Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 13
Aan boord der Mariëtta, die regelrecht naar Kaapstad zeilde, bevonden zich,--behalve de met Bob vermeerderde bemanning--, Ballière, Carril, Ned, Tom, Pedro en James. Te Kaapstad wachtte Ned een aangename verrassing. Kapitein Wallis had de bagage gezonden, door hem te St. Helena achtergelaten. Een langen brief dien Ned aan zijn moeder en zuster schreef, werd per post verzonden; een copie er van werd James ter hand gesteld, die naar Engeland zou terugkeeren. Ook Hunter had urenlang gepend en James een bijzondere boodschap opgedragen, die deze, oolijk lachend, beloofde over te brengen.
Een spottenden blik op Ned werpend, had de oude zeeman gezegd: "Niemand wordt er iets van gewaar, luitenant, geen woord!"
Voort ging het, dwars over den Atlantischen oceaan, naar Buenos Aïres, waar het anker werd uitgeworpen. Onze vrienden voorzagen zich van alles wat ze voor hun expeditie tegen Lupan noodig konden hebben en bereikten met een der kustbooten Carmen de Patagones. Daar zouden de noodige manschappen worden aangeworven; Ned onderhandelde met hen juist toen Miguel en Don Alevira in de pulperia hun ernstig gesprek voerden. Ballière had het commando over zijn schip aan zijn eersten stuurman opgedragen, was een paar dagen te Buenos Aïres gebleven om zijn brik naar Brazilië te bevrachten en zoo juist met Bob te Carmen aangekomen.
Het was schemeravond. De reisgenooten hadden hun avondeten genuttigd en met een sigaar of een pijp in den mond, zaten ze aan de groote tafel in de herberg.
"Enkele manschappen bevallen me niet al te best," merkte Ned aan. "Ik hoop dat Bob een beter soort machtig wordt."
"Ongelijk hebt gij niet, maar ik hoop, dat ze wel zullen voldoen wanneer wij het gebied der Indianen betreden. Gemeenschappelijk gedragen gevaar doet soms wonderen."
"Ik heb een plan," zeide Ned. "Gij moet weten, don Cornelio, dat ik den beproefden soldaat, de man van rijpe ervaring, overste Carril tot opperbevelhebber van onze expeditie heb benoemd en mijzelf onder zijn bevelen heb gesteld. Blijft gij bij uw besluit ons te vergezellen, wees dan zoo goed hem als uw generaal te beschouwen."
Alevira boog toestemmend.
"Ik verwacht Pedro," vervolgde Ned "die vier dagen geleden vertrok en buitendien Bob, dien ik heden middag in dienst nam. Hij heeft zich op de reis naar Buenos Aïres uitstekend gedragen."
"Dat moeten wij toegeven," bevestigde Tom Hunter, die zich zelden in het gesprek mengde.
"Overste," nam Ballière het woord, "u deert iets. Gij denkt aan Pedro noch Bob..."
"Toch wel. Bob spionneert voor mij... zeer waarschijnlijk zullen wij een klein gericht moeten houden. De tijd ontbreekt om voor familieaangelegenheden hier dagen lang te vertoeven en de zaak bij een rechtbank aanhangig te maken. Daar wij echter op Republikeinsch grondgebied zijn, zullen wij ons naar gene zijde van de rivier, naar het land der onafhankelijke Indianen begeven en... onze eigen rechter zijn."
"Waarheen hebt gij Pedro eigenlijk gezonden, overste? Of mogen we dat niet weten?"
"Naar de pampa's om bondgenooten te werven."
"Ha! En welke?"
"De Manzaneros of Penk."
"En rekent gij op een goeden uitslag?"
Nog voor Miguel kon antwoorden trad Pedro binnen, bestoven en bezweet door den snellen rit.
"Gomez, breng den caballero een flink avondmaal. Kom, Pedro, hier staat wijn om de stof weg te spoelen."
"Op een gelukkig slagen, Señors," zeide Pedro, met een vroolijk gezicht zijn glas omhoog heffend.
