Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 3
"Je weet, beste broers," begon Miguel opnieuw, "hoe gering onze geldmiddelen zijn en je weet ook, dat, komt er geen verandering, wij ten eeuwigen dage niet in staat zullen zijn een expeditie uit te rusten om naar onze Amata te zoeken en haar te bevrijden. Acht dagen geleden bood zich onverwacht de gelegenheid aan om op eerlijke wijze een schat te verdienen. Gij allen kent Don Juan Espirio. Ik ontmoette hem op mijn zwerftocht naar de kust. Hij scheen me te verwachten en verzocht mij als eerlijk man hem te vergezellen. Laat in den nacht kwamen wij te Carmen en bereikten ongezien zijn woning. Onder het genot van een goed glas wijn deelde hij me mede, dat Liniers een der adjudanten van den onderkoning, de opdracht had ontvangen om Don Luciano Parez, de gouverneur der kolonie te bespieden, daar deze onder verdenking lag, betrokken te zijn in een samenzweering tegen de kroon van Spanje. Om de bewijzen van zijn verraad in handen te krijgen, had hij mij gekozen als een man, die zijn vertrouwen volkomen waard was. Hij bood mij honderd onsen goud indien ik mij ter zijner beschikking wilde stellen, waarmee ik dan tevens aan de regeering een grooten dienst zou bewijzen. Gij kunt nagaan hoe bereidwillig ik zijn voorstel aannam. Don Juan droeg mij op om drie dagen na ons gesprek--let wel, alleen en zonder eenige hulp--aan de monding van de Rio den koerier op te wachten, die van Buenos Aïres zou komen, hem zijn papieren te ontnemen en ze ten spoedigste den adjudant te overhandigen. Het leek mij geen moeilijke zaak, te minder daar het belang van den staat er bij betrokken was, dus--ik nam mijn maatregelen. Ter bestemder tijd wierp een schip werkelijk zijn anker uit aan de monding van de rivier, ofschoon zelfs zeeschepen te Carmen kunnen binnenloopen. Mij dacht, dat geschiedde terwille van den koerier, wiens aankomst niet in de kolonie bekend mocht raken. Een sergeant met twee dragonders wachtten hem op. Ik deed alsof ik toevallig dien weg langs kwam en sloot mij bij het gezelschap aan. Spoedig raakte ik met den bode, die te paard was gestegen, in gesprek. Wat hij me vertelde wekte mijn wantrouwen in het verhaal van Don Juan, maar daar tegenover stond, dat de gouverneur wel trachten zou op de sluwst mogelijke manier zijn plannen te bemantelen. Mijne overtuiging dat ik goed handelde, was ook hierdoor niet aan het wankelen gebracht. Mijn zadelriem sprong los en dit gaf me de gelegenheid af te stijgen. De koerier was zoo vriendelijk mij behulpzaam te zijn, en nadat de schade hersteld was, stegen wij weer op. De dragonders waren intusschen doorgereden en verdwenen juist achter een boschje. Op dat oogenblik deed ik mijn aanval. Zonder een woord te spreken, greep ik zijn lederen tasch en hij twijfelde natuurlijk geen seconde aan de bedoeling. Zoo vlug als de wind stak de sluwe knaap zijn brandende maissigaar in de neusgaten van mijn paard; het dier, woedend van pijn, sprong hoog op en viel achterover. De koerier loste zijn pistool en in een oogwenk waren de dragonders bij ons. Men trok mij van onder het paard, bond mij de handen, zette mij in het zadel en toen ging het voort naar Carmen.
Don Luciano, die de dépêches scheen te verwachten, was, begeleid door eenige officieren ons tegemoet gereden. Mij, de bombero in dienst van de kolonie, met onverholen verbazing aanziende, beval hij den anderen vooruit te rijden en zeide kortaf:
"Spreek, vriend."
