Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 4
"Des te beter," zeide Alonso, tegelijkertijd met een buiging den Brit dankend, die brood en vleesch uit zijn zadeltasch genomen had en het den bomberos aanbood.
De temperatuur was in den loop van den dag beduidend gestegen en zelfs op deze voor de zonnestralen beschutte plaats was de hitte binnengedrongen. Nog vele uren verwijlden de Carrils met hun gast in de barranco, gretig luisterend naar de reisverhalen van den Engelschman. Deze had half Azië, Noord-Afrika, Abessinië en het Kaapland bereisd, Amerika heen en weer doorkruist en allerlei avonturen beleefd. Het nog onbekende Patagonië wekte in hooge mate zijn belangstelling en weetgierigheid, en herhaaldelijk verzekerde hij trots alle gevaren het land te zullen bezoeken.
Maar.... de mensch wikt en God beschikt.
Zoodra de avond gevallen en de zon aan den uitersten rand van de pampa weggezonken was, trok Miguel het kleed van den Indiaanschen Toki aan en knipte den zwaren baard af, die hem zeker zou hebben verraden. Hij stak zijn pistolen in den zak, voegde bij de wapens van den Indiaan nog zijn machete--een kort, breed zwaard,-- bond den lasso aan het zadel vast en de lange lans der Pehuelch nemend, reikte hij tot afscheid zijn broeders de hand.
Ongeveer twee mijlen ten Zuid-Westen van Carmen de Patagones, het fort aan de Rio-Negro, toenmalige grensrivier tusschen de La-Platastreken en het gebied der wilde en onafhankelijke Patagoniërs, lag midden in de vlakte die zich zoowel naar het Noorden als naar het Westen en Zuiden onafzienbaar ver uitstrekt, een geweldige hoop basaltblokken. Wel vindt men in dit gedeelte der pampa, dat over het algemeen onvruchtbaar is en slechts een schrale vegetatie vertoont, hier en daar scherpkantige rotsbrokken van vulcanischen oorsprong, doch deze steenmassa was zoo groot, dat men veilig kon aannemen dat zij door menschenhanden was bijeengebracht. En dit was ook werkelijk het geval. Eenige groote blokken waren in den grauwen voortijd door de Indianen gebruikt om daartusschen een beroemden Toki te begraven. Boven het graf hadden de Tehuelches een heuvel van kleinere steenen opgestapeld; zoo was de groote massa ontstaan, die wel vijftien meter omvang had, ongeveer acht meter hoog was en waarin aan de Oostzijde op manshoogte een open ruimte gelaten was. De herinnering aan den roem van den hoofdman was langzamerhand verloren gegaan en in de loop der eeuwen de achting voor zijn laatste rustplaats vervangen door een bijgeloovige vrees. Alle stammen der Patagoniërs beschouwden thans de steenmassa als een heiligdom van hun geest Gualichu. De holte was met allerlei offers--mantels, ponchos, vaatwerk en wapens--gevuld. Zelfs hadden de Indianen voor den steenhoop hun offeranden half in den grond gegraven, om te voorkomen dat ze door den wind werden meegevoerd. Geen Patagoniër, van welken stam ook, zou het gewaagd hebben deze heilige plaats voorbij te gaan zonder iets te offeren. Wie volstrekt niets missen kon, maakte tenminste een haar van zijn paard aan een der graven vast.