"Dat hij een gunstig resultaat heeft verkregen, staat hem op 't gelaat te lezen," merkte Tom op.
"De Manzaneros zijn bereid zich met ons te verbinden," sprak Pedro, "onder voorwaarde, dat wij onmiddellijk na het bereiken van ons doel hun gebied zullen verlaten."
"En dat hebt gij hun beloofd?"
"Natuurlijk! Ik dacht niet, dat ik de Pehuenches zoo spoedig zou ontmoeten en had..."
"Welke stam is dat?" vroeg Cornelio.
"De Pehuenches? Zij zelf noemen zich Penk, de andere stammen zeggen Pehuenches, en de Blanken Manzaneros naar hun nederzetting Las Manzanos. Twee dagen reizens van hier," vervolgde Pedro, "ontmoette ik een groote bende Manzaneros, waarbij zich gelukkig hun eerste Toki bevond. Zonder in eenig opzicht vrees te toonen reed ik het kamp binnen en werd door den Toki, staande voor zijn toldo, ontvangen. Na eenige tegenwerpingen ging hij, Kellipan, op mijn voorstel in. Hij beweerde, dat de Molutches bloedverwanten waren van de Pehuenches, dat beide volkeren van de Peruanen afstamden en hij, Kellipan, in rechte lijn van de Inca's. Hij achtte het een plicht van al de Indianen om samen pal te staan tegen de Blanken en hun verder doordringen te beletten. Ik maakte hem duidelijk welk een groot onderscheid er bestond tusschen de eenigzins beschaafde Penk en de woeste Araukanen; ik vleide hem een beetje en dat viel in goede aarde. Ten slotte stelde hij de reeds genoemde voorwaarde en begeerde een samenkomst met de blanke Hoofden om te spreken over de geschenken die hij zal ontvangen, indien hij met zijn krijgsvolk onze expeditie steunt."
"Wanneer zal het parlement plaats hebben?" vroeg Miguel.
"Morgen avond...... aan den Heiligen Steen, dien gij nog van vroeger kent. Weet gij het nog?"
"Of ik het nog weet! Maar, Pedro, ik heb heden hier Amata's spoor ontdekt."
"Alle Heiligen! En dat zegt gij zoo kalm."
"Ik heb Bob op verkenning uitgezonden..... Dus, morgen naar den Gualichu-steen."
"Ja, zoo luidt de afspraak. De eischen van Kellipan zullen niet groot zijn. Hij zal het niet willen bekennen maar toch weet ik, dat hij brandt van verlangen om Lupan, den Molutch, een poets te spelen, omdat deze zich gedraagt als ware hij Opper-Toki van alle Patagonische stammen en bij alle aangelegenheden het hoogste woord voert."
"Geholpen door deze Manzaneros zullen wij dus trachten mijn vader te bevrijden?"
"Dat is mijn plan," zeide Carril.
"En als de Pehuenches ons onder weg in den steek laten of ons overvallen?"
"Om dat te voorkomen, staan ons twee middelen ten dienste. De Opper-Toki zal de bedongen geschenken niet eerder ontvangen dan bij onze terugkomst te Carmen, en..... wij, Blanken, moeten een kleine maar krachtige keurbende uitmaken. Daar wij echter met meer of minder groote spitsboeven te doen hebben....."
"Verzeker ik hen, die tot het laatst stipt hun plicht doen, een extra belooning."
"Dat kunt gij geheel naar eigen goeddunken regelen, Mylord, doch buiten het handgeld, door de mannen reeds ontvangen, zal ik hun eerst na het eindigen van den tocht betalen, maar de bedongen soldij iets hooger stellen. Ieder moet opgeven, wie zijn erfgenaam zal zijn indien hij sneuvelt en aan dezen moet de volle soldij worden uitgekeerd."
"Uitstekend," zeide Ned. "Dat is het ware middel om de kerels in toom te houden. Dan stel ik voor onze expeditie op militairen voet te organiseeren. Pedro, sergeant majoor, Bob onderofficier, Don Cornelio en Tom luitenants en mag ik mezelf benoemen tot uw adjudant, overste Carril?"
