Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 15
"De oevers en de in zee vooruitstekende rotsblokken zijn zoo steil dat wij lasso's zullen noodig hebben om aan wal te kunnen komen. Ook zou ik gaarne onze twee kanonnen medenemen, om de Molutches als zij ons aanvallen, behoorlijk te kunnen ontvangen."
"Bravo!" riep Pedro.
"Het was een prachtig idee van u, luitenant Hunter, om die stukken geschut te Buenos Aïres te koopen."
"Ze hebben destijds in de bergen van Tucuman de Spanjaarden veel nadeel berokkend," zeide Tom. "Mij dacht, ze konden ook ons van veel nut zijn."
"All right. Wees zoo goed, mijn vrienden, aan het bouwen der vlotten te laten beginnen. Ik ga naar Kellipan."
Zoo gezegd, zoo gedaan. De vrienden spoedden zich naar het kamp terug en weldra klonk het hoornsignaal, dat de Blanken tot den arbeid en de Toki's tot een samenkomst riep. Ned zette zijn plannen uiteen, beschreef op welke wijze hij den vijand in den rug wilde aanvallen, en gaf nog menigen wenk hoe men hem met het meeste voordeel in het front kon aangrijpen.
Tegen zonsondergang waren de vlotten gereed; de kanonnen werden opgeladen en bij sterrenlicht werd de overtocht gelukkig volbracht. Zooals Ned voorzien had, moesten zij met behulp der lasso's aan wal komen; de oever was buitengewoon steil en het woud strekte zich uit tot aan den waterspiegel. De kanonnen werden voorloopig onder bewaking achtergelaten en het stoutmoedige troepje sloop voort tot in de onmiddellijke nabijheid van het dorp.
Pijnlijke en droeve gevoelens bestormden Neds hart. Weinige schreden scheidden hem van het dorp dat zijn vader gedurende tien jaar tot verblijfplaats en mogelijk wel tot kerker had gediend.
Hoe zou het hem, die wel is waar gehard tegen vermoeienissen en ontberingen toch gewend was aan de genietingen der beschaving, in al die lijdensdagen gegaan zijn? In welken toestand zou hij hem weervinden? Hij stelde zich zijn vader voor, krachtig en vol energie, zooals hij hem naar Amerika had zien vertrekken en nu.... met gebogen gestalte en vergrijsde haren, als een gebroken man zou hij hem mogelijk weerzien...
De oude Lord Westfield liet zich terzelfder tijd de lotgevallen van zijn bloedverwanten in Engeland, den levensloop van zijn zoon Edward en de wederwaardigheden, der Carrils, door Miguel vertellen. Toen nam hij het woord en schilderde zijn gevangenschap, zijn ontzettend lijden.
"Lupan heeft zijn nederlaag bij den Gualichu-steen op mij gewroken. Hij liet me bovenmatig werken en hongerlijden; uren, urenlang hard loopen terwijl mijn kwelgeesten te paard reden. Zelfs mijn haren en mijn uitwerpselen hebben ze gebruikt om mij leed te doen en ziek te maken."
"Hoe dat?"
"Well.... De Indianen meenen, dat, wanneer zij de haren van een mensch uittrekken, aan een tak binden en dezen slaan en rukken en knijpen, de mensch die mishandelingen voelt als onderging hij ze zelf. Hun woudgeest Trauco, dien zij zich in een bladerdosch gehuld voorstellen en wien zij de macht toekennen boomen te ontwortelen, menschen den hals om te draaien, kinderen den nek te breken en wat al niet meer, hebben ze gesmeekt mij te pijnigen. Hun Matschi heeft zelfs de vier winden, "de zielen des hemels" aangeroepen om mij dood te martelen!"
"Welk een diepen haat."
"Ja, ze zijn zonder erbarmen. De geringste diefstal wordt met den dood geboet," verzekerde een der bomberos.
"Hoort! Een hoorn signaal."
"Het sein tot aanvallen! De ontknooping nadert," zeide Miguel. "Ik hoor echter het signaal der Blanken niet! Wat zou dat beduiden?"
"Hoort gij het loopen en draven der dorpsbewoners?"
