Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 2
"Eerst had ik vee gehoed dicht bij de estancia, later werd ik opzichter bij een groote kudde paarden verder het land in. Wat was ik opgetogen blij! En welk een heerlijk, gelukkig leven! Van tijd tot tijd kwam de estanciero om zich te overtuigen van mijn goede zorg voor de dieren. Menig paard, door mij gedresseerd, werd voor hoogen prijs afgeleverd aan de stoeterij van den onderkoning of aangekocht door officieren. Een vurig zwart paard met bles en korte witte enkels was de lieveling van mijn meester; hij drukte mij op 't hart dit vooral uitstekend te dresseeren, daar het bestemd was voor zijn zoon, die als vaandrig bij de geregelde troepen in dienst zou treden. "Parel" heette het dier en een parel was het onder zijn prachtige stamgenooten. Op een goeden dag had ik hem flink afgereden en draafde weer huiswaarts, toen plotseling uit het manshooge gras naast ons een valk opvloog. Parel schrikte, sprong op zijde, struikelde en viel op den grond, zoo plotseling dat ik nauwelijks tijd had af te springen. Mijn arme viervoeter met zweet bedekt, sidderde over zijn geheele lichaam. Ik trachtte hem tot bedaren te brengen en op te helpen, toen tot mijn groote ontzetting bleek, dat hij een been gebroken had."
"Carratscho!" riep Antonio.
"Vertel je ons geen sprookje?" vroeg de Engelschman wantrouwig.
"Het is de waarheid. Ik zweer bij de zaligheid van mijn ziel, dat het de eenvoudige, naakte waarheid is, die voor mij zulke treurige gevolgen zou hebben. Ik stond roerloos van schrik en angst toen plotseling een hoefslag weerklonk en mijn meester in 't gezicht kwam. Ik begreep welk lot me wachtte. Mijn polsen klopten van opgewondenheid, mijn bloed bruischte, één gedachte overmeesterde mij ..... niet nù den driftigen man te ontmoeten, die bij den aanblik van het gebeurde zeker in woede zou losbarsten. Hoe vurig bad ik, dat het hooge gras ons aan zijn blik onttrekken, dat ik tijd hebben zou hem langzamerhand op de jobstijding voor te bereiden! 't Was of mijn bede verhoord zou worden, toen het klagend gehinnik van Parel zijn aandacht trok.
"Wat gebeurt hier?" vroeg hij barsch.
"Parel is gevallen," zeide ik sidderend.
"Zeker door zoo'n vervloekte onhandigheid," riep hij, uit het zadel springend. Hij naderde snel en zag dat het linkervoorbeen gebroken was.
"Hoe kwam het? Kerel! Spreek!"
Ik vertelde met weinig woorden, dat Parel geschrikt was van een valk, die vlak voor ons opvloog, maar de estanciero liet me nauwelijks uitspreken.
"Vervloekte, ellendige leugens!" schreeuwde hij woedend.
"Meester," riep ik, nu ook boos wordend, "voor een leugenaar laat ik mij niet uitmaken."
"Durf je dat tegen mij zeggen! Tegen mij," raasde hij, de zweep opheffend om mij te slaan. Snel ontdook ik den slag en hield met beide handen de zweep vast, zonder te bedenken dat daardoor de razernij van den woedenden man ten toppunt moest stijgen. Hij liet de zweep los, rukte het lange, breede mes uit mijn gordel en wilde er mij mee doorsteken. Gelukkig behield ik mijn tegenwoordigheid van geest. Met een geweldigen sprong vloog ik over Parel; de estanciero schuimbekkend van woede mij achterna... toen.... terwijl ik met het handvatsel van de zweep den aanval trachtte af te weren... toen... een vloek.... een woeste kreet...."
Pedro zweeg en sprong hijgend op, de zweetdroppels stonden hem op het voorhoofd bij de herinnering aan het vreeslijk voorval.
Allen luisterden met gespannen aandacht.
"En," riep Alfonso nieuwsgierig, "hoe verder?"