Ik vertelde hem de toedracht der zaak volkomen naar waarheid en tot mijn niet geringe verwondering haalde hij bij het gewag maken van zijn verraad, slechts glimlachend de schouders op en toen mijn biecht teneinde was, zeide hij ernstig maar welwillend:
"Carril, mijn dappere vriend, ik geloof je woord voor woord. Maar dat neemt niet weg, dat je wegens een politiek vergrijp je te verantwoorden zult hebben en ik je als gevangene naar de hoofdstad moet zenden. Hoe het gerecht te Buenos Aïres oordeelen zal, valt niet te voorzien. Ik ben overtuigd, dat je Don Juan Espirio niet kent of kun je soms zijn waren naam vermoeden?"
Ik antwoordde ontkennend.
"Dan zal ik het je zeggen," vervolgde de gouverneur mij onderzoekend in het gelaat ziende, "het is..... "De Korte Hand."
Met een vloek sprongen de broeders op en zagen met bezorgden blik naar Miguel, die hen wenkte te zwijgen en hem rustig te laten uitspreken.
"De roover had zich meesterlijk vermomd. Het overige is spoedig verteld. Men voerde mij naar de gevangenis, waar "De Korte Hand" of als je liever wilt Don Juan Espirio reeds was binnengebracht. Twee dagen later bevonden wij ons aan boord van de bark, die den koerier naar Buenos Aïres moest terugbrengen en 's avonds van denzelfden dag..... roeide men mij weer terug naar de kust."
"Werd je vrij gelaten?" vroeg Antonio.
"Neen..... maar..... de stuurman der bark was ..... José, mijn zoogbroeder."
"Dus, Don Miguel," zeide Lord Westfield, "hebt gij evenals Pedro moeten vluchten zonder wat misdreven te hebben."
"De koerier sprak nog over verschillende geruchten, die te Buenos Aïres liepen. Er was sprake van een partij, die pogingen aanwendde om La Plata onafhankelijk van Spanje te maken; van een landing der Engelschen die reeds verleden jaar had moeten plaats hebben; van het roofsysteem van den onderkoning en van zijn vriendschap voor de Franschen. Vreezend, dat mij te Buenos Aïres niet veel goeds wachtte, besloot ik den vriendschapsdienst van José aan te nemen en aan wal te gaan. Onze eerste plicht is te onderzoeken of alle gevaar voor de kolonie geweken is. Ik weet niet of er nog papieren in beslag zijn genomen, die betrekking hebben op eene overrompeling, maar ik zou niet denken, dat "De Korte Hand" compromitteerende stukken bij zich droeg. In Carmen is dus niets van de zaak uitgelekt en heeft men niet het minste vermoeden van een inval der Indianen. Blijkbaar heeft "De Korte Hand" aan Metipan berichten beloofd omtrent den toestand te Carmen en nu zijn gevangenneming hem belet zijn woord te houden, is Metipan op weg naar het fort om te trachten den kapitein te spreken."
"Zóó zal het zijn!--Zóó moet het zijn!" riepen de broers en ook Lord Westfield betuigde zijn instemming.
"Ben ik nu in de gelegenheid de kolonie te waarschuwen en de regeering de bewijzen te leveren van het dreigend gevaar, dan zal men mij, den redder van Carmen, gaarne mijne vergissing vergeven, in ieder geval gelooven dat ik handelde in het vaste vertrouwen den staat voor een revolutie te zullen behoeden."
"Vogelvrij verklaard in de kolonie, gehaat door de roovers zoowel als door de Indianen, zit je leelijk in de klem, broer, en wij met jou," zeide Antonio.
"Geve God, dat je combinatie goed is en de ramp afgewend wordt door de gevangenneming van den kapitein," voegde Juliano er bij.
"En wat zullen wij doen, Heeren?" vroeg Lord Westfield.