"Onze wachters zullen wel gewichtiger dingen te doen hebben dan ons te bewaken," beweerde een der slaven.
"Dat denk ik ook..... Nu..... Mijn boeien zijn verbroken," sprak Miguel.
"Carrambo! Hoe hebt gij dat gedaan gekregen?"
"Dat komt er niet op aan. Ik zal ook de uwe los maken maar blijf in uw zittende houding, opdat wij niet te vroeg ontdekt worden. Waar zijn de wapens," vervolgde Miguel nadat hij allen van hunne banden had bevrijd.
"In Lupans toldo liggen geweren!"
"Die kunnen wij niet gebruiken want er ligt geen kruid."
"Ook zijn er bola's, messen en lansen."
"Hoort--Welk een rumoer!... Weer signalen... De strijd is begonnen."
Woest getier, geweervuur en hoornsignalen weerklonken. De vrouwen en kinderen waren de plek waar de strijd plaats had, dicht genaderd en hieven telkens een wild gehuil aan. De bewakers der gevangenen tot het einde van het dorp geslopen, volgden in spanning den loop van het gevecht.
Miguel stak voorzichtig zijn hoofd buiten de hut maar trok het dadelijk weer terug.
"Caballeros, mijn blanke manschappen zijn hier. Weest voorzichtig."
"Wat! De Blanken! Zij kunnen onmogelijk langs de bergen gekomen zijn."
"Dan over het water... Blijft rustig hier... ik sluip naar buiten..." zeide Miguel.
Eenige minuten later kwam hij terug.
"Komt," klonk het. "Eén voor één... opgepast. Waar liggen de wapens?"
Zoodra de gevangenen hun hut hadden verlaten, zagen ze de blanke krijgslieden, die achter een groote tent van guanacovellen verborgen, hen toeknikten.
Behoedzaam slopen ze naar Lupans toldo waar een menigte geweren lag, die gebruikt konden worden omdat Neds strijders voldoenden voorraad van kruid en kogels bezaten.
"Ik reken er op, caballeros, dat gij u bij ons aansluit," zeide Miguel, toen allen zich hadden gewapend.
"Ja... natuurlijk... Wees gij onzen aanvoerder," riepen ze door elkaar.
"Waar is mijn zoon, Señor?" vroeg Lord Westfield met een van ontroering trillende stem.
"Ik zie hem niet... wacht... daar is hij!... Hij komt uit het bosch... Mylord, ga hem tegemoet... maar wat ik u bidden mag, wees voorzichtig."
Lupans woonplaats lag op een klein nagenoeg vlak plateau. In het Zuiden stegen loodrechte rotsmassa's op, terwijl steile wanden in het Noorden tot aan den waterspiegel afdaalden. Aan de Westzijde lag het ondoordringbare woud en aan den Oostkant bevond zich de eenige toegang tot het dorp. Aan de zijden van het meer, het woud en de vlakte vormden geweldige rotsblokken een wal, die slechts op enkele punten naar den boschkant, en naar het Oosten op ééne plaats--den toegang--was afgebroken. Het dorp was dus een prachtige, natuurlijke vesting.
Miguel zond de bevrijde gevangenen, die met de plaatselijke gesteldheid volkomen bekend waren, onder leiding van een der bombero's naar den uitgang van het dorp. Behoedzaam voortsluipend, het geluid hunner voetstappen overstemd door het krijgsgeschreeuw, naderden zij ongemerkt de hun aangewezen plaats. Nauwelijks hadden ze die bereikt of het aanvalsignaal werd geblazen. De enkele Molutches, die op de rotsen het schouwspel van den strijd genoten, snelden terug naar de hutten, die aan hun zorg waren toevertrouwd, voor zij er echter waren maakten eenige welgerichte geweerschoten een eind aan hun leven en de bombero met zijn manschappen bezette den uitgang. Jammerend kwamen de vrouwen aangeloopen, de kinderen schreeuwden luidkeels; het was een onbeschrijfelijk rumoer. Intusschen waren de beide kanonnen, door Ballière gemonteerd, op het plateau opgesteld. Miguel gaf order de vrouwen en kinderen te binden en ze te bewaken.
