dieven had hem de wapens te koop aangeboden. James kon zich diens gezicht niet meer herinneren, èn omdat hij hem te weinig aandacht had geschonken, èn omdat de dief den kraag van zijn jas tot over de ooren opgetrokken had. Na dagen lang in alle zeemanskroegen te hebben gespionneerd, ontdekte James dat de dieven zich op de "Magada", een Oost-Indiëvaarder, bevonden. Het schip had reeds moeten uitzeilen, maar door het wegloopen van eenige matrozen was het vertrek vertraagd. Tijd tot lang nadenken ontbrak; snel besloten lieten Pedro en James zich als matroos aanmonsteren en Ned nam een plaats als passagier. Zij hoopten nog voor dat het schip te Portsmouth zou binnenloopen alles ontdekt te hebben. Onze luitenant, die zich uitgaf voor een armen klerk, moest zijn hut deelen met een Amerikaan uit Baltimore, David Nut, een ouden gierigaard, die afgodsbeelden van porcelijn en leem aan de Indische heidenen wilde verkoopen.
's Middags werd het anker gelicht. Pedro had in Londen nog vernomen, dat de inbrekers lid van een dievenbende waren, en de bijnamen voerden van "Gentleman" en "Grobian." Dit was het eenige aanknoopingspunt.
Toen onze jonge vriend, die zijn rol als "landrot" vrij goed speelde, 's avonds in de kajuit kwam om te soupeeren, ontmoette hij er een aantal passagiers. Een Indische rechter, de rijke Sir Cook, was tot Neds teleurstelling niet aanwezig. Het gezelschap bestond grootendeels uit vrouwen en kinderen, de heeren hadden in een hoek een kring gevormd, waarin luide vroolijkheid heerschte. Er waren eenige adelborsten, een Indische planter, die met de jongelui schertste, de scheepsdokter en de magere Yankee die met een bleek gelaat en minachtenden blik op het lachende clubje neerzag.
De planter, mijnheer Hyde, een joviale oude heer, wien het blijkbaar niet aan een scherp waarnemingsvermogen ontbrak, vertelde allerlei grappen, maar Ned, te veel zeeman in zijn hart, ging weer naar dek en zag dat de "Magada" de reede van Portsmouth naderde. Kapitein Harryson wandelde op het verdek heen en weer en had het bevel overgegeven aan zijn eersten stuurman, een eenigszins potsierlijk gekleed jongmensch. Ned meende beide heeren te kennen, ook hun stem kwam hem bekend voor, doch hij spande te vergeefs zijne hersens in om zich te herinneren waar hij hen had ontmoet.
Weldra zag men de masten der oorlogsschepen, die bij Spithead gestationeerd waren, en kort daarna wierp de "Magada" haar anker in de haven van Portsmouth.
Het schip wachtte hier de brievenpost, zou nog eenige passagiers aan boord nemen, den volgenden middag weer vertrekken en niet eer voor aan Kaapstad aanleggen.
Goede raad was duur. Noch van den "Grobian" noch van den "Gentleman" was een spoor ontdekt, Pedro had een gesprek tusschen twee matrozen afgeluisterd, waarin de naam "Grobian" genoemd werd, maar de duisternis had hem belet beider gelaat te zien.
"Wat moet er gebeuren als heden avond nog niets ontdekt is?" vroeg Ned zichzelf af. Het eenvoudigste was om openhartig met den kapitein te spreken, maar dan moest hij zijn incognito prijsgeven. De dieven zouden dan op hun hoede zijn en zeker bij de eerste aanleiding de diamanten "onzichtbaar" maken.
Toen James weer de wacht had, kwam hij tot de overtuiging dat ook de "Gentleman" zich aan boord bevond.
"Heb genoeg gehoord van "Grobian" en van "Gentleman", fluisterde hij Ned in. "Weet precies, dat de schelmen aan boord zijn. En Pedro heeft hen over de steenen hooren spreken. Weet ook.... de "Gentleman" heeft uwe pistolen. Wat zullen we doen?"
"Ik ga morgen vroeg aan wal en zal met de politie spreken. Wel te rusten, James."
Allerlei plannen en gedachten dwarrelden Ned door het brein, toen hij 's ochtends vroeg op het dek kwam. Hij besloot aan wal te gaan, op een eenzame wandeling de zaak nog eens kalm te overdenken en dan overeenkomstig zijn besluit de noodige maatregelen te nemen. Hij stapte in een der jollen, die in grooten getale om de "Magada" lagen en genoot van den heerlijken morgen. De golven schitterend als zilver spatten hoog schuimend op tegen het lichtgroen gekleurd koperbeslag der fregatten; het wachtschip in het dok loste een kanonschot, beantwoord door een oorlogsbodem die zee koos. De eigenaar van de jol, een spraakzame man, vertelde aan Ned, dat gisteren aan boord van de "Duke of York" een krijgsraad was gehouden over den eersten luitenant van de "Orion", die dan ook onmiddellijk uit 's lands dienst was ontslagen. Deze had geweigerd om aan een der matrozen, dien hij volkomen onschuldig achtte, een zware straf te laten voltrekken en bij het verdedigen van zijn standpunt zijn kapitein beleedigd.