"Laat mij naar het fort rijden," stelde Juliano voor, "pogen den Toki te ontmoeten--natuurlijk den schijn aannemende hem niet te herkennen--en hem terloops mededeelen dat "De Korte Hand" gevangen genomen en weggevoerd is. Met de noodige omzichtigheid zal hij wel trachten te weten te komen in hoever de plannen verraden zijn en uit zijn vragen zal ik misschien begrijpen wat wij willen weten."
"Goed bedacht!" riep Antonio.
"Toch is de mogelijkheid van mislukken niet buitengesloten," bracht Miguel in het midden. "Ook ik zal op kondschap uitgaan en wel..... bij de Indianen zelf. Het is niet aan te nemen, dat Metipan alleen hier rondzwerft, eenige mijlen zuidwestelijker zal zich wel een groote troep Indianen bevinden. Laten wij naar onze oude schuilplaats opbreken; ik verkleed me daar in de dracht der Tehuelches en ga heden avond de beraadslagingen beluisteren. En gij, Mylord," vervolgde hij, zich tot den Brit wendend, "wilt gij met mijn broeder en Pedro naar Carmen rijden of mij op mijn tocht vergezellen?"
"Ik blijf bij u, caballeros, maar Pedro rijdt met Don Juliano mede naar Carmen om mijn hond en mijn ander paard te halen. Het dier is dan ter uwer beschikking, Don Miguel, want bij uw gevangenneming zal het uwe wel verbeurdverklaard zijn."
"Ik ben u zeer dankbaar, Señor, en neem gaarne uw grootmoedig aanbod aan," antwoordde Miguel diep buigend, op hoffelijken toon.
Stem en manieren getuigden van de oud-Spaansche hoffelijkheid, die men, zelfs in de onderste lagen der maatschappij, nog heden ten dage aantreft in dat gedeelte van Amerika waar het Spaansche nog den boventoon heeft.
"En wat wordt er van deze schuilplaats?" vroeg de Brit.
"Wat God wil. Wij hebben geen vast verblijf. Na de verwoesting der nederzetting en den dood onzer dierbaren, traden wij gedreven door wraakzucht in de gelederen der bomberos. Wij leiden een zwervend leven en bouwen geen woning meer. Een toldo is gauw genoeg gemaakt. En nu vooruit."
In een oogwenk zaten allen in het zadel. Miguel sprong achter Alonso op het paard, na van Lord Westfield, die zag dat hij enkel gewapend was met een mes en een slecht pistool, een zijner geweren met de noodige patronen gekregen te hebben.
Met een krachtigen handdruk namen de mannen afscheid van elkaar.
METIPAN.
Antonio vooruit, door Miguel en Alonso op eenigen afstand gevolgd en Lord Westfield den trein besluitend, reden de mannen, die wij in het vorige hoofdstuk leerden kennen, over de pampa.
De aanblik dezer streek maakte een treurigen indruk op den Brit. Het geheele land, vlak en kaal, onvruchtbaar, met zand bedekt, werd doorsneden door meer of minder diepe kloven en stroombeddingen. Langs de wanden van sommige ravijnen groeiden bruine, eetbare kruiden en leidden enkele dorre heesters een armzalig bestaan. Eenige groepen berberissen, wier bessen zich achter donkere, lederkleurige bladen verscholen, boden een geringe afwisseling in het eentonige landschap. Rotsblokken en steenhoopen ontbraken hier bijna geheel, evenals op de meeste pampa's van Argentinië, toch deed zich het merkwaardig verschijnsel voor dat op deze vlakte hier en daar basalt uit den bodem te voorschijn kwam.
"Kijk, Antonio houdt zijn paard in," zeide Alonso, "en ginds zie ik ook de oorzaak..... vlak voor ons..... in het zuiden..... diep aan den horizont..... eenige donkere punten."
"Struisvogels?" vroeg Lord Westfield.
"Neen," antwoordde Miguel beslist, "op zulk een grooten afstand zijn deze dieren niet zichtbaar. Het zijn ruiters. Laten wij naast elkaar rijden en wel zóó, dat Antonio met zijn paard ons beiden dekt en gij Mylord, achter ons verborgen zijt, dan lijkt het van gindsche punten gezien alsof er maar een ruiter voorbij trekt. Mochten ze ons naderen, dan zal het niet zonder een kleine schermutseling afloopen."