Het weerzien der beide Westfields was zeer aangrijpend geweest. "Father, dear Father?"--"Edward, my son!" en vader en zoon lagen in elkaars armen.
De oude man was, trots Neds tegenstand, niet te bewegen af te zien van het plan om aan den strijd deel te nemen.
"Wij hebben absoluut niets te vreezen," hield hij vol. "Het dorp, door onze wapenen verdedigd, is niet in te nemen. Zie, daar liggen de lijken van de enkele Molutches, die hier gebleven waren. Maar wie kwam op de gedachte geschut mede te nemen?"
"Mijn vriend, Tom Hunter."
Luide jubelkreten drongen van het slagveld tot hen door.
"Wat is dat?" vroeg Ned.
"De triomfkreet der Molutches," antwoordde de Lord.
"Ballière," riep Ned, bezorgd over den uitslag, "los een kanonschot, ten bewijze dat wij het dorp hebben genomen."
Vervolgens liet hij wollen dekens aan lange lansen bevestigen en op de wallen van deze door de natuur gevormde vesting planten, terwijl het gedonder van het geschut wijd en zijd de echo der bergen wakker riep.
Bij het aanbreken van den dag hadden de Pehuenches zich in slagorde gesteld. De Patagonische Indianen weten, ondanks hun gewoonte om te voet te strijden, zeer handig met hun lange lansen te manoeuvreeren. De Molutches hadden van de pamparoovers een methode van vechten geleerd, ongeveer gelijk aan die welke ten tijde der reformatie in zwang was en "Egel" genoemd werd. De methode bestond daarin, dat de krijgslieden met hun meer dan zes meter lange speeren zich opeen hoopten en als het ware een opgevulden cirkel maakten; de buitenste rijen knielden en strekten de lansen, ter halver manslengte omhoog geheven en de punt naar beneden gehouden, voor zich uit; de overige bleven staan en zoo vormden ze te samen een geheel van blinkend staal waartegen bola's en lasso weinig vermochten. Met het meeste succes hadden de Molutches herhaaldelijk deze methode toegepast. Kellipan had zijn bondgenooten daarover gesproken en er waren maatregelen beraamd om die wijze van strijden te verhinderen. De Opper-Toki, een dapper krijgsman, bevond zich gaarne in het hevigste krijgsgewoel, Miguel en Tom hadden hem echter aan het verstand gebracht, dat zijn plaats als opperbevelhebber achter het front was. Hij hield zich ditmaal stipt aan het plan in den krijgsraad ontworpen en daardoor ontbrak het den Molutches aan tijd zich als "Egel" op te stellen. Kellipans strijders moesten--tegen hun gewoonte--te paard voortgaan. Dicht bij den vijand sprongen ze uit den zadel en snel rijen vormend, stormden ze op de Molutches in, terwijl hun paarden door anderen werden weggevoerd. De Molutches waren bij het eerste sein tot den aanval--het signaal der Pehuenches--naar het smalle deel der vlakte, het door vroegere oorlogen bekende slagveld geijld en hadden, omdat hun de gelegenheid ontbrak de nieuwe methode in praktijk te brengen, zich over de geheele breedte moeten verdeelen. Deze linie door te breken was de bedoeling der Penk.
Lang bleef het pleit onbeslist. De tegenstanders waren aan elkaar gewaagd wat betrof moed, bedrevenheid, kracht en volharding. Kellipan zag geen voortgang in den strijd; ook van de Blanken kwam geen enkel teeken dat zij voordeel hadden behaald, Cornelio, die met Lotan nevens den Opper-Toki reed, maande te vergeefs tot geduld.
"Lotan moge den Penk de overwinning brengen," zeide Kellipan, wiens geduld ten einde was.