"En welken rang zal ik bekleeden?" vroeg Ballière.
"Wilt gij de gewichtige betrekking van intendant op u nemen en tevens bevelhebber zijn over onze artillerie, die uit twee stukken geschut bestaat?"
"Gaarne."
"Er zijn thans vijf en twintig man aangeworven," sprak Carril, "bruikbare kerels, die hun plicht zullen doen."
"En wanneer trekken wij uit?" vroeg Alevira.
"Denkelijk overmorgen," luidde Miguels antwoord.
"En moet gij Amata's spoor niet volgen?" vroeg Ballière, zijn vriend met bezorgden blik beschouwend.
"Een inwendige stem zegt mij, dat mijn zuster niet meer onder de levenden vertoeft. De nog te houden afrekening kan morgen geschieden. Ik denk," vervolgde Miguel, "dat Bob heden niet meer terug komt. Zullen wij gaan slapen? Het is al laat."
Weer bevinden wij ons bij den Heiligen Steen, gewijd aan de Heidensche Godheid.
In de onmiddellijke nabijheid van de Gualichu-steen hadden de krijgslieden van Kellipan hun kamp opgeslagen, waar tegen het vallen van den avond de blanke Hoofden, Ned, Tom, Ballière en Cornelio binnenreden, vergezeld door Pedro, die tot tolk diende. Allen namen plaats bij het vuur en terstond, zonder de gebruikelijke plichtplegingen, nam de onderhandeling een aanvang. De beraadslagingen liepen spoedig ten einde en er werd besloten, dat Kellipan met minstens drie honderd man de expeditie zou steunen. Op den dag van het gezamenlijk vertrek van den Heiligen Steen, zou Ned aan Kellipan dekens, sieraden en wapens ten geschenke geven, en na afloop van den tocht iederen hoofdman en den Opper-Toki een bonte deken en een goed geweer. Daarenboven moesten de Blanken een groot vat Aqua Ardiente zenden. De Toki der Manzaneros was verplicht de bevriende Tehuelches onmiddellijk in kennis te stellen met het gesloten verbond, ten einde alle mogelijke moeielijkheden van die zijde te voorkomen.
Na dat men het aan weerszijden over de voorwaarden eens was geworden, nam Ned opnieuw het woord.
"Kellipan, mijn roode broeder, de eerste Toki van dit land moet goede wapens hebben. Wil hij, wanneer wij over twee dagen vertrekken, een pistool van mij ten geschenke aannemen?"
Pedro vertolkte het aanbod.
"Ahon..... ja!" riep Kellipan met schitterende oogen.
"Een dronk "vuurwater" wil ik er nog bijvoegen, hopend, dat de Toki mij een dienst wil bewijzen."
"Ahon! Dat mijn broeder spreke."
Ned verhief zich in zijn volle lengte, trok een hoorn van onder zijn mantel en tot groote verbazing der Roodhuiden klonk in de stilte van den nacht een kort, scherp signaal. Toen ging hij weer zitten en sprak:
"Wil mijn broeder rechter zijn over een misdadiger, dien wij op Patagonisch grondgebied gepakt hebben?"
Een "Ahon" was nogmaals het antwoord. Kellipan gaf den Matschi, den toovenaar en priester der bende, een teeken, waarop deze nabij het vuur twee lansen op een afstand van twee meters in den grond stak. Op hetzelfde oogenblik hoorde men paardengetrappel en verschenen twee ruiters in het kamp. De eene was Bob, de ander, die verwonderd den kring rondzag, was een krachtige figuur met zwart haar en een vollen baard, het type van een echten Spanjaard.
"Zijt gij de aanvoerder der expeditie, waarvoor Bob me geworven heeft?" vroeg hij, zich tot Ned wendend.
"Is dat de man?" zeide kortaf de Toki.
"Ahon," klonk het deftig van Neds lippen.
Op een wenk van Kellipan trad een krijgsman nader en legde met zwaren druk zijn hand op den schouder van Bobs metgezel.