Op deze plek zou de bijeenkomst der Toki's plaats hebben. En voor deze gelegenheid was er als het ware een dorp verrezen. Voor sommige hutten der Patagoniërs had men groote vuren aangelegd, waarbij een aantal vrouwen waren neergehurkt. Om de hutten heen slopen de mannen, groote, krachtige gestalten, eer plomp dan slank en edel van bouw, het hoofd te groot in verhouding tot den romp, handen en voeten echter zoo klein, dat men zich verwonderd afvraagt hoe zij aan den naam Patagoniër--Grootvoeten--komen. Hun huid is koperkleurig. Hun haar is grof en zwart; zij hebben bijna geen wenkbrauwen, een gebrek, dat aan de oogen een onaangename uitdrukking geeft. Ook de baard ontbreekt nagenoeg geheel en al. Het gelaat is rond en breed, ten gevolge van het zeer sterk vooruitsteken der wangbeenderen. De kleine, rustelooze oogen zijn zwart als het haar en in de diepliggende oogkassen als weggezonken. Tusschen de oogen is de neus smal, maar naar onder loopt ze veel breeder uit. De mond is groot, de lippen zijn tamelijk dik. Toch is over het algemeen de uitdrukking van het gelaat niet ongunstig. De vrouwen zien er veel beter uit, enkelen zijn werkelijk mooi.
De lucht, gedurende den geheelen dag klaar en helder, was licht betrokken; in het Westen pakten donkere wolken samen en een enkele windvlaag joeg het zand over de vlakte. De maan was nog niet zichtbaar maar een lichtschijn aan den donkeren oostelijken horizont voorspelde haar komst. Op geringen afstand van den "Heiligen steen" stegen de vlammen van een groot vuur omhoog. Een twintigtal Indianen in hun krijgsgewaad gedoscht, stonden er om heen, blijkbaar wachtend op een der Hoofden, zonder wiens bijzijn men het "Parlement" niet durfde openen. In groepen verdeeld onderhielden de Tokis zich met elkaar, de meesten met trotsche, voorname houding, enkelen verheugd en krijgslustig, anderen vol bangen twijfel aan het welslagen hunner plannen. Intusschen volgden de windvlagen sneller op elkaar en bulderde met steeds toenemende kracht de wind over de pampa.
Plotseling weerklonk een schrille kreet door de lucht en een oogenblik later kwam een ruiter aangesneld. Haastig steeg hij af en naderde de Tokis, die hem eerbiedig groetten.
"Moge Gualichu ons gunstig zijn!" riep hij.
"Moge hij onzen arm sterken en ons de zege doen behalen," antwoordde Tschiluac, een oude hoofdman der Pehuenches. De overige Tokis traden naderbij, fiere krijgshelden waarvan enkelen gekleed waren in pantzerhemden, [8] om Metipan--want hij was het--de hand te schudden, een gewoonte, die de Patagoniërs van de Christenen hadden overgenomen.
"Zijn alle Tokis aanwezig?" vroeg Metipan kortaf, met snellen blik zijn bondgenooten monsterend.
"Ahon," klonk het antwoord als uit een mond.
"Dat men den Matschi [9] hiervan kennis geve," beval de Hoofdman.
Terwijl een der naastbij staande wachtposten, wiens plicht het was elke stoornis te voorkomen, volgens oud gebruik den Matschi ging uitnoodigen en de andere Tokis zich rondom het vuur schaarden, naderde Tschiluac Metipan, door de verbonden stammen tot Hoofdtoki gekozen, en fluisterde hem enkele woorden in. Hij knikte toestemmend en zoodra Tschiluac zijn zitplaats weer had ingenomen, zeide hij met luide, dreigende stem:
"Broeders, wees op uw hoede, er is in ons midden een verrader."
"Dat hij sterve!" riepen allen tegelijk.
Woedend vlogen de Indianen op. Een der Tokis in de dracht der Pehuelches verliet ijlings den kring en uitte driemaal den schreeuw van den gier. Hij rende naar den "Heiligen Steen" waar hij onverschrokken post vatte: de beenen wijd uit elkaar, het bovenlichaam voorover gebogen, in elke hand een pistool. De wind gierde langs de vlakte en de vlammen rekten zich kronkelend en sissend als slangen ten hemel; de woeste kreten der Tokis gepaard aan het lang aangehouden gehuil der honden veroorzaakte een vervaarlijk geweld.
"Komt dichterbij, schurken," riep Miguel, "levend zult gij me niet in handen krijgen."