Lotan, de oogen schitterend van vreugde, reed voor het front en blies een kort signaal; de manschappen die in het midden der rijen streden, vloden naar links en rechts. Op hetzelfde oogenblik rende een vijftigtal Pehuenches met gevelde lansen op het centrum toe. De Molutches waren tegen dezen aandrang niet bestand en de Pehuenches braken door de gelederen hunner tegenstanders, omver rijdend wie geen kans tot vluchten zag; maar vóór het voetvolk hen volgen kon, hadden de vijandelijke rijen zich weer gesloten. De aanval was wel niet afgeslagen doch ook niet gelukt en het plan nogmaals door te breken kon niet uitgevoerd worden, omdat de ruiters gevaar liepen met den vijand hun eigen stamgenooten neer te vellen. Lotan voerde zijn manschappen een eindweegs terug. Aan den voet van den berg stonden de paarden der Molutches; nauwelijks had Lotan ze gezien of hij gelastte de dieren in de kloof te brengen, wat ongestoord geschiedde omdat de vijanden alle krachten moesten inspannen om hun tegenpartij, in wier rijen nu ook Don Cornelio en Kellipan streden, af te weren.
De dapperheid der Pehuenches en hun aanvoerders was te vergeefs; niet alleen dat de vijand niet week, maar op enkele plaatsen won hij veld en zijn zegekreten werden op den adem der wind heinde en ver voort gedragen.
Daar klonk het kanonschot, en de kreet: "de Blanken hebben het dorp bezet", ging als een loopend vuurtje door de gelederen der Molutches. Schrik en ontzetting deed hen een oogenblik aarzelen en nu hieven op hun beurt de Penk een woest gejubel aan.
"De Pehuenches hebben onze paarden," deze jobstijding doofde aller moed. De mannen sloegen op de vlucht, doch Lupan wist ze tot staan te brengen en te verzamelen om het dorp te bestormen. De wallen waren door blanke krijgslieden bezet. Ondanks den kogelregen, door deze op hen afgezonden, vlogen de Indianen tegen de rotsen op. Lupan moest, het kostte wat het wilde, den vijand verslaan en het dorp terugwinnen, anders dreigde zijn volk een algeheele vernietiging. Een salvo kartetsen uit de beide kanonnen wierp Lupan en zijn troepen terug; voor een oogenblik slechts; eer het geschut opnieuw was geladen, bestookten de dappere Molutches de kanonniers met bolas en lasso. De Blanken, het oogenblikkelijk gevaar inziende, sprongen zonder een commando af te wachten van de wallen, met hun geweren en pistolen dood en verderf brengend in de gelederen der tegenstanders. Opnieuw donderde het kanon. Lupan zonk ter aarde en met zijn dood verloren de Molutches hun steun. Als gejaagde guanacos snelden ze weg, op den voet gevolgd door de Pehuenches, die hen terugdreven over den bergpas.
De Molutches waren totaal verslagen. Hun verlies was groot, hun Opper-Toki gesneuveld, zijn zoon gevangen.
Tegen den avond zond Huïl nog eenige krijgsgevangenen en het bericht, dat hij in het Buffel-dal, zijwaarts van de Limayleofu gelegen, eveneens den vijand op de vlucht had gejaagd. De Pehuenches waren over de geheele linie overwinnaars.
Reeds den volgenden morgen verschenen in de legerplaats aan het Nahuel Huapi meer afgezanten, die om vrede smeekten. De Blanken wenschten geen oorlogsschatting te heffen, de Penk hadden een rijken buit aan paarden in hun bezit; niets stond dus het stellen der vredesvoorwaarden in den weg. Kellipan beloofde een der volgende dagen op te rukken en op een aangewezen plaats in het Limaydal te verschijnen om vrede met de Molutches te sluiten.
Waar vóór eenigen tijd het leger der Pehuenches was samengekomen, werden een week later de vredesceremoniën voltrokken.
Een hondertal Penk, rijk gekleed, goed gewapend en op vurige rossen gezeten, stonden tegenover eenzelfde aantal Molutches, eveneens in krijgsdosch getooid.
Beide partijen waren als in slagorde opgesteld.
De Toki's reden heen en weer op het terrein, en hielden verscheidene aanspraken tot hun manschappen, die telkens met een luid "wap, wap, wap!" beantwoord werden. Onder de Penk bevonden zich Malen en eenige gevangen genomen Toki's; ook de Molutches hadden enkele krijgsgevangenen. Aan den rand van het dal eenigszins zijwaarts, stonden de blanke strijders eveneens in rij en gelid. De Molutches rukten op tot een kolonne en reden herhaalde malen om de Pehuenches, een vervaarlijk gejuich aanheffend, hun messen en bolas' heen en weer slingerend, terwijl de hulptroepen uit het Buffel-dal hun geweren en pistolen afvuurden. Daarna keerden zij op hun plaats terug en schaarden zich weer in slagorde.
Kellipan en de aanvoerder der Molutches reden elkaar tegemoet, schudden elkaar de hand en hielden lange deftige toespraken, die eenige malen herhaald werden, omdat het gebruik eischt, dat eerst na den derden keer het "Ahon" weerklinkt. Ten slotte overhandigde de overwinnaar den overwonnenen een bundel roode snoeren en na elkaar nogmaals de hand geschud te hebben, vertrokken de Opper-Toki's met hun krijgsgezellen.
De Molutches begaven zich naar het Nahuel Huapi meer om een nieuwen Opper-Toki te kiezen, de Pehuenches, vergezeld door hunne bondgenooten, trokken terug naar hun gebied. De Toki's der Penk reisden mede naar Carmen om de hun beloofde geschenken, die veel rijker waren dan de Indianen zich hadden voorgesteld, in ontvangst te nemen. Op den terugtocht vertoefden onze vrienden een geheelen dag op de plaats waar eens de nederzetting der Carrils was. Ook den Gualichu-steen werd nog eenmaal door Miguel, Lord Westfield, Ned en Tom bezocht. Te Carmen werd niet lang halt gehouden, maar van de eerste gelegenheid gebruik gemaakt om Buenos Aïres te bereiken. De bevrijde bomberos meldden zich weer bij hun chef aan; de pamparoovers waren bij de paters Jezuïeten aan de Rio Negro gebleven.
De beide Westfields, Miguel, Pedro en Bob vertrokken met de "Mariëtta" onder bevel van kapitein Ballière naar Europa.
SLOT.
Ons verhaal voerde ons heinde en ver over den aardbol en bracht ons in kennis met menschen van allerlei slag, wier verdere levensloop ons niet onverschillig mag zijn.
De nieuwe missie van de paters Jezuïeten aan de Rio Negro heeft alom zegen verspreid.
De Pehuenches zijn een beschaafde volksstam geworden, maar weten nog even uitstekend als vroeger de wapens te gebruiken, wanneer er sprake is de ter bebouwing gereedgemaakte gronden, den goed gedijden oogst, vrouw en kinderen te verdedigen tegen de roofzuchtige aanvallen hunner noordelijke naburen, de Pampa-Indianen.
De Molutches hebben zich meer en meer in de bergen teruggetrokken en de Tehuelches zijn in vergelijk van vroeger, veel vredelievender geworden.
Carmen de Patagones genoot na de Zuid-Amerikaansche onafhankelijkheids-oorlogen een korten bloeitijd en erlangde zelfs in 1828, tijdens den strijd tusschen Buenos-Aïres en Brazilië een zekere beteekenis als verzamelplaats der Korsaren.
Het bewuste eiland in den Chagos archipel is niet lang bewoond geweest. De muiters besloten eindelijk zich aan de gerechtelijke autoriteit over te geven. Nadat de "Magada" door de stormen gebeukt, geheel uit elkaar was geslagen, voeren ze met hun booten van eiland tot eiland en bereikten eindelijk Diego Garcia. Alle schuld werd op den raddraaier, den afwezigen Bob geworpen en hun straf bepaalde zich tot een kortere of langere opsluiting. Frog alleen was op het eiland gebleven. Zijn misdaden waren zoo groot en zoo talrijk dat hij op geen genade durfde hopen.
Zeelieden die in later jaren het eiland bezochten, vonden in een soort hut zijn dagboek, van hemzelf was echter geen spoor te ontdekken. Mogelijk was hij met zijn boot verongelukt, want op het geheele eiland was geen enkel vaartuig.
De banneling van St. Helena sloot 5 Mei 1821 voor goed de oogen. De familie Balcombe was, toen Napoleon stierf, sinds lang naar Engeland vertrokken.
De wakkere kapitein Poppleton was eveneens verplaatst en de bewaking van den Corsicaan aan het twintigste regiment toevertrouwd.
In het stille dal, waar Napoleon zoo gaarne verwijlde, onder de treurwilgen waar Edward Westfield het beteekenisvolle blaadje papier zag, werd generaal Bonaparte ter aarde besteld. In 1840 brachten echter de Franschen het stoffelijk overschot van hun grooten keizer naar de Dôme des Invalides te Parijs over. Het tuintje om het huis te Longwood wordt steeds in eere gehouden en den bezoeker den wingerd getoond, die zooals het heet, "de oude Nap" zelf heeft geplant.
Bob, de wilde matroos, bleef in dienst van Ballière, die zijn Mariëtta nog vele jaren door storm en noodweer over de groote wateren voerde.
Pedro werd in zijn waardigheid van factotum in den huize Westfield te Cowford hersteld en, kwam hij te Londen, dan gold zijn eerste bezoek den braven James.
Cornelio de Alevira hield voortaan verblijf in Spanje, waar zijn uitgestrekte bezittingen lagen. Voor de zielsrust zijner ongelukkige bloedverwanten liet hij talrijke missen lezen.
Miguel vestigde zich te Cowford en werd de beste vriend van de familie Westfield. De oude Lord genoot niet lang van zijn gelukkige terugkomst. Nauwelijks een jaar, nadat hij in Engeland voet aan wal had gezet, blies hij den laatsten adem uit, nog voor hij zijn rijke ervaringen en wetenschappelijke navorschingen had kunnen opteekenen. Nog bezig met het ordenen zijner schatten uit Patagonië medegebracht, overviel hem de dood. Een beroerte maakte plotseling een einde aan zijn veelbewogen leven. Één vreugde had hij nog mogen genieten: het huwelijk zijner dochter. Tom Hunter had zich destijds in het uur van scheiden te Cowford met Jane verloofd, een geheim, dat hij zelfs voor zijn vriend Edward zorgvuldig had verborgen.
Eenige jaren na de bevrijding van Lord Westfield ontmoette Ned, die bevorderd tot kapitein op de "Eagle," met zijn fregat te Portsmouth was binnengeloopen, Sir Robert Cook. De nabob, hem de hartelijke groeten overbrengend van mijnheer Hyde, wilde in de nabijheid van Londen een villa koopen en zijn laatste levensjaren in Engeland slijten.
Ned klom langzamerhand op tot de hoogste rangen bij de marine. Was hij met verlof thuis, dan kwamen in zijn gastvrije woning dikwijls de oude vrienden te zamen. Zijn echtgenoote Alice, de dochter van Sir Cook, liet geen poging onbeproefd om haar gasten, die allen ook in meerdere of mindere mate met haar levenslot in aanraking waren geweest, het verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken, en dikwijls liep het gesprek over de avonturen, beleefd
AAN GENE ZIJDE VAN DEN EVENAAR.
INHOUD.
Blz.
DE CARRILS 1 METIPAN 43 DE "ZWEMMENDE HEL" 75 EEN PLAN 93 WEDER IN ZEE 111 DE "OUDE NAP" 130 ONTPOPT 151 OP OUDE PADEN 210 AAN HET NAHUEL HUAPI MEER 242 SLOT 274
AANTEEKENINGEN
[1] Gaucho (spr. ga-oe-tsjo) herder.
[2] Gringo = Vreemdeling.
[3] Toldo = grashut.
[4] Estancia = veehouderij.
[5] Vaquero = koeherder.
[6] Toki = hoofdman.
[7] mustang = verwilderd paard.
[8] Een soort tunika van kettingen, die met riemen aan elkaar verbonden zijn, óók een overrok van huiden met zilveren voorwerpen versierd, destijds een zeldzaam kleedingstuk, later enkel gedragen door Tokis.
[9] Toovenaar en priester der Patagoniërs.
[10] Blanken van Spaansche afkomst.
[11] Mekyusch = de Patagonische (kleine) struis; Nandu die der La Plata landen.
[12] Laboleofu = Rio Colorada.
[13] Aestuarium = trechtervormig verwijde riviermond.
[14] Napoleon.
[15] Pulperia = herberg, die tevens voor winkel dient.