"Wel; de estanciero was dood," zeide Mylord op kouden toon, terwijl Miguel met een ernstig gelaat toestemmend knikte.
"Ja, dood. Struikelend over het uitgestoken been van Parel was hij in mijn mes gevallen, in mijn mes dat hij in de hand hield. Wel door eigen schuld, maar toch in mijn mes, caballeros, in mijn mes. Hij was dood, in eens dood. Ik stond verslagen, verlamd door ontsteltenis. Wie zou gelooven, dat de estanciero door eigen schuld gevallen was? Getuigde niet alles tegen mij? Hoe kon ik mijn onschuld bewijzen? Ik sprong op het paard van den estanciero, stormde naar een vriend mijns vaders, een ouden vaquero [5] en vertelde hem het ongeluk dat mij overkomen was.
"Neem het beste paard," raadde deze, mij geld en wapens gevend, "en vlucht zoo snel je kunt. Maar zeg mij niet waarheen. Wat ik niet weet, kan ik niet verraden."
Ik vluchtte naar het Zuiden, waar de luttele som gelds spoedig verteerd was; te Buenos Aïres was ik reeds verplicht mijn paard te ruilen voor klinkende munt en voor dien knol daar. Lang bleef ik er niet; de vrees dreef me voort. Zwervend in de pampa's ten zuiden van La Plata kwam ik in kennis met een man, waarschijnlijk een jager, die het mij scheen aan te zien, dat ik door het ongeluk vervolgd werd. Zijn voorstel om mij bij hem en zijn vrienden, die wel geen gelukkig maar een vrij en vroolijk leven leidden, aan te sluiten nam ik aan... trouwens er was geen keus... en zóó kwam ik bij de bende "De Korte Hand." Het overige weet gij, caballeros.
"Mutschatscho, ik ben nu evenzeer met je ingenomen als ik vroeger je wantrouwde," zeide de Engelschman. "Wil je bij me blijven? Ik doorkruis de geheele wereld; een trouw dienaar en reisgezel zou me zeer te pas komen. Zoo je lust hebt, zal het niet tot je nadeel zijn."
"Gaarne, Mylord, maar... indien... Overal heen zou ik u kunnen vergezellen, alleen niet naar mijn geboorteplaats."
"All right! Wij zijn het eens! Mijn hand erop."
"Ga de ronde doen, Alonso," zeide Juliano. "En hoe staat het met ons middagmaal?"
"De struisvogel is gereed om aan zijn bestemming te voldoen," sprak Antonio.
Hij spreidde een guanacovel op den grond, dat blijkbaar tot verschillende doeleinden werd gebruikt, legde het gebraad erop en noodigde zijn broers en hun gasten aan te zitten.
Allen voldeden aanstonds aan dit verzoek behalve de jongste der bomberos, die zijn paard besteeg en met een kort afscheidswoord zich verwijderde.
"Waarheen gaat uw kameraad?" vroeg de Engelschman.
"Op verkenning uit, Señor. Wij houden dit vol, eigenlijk meer uit gewoonte dan uit noodzaak, daar de Indianen reeds geruimen tijd rustig in het Zuiden blijven."
"Toch schijnt er ditmaal een geschil gerezen en hebben ze iets onder elkaar uit vechten," merkte Juliano op.
"Dat meenden ook mijn vroegere kameraden, de roovers der pampa's. Alleen de blonde Carlos, die altijd ontzettend vloekt en een taaltje spreekt dat haast niemand verstaat, hield vol, dat wij ze spoedig genoeg hier zouden zien, als maar eerst "De Korte Hand" terug was."
"Liet hij zich niet verder over deze zaak uit?" vroeg Miguel, die aandachtig had geluisterd.
"Niet dat ik weet. Ja, toch! Toen ik een der roovers vroeg of de Tsonecas, zooals deze stam der Indianen zich noemt, zoo buitengewoon gevaarlijk zijn, lachte hij spottend en zeide hoofdschuddend: "Niet voor jou, kameraad.""
"Wel zoo," kwam het Miguel over de lippen op hetzelfde oogenblik, dat de Brit een "hum" uitte.