De jonge mannen vervolgden in snellen draf hun weg op de wijze als Miguel had voorgesteld. De punten aan den horizont werden niet grooter, toch kon men duidelijk waarnemen, dat de ruiters naar het Westen trokken. Eindelijk bereikten onze vrienden een grootere aardinzinking of ravijn, een zoogenaamde Barranco.
Na eenige mijlen langs den rand te hebben gereden, hield Antonio bij een lichte helling op. De ruiters sprongen uit het zadel; Alonso en de Brit leidden hun paarden bij den toom naar beneden, Miguel besteeg het ros van Antonio en reed spoorslags weg, terwijl deze eveneens in het ravijn afdaalde.
Op den bodem van het ravijn bevonden zich tallooze sporen, die bewezen dat van tijd tot tijd bij aanhoudende zware regens het water er nog door stroomde. Eenige honderde voeten zuidwestelijk liep het ravijn plotseling met een scherpen hoek noordwaarts en op dit punt had de hoog bruisende, krachtige stroom den wand uitgehold; de aardinzinking was er buitengewoon diep en door de nauwe opening der overhangende rotsblokken kon van den rand van het ravijn geen blik in deze schuilplaats worden geworpen. Hier werd halt gehouden. Lord Westfield spreidde zijn wollen deken op den grond en de drie mannen vleiden er zich gemakkelijk op neer, gevrijwaard zoo ze meenden voor elken onverhoedschen aanval, omdat ze van dat punt den weg naar beide richtingen konden overzien. De Carrils staken hun maissigaren aan en de Engelschman haalde een kort aarden pijpje te voorschijn.
Lord Westfield maakte van deze gelegenheid gebruik om zijn kennis van land en volk te vermeerderen en onder een opgewekt gesprek verliepen de uren. Natuurlijk bleef de Brit niet in gebreke nog eens terug te komen op zijn geliefkoosd plan, zijn reis door Patagonië.
"Het is werkelijk geen geschikt tijdstip om uw voornemen ten uitvoer te brengen," zeide Alonso. "Mochten de Indianen een aanval wagen, dan zullen ze ditmaal behoorlijk getuchtigd worden; dientengevolge neemt hun vijandschap toe en maakt een tocht door hun gebied haast ondoenlijk."
"Neen, er is voorloopig geen denken aan een reis door Patagonië," voegde Antonio er bij. "Dat we zelfs hier, in dit verborgen hoekje niet buiten gevaar zijn, wordt bewezen door..... het zand, dat daar ginds naar beneden rolt."
"Bah! Een vogel, die omhoog vliegt en dadelijk ziet gij spoken," spotte de Brit.
"Zaagt gij ergens een vogel, Mylord?"
"No! Maar wat anders zou de oorzaak geweest zijn?"
Opnieuw gleed er wat zand naar omlaag, nu meer oostelijk.
De broeders sprongen op en zagen elkaar veelbeteekenend aan; ze maakten de paarden los, en Antonio wende zich tot den Engelschman, die rustig op zijn deken bleef liggen.
"Gij zijt niet bang, Señor, blijf gerust in deze zorgelooze houding liggen. Binnen een kwartier zult gij bezoek krijgen. Wij trekken ons met mijn paard achter gindschen hoek terug, maar komen u bij mogelijk gevaar terstond te hulp."
"Well..... Ik heb onafgebroken opgelet en niemand gezien."
"Volkomen waar," fluisterde Alonso. "En toch is iemand hier langs gereden. Door een lichte trilling van den grond rolde het zand af, dat ons op zijn komst voorbereidt. Hij heeft ons spoor ontdekt en zal spoedig hier zijn, 't zij dan vriend of vijand."
De Carrils slopen weg; de Engelschman stopte opnieuw zijn pijpje, overtuigde zich dat zijn pistolen geladen waren en strekte zich zoo behagelijk op zijn wollen deken uit, als lag hij op een chaise longue in zijn woning te Londen.
Tien minuten ongeveer konden verloopen zijn, toen hij, scherp luisterend naar de minste ritseling, dicht bij zich een zacht knarsen meende te hooren. Verrast wendde hij het hoofd naar de zijde vanwaar het gevaar dreigde, zonder echter iets te kunnen ontdekken. Overtuigd dat zijn gehoor hem niet had misleid, hief hij het hoofd op om beter te kunnen zien en..... op hetzelfde oogenblik werd hem een lasso om den hals geworpen. Een donkere gestalte kwam als uit den rotswand op hem af en zette hem het mes op de keel.
De Lord moest het zich laten welgevallen, dat hem handen en voeten gebonden werden. Toen ging de aanvaller, een deftige Indiaan, verder het ravijn in, waar Alonso hem tegemoet trad, den loop van het geweer gericht op de bloote borst van den Roodhuid. Met een kreet van woede bleef de Wilde staan.
"Leg je wapens neer, roode schelm," donderde Alonso hem toe, de taal der Tsonecas gebruikend, "of ik schiet je neer."
Langzaam trad de Indiaan eenige schreden achteruit en zag naar alle kanten om zich heen, als zocht hij een geschikte plaats om zijn wapens neer te leggen; plotseling wierp hij zich snel als het weerlicht op den Brit en zette hem andermaal het mes op de keel.
"Mijn blanke broeder zal nu wel niet schieten," zeide hij grijnzend.
"Toch wel, blinde mol! Denk je listiger te zijn dan een bombero? Luister eens, Indiaan. Je volgdet het spoor van twee blanke mannen, zie eens om je heen en zeg hoeveel er hier gekampeerd zijn?"
De Wilde beschouwde opmerkzaam den grond.
"Bij Gualichu! Drie!"
"Juist. En die derde voert je paard aan den teugel en komt je achterop."
De Indiaan, die begreep voor de overmacht te moeten zwichten, wierp met een woedend gebaar zijn dolk, mes en bolas op den grond.
"Halt, vriend Roodhuid," gelastte Alonso, "gebruik eerst je mes om dezen caballero van zijn banden te ontdoen. En wees dan zoo goed je eigen voeten vast te binden, maar stevig hoor! Ik zal me overtuigen of je dat kunststukje goed hebt uitgevoerd, en dan meteen je handen knevelen."
De Tsoneca deed wat hem gezegd werd, waarna Alonso hem de handen op den rug bond. Op hetzelfde oogenblik verscheen Antonio met het paard. De broeders hadden terecht begrepen, dat de vijand het in verzekerde bewaring zou brengen terwijl hij den Engelschman overviel. Antonio was langs den wand van het ravijn naar boven geklauterd, had het spoor van den ruiter gevolgd en het paard in een der kloven gevonden.
"Zijn de guanaco's en de struisvogels uit het zuiden weggeloopen, dat je hier ter jacht gaat? Of vriest het daar en ben je op weg naar den Gran Chaco?" spotte Antonio.
Een sluwe lach was het eenige antwoord.
"Of heb je lust Carmen binnen te dringen en de christenen te vermoorden?"
"Well... Deze Wilde zal ons goede diensten bewijzen," merkte de Brit op.
"Indien gij gelooft dat hij iets zal verraden dan vergist gij u zeer, Señor," zeide Alonso.
"En mocht hij, tegen hun gewoonte, tot spreken te bewegen zijn, dan zal Miguel, die weldra terugkomt, hem wel onder handen nemen. Over de vlakte sluipend, zag ik in het zuiden een troep krijgslieden, op behoorlijken afstand gevolgd door een enkelen ruiter. Dezen houd ik voor Miguel."
"Als je goed hebt gezien, is hij niet in onze schuilplaats geweest."