Ned wist dat de kapitein van de "Orion" bij de marine bekend stond als een tyran en dat zijn fregat nooit anders werd genoemd dan de "zwemmende hel." Ned wist ook, dat Tom Hunter op de "Orion" diende en de vrees bekroop hem of deze ontslagen luitenant zijn vriend zou kunnen zijn. Zoodra hij aan wal stapte wendde hij zijn schreden naar de stad om zich zekerheid te verschaffen. Nauwelijks had hij een eindweegs afgelegd of hij zag op een afgelegen plaats drie personen, wier plannen geen uitleg behoefden. Snel wilde hij voorbijloopen, maar een der drie heeren, een kapitein van een oorlogsschip, riep hem terug. De beide andere heeren keerden zich ook tot Ned en hij herkende in den kapitein in groot uniform, den tyran van de "Orion." De ander die een groot étui onder den arm droeg, was blijkbaar de dokter.
"Hola, mijnheer, wij moeten u verzoeken, daar u eenmaal hier zijt, nog eenigen tijd te blijven. Het is op uw gezicht te lezen dat gij ons plan hebt geraden en om te voorkomen dat gij ons voornemen in eenig opzicht tracht te verijdelen, zijn wij verplicht u te verzoeken te blijven tot alles is afgeloopen."
"En als ik toch ga?" vroeg Ned onvervaard.
"Dan schiet ik u dood," zeide de kapitein van de "Orion" een pistool te voorschijn halend.
"Een fatsoenlijk man staat altijd weerloos tegenover het ruwe, brutale geweld," sprak Ned kalm. "Ik zal wachten, maar voor uwe aanmatiging zult gij mij genoegdoening geven."
"Als ik lust heb!" schreeuwde de kapitein.
"Ik zal er u toe weten te dwingen! Een Britsch officier is geen lafaard."
Er volgde geen antwoord op Neds woorden want op dat oogenblik landde een zeilboot, waaruit twee heeren in burgerkleeding stegen. Onze vriend, zich in zijn lot schikkend, zette zich op een steen en beschouwde met onverschillig gelaat de toebereidselen voor het duel. Toen echter bleek dat de tweede duelist werkelijk zijn vriend Hunter was, ontwaakte zijn volle belangstelling.
De secondanten beproefden nog eenmaal het verschil in der minne te schikken, maar hunne pogingen stuitten af op de halsstarrigheid van den kapitein, wiens uiterlijk getuigde van zijn onwrikbaar besluit om zijn tegenpartij, zijn vroegeren ondergeschikte, die het gewaagd had hem tegen te spreken, doodelijk te treffen. De secondanten traden terug en gaven het sein om te vuren.
De schoten knalden haast gelijktijdig--de kapitein had iets te lang gemikt, zeker met het doel om zijn gehaten vijand morsdood te schieten--en een seconde later wankelde de tyran van de "Orion". Zijn secondant en vriend snelde op hem toe en hem met zijne armen ondersteunend, liet hij hem behoedzaam op den grond glijden. De dokter opende behendig de uniform. Een enkele blik overtuigde hem, dat er niets meer te hopen viel. Met groote starre oogen, het pistool in de verstijfde hand lag hij zieltogend neer.
"Dood--door het hart geschoten," zeide de dokter op luiden toon.
Hunter, die niet gewond was, stond sprakeloos, doodsbleek, met vast opeengesloten lippen.
De andere heer trad op hem toe en zijn hand op Toms schouder leggend, klonk het ernstig van zijn lippen:
"Gij zijt de moordenaar van mijn vriend, die zijn pistool in de lucht afschoot. Ik moet u opnieuw aan den krijgsraad overleveren. Want, op bevel van den admiraal gisterenavond ontvangen is uw vonnis nietig verklaard op grond der beweegredenen, die tot insubordinatie leidden, en in aanmerking genomen de door u betoonde dapperheid in den laatsten oorlog. Gij zijt in uw rang van eersten luitenant hersteld, en als zoodanig hebt gij uw meerdere tot een tweegevecht uitgedaagd en gedood."
"Ik zal me dadelijk ter beschikking stellen van de militaire autoriteit, ofschoon ik tot heden onbekend was met de vernietiging van het vonnis," verklaarde Hunter, ten prooi aan de tegenstrijdigste aandoeningen.
"Gij zult moeten toestaan, dat wij u de boeien aanleggen, want niets staat ons borg, dat gij uw woord gestand zult doen," luidde het antwoord.
Die beleediging wekte Neds toorn; bliksemsnel greep hij een der geladen pistolen, die gereed lagen en trad op beide heeren toe.
"Kapitein, als gij, zelf zeeofficier, meent niet te kunnen vertrouwen op het woord van een kameraad, den eersten luitenant Hunter, dan meen ik te mogen twijfelen aan uw eer. Gij weet zeer goed, dat in den vroegen morgen niemand in staat is geweest dezen heer het bevel van den admiraal mede te deelen. Blijkbaar is het uw bedoeling wraak te nemen over den dood van uw gevallen vriend. Maar eerst wil ik een woordje met u spreken! Wegens de behandeling die ik ondervond, kon ik u onmiddellijk tot een duel noodzaken, maar met een zeeofficier, die zonder grondige reden de eer van zijn kameraad verdenkt, kruis ik den degen niet......"
"Mijnheer!......"
"Zwijg! Een half uur geleden was ik verplicht mij naar uw wil te voegen, thans eisch ik onvoorwaardelijk gehoorzaamheid, of..... ik gebruik dit wapen. Hunter," vervolgde hij, zich tot dezen wendend, "ondanks mijn verkleeding hebt gij zeker uw ouden vriend Ned Westfield wel herkend. Gij zelf, zoowel als je secondant moet mijn bevelen volgen. Zonder tegenstribbelen, kapitein, moet gij u de handen en voeten laten binden, even als uw vriend, de dokter. Het spijt me, dat ik u zoo behandelen moet, maar gij hebt het aan uzelf te wijten. Overigens zal ik zorgen, dat gij niet al te lang gebonden blijft liggen."
Neds woorden, kracht bijgezet door het dreigend opgeheven pistool, duldden geen tegenspraak. Weinige minuten later waren de kapitein en de dokter gekneveld en het lijk van den gevallene met een mantel bedekt. De drie vrienden stapten in de zeilboot, die Hunter en zijn secondant hierheen hadden gevoerd en verlieten het tooneel van den strijd.
Van de eenzame wandeling, die Ned zich had voorgenomen, kwam niets, toch was hij innig verheugd, dat hij zijn besten vriend uit een moeielijken en gevaarvollen toestand had kunnen redden. Tom moest zich eenigen tijd verborgen houden tot dit ongelukkige geval in het vergeetboek zou geraakt zijn, en de "Magada" was in deze omstandigheden de beste schuilplaats. In ieder geval was het toch zijn meerdere dien hij tot een duel had uitgedaagd. De drie jonge mannen zeilden naar Gosport, een voorhaven van Portsmouth, waar Toms secondant afscheid van hen nam. Om niet herkend te worden schoor Tom zijn baard af, en Ned bezorgde hem een lange zwarte jas, een witte das en een zwarte hoed met breeden rand. Daarna begaven ze zich naar een hôtel, waar Ned het haastig opgedragen maal de meeste eer bewees; zijn vriend echter was niet in staat iets te gebruiken. De gedachte aan het voorgevallene overweldigde hem telkens weer.
Ned moest ter wille van zijn vriend het plan opgeven om de politie met den diefstal in kennis te stellen, en was dus verplicht de reis nog verder mee te maken. Alweer ontbrak het hem aan tijd om zich lang te beraden; gelukkig behoorde hij tot de naturen, die snel een besluit nemen en even snel het volvoeren. Hij begaf zich naar zijn vroegeren bankier te Portsmouth, die hem dadelijk herkende en verkreeg zonder eenige moeite een kredietbrief op Lissabon en Kaapstad. Hij schreef een langen brief aan zijn moeder, waarin hij haar mededeelde, dat hij de vervolging der dieven nog niet opgaf; vertelde haar zijn ontmoeting met Tom en den moeilijken toestand waarin deze zich bevond. Ook aan Toms oom zond hij bericht en vergat evenmin James vrouw met het voorgevallene in kennis te stellen. Intusschen was het tijd geworden om aan boord terug te keeren; hij liet zich, vergezeld door Hunter, naar de "Magada" brengen en gaf den schipper bevel tegen zes uur op zeker punt aan het strand te zijn om twee heeren af te halen.
De gierige Yankee was bereid, tegen betaling van een groote som, Tom een plaatsje in zijn hut af te staan en hoopte dat de jonge missionaris--als zoodanig had Ned zijn vriend aan boord voorgesteld--hem op aangename wijze de lange zeereis zou helpen korten.