De vrienden lieten zich het maal goed smaken en vergaten niet den drinkbeker te laten rondgaan, tot de een voor en de ander na zijn mes schoonmaakte en in de schacht van zijn laars borg. Alonso bracht Antonio's portie in den toldo en Miguel, door Pedro's mededeeling tot voorzichtigheid aangespoord, doofde zorgvuldig het nog glimmende vuur uit.
Het was een warme dag in Maart 1807, op het einde van den Patagonischen zomer. De zon straalde aan den wolkeloozen hemel en de wind, 's morgens zoo geweldig blazend van de sneeuwbergen der Andes, streek nu als een verfrisschend koeltje langs het gelaat der nieuwe vrienden.
"Al spoedig, gelijk met den winter, zullen de duiven hier bij duizenden aankomen," opende Antonio het gesprek.
"Spoedig winter?--Bij deze hitte? Gij schertst toch zeker! En duiven in den winter..... in deze steppen.....?" vroeg de Engelschman, ongeloovig het hoofd schuddend.
"De winter staat voor de deur en wat de duiven betreft, ze zullen wel een tien mijl zuidelijker trekken, maar ook in dit gedeelte van de pampa keeren ze elk jaar terug."
"'t Is nauwelijks te gelooven, maar op mijn reis door Patagonië zal ik in de gelegenheid zijn, mezelf te overtuigen."
"Altijd als gij niet te voren hebt ingezien, dat juist met het oog op den winter er aan een reis door dit land niet te denken valt," bracht Juliano in het midden.
"Blijkt het nu onmogelijk, dàn vroeg in het voorjaar. In ieder geval wil ik Patagonië zien," verklaarde de vreemdeling beslist.
"Nog nooit heeft iemand ongestraft dit land bereisd, Señor. En van het bestudeeren van zeden en gewoonten is evenmin ooit sprake geweest."
"Dan zal ik de eerste zijn! Ik hoop, caballeros dat gij mede van de partij zult wezen."
"Tot een strooptocht, die mogelijk tot ver in de binnenlanden wordt uitgestrekt, vindt gij ons altijd bereid," zeide Miguel. "Dit jaargetijde is inderdaad weinig geschikt, maar..... wachten tot het voorjaar..... wie weet of ik dan nog in deze streek zal zijn en als ik mijn broeders goed ken, zullen zij zonder mij niet medegaan."
"Blijf je dan niet hier?"
"Leg ons niet op de folterbank," smeekte Juliano.
"Goed. Je zult alles weten. Wij verzuimden echter nog ons voor te stellen aan onze gasten, laten wij eerst aan dien plicht der beleefdheid voldoen. Antonio," vervolgde hij met een lichte handbeweging zijn broers aanwijzend, "Antonio is de tweede, Juliano de derde, Alonso de vierde en ik ben de oudste zoon van Leon Carril. Wij zijn bomberos in dienst van de kolonie en van het fort Carmen de Patagones."
"Eigen broeders?"
"Eigen broeders."
"Vergeef mij, caballeros, ik dacht dat de benaming "broeders" duidde op een innigen, onverbreekbaren vriendschapsband. Mijn naam is Lord Westfield, mijn woning de geheele wereld, mijn thuis Londen."
"Noem mij Pedro zooals te voren," zeide de gaucho op somberen toon.
"Hoe jammer dat Alonso nog niet terug is, de gewichtige tijding brandt mij op de lippen. Eén ding staat vast; er worden plannen beraamd ten nadeele der kolonie. Als de Roode Wolf en de Puma vriendschap sluiten, dan..... wee de kudde!"
"Zou het gevaar al spoedig naken?" vroeg Lord Westfield, de handen wrijvend en met een gelaat, waarop duidelijk de vreugde over de te wachten avonturen te lezen stond.
"Neen, het is niet zoo nabij. Wat ik in de laatste dagen beleefde, doet me vermoeden, dat het voorloopig afgewend en misschien wel voor goed geweken is, tenzij de Roode Wolf op jacht gaat zonder de Puma."
"Wat meent gij daarmee, Don Miguel?"
"Met de Roode Wolf bedoel ik de Indianen, met de Puma de roovers van de pampa's."
"Alonso komt terug. Binnen een kwartier zal hij hier zijn," riep Antonio, langzaam afdalend van den heuvel waarop hij had postgevat om naar zijn broeder uit te zien. Hij strekte zich op zijn mantel uit, vast overtuigd, dat Miguel zijn verhaal niet beginnen zou, zoolang Alonso, zijn lievelingsbroeder, niet was weergekeerd.
"Caballeros, zeg mij oprecht of uw mededeelingen ook voor mijn ooren bestemd zijn. Ik en Pedro kunnen ons in gindschen hoek achter den toldo terugtrekken tot uw beraadslagingen zijn afgeloopen."
"Blijf, Señor, als gij lust hebt. Mijn verhaal zal u zeker belang inboezemen en mocht er iets zijn dat gij niet begrijpt, dan ben ik gaarne bereid u de noodige inlichtingen te geven."
"Mag ik dan dadelijk met een vraag beginnen? Gij noemt u bomberos. Wat beduidt die naam?"
"Gij zult weten, dat de inboorlingen van het Oostelijk deel van Patagonië--ik bedoel het gebied grenzend aan de Andes--nog echte barbaren zijn en er voortdurend gevaar bestaat, dat zij de jonge kolonie zullen overrompelen. Tijdens de stichting van Carmen en in de eerste jaren van haar opkomst hebben de wilde horden dikwijls een inval gedaan, de huizen verwoest en de bewoners vermoord, waardoor het noodig werd spionnen aan te stellen, die het doen en laten der Indianen nagingen en melding maakten van het minste dat hun verdacht voorkwam. Tusschen hen en de Indianen heerschte en heerscht nog een doodelijke vijandschap. De eene partij heeft nooit genade van de andere te verwachten. Deze spionnen, ofschoon de dienst niet op militairen voet is ingericht, vormen toch een soort corps, waartoe de moedigste en onversaagdste mannen behooren, volkomen vertrouwd met de gevaren van en gewend aan de ontberingen van de pampa's. Deze mannen noemt men hier te lande: bomberos."
Dat de gebroeders Carril reeds op jeugdigen leeftijd zich een beroemden naam in dat corps verworven en onder de leiding van Miguel wonderen van scherpzinnigheid en dapperheid verricht hadden, werd door dezen bescheiden verzwegen.
"Een gevaarlijke post," meende Lord Westfield, "iederen dag de kans om op geweldadige wijze het leven te verliezen. Nu begrijp ik den stillen, veelzeggenden afscheidsgroet van Alonso."
Een snelle hoefslag weerklonk en eenige oogenblikken later sprong de jongste der Carrils uit het zadel. Antonio en Juliano wreven het dampende paard met bosjes uitgedroogd gras, wierpen een poncho over het dier, voerden het maishalmen en strekten zich toen weer uit op hun mantels van guanacovel. Alonso, zijn maal nuttigende, had reeds een plaats naast Miguel ingenomen.
"Wat is er hier gedurende mijn lange afwezigheid voorgevallen, Mutschatschos?"
"Niets... letterlijk niets."
"En wat deedt ge in dien tijd?"
"Niets... er was niets te doen, dát was dus gauw gedaan!" plaagde Antonio.
"Wij hielden scherp de wacht, maar nergens in de buurt was onraad te ontdekken," voegde Juliano er bij.
"Wat heb je vandaag gezien, Alonso?"
"Eerst onze beide gasten, toen jou, Miguel en nu... hum... een oude leelijke vrouw van den stam der Pehuenches, die een even ouden leelijken knol bereed... anders niets!"
"Dat is de moeite niet waard," merkte Lord Westfield op.
"Quién sabe?" sprak Miguel, snel een beteekenisvollen blik met zijn broeders wisselend. "Denkt gij, señor, dat de verschijning van die vrouw zonder beteekenis is?"
"Ik hield haar staande en zonder eenige verlegenheid te toonen, vroeg ze mij den weg naar het fort."
"Dien ze even goed wist als jij," schertste Antonio.
"Wij kennen allen die vrouw, broers," voer de spion voort, het was... Metipan, de Toki [6] der Tehuelches, verkleed als Pehuenche."
"Gij schoot haar toch dood?" vroeg de Engelschman.
"Ik ben geen moordenaar, Mylord. Ook zou het heel onverstandig zijn geweest. Ik wees hem 't goede pad, prees zijn stamgenooten voor hun voorbeeldig gedrag in den laatsten tijd en ben overtuigd op die wijze den bedrieger bedrogen te hebben."
"Best, Alonso, best! Wat raadt je te doen?"
"De Toki heeft zeker den rook van het vuur gezien en onze schuilplaats ontdekt. Hij is nog in de buurt; eerst reed hij in de richting van Carmen, sloeg weldra westwaarts af en zwerft nu meer noordelijker tusschen ons en de Rio Negro. Zijn vermomming verraadt, dat hij zal trachten het fort zoo nabij mogelijk te naderen, misschien wel er binnen te sluipen. Mij dunkt, wij moeten het allereerst uitvorschen wat hij in zijn schild voert."
"Den sleutel om het raadsel op te lossen hebben we reeds in handen. "Pedro wees ons den weg in 't labyrint en wat ik beleefde, geeft een goed inzicht in de plannen. Wij kunnen voor zeker aannemen, dat de Tehuelches zich met de "De Korte Hand" hebben verbonden om de kolonie te overrompelen."
"Is dat aan geen twijfel onderhevig?" vroeg Antonio.
"Blijkbaar is er iets in de war en komt Metipan hierheen om naar de reden te zoeken. Of mijn vermoeden juist is zul je zoo aanstonds kunnen beoordeelen."
"De Korte Hand" verbonden met de Tehuelches; doodvijanden vereenigd," zeide Juliano, oveneens [eveneens?] twijfelend.
"En toch is het zóó. Luister maar. Gij moet weten señor," vervolgde Miguel zich tot Lord Westfield wendend, dat wij, broeders, niet in de wieg zijn gelegd om als bomberos door het leven te gaan. Ook is deze ellendige toldo niet onze eigenlijke woonplaats. Om de waarheid te zeggen, wij hebben er geen. In het half verwoeste blokhuis aan de Rio, waarvan Pedro sprak en dat nu een rooverbende tot verblijf dient, hebben wij onze jeugd, de gelukkigste jaren van ons leven doorgebracht en eveneens hebben wij er de diepste smart geleden.
Onze ouders hadden dicht bij een missie der Jezuïten, zooals er destijds verscheiden aan de Rio waren, een nederzetting gesticht. Het was een blokhuis, niet groot, maar het voldeed aan de gestelde eischen. De bodem was vruchtbaar; de aanplanting gelukte, de akkerbouw gedijde, de vruchten rijpten en de rivier gaf overvloedig visch. Alles ging naar wensch. Wij waren benijdenswaardig gelukkig, ofschoon we, haast afgesloten van het verkeer met de buitenwereld, zelden een vreemd gezicht zagen. Het gezin bestond uit mijn ouders, een oudste zuster, wij, vier broers en een jongere zuster. Wij, jongens, waren dikwijls te gast in de naburige missie der Jezuïten, waarheen onze jongste zuster Amata ons nu en dan vergezelde. De oude Pater Francisco, een zeer geleerd man, was ons bijzonder genegen en stelde het zich tot taak ons zoo goed mogelijk te onderwijzen. Wat hem met zijn schat van kennis naar de wildernis deed vluchten, hebben wij nooit geweten; ons, oudere broers, was hij steeds een raadsel. Wel wisten wij hoe vurig hij dikwijls bad voor een armen zondaar, die hem zeer nauw verwant moest zijn. Eens, in een oogenblik van groote vertrouwelijkheid, beklaagde hij zich dat hij nooit zijn doel bereiken, nooit het reddingswerk volbrengen kon; dat al zijn opofferingen vruchteloos waren, dat hij tevergeefs zich had losgescheurd van zijn "tehuis" en naar La Pata was gekomen. Toch dacht hij aan geen terugkeeren en wilde hier zijn leven eindigen.