"Schiet hem neer," brulde een koor van honderd Indianen.
"Halt!" beval Metipan. "Ik wil met den verrader spreken."
"Het is een dier vervloekte ratten van de pampa! Ik ken hen," zeide Tschiluac. "De christenen [10] noemen hen bomberos."
"Een bombero," schreeuwden de Indianen. "Aan den paal met hem! Schiet hem neer!"
"Stilte!" donderde Metipan. "Wie waagt het zich tegen mij te verzetten? Je bent in mijn macht," vervolgde hij, zich tot Miguel wendend, "antwoord op mijn vragen."
"Een bombero is nooit in iemands macht! Liever steek ik me dood, dan mij aan zulke lafhartige honden over te geven."
"Mijn broeder moge het overdenken. Onder zekere voorwaarden zal hij vrij zijn."
"Een bombero is geen schelm, hij onderhandelt niet met dieven," klonk het fiere antwoord.
"Dan zal "De Beul" toch moeten bekennen, waarom hij hier binnen geslopen is."
"Te drommel! Om het besluit van de vergadering te hooren; dat is klaar en duidelijk, Toki."
"Mijn broeder heeft een scherpe tong. Laat hij de wapens neerleggen anders zal men hem die scherpe tong uitrukken en tot aan den hals levend in de pampa begraven."
"Je bent een lafaard, Metipan! Spaar je woorden!"
"Pak aan," schreeuwde de opperhoofdman woedend over Miguels weigering.
Onze vriend, begrijpend dat de Tehuelch hem tot verrader van zijn eigen volk wilde maken, was op een hevigen aanval bedacht. De Indianen vlogen op hem af; twee schoten knalden en twee wilden wentelden in hun bloed. Verschrikt deinsden ze achteruit; Miguel maakte van dat oogenblik gebruik om zijn pistolen in zijn gordel te steken, zijn machete te trekken en op zijn vijanden los te stormen. Houwen en slagen uitdeelend, telkens een Indiaan neersabelend, naderde hij Metipan; reeds kruiste hij zijn degen met dezen geduchten krijgsheld, die zich beroemde van den Inka van Peru af te stammen, toen plotseling twee schoten vielen en even zooveel roodhuiden neertuimelden. Snel achter elkaar vielen nog zes schoten zonder dat één kogel zijn doel miste. De Indianen, door de duisternis belet het aantal hunner vijanden te zien, meenden, te rekenen naar de vele verslagenen, met een groote schaar te doen te hebben en sloegen op de vlucht. Maar Metipan, een paar Tokis en nog eenige dappere bondgenooten hielden stand en zoo kwam het uit dat de moedige aanvallers maar met hun ... tweeën waren. Alonso en de Engelschman! De Lord voerde een verwoed gevecht met de Indianen, terwijl Alonso zijn broer op een paard hielp, dat hij een der Tsonecas ontnomen had. Miguel naderde opnieuw Metipan, die hij in de hitte van den strijd het gelaat openreet, deze echter vuurde vastberaden op zijn tegenpartij. Miguel wankelde in het zadel en riep zijn vrienden toe:
"Vlucht! De honden verzamelen zich weer. Redt u!... Met mij... is het gedaan..."
"Neen," riep Alonso, zijn broer op zijn eigen paard tillend, "die heidenen zullen je niet in handen krijgen."
"Aansluiten!... we slaan er ons door!" beval de Brit, en liet zijn paard steigeren en slaan om de vijanden, wier aantal met de minuut grooter werd, op een afstand te houden.
Dapper baanden zij zich den terugtocht, maar toen zij de reien der Wilden waren doorgebroken, ontbrak Miguel. De vluchtelingen hielden hun paarden in, om te beraadslagen op welke wijze ze zijn lijk aan de woede en wraakzucht der Tsonecas zouden kunnen onttrekken.
Bij den Gualichu-steen was het vuur opnieuw ontstoken; de dooden waren bij elkaar gelegd en de gewonden naar de hutten gebracht. Rustig, als ware er geen strijd gestreden, zaten de Tokis bij den gloed der vlammen, ofschoon twee hunner ontbraken en velen een verband was omgelegd.
"De vos, die zoo listig onzen kring was binnengeslopen, is dood," sprak Metipan. "Wat hij van onze plannen heeft afgeluisterd, kan hij aan niemand verraden. De beroemde Tokis van de groote stammen zijn nu alleen. Dat de Matschi spreke."
De Indiaansche priester, een lange, magere man met sluwe oogen, nam het woord.
"Moge Gualichu de Tokis beschermen," begon hij plechtig. "De giftige slangen van de pampa's zijn ontsnapt, maar waar is het lijk van hem, die door den grooten Geest aan ons is overgeleverd? De oogen der Indianen hebben hem niet gezien. Toch zagen wij allen den grimmigen vijand dood van het zadel van zijn makker vallen. Gualichu heeft zijn kinderen gestraft. Hij heeft hun blik omfloersd en aan hun oogen onttrokken wat een ademtocht te voren nog zichtbaar was."
Werkelijk was het lijk van Miguel, ondanks hun ijverig zoeken, niet bij de gesneuvelden gevonden. De slimme Matschi maakte van deze gelegenheid gebruik om zijn aanzien bij zijn roode broeders te vermeerderen.
"De machtige Tokis van al de aangesloten stammen zijn hier vereend om gewichtige beraadslagingen te houden, en toch scheidt een geheime tweedracht, een oude haat twee Tokis, die hun stam in het parlement vertegenwoordigen," voer de toovenaar op plechtigen toon voort. "Gualichu heeft ons een teeken gegeven; het is zijn wensch dat de laatste sporen van haat tusschen zijn roode kinderen verdwijnen als de sneeuw van de bergen voor den groet van de stralende ster van den dag. Er moet een offer gebracht worden, een offer waarbij alle wrok gedelgd, alle schuld geboet wordt."
Een goedkeurend gemompel getuigde van de instemming der vergadering, en spoedig werden de voorbereidselen voor de ceremonie gemaakt. Voor den Heiligen Steen boorde men twee lansen in den grond, waarnevens twee oude Indiaansche vrouwen met een trommel gingen staan; tusschen de beide lansen zette men in een wijden halven kring een groot aantal met rum en pulco gevulde vaten, die, zooals gewoonlijk, na afloop der beraadslagingen geledigd zouden worden. Een gebonden hamel en een mooie merrie werden voor den Heiligen Steen neergelegd.
"De blikken van Gualichu rusten op ons," zeide de Matschi. "Mijn broeders moeten stipt zijn bevelen volgen, opdat ons voornemen gezegend worde."
Lupan, een Toki van de Araukaniërs of Molutches verhief zich en sprak op verheven toon:
"Vele winters zijn voorbijgegaan sinds een diepe wrok ontstond tusschen de Molutches en de Tehuelches. Haat scheidde de stammen, haat die overging van vader op zoon. Het welzijn van alle roode kinderen van Gualichu gebiedt, dat deze wrok gedood en begraven wordt. Kellipan, de vader van mijn vader ontroofde den Toki der Tehuelches, den vader van mijn broeder Metipan, een blanke slavin. Sinds dien dag heerscht er strijd tusschen beide volkeren; de krijgslieden waren steeds op het pad, de zon zag dappere daden, de maan bescheen stoutmoedige aanvallen. Voor het aangezicht van Gualichu verklaar ik heden dien roof voor een slechte daad en ben bereid den grooten Toki der Tehuelches als zoenoffer een schoone blanke slavin te geven."
De bijval der Tokis gaf zich lucht in een langdurig gefluister. Metipan verhief zich en gebood met een enkele handbeweging stilte.
"Ten aanhoore der vergaderde hoofdmannen verklaart Metipan afstand te doen van zijn wraak en geen haat meer te koesteren tegen Lupan en het volk der Araukaner. Dat de wijze Matschi aan Gualichu vraagt of deze verzoening hem welgevallig is."
"Brengt de slavin hier," beval de priester. Twee krijgslieden der Molutchen voerden een jong meisje van omstreeks zestien jaar naar de offerplaats tusschen de beide lansen. De overweldigende schoonheid der slavin, een slanke Argentiniësche met prachtig lang zwart haar en groote oogen, die smeekend ten hemel waren geslagen, maakte een diepen indruk op de wilde zonen der pampa's en andermaal verhief zich een langdurig gemompel.
De wolken hadden zich langzamerhand samengetrokken en het geheele firmament bedekt, in de verte rolde de donder met dof gebrom, eenige groote regendroppels vielen in het zand.
Op een wenk van den Matschi sloegen de twee oude Indische vrouwen op de trommel en de Tokis--niet meer dan vier tegelijk--voerden onder leiding van den toovenaar een offerdans uit. Na het eindigen der dans greep de priester zijn offermes, sneed, onder het aanroepen van Gualichu, de merrie het lichaam open, rukte het hart er uit en teekende, met zachte stem zijn spreuken prevelend, zonderlinge figuren op het voorhoofd van het sidderende blanke meisje. Plotseling brak het dreigende onweer los. Een helle bliksemstraal doorkliefde de lucht gevolgd door een zwaren donderslag; de losgebroken storm wierp de lichte hutten der Indianen omver en strooide de overblijfselen mijlen ver over de vlakte.
Op dat oogenblik klonk een vervaarlijke stem, die uit de wolken scheen te komen en de bijgeloovige Indianen toeriep:
"Vlucht, strijdlustige kinderen! Weg van den Heiligen steen als uw leven u lief is!"
Een hevige schrik overviel hen. Snel sprongen ze te paard en eenige minuten later was wijd en zijd niemand meer te zien dan de arme, blanke slavin, die naast de stervende merrie bewusteloos op den grond gevallen was.
Bliksemstralen en donderslagen wisselden elkaar onophoudelijk af, toch was het onweer, zooals steeds in deze streken, van korten duur. Weldra blies met steeds toenemende kracht de koude sterke zuid-westenwind, de zoozeer gevreesde Pampero, uit het mondings gebied van La Plata. De donkere wolken werden losgescheurd en voortgejaagd en de zilverglanzende maan verlichtte een nieuw tooneel.
Op een hoop mantels en dekens, die tot offergave hadden gediend, zat.... Miguel naast de blanke slavin, die aan Metipan ten geschenke zou worden gegeven.
"Gij verstaat maar weinig meer van uw moedertaal, gij, arm kind! Dus zal ik in de taal dier wreedaards spreken," zeide Miguel ernstig. "Hebt gij mij van het paard zien vallen en in de verwarring van het oogenblik naar den "Heiligen steen" zien sluipen?"
"Ja, en ik doofde het vuur toen ik zag dat de gloed uw bijzijn zou verraden. Ook stapelde ik hier die mantels, dekens en guanacohuiden, opdat mijn blanke broeder zich zou kunnen verbergen."
"Dank voor uw hulp, edel meisje! Gij hebt het mij mogelijk gemaakt naar den Heiligen steen te vluchten. En verheugt het u uit de handen der roode schelmen verlost te zijn?"
"Ja,..... zeker verheug ik mij..... ofschoon ik niet weet wat er nu met mij gebeuren zal. De Molutchen hebben mij niet slecht behandeld, nooit heeft een hunner mij beleedigd. Ik wist reeds lang dat ik tot een zoenoffer moest dienen en Lupan mij bestemde om vriendschap en vrede te stichten tusschen vijandelijke stammen."
"En gelooft gij aan den God Gualichu wiens stem u in onmacht deed vallen?"
"O, neen! Angst en ontsteltenis bij de ceremonie van den Matschi, die mij met het nog bloedend hart van 't paard door het gelaat streek en schrik bij dien hevigen donderslag, deden mij het bewustzijn verliezen."
"Hadt gij een ander geloof voor gij bij de Roodhuiden kwaamt?" vroeg Miguel in spanning en blijkbaar met een bepaald doel zijn vragen stellend.
"Ik heb nooit deze Goden vereerd, maar altijd gebeden tot de heilige jonkvrouw Maria en de lieve Heiligen zooals mijn ouders het mij hebben geleerd en.... en.... de vrome Pater.... hoe heet hij toch.... Pater.... Pater Francisco."
"Francisco!.... En is dan uw naam.... Amata?" vroeg Miguel, diep ontroerd het meisje in het gelaat ziende.
"Kent gij mij?"
"Hebt gij een knaap gekend--een blanke bedoel ik--die u dikwijls op den terugtocht van Pater Francisco op zijn schouders droeg?"
"Of ik hem ken! Het was mijn broeder." zeide het meisje met een diepen zucht.
"En herinnert gij u nog een vroolijken jongen, die dikwijls speelgoed voor u maakte?"
"Ja.... ja.... ik herinner het mij.... hij was ook een broer van mij."
"Denk eens na! Was er ook een derde?"
"O, ja!.... zeker.... ik had nog twee broers. Ik herinner mij alles: het groote huis aan de rivier, die goede vrouw, mijn moeder.... mijn vader.... de broers.... een lieve zuster!.... Het was vreeselijk.... op zekeren dag wemelde de tuin.... een mooie groote tuin.... van Indianen. Zij vermoordden mijn ouders en mijn zuster.... Ik zie het nog.... Verschrikkelijk!.... Toen gingen ze op weg om de broeders te zoeken, die ze zeker ook om het leven hebben gebracht. Mij namen ze mede, ver weg, dicht bij de sneeuwbergen."
"Gij dwaalt, Amata, als gij gelooft dat uw broeders ook vermoord zijn. Heette niet de oudste....?"
"Miguel!.... Ik weet het! Ik weet alles! Miguel, Antonio, Juliano, de bedaarde, en Alonso, mijn speelmakker. Maar hoe kent gij mijn familie?" vervolgde ze in tranen uitbarstend.
"Zij is.... ook mijn familie.... ik ben Miguel Carril, uw broeder."
Met een vreugdekreet wilde Amata zich aan zijn borst werpen, toen een demonisch lachen hen in de ooren klonk. Ontsteld sprongen ze op en zagen vol verbazing Lupan en Metipan voor zich staan. Minder bevreesd dan hun bijgeloovige stamgenooten, waren zij, toen de eerste schrik voorbij was, teruggekeerd om de paarden, wapens en sieraden te halen. Amata zonk van angst op de knieën, Miguel, de machete in de hand, was gereed haar te verdedigen.
Helder schitterde het blanke staal in Miguels vuist, vastberadenheid stond in zijn oogen te lezen. Met grijnzend gelaat zagen de beide hoofdmannen beurtelings van broer naar zuster zonder de hand aan hun wapens te slaan.
"Gelooft de listige vos werkelijk Lupan te kunnen bedriegen?"
"De bombero is in de macht van twee beroemde krijgshelden. Waartoe dat lange mes?" vroeg Metipan spotlachend.
"Heeft de Toki der Tehuelches niet een uur geleden ondervonden, waartoe dat groote mes dient? Is hij het vergeten, laat zijn wang het dan getuigen," tergde Miguel, maar vervolgde dadelijk op gematigden toon: "Laten wij vrede sluiten, Tokis. Gij hebt gehoord dat Gualichu uw ondergang wil."
Hij zag in de verte eenige donkere gestalten behoedzaam naderbij sluipen en ter wille van Amata de overmacht vreezend, poogde hij zich op een eervolle wijze aan het gevaar te onttrekken.