"Wat moet dat beduiden?" stamelde de Spanjaard verbleekend.
"Zeg, man, ken je me niet meer?" vroeg Pedro naar voren tredend. "Stel je mij voor, als gaucho gekleed en met kaal geschoren gelaat."
"Kan ik iederen weggeloopen melkmuil kennen?" luidde de brutale wedervraag. "Ik ben hier gekomen om mijn handgeld te halen, niet om mij door blanke en bruine roovers te laten ophouden. Laat me los, ik wil niets met zulke kerels te maken hebben," raasde de Spanjaard.
"Gij blijft," zeide Ned met nadruk.
"Bob, schelm, jij hebt mij in deze hinderlaag gelokt, maar niemand kan me hier houden," riep hij woedend zijn machete trekkend.
De krijgslieden ontnamen hem het wapen, bonden hem handen en voeten en plaatsten hem tusschen de beide lansen.
"Gij staat voor uw rechters, man. Als gij een genadig vonnis begeert, neem dan niet je toevlucht tot een leugen," nam Ned Westfield het woord.
"Gij mijn rechters! Roovers en moordenaars zijt gij, schurken en dieven."
"Gij wordt door ons vervolgd wegens poging tot moord, wegens diefstal, roof en geweldadige ontvoering van een weerlooze. Wij namen u gevangen op het grondgebied der Pehuenches, wier Toki recht over u spreken zal."
"Ik erken uw rechtsbevoegdheid niet. Bovendien ben ik niet den man, dien gij zoekt, want aan zulke misdaden heb ik me niet schuldig gemaakt."
"Noem dan uw naam."
"Antonio Martinez," sprak de aangeklaagde aarzelend.
"Gij kunt even goed Fernando Cortez zeggen. Wilt gij niet vrijwillig uw waren naam opgeven?"
Een spotlach was het antwoord.
"Ook goed. Getuige Bob Price, wie is deze man?"
"José Alvarez," zeide Bob ernstig.
"Getuige Pedro, wie is deze man?"
"José Alvarez."
"Getuige en aanklager Price wat legt gij José Alvarez ten laste?"
"Ik beschuldig hem te Marseille in het huis der gebroeders Carril te zijn binnengedrongen, alle stukken van waarde en gelden geroofd en de bewoonster van dat huis, Amata Carril, geweldadig ontvoerd te hebben met de bedoeling van haar broeders een hoogen losprijs af te persen. Ik beschuldig hem, dat, toen hij zijn doel niet kon bereiken, hij Amata Carril als slavin verkocht en daardoor haar dood verhaast heeft."
"Anders niet?" vroeg de Spanjaard spotlachend. "En waarmede kunt gij deze aanklacht bewijzen?"
"Gijzelf hebt het aan Bob bekend," verklaarde Ned.
De gevangene barstte in een schaterlach uit.
"Zoo'n domoor heeft alles geloofd wat ik hem opdischte! Het is om je dood te lachen!"
"Uw eigen legitimatiepapieren en het scheepsjournaal der "Mariëtta", de brik waarop gij stuurman waart en welke gij eenmaal erven zoudt, zijn in het huis der Carrils gevonden. Wat hebt gij daarop te zeggen?"
"Een zekere José Alvarez vertelde mij al deze misdrijven en ik deed tegen Bob alsof ikzelf ze begaan had."
"Dat verandert de zaak. Weet gij waar deze José zich ophoudt?"
"Zeker. Hij woont te Cadix in Spanje en leidt een vroolijk, onbezorgd leventje, dank zij zijn verscheidene diefstallen."
"Wat hebt gij hierop te zeggen, Bob?"
"Deze man is José Alvarez. Ik kende hem reeds te Plymouth, waar hij in mijn tegenwoordigheid den Duitscher Charles het leven benam."
"Uw oogen en uw doodsbleek gelaat verraden u, man," vervolgde Ned kalm en beslist. "Zie eens naar hem om, Bob, ik geloof dat hij beeft van schrik."
"Bah! Het angstzweet parelt hem op het voorhoofd," zeide Bob vol verachting.