"Damned!" riep de Engelschman. "Zóó zal er van mijn avonturen niet veel komen."
"Eén hebt gij zoo even reeds beleefd, Mylord, en wees overtuigd dat er nog meer zullen volgen. Wat hindert het zoo Miguel onze schuilplaats niet kon bereiken?... Onze gevangene voorziet hem van de noodige kleeding."
"Er kunnen nog zooveel avonturen komen, Mylord, dat het u misschien berouwen zal met ons te zijn uitgetrokken."
Gedurende dit gesprek hadden de Carrils zich weer op den grond uitgestrekt, al waren ze lang niet zoo gerust als ze zich voordeden. Hoe licht zouden ze in een hachelijken toestand kunnen geraken, indien het groot aantal Tsonecas, dat in het Zuiden zwierf, hun spoor ontdekte en hen van twee kanten tegelijk aanviel. De blik, waarmede beide broeders elkaar aanzagen, getuigde dat ze zich het gevaar volkomen bewust waren.
"Werkelijk Miguel?" vroeg Alonso.
"Miguel of iemand in zijn kleeren en op mijn paard."
"Wat zullen wij doen?"
"Wachten."
Alonso stond op, nam den lasso, die nog naast den Engelschman lag en verwijderde zich zonder een woord te spreken.
"Dreigt er gevaar?" vroeg de Brit.
"Altijd in dit land! Heden vooral moeten wij op onze hoede zijn. Mijn broeder houdt de wacht aan den ingang van het ravijn."
Eenige minuten later verscheen Miguel.
"Alonso vertelde mij wat hier voorgevallen is," zeide hij ernstig. "Al mocht ik mijn doel niet bereiken toch was mijn reis niet te vergeefsch want ik luisterde een gesprek af tusschen Metipan en onzen gevangene. Hij kwam mij te gemoet, meenend dat ik Metipan was en toen hij, door een inzinking rijdend, mij een oogenblik uit het oog verloor, was ik in eens verdwenen. Ja," vervolgde hij lachend, "het is een groot voordeel evengoed den weg te weten in je land als in je eigen zak. Metipan en deze schurk, die eigenlijk een Toki der Pehuenches is, al draagt hij het kleed der Tehuelches, ontmoetten elkaar, wisselden eenige woorden en begaven zich, precies, zooals ik gedacht had, naar mijn sluiphoek. Wat ik hoorde, bevestigde mijn vermoeden. De door de verschillende stammen der Indianen gekozen aanvoerders hebben heden nacht een samenkomst bij den "Heiligen Steen."
"Dan zal het moeilijk, ja, haast onmogelijk zijn ze daar te beluisteren."
"Wie het aan kracht ontbreekt, moet list te baat nemen," antwoordde Miguel. "In plaats van dezen Toki neem ik deel aan de beraadslagingen. Maak je niet ongerust, ze zullen me niet herkennen."
"En ik zal evenmin op het appèl ontbreken," verklaarde Antonio.
"Gij, broeders," zeide Miguel met een afwijzende handbeweging, "die zich als vrije mannen in Carmen de Patagones kunt vertoonen, moet uw leven sparen voor de expeditie om Amata uit haar slavernij te verlossen. Keer ik niet terug van den gevaarvollen tocht, dien ik heden nacht onderneem, waarschuw dan de nederzetting en vergeet niet mij te rechtvaardigen, mijn naam van elken smet te zuiveren.
"Onze gevangene," ging hij rustig voort, "zal het zich tot een eer rekenen met mij van kleeren te mogen wisselen. Ook opschik, wapens en paard moet hij mij afstaan."
"Ik weet, dat tegenspraak niet helpt, Miguel, dus voeg ik mij naar je wil. Mij echter zal het een groot genoegen doen dit roode mannetje met je kleeren te mogen uitdosschen."
"Goed, maar dat kan nog wachten! Als je eens de banden van den Toki nazaagt en Alonso gingt aflossen?"