Op zekeren dag ondernamen wij, broers, een reis naar het verafgelegen Carmen, waar wij onze vruchten wilden ruilen voor allerlei andere dingen, waaraan wij behoeften hadden. Helaas, dat waren onze laatste gelukkige dagen. Bij onze terugkomst vonden wij onze woning geplunderd en onze bezittingen verwoest. In den tuin voor het huis lagen de lijken van vader en moeder en aan den oever van de rivier dat van onze oudste zuster. Amata was door de wilden meegevoerd en smacht nog steeds in slavernij. Ondanks al onze nasporingen is het niet mogen gelukken haar weer te vinden."
Miguel zweeg, overmand door zijn verdriet. Alonso's blik hing aan de lippen van den geliefden broer; Antonio, zoo geneigd tot spot en lach, wischte zich een traan uit het oog en Juliano legde onwillekeurig de hand op zijn machete. Van diepe ontroering getuigden de gelaatstrekken der broeders.
"Op denzelfden dag," voer Miguel voort, "waren de missie's der zendelingen overrompeld en verwoest. Ook Pater Francisco was vermoord. Wij vonden zijn lijk; uit de verstijfde hand nam ik het miniatuur portret van een beeldschoonen jongen met stralende oogen, dat de oude man dikwijls met zijn tranen bevochtigd had.
De Tehuelches waren destijds van plan al de Blanken te vermoorden en hun woningen te verwoesten. Na onze nederzetting en die der priesters, was Carmen de Patagones aan de beurt. Oorspronkelijk was "De Korte Hand" mede in het complot, dat wil zeggen: hij vorderde voor zich en zijn bende als loon voor zijn hulp alles wat in de missie's buitgemaakt zou worden. Dat was een sluwe berekening. Had hij den buit in handen vóór Carmen viel, dan kon hij bij de bestorming van het fort zijne bezittingen inschepen en de Indianen in den steek laten, onverschillig welk lot Carmen ten deel viel. Ontving hij eerst na de verwoesting der kolonie zijn aandeel, dan was hij overgeleverd aan de willekeur der Roodhuiden en moest zich tevreden stellen met hetgeen zij aan hem zouden afstaan. Hij met zijn kleine schaar zou moeten zwichten voor de overmacht der Tsonecas, ja, misschien wel moeten aftrekken met ledige handen. Metipan ging natuurlijk op dit voorstel niet in, en enkele dagen voor den aanval trok "De Korte Hand" zich terug. De Indianen, vreezend voor verraad van de zijde van Metipan, namen hem en zijn kameraden gevangen, maar nog in dienzelfden nacht wist hij te ontsnappen. Hij vluchtte naar de Pehuenches, wie hij het voornemen der Tehuelches mededeelde en hen aanspoorde de Jezuïten, aan wie deze stam groote verplichtingen had, te hulp te snellen. Zij kwamen wel is waar te laat, maar door hun optreden waren de Tehuelches verplicht van de overrompeling van Carmen en hun verdere moordadige plannen af te zien. Sinds dien tijd ontstond er vijandschap tusschen de roovers en de Tehuelches."
"En zouden die schelmen nu opnieuw een verbond hebben gesloten?"
"Ik vermoed het. Misschien heeft "De Korte Hand" zelf den eersten stap gedaan. Dat gespuis zwerft altijd om en bij het fort, komt telkens in aanraking met Tsonecas en moet dus voor twee vijanden op zijn hoede zijn. De hoofdman van den troep schijnt destijds zelf een betere verstandhouding met Metipan gezocht te hebben en de prijs dezer overeenkomst was..... de kolonie. Pedro's steeds vloekende kameraad sprak immers over de spoedige komst der Indianen? Indianen, die den roovers niet vijandig gezind waren! Sapienti Sat! En nu het verhaal van hetgeen mij weervoer."
"Eindelijk," zuchtte Antonio. "Je praat al een uur en nog hoorden wij geen woordje over je laatste wederwaardigheden."