Avonturen aan gene zijde van den Evenaar

Part 12

Chapter 123,913 wordsPublic domain

"Hm..... ik zat eens, ongeveer een maand voor de "Magada" den laatsten keer het anker lichtte, in een kroeg te Plymouth. Een bedaagd man kwam binnen, blond haar, blauwe oogen..... wij raakten aan het praten en ik vernam dat hij uit Argentinië kwam, eigenlijk nog verder....."

"Wacht even. Je verhaal zal zeker de belangstelling mijner vrienden wekken."

Hij wenkte een matroos en gelastte hem den overste, Ballière en Pedro te roepen, die weldra kwamen.

"Don Miguel..... Pedro..... wees zoo goed te luisteren naar hetgeen die man me heeft mede te deelen. Het komt mij voor dat gij beiden beter dan ik kunt oordeelen of de zaak zich heeft toegedragen zooals Bob vertelt."

"Kort voor den diefstal ontmoette ik te Plymouth een Duitscher, "Blonde Charles" genaamd," begon Jim. "De man kwam uit Argentinië. Hij sprak er over hoe slecht het hem gegaan was. Hij was roover op de grasvlakten in de..... in de....."

"Pampa's," zeide Miguel.

"Juist in de pampa's geweest, had het met zijn chef niet kunnen vinden en was weggegaan."

"Dat is waar," bevestigde Pedro.

"Welk belang heb ik daarbij?" vroeg Ned. "Dat alles is me reeds lang bekend."

"Als Charles de waarheid sprak, kunt gij niet alles weten, want hij beweerde, dat niemand in Europa de toedracht der zaak wist. Hij vertelde, dat hij te Buenos Aïres zich bij een zekeren Lord Westfield had aangesloten. Deze was bij een oproer zwaar gewond, Charles had hem niet willen verlaten en was tegelijk met hem gevangen genomen."

"Gevangen?" vroeg Pedro.

"Door wien?" klonk het kortaf van Miguels lippen.

Ned luisterde in groote spanning.

"Door zijn vroegeren chef," zeide de "Blonde." "Hij noemde zoo'n komieken naam."

"Sprak hij soms van "De Groote Hand?""

"Neen... maar... "Korte Hand" noemde hij hem."

Pedro en Miguel zagen elkaar veelbeteekenend aan.

"De roovers hielden den Lord in een grot verborgen, lieten hem door Charles verplegen en beiden streng bewaken. Na de genezing van Lord Westfield....."

"Genezing!" riep Ned.

"Heilige Jonkvrouw," mompelde Miguel.

"Ja; na de genezing--vertelde de "Blonde", waren beiden naar het Zuiden gebracht en wilden de roovers den Brit tegen een hoogen losprijs zijn vrijheid hergeven. Er kwam echter niets van, want vóór de boot met een brief van den Engelschman aan den consul te Buenos Aïres vertrokken was, werden de roovers door de Indianen overvallen en meerendeels gedood--ik meen, dat ook de chef vermoord is--en de overigen waaronder ook Lord Westfield en Charles naar Patagonië gevoerd. Na vele jaren van ellende was het den "Blonde" gelukt den Roodhuiden te ontvluchten. Op het eerste schip, dat naar Europa vertrok had hij zich verhuurd en was naar Plymouth gekomen om de familie van den Brit op te zoeken. Hier geraakte hij in twist met een zekeren José, werd door dezen gedood en nam de berichten mede in het graf."

"Hoe weet je, Bob, dat die Lord mijn vader is?"

"Ik weet het niet, maar ik hoop het. Dan heb ik u werkelijk een dienst bewezen. Gij moet zelf weten of die Lord Westfield uw vader kan zijn. Een man in mijn toestand grijpt elke gelegenheid aan om zijn lot te verbeteren. Zoo beproefde ik het met deze mededeeling, en uw aller gelaat getuigt, dat ze van groot gewicht is."

"Miguel.... Pedro.... Wat zegt gij er van?" vroeg Ned ontroerd.

"Het verhaal is niet onwaarschijnlijk," meende Pedro. "Alles kan waar zijn."

"Welk een merkwaardige aaneenschakeling," zeide Miguel. "Ik twijfel niet."

"Groote God! Zou mijn vader, mijn arme oude vader nog leven!"

"Dan bevrijden wij hem, beste vriend," riep Ballière, Ned in zijn armen sluitende. "Met hart en ziel ben ik aan u verbonden. De "Mariëtta" zal ons naar Argentinië brengen."