"Ik ben nooit in Plymouth geweest! Ik ben een Argentinisch zeeman, die nooit Europa bezocht."
"Mensch, lieg toch niet zoo brutaal!" riep Bob. "Nooit zag ik zoo'n gemeen, lafhartig schepsel als jij. Gisteren heb je nog al de bijzonderheden van den strijd met den blonden Charles verhaald en mij al je schanddaden gebiecht, meenend dat ik een even groote schurk was als jijzelf. Nu, heelemaal ongelijk had hij niet," voegde Bob er zuchtend bij.
"Pedro, wat hebt gij nog te zeggen?"
"Hij is José Alvarez zelf. In 1807 bracht hij de familie Carril naar Spanje. Ik zag hem eenige maanden te voren te Carmen de Patagones en ontmoette hem later in de haven van Montevideo, toen hij op de Carrils wachtte, die van Buenos Aïres moesten komen."
"Bob ontneem hem zijn papieren," beval Ned.
"Ik bezit geen papieren," beweerde de Spanjaard.
Bob Price liet zich niet foppen; zonder een woord te zeggen opende hij José's jas en trok een bundel papieren uit zijn zak, dien hij Westfield overhandigde.
Deze doorbladerde ze vluchtig en gaf ze aan Ballière.
"Er valt niet te twijfelen, kerel," verklaarde Ballière, "je bent de moordenaar José Alvarez. Je lijkt sprekend op het signalement in deze papieren opgegeven."
"Omdat Alvarez op mij gelijkt," trachtte hij zich te verdedigen.
"Leugenaar, infame leugenaar!" klonk het luid en toornig van Miguels lippen. "Durf je tegenover mij nog te ontkennen?"
Verlamd van schrik en ontsteltenis staarde de Spanjaard den spreker aan.
"Carratscho!" fluisterde hij toonloos. "Van waar komt gij?"
"Van Amata's graf," luidde het plechtig en somber.
"José Alvarez," besliste Ned, "gij zijt schuldig aan inbraak en diefstal; aan de geweldadige ontvoering eener blanke vrouw, die gij als slavin verkocht en daardoor haar sterven verhaast hebt, aan een poging tot moord op uw pleegvader om zijn schip en verdere bezittingen spoediger te kunnen erven en aan den dood van den blonden Charles. Overste Carril, wat hebt gij bij deze aanklacht te voegen?"
"Genade, genade," smeekte José, die begreep dat het uur der wrake geslagen was.
"Je erbarmelijke lafhartigheid doet me leed, José. Mijn dolk is te goed om zoo'n sluipende adder te vermoorden."
"Genade," kermde José.
"Pedro," zeide Ned, "zeg mijn broeder Kellipan, den rechter van dit land, welke misdaden deze man begaan heeft en vraag hem welke straf de schuldige verdient?"
"De dood," luidde Kellipans antwoord.
"Ik smeek om genade voor den zondaar," sprak Bob zacht en ernstig.
"Al liet ik voor Charles dood genade voor recht gelden, dan is de erbarmelijke handelwijze tegenover zijn pleegvader, die hem met weldaden overladen heeft, door niets te verontschuldigen. Ik beschouw Amata's sterven als een "ten doode toe kwellen," dus erger nog dan een moord. En al neem ik als verzachtende omstandigheden aan dat hij u, Overste, eenmaal liet ontvluchten....."
"Waarvoor hij al mijn spaarpenningen eischte,--" merkte Carril op.
"Genoeg. Hij is schuldig. Hem moge recht geschieden."
Kermend wierp José zich aan de voeten van Miguel, aldoor smeekend om genade.
"Wij vragen niet of het onze vijanden smart, wanneer wij hen dooden," nam Kellipan het woord. "Waar bloed met bloed gewroken moet worden, zijn onze messen scherp. De blanke man daar, is verachtelijker dan de laffe puma..... Is mijn blanke broeder gereed?"
"Alles is beslist," zeide Ned.
De Toki hief de hand omhoog; drie krijgslieden traden naar José en hieven hem op. De Matschi reikte Kellipan een kleine flambouw, waarvan hij zorgvuldig de vonken doofde, toen het laatste vurig sprankje verdween, suisde een bolas door de lucht en trof het hoofd van José, die zonder eenig geluid te geven nederzonk.
Drie weken later legerde de expeditie van Ned in de liefelijke groene dalen van den boven Rio Negro, die door de Indianen Limayleofu genaamd wordt. Bij het vuur zaten behalve de blanke officieren en onderofficieren Kellipan en zijn Tokis. De beraadslagingen hadden een aanvang genomen en de Opper-Toki zeide:
"Mijn blanke broeder met het lichte haar wenscht geschenken te geven om zijn vader te bevrijden. Hij geloove mij, dat Lupan zijn wensch niet vervullen zal."
"De tegenwoordigheid van zulke gevreesde strijdgenooten zal hem wel meegaand maken."
"Ongelijk heeft de Toki niet," meende Miguel. "Er bestaat kans dat Lupan ons uitlacht en beweert geen blanke gevangenen te hebben."
"Dat zullen wij toch eens zien!" riep Ballière.
"Lupan heeft den strijd lief," zeide Huïl, een Toki, "hij zal niet in een ruiling toestemmen."
"In de eerste plaats moet het verzoek worden gedaan en ik verzoek Kellipan ons daartoe in staat te stellen."
"Ahon," luidde het antwoord, "maar Kellipan weet wat hij weet. Huïl zegt dat de Penk zijn uitgetrokken omdat de Molutches hen hebben beleedigd."
"In dat opzicht mogen wij niet in de rechten onzer roode broeders treden," besliste Carril.
"De Molutches zullen de rookzuilen zien en reeds morgen weten welk gevaar hen dreigt."
"Goed. Laten wij dan regelrecht naar hun dorp trekken," riep Cornelio, de hand op zijn geweer leggend.
"Mijn broeder is dapper; hij bevalt me," verklaarde Kellipan.
"Wij allen zijn het daaromtrent eens, dat onze roode broeders de buit gemaakte goederen zullen behouden. Het kan geen kwaad, dat Lupan zware verliezen lijdt. Van zijn zijde is een overrompeling van de nederzetting der Blanken te vreezen en onder den zwaren druk van onze krachtige vuist zal hij allicht zijn plannen opgeven. En wij bewijzen meteen onze stamgenooten een grooten dienst," meende Carril, de man van rijpe ervaring.
"Bedenk mijn vrienden, dat mijn vader zich in handen van den vijand bevindt en dat een heftige aanval op de Molutches zijn dood tengevolge kan hebben."
"Mijn broeder heeft gelijk," antwoordde Kellipan. "Zijn vader wordt als gijzelaar gehouden. Wij zullen om zijn welzijn denken."
"De Molutches moeten de gevangenen vrij laten, den Penk rijke geschenken geven en beloven zich nooit meer te zullen bemoeien met hun aangelegenheden of..... ze moeten met ons strijden," was de meening van Lotan, een der andere Toki's.
"Hoe zullen mijn roode broeders den vijand met hun eischen bekend maken?"
"Laat mij met tien krijgslieden naar het Nahuel huapi rijden," stelde Huïl voor.
"Mijn broeder spreekt verstandig," zeide Miguel. "Morgen beschikt Kellipan over drie honderd krijgslieden, maar eer Huïl weerkeert is het aantal tot vier honderd gestegen."
"Gualichu is ons genadig gezind," sprak de Matschi. "Zijn roode kinderen van het volk der Penk behoeven geen vrees te koesteren."
"Als Lupan ons verzoek niet inwilligt? Wat dan?" vroeg Ned.
"Dan sluiten wij hen aan de zijde van het meer in," gaf de Opper-Toki in overweging.
"Ook Lotan weet de verblijfplaats van Lupan en Huïl zal haar zien nog voor de wapens spreken."
"Wat stelt de Opper-Toki der blanke officieren voor," vroeg Kellipan.
"Ik ben een ervaren krijgsman, al siert de sneeuw van den ouderdom nog niet mijn haren. Dertig maal heb ik in deze pampa's de duiven zien terugkeeren voor ik over de wijde wateren trok en in het land aan gene zijde van den grooten oceaan heb ik nog in vele oorlogen gestreden," antwoordde Miguel, met opzet een bloemrijke taal gebruikend omdat deze een grooten indruk op de Indianen maakt. "Huïl moge naar het meer rijden en den vrede zoeken. Wij volgen hem op eenigen afstand. Wil Lupan den strijd, dan staan wij gereed."
"Mijn broeder spreekt met mijn mond," zeide de Opper-Toki der Penk, met deze woorden zijn instemming betuigend.
"Wie weet dat de blanke gevangene aan het meer vertoeft," vroeg Lotan.
"Een ontvluchtte blanke gevangene heeft het ons medegedeeld."
"Leeft de gevangene nog?"
"Wij hopen het," zuchtte Ned.
"Laat een blanke broeder, die den gevangene kent met Huïl mede rijden," sloeg Lotan voor.
"Mijn adjudant, dan leg ik het opperbevel in uw handen," sprak Miguel. "Ik rijd mede."
"Dat komt mij toe," beweerde Ned.
"Blijf Don Miguel, laat mij medegaan," verzocht Pedro. "Ik ken Lord Westfield even goed als gij."
"Ondanks alle waardeering voor uw aanbod, Mylord, en voor dat van Pedro, kan ik geen van beide aannemen. Gij spreekt niet één taal der Indianen en juist die kennis is van groot gewicht."
"Neem in ieder geval eenige krijgslieden mede, overste," raadde Cornelio, "en laat ze achter u en voor ons als middel van gemeenschap."
"Goed. Dat voorstel neem ik aan."
"Huïl zal mijn broeder, den blanken Toki, met tien man vergezellen," besliste Kellipan. "Lotan zal hem met een ander tiental volgen en zich zooveel mogelijk verborgen houden."
"Wanneer vertrekken wij?" vroeg Lotan.
"Voor de zon zich weder aan ons vertoont," zeide Miguel, Huïl en Lotan de hand reikend.
Den volgenden morgen ging het leger der Pehuenches op marsch naar het gebied der Molutches. Carril en zijn metgezellen waren reeds twee uur vroeger vertrokken. De rit door de weelderige, groenende dalen was oneindig aangenamer dan de tocht door de dorre, eentonige pampa's en zou voor onze vrienden, wanneer geen ernstige gedachten hen hadden beziggehouden, een waar genot zijn geweest. Ned verkeerde, zooals licht te begrijpen is in een toestand van groote opgewondenheid, gemarteld door den angst of hij zijn zwaarbeproefden, doodgewaanden vader uit zijn gevangenschap zou kunnen verlossen of dat zijn poging tot bevrijding den dood van den ouden man ten gevolge zou hebben.
En wie wist of hij al niet lang onder zijn vele kwellingen was bezweken!
AAN HET NAHUEL HUAPI MEER.
Miguel en zijn metgezellen waren, door Lotan en zijn manschappen op een behoorlijken afstand gevolgd, in de richting van het meer gereden. Bij het aanbreken van den dag hadden ze reeds een eindweegs afgelegd, toen zij op de heuvelen voor hen de wachtposten der Molutches ontdekten. Miguel hield halt en gaf een teeken, dat hij wenschte te onderhandelen, waarop de wachten onmiddellijk verdwenen. De ruiters reden verder en bereikten weldra een open ruimte, tot nu door een kromming in den weg aan hun oog onttrokken, en waar een twintigtal Molutches hun kamp hadden opgeslagen. De begroeting in den regel zeer ceremoniëel, was ditmaal vlug afgeloopen, want Miguel trad, zonder eenige plichtpleging regelrecht naar een bij het vuur zittenden Toki.
"Mijn broeder," zeide hij, zich van de taal der Molutches bedienend, "mijn broeder moge mij zeggen waar wij den Opper-Toki van zijn volk kunnen spreken."