"Vreest de muis eindelijk de gier?" vroeg Lupan.
"Gij kunt over mijn moed oordeelen, Tokis. De bewijzen heb ik geleverd. Ware ik anders in deze kleeding hier gekomen? Honderd van u heb ik niet gevreesd, zou ik dan voor u beiden bang zijn? Maar--waarom nog wrok en strijd? Uw voornemen om de nederzetting te overrompelen is verijdeld. De kolonie is gewaarschuwd."
"Door u verraden!" schreeuwde Metipan woedend, het mes uit zijn gordel rukkend.
"Wees bedaard, Tehuelch. "De broeders" wisten het plan, lang voor dat gij, verkleed als een oude vrouw, de vesting trachtet binnen te sluipen."
"Leugens, leugens," stoof Lupan op. "De slavin heeft alles verraden en zal daarvoor boeten."
Miguel maakte met de hand een afwerende beweging.
"Gij vergeet "De Korte Hand." De roover is gevangen en reeds veroordeeld."
"Bij Gualichu! De hond heeft ons ten tweede male verraden."
"En is weer onze wraak ontloopen!" voegde de Molutch er tandenknarsend bij.
"Hij is ten doode opgeschreven, Lupan, zij het dan ook, dat hij niet door uw hand sterft. Hij heeft zichzelf verraden en eindigt op smadelijke wijze zijn leven. Ook mij had hij haast in zijn val meegesleurd. Daarom.... vrede, Tokis. Trekt gij naar de velden van de mekyusch [11] en laat mij gaan naar de vlakte van de nandu.
"De bombero vergeet dat de haat tusschen rood en wit te oud is. Onze vaders, blanke honden, hebben met den lasso uw huizen veroverd. En eveneens zullen wij de huizen aan den stroom verwoesten, maar eerst moeten de "waarschuwende vogels" uitgeroeid zijn. Het ware een smaad zoo wij ze nog langer op den aardbodem dulden! Wij hebben het hoofd der "Beulen" in onze hand... hij sterve het eerst.
"Luister naar mij, Tokis. Laat mij van hier gaan en ik zweer dat ik met mijn drie broeders uw land verlaten en vele honderden dagreizen verder, aan gindsche zijde van de groote wateren, onzen Toldo bouwen zal. Is mijn aanbod niet naar uw zin... goed... dan moge de strijd beslissen. Maar doodt gij mij, vrees dan de wraak mijner broeders."
De roodhuiden bedachten zich slechts een oogenblik. Het voordeel om zonder bloedvergieten van vier der geduchtste tegenstanders verlost te worden, was te groot om ongebruikt te laten voorbij gaan. Daarbij kwam, dat zij welbeschouwd, nog niet één hunner in hun macht hadden.
"Het zij zoo," sprak Metipan ernstig. "Mijn blanke broeder zweere."
Miguel legde de drie eerste vingers van zijn rechterhand op zijn zwaard en zeide:
"Ik zweer bij den God der Christenen, dat ik met de mijnen terstond dit land verlaten, naar gindsche zijde van den oceaan trekken en nimmer meer in het gebied der verbonden Indianen terugkeeren zal, wanneer ik noch door de Tsonecas, noch door de Manzaneros, noch door de Molutchen verhinderd word met al mijn bloedverwanten heen te gaan."
"En wij zweren op deze heilige plaats en bij de wraak van Gualichu de broeders en de familieleden van den bombero en den hoofdman der "Beulen" zelf onbelemmerd te laten wegrijden. Wij zweren ook de vreeselijkste wraak indien de "Beul" mocht wederkeeren" zeiden Lupan en Metipan, de handen uitstrekkend naar den Heiligen Steen.
"Volg mij, Amata, mijn zuster!"
"Droomt de slimme jakhals? De slavin is de mijne, mij gegeven door Gualichu!" brulde Metipan.