Antonio deed wat hem verzocht werd en weldra verscheen de jongste der Carrils.
"Antonio vertelde me, dat je in de kleeding van onzen gevangene de bijeenkomst der Tokis wilt bijwonen. Is je besluit onveranderlijk? Wij weten immers genoeg om je te Carmen, als redder van het fort, voor verdere onaangenaamheden te vrijwaren."
"Alsof de autoriteit onze berichten omtrent de voorgenomen aanval der Indianen gelooven zou! Neen, neen, mijn beste Alonso, onze gevangene maakt mij de zaak gemakkelijker. In zijn kleeding en in zijn plaats woon ik de bijeenkomst bij, trouwens zijn wegblijven zou achterdocht wekken."
Alonso haalde zuchtend de schouders op en zijn broer met droeven, angstigen blik beschouwend, zette hij zich op zijn mantel neer.
"Gij zult toch toestaan, Don Miguel, dat wij in de verte volgen om in geval van nood u te kunnen helpen?" vroeg Lord Westfield.
"En allen in mijn ongeluk meesleepen? Neen, neen, als er een offer vallen moet, laat mij dat dan zijn. De kolonie heeft op dit oogenblik te zeer behoefte aan uw kracht en aan die van mijn broers, dat gij roekeloos uw leven zoudt mogen wagen. Wie staat ons borg, dat wij niet gezamelijk den dood vinden en wie zal dan de regeering waarschuwen, de nederzetting redden?"
Ofschoon door zijn medeburgers vogelvrij verklaard, beefde toch deze moedige man bij de gedachte aan het lot, dat hen wachtte.
"Verstandig geredeneerd, Miguel, maar toch doen liefde en bezorgdheid alleen je zoo spreken. Hoe gemakkelijk zou ik je bewering kunnen weerleggen."
"Al is mijn devies "koelbloedigheid" zoo stem ik toch volkomen in met de meening van Don Alonso. Wanneer gaat ge op weg naar den "Heiligen Steen?"
"Zoodra de zon aan den horizont verdwenen is."
"Well! En wanneer kan Juliano terug zijn?"
"Twee uur later."
"All right! Mijn paard en dat van Alonso zijn beiden goed uitgerust. Gij Miguel, neemt het mijne--het is een voortreffelijk dier, dat nauwelijks vermoeidheid kent--legt hem het zadel op van den Indiaan..."
"Zeer vriendelijk bedoeld, Señor, maar.... niet aannemelijk. Dat van den Toki is ook niet te verwerpen en beter vertrouwd bij zijn Indische kameraden. Een klein toeval, een kleine onachtzaamheid heeft vaak groote onheilen veroorzaakt."
"Goed, neem dan den mustang [7]. Maar luister verder. Zoodra de schemering ingevallen is, volg ik u met een uwer broeders, terwijl de andere den Toki bewaakt en op Juliano en Pedro wacht. En als beide laatsten zijn teruggekeerd, wordt de Tsoneca op Juliano's paard gebonden, en na een korten rusttijd gaat Pedro met den gevangene naar Carmen terug om de boodschap over te brengen, die hem zal worden opgedragen."
"Geen slecht plan," merkte Alonso op.
"Uw beide andere broers, Don Miguel, volgen ons later. Juliano op mijn tweede paard, de andere op dat van Alonso."
"Ik heb bij uw voorstel niets bij te voegen dan het verzoek den Indiaan mijn poncho om te hangen en mijn overige kleeren mee te brengen. Voorts is het mijn dringende wensch, dat alleen in den uitersten nood of als ik u te hulp roep, gij u aan de gevaren van een ontmoeting met de Tsonecas zult blootstellen. Te oordeelen naar het afgeluisterde gesprek zal Metipan waarschijnlijk de beraadslaging niet bijwonen of eerst veel later komen. Hij schijnt van "Kort Hands" gevangenneming niets te weten, althans hij wilde nog naar het kamp der roovers rijden."