"Waar Pedro en ik u wel het best den weg zullen kunnen wijzen "Amigo mio,"" sprak Miguel. "Neem ons mede. Trots onzen leeftijd zijn we nog vol levenslust, nog heeft onze arm zijn kracht behouden. En wie kent beter dan wij de eigenaardigheden van dat land?"

"Vrienden, beste vrienden! Ten mijnen bate zou ik uw aanbod niet willen aannemen, niet wagen, u, in den herfst uws levens zulk een zware, moeilijke taak op te leggen, maar ter wille van mijn vader mag ik uw hulp, uwe onschatbare diensten niet weigeren. Geve God dat ons voornemen gelukt en wij den ongelukkigen gevangene levend weervinden."

"Sta mij toe nog een paar woorden met Bob te spreken. Je noemde een zekeren José den moordenaar van den blonden Charles. Hoe zag die José er uit?"

"Groote, krachtige gestalte..... afgeleefd gezicht..... woeste kerel. Zwart haar en een donkeren baard, een moedervlekje boven het linkeroog, en als ik me goed herinner, de linker hand door litteekens misvormd."

"Zou dan niets goeds meer schuilen in deze natuur?" sprak Miguel ernstig. "Weet je nog wat meer van hem, Bob?"

"Ik ontmoette hem nog te Londen voor ik met de "Magada" vertrok. Hij was van plan naar Rio te gaan. Ik kon hem de politie niet op den hals jagen, daar ik zelf..... gij weet het reeds."

"Hoe gaarne ik ook onmiddellijk met u naar Zuid-Amerika zou varen, Mylord, zoo mogen wij onzen plicht tegenover de schipbreukelingen niet verzuimen," merkte Ballière aan.

"Wij moeten spoedig handelen," zeide Ned. "Als gij heden nog de gevangenen naar Diego Garcia brengt en zoo spoedig mogelijk terugkomt...... En het daar gestationeerd schip verzoekt mede te gaan om het meerendeel der passagiers naar Ceylon te brengen, dan zeilen wij naar Mauritius, zenden aan de achtergeblevenen de gouvernementsschoener, en dan.... naar Patagonië!"

"Dat zal de beste weg zijn," verklaarde de overste. "Manschappen voor onzen tocht naar de Roodhuiden vinden wij te Carmen de Patagones."

"Met uw verlof, heeren," waagde Bob zich in het gesprek te mengen, "met uw verlof..... ik ben, zij het buiten mijn toedoen, de overbrenger geweest van gunstige berichten. Had ik niet aan u gedacht, Mylord, en om een onderhoud gevraagd, dan zou ik gestorven zijn, zonder dat een tijding omtrent uw vader tot u was doorgedrongen. Men zegt: Gods wegen zijn wonderbaar. Stel vertrouwen in mij en laat mij voor de misdaden uit mijn verleden op een beter wijze boeten dan door een roemloozen dood, waarbij niemand nut heeft. Laat mij den tocht tegen de Indianen meemaken, en gij zult geen trouwer, roekeloozer strijder hebben dan ik. Is alles voorbij en ik leef nog..... wel, geef me dan aan het gerecht over."

"Ik wil gaarne Bobs voorspraak zijn," zeide Pedro. "Misschien gelukt het hem, door een nieuw leven, het oude, misdadige te verzoenen. Voor zijn berouw sta ik borg. Wel is waar zijn avonturen, moeielijkheden en strijd zijn levenselementen..... en hier biedt zich de gelegenheid aan zijn wild temperament bot te vieren. Denkt aan..... den rooversleerling van Rio-Negro."

"Pedro, Pedro!" schertste Miguel, dreigend zijn vinger opheffend. "Je waart zijn ergste tegenstander.... waarom die plotselinge verandering?"

"Wat zullen wij, met de overige gevangenen doen, die minder schuldig zijn dan Bob?" vroeg Ned.

"Mag ik spreken?" verzocht Bob onderdanig.

De vrienden knikten toestemmend.

"Laat dan ook voor hen genade voor recht gelden. Geef hun gereedschappen, wapens en ammunitie van de "Magada", wat planken, ijzerwaren, koorn en zaadsoorten en laat hen op dit eiland een nederzetting vestigen. Breng mij aan boord van de brik en laat me verdwijnen.... daarvoor danken allen u! Zeg hun dat hun namen en personen aan alle havens bekend zijn gemaakt en ze worden opgehangen als ze zich buiten den Tschagos-archipel durven wagen. En wat mij betreft... zeg hun als 't niet anders kan, dat ik te Diego Garcia moet... bungelen!"

OP OUDE PADEN.

Naar Patagonië voert nog eenmaal onze weg en wel naar die streken, welke wij reeds in gezelschap van Lord Westfield en de vier dappere broeders Carril hebben bezocht.

Tien jaar zijn voorbijgegaan en weer bevinden wij ons te Carmen de Patagones.

In een der voornaamste pulperia's [15] van deze welvarende stad waren vreemdelingen afgestapt. De pulpero, nog maar sinds korten tijd in de kolonie gevestigd, kende niet een zijner gasten. Zij waren op een kustboot van Buenos Aïres hierheen gekomen en schenen noch jagers, noch handelaars of veefokkers te zijn. Hun eenvoudige doelmatige kleeding en hun groote voorraad goede wapens getuigden van hun voornemen om dieper het land in te dringen.

Hoewel de Manzaneros of Penk--zooals zij zelf zich noemen--een druk verkeer met de kolonie onderhielden en de Tehuelches na den dood van Metipan op vriendschappelijken voet met de inwoners verkeerden, duldde geen van beiden tot heden een nederzetting der Blanken op zijn gebied. De herbergier, nieuwsgierig van aard, had reeds herhaalde malen beproefd een der vreemdelingen, die hem de bediende toescheen, uit te hooren. Deze had hem de onmogelijkste dingen voorgelogen, onder meer dat zij van den vulkaan Callagin de maan wilden bestijgen, juist op het oogenblik dat zij den berg zou voorbijgaan.

Aan de groote eenvoudige tafel in de gelagkamer, die tevens dienst deed als rook-, lees-, muziek- en eetzaal, zaten twee dier vreemdelingen zwijgend bij elkaar.

"Neem me niet kwalijk, Don Cornelio," verbrak een hunner het stilzwijgen, "wanneer gij zonder hulp, geheel alleen den draad in handen wilt krijgen, zult gij nooit uw doel bereiken."

De aangesprokene, een knappe man van omstreeks veertig jaar, met zwart krulhaar en een donkeren baard, zuchtte diep en haalde de schouders op.

"Ik zeide u reeds, Señor, dat ik een dertig jaar in dit land heb doorgebracht," vervolgde de ander. "Hebt gij hulp noodig, Don Alevira, dan kunt gij over mij beschikken. Tijd te verliezen is er echter niet, want zoodra onze toebereidselen voor den tocht gemaakt zijn, gaan wij op reis en dat kan reeds morgen gebeuren."

"Al zoo gauw? Al mijn nasporingen--ik moet het toegeven--zijn tot heden vruchteloos geweest. Uw vriendelijke tegemoetkoming, Señor, verdient een beter onthaal dan de geheimzinnigheid waar achter ik mij verschuil. En toch, God weet het, het doel waarnaar ik streef, behoeft het daglicht niet te schuwen, al wacht ik ook van de openbaarmaking geen gunstige gevolgen."

"Gij zult ten slotte nog denken, Don Cornelio, dat ik nieuwsgierig ben als een oude vrouw. Daarom stel ik er prijs op u te verzekeren, dat alleen belangstelling in uw persoon mij bewoog u mijn hulp aan bieden."

"Luister dan, kolonel. Mijn familie, tot een aanzienlijk Spaansch geslacht behoorend, telde eenmaal een groot aantal verwanten; met mijn vader echter dreigde het geslacht Alevira uit te sterven. Mijn broeder Fabiano, jaren lang de eenige stamhouder, leidde een schandelijk, leven. Hij en zijn lustige makkers brachten hun dagen door met drinken en spelen. Aan goeden raad, vermaningen en berispingen heeft het hem niet ontbroken, heftige scènes vielen dikwijls voor. Op zekeren dag, ik was nauwelijks één maand oud, ging de kruik te barsten. Fabiano, de trots, de lieveling van mijn vader, had schande en oneer over ons huis gebracht.--Spaar mij de bijzonderheden. Den diepen ernst waarmede onze vader hem zijn vergrijp onder het oog bracht, ontlokte mijn broer een spotlach. Mijn vader, verontwaardigd, beleedigd tot in het diepst van zijn ziel dreigde zijn zoon te zullen onterven en wees hem ten slotte de deur; Fabiano buiten zichzelf van woede, vergreep zich aan den man, wien hij het leven dankte. Met moeite gelukte het hem zich uit de handen van den razende te bevrijden; deze echter vloog met een dolk gewapend op nieuw op hem af. In een oogenblik van vertwijfeling trok mijn vader een degen van den wand en zich verdedigend, sloeg hij Fabiano de vingers van de linkerhand.

Beladen met den vloek zijns vaders ontvluchtte mijn broer het slot, dat hij nimmer weer zou betreden. Langzamerhand bedaarde de toorn van mijn vaderen geloovend, dat de strijd des levens zijn zoon tot een beter mensch zou hebben gemaakt, gaf hij gehoor aan de smeekbeden mijner moeder om Fabiano vergiffenis te schenken. Onze nasporingen bleven langen tijd vruchteloos; eindelijk vernamen wij, dat mijn broer destijds naar Zuid-Amerika was gegaan. Mijn vader besloot zijn spoor te volgen; hij regelde zijn zaken, nam afscheid van ons en.... wij zagen hem nooit weer. Wel ontvingen wij verscheidene malen bericht uit Rio, uit de kolonie Santa Katharina, de Jezuïeten-missies aan de Parana en ten slotte uit Buenos Aïres. Mijn moeder was intusschen gestorven en ik ter voltooiing mijner opvoeding in een klooster geplaatst. Na geruimen tijd niets van mijn vader vernomen te hebben, deelde de superieur me mede, dat ik hem nooit zou weerzien; hij had de wereld vaarwel gezegd, zijn schatten en bezittingen aan mij nagelaten en zich in een klooster teruggetrokken. Ik werd soldaat en nam deel aan den oorlog tegen de Franschen; na het sluiten van den vrede besloot ik een onderzoek in te stellen naar het lot mijner naaste bloedverwanten. Ik wist niet of het mijn vader gelukt was Fabiano weer te vinden, en evenmin waar en in welk klooster hij zelf zich bevond.

"Laat mij voor de wereld verdwenen zijn, was zijn laatste bede in zijn laatsten brief."

"En weet gij niets omtrent het verblijf der uwen, Don Cornelio?"

"Na veel zoeken, na veel heen een weer reizen ben ik eindelijk hierheen getrokken. De hoop mijn vader weer te zien is lang vervlogen, maar de wensch drijft me voort om zijn graf te bezoeken en zoo mogelijk eenige bijzonderheden omtrent zijn laatste levensdagen te weten te komen."

"En hier te Carmen denkt gij de noodige inlichtingen te ontvangen?"

"Ja. Mijn vader is een menschenleeftijd geleden hierheen gegaan. Dat vertelde mij te Buenos Aïres een pater, die destijds nog een jonge man, hem gekend en veel van hem geleerd had. Gij moet weten, kolonel, dat mijn vader zich veel bezighield met wetenschappelijke studiën."

"Hum.... hum.... toch niet onmogelijk," prevelde de kolonel, die niemand anders was dan Miguel Carril. "En zijt gij gedurende den tijd van uw verblijf te Carmen," vervolgde hij hardop, "geen stap nader tot uw doel geraakt?"

"Niemand kan mij voldoende inlichtingen geven. Zelfs de oudste inwoners van het stadje kunnen zich niet herinneren, dat hier ooit een klooster is geweest."

"Dat kunnen zij ook niet."

"Enkelen meenden dat het station van de paters Jezuïeten, destijds aan de Rio Negro gevestigd, bedoeld kon zijn, maar deze hadden geen klooster en komen dus niet in aanmerking."

"En toch, als mijn voorgevoel me niet bedriegt, is de onderstelling volkomen juist. Don Cornelio, mij bekruipen wonderlijke gedachten. Zou ik daarom mijn vriend Ballière naar St. Helena, onzen dapperen luitenant naar Carmen vergezeld hebben om u den weg te kunnen wijzen in dezen doolhof?"

"Als gij werkelijk meent iets van mijn vader te weten, dan Señor, ik bezweer u....."

"Beantwoord me twee vragen, Don Cornelio. Hoe was de doopnaam van uw vader?"

"Antonio."

"Antonio," herhaalde Miguel, teleurgesteld het hoofd schuddend.

"Ja, Antonio, maar als geestelijke koos hij, zooals gebruikelijk is, een anderen naam. De monnik te Buenos Aïres noemde hem pater Francisco."

"Ah!--En welke berichten hebt gij omtrent uw broeder ingewonnen?"

"De vriendelijke pater vertelde mij, dat mijn vader eindelijk den ongelukkige gevonden had, maar als..... een verworpeling. Te vergeefs had hij getracht met zachtheid en ernst Fabiano op het pad der deugd terug te brengen. Mijn broeder had zelfs den treurigen moed te beweren, dat hij door mijns vaders schuld zoo jammerlijk te gronde was gegaan en toen de oude man niet ophield met bidden en smeeken, liet hij hem ten slotte op een geweldadige manier verwijderen. Dit alles moet echter in de Zuidelijke pampa's zijn voorgevallen."

"Zoo is het inderdaad," bevestigde Carril, diep bewogen. "Geen wonder, Don Cornelio, dat zelfs de oudste menschen zich niets meer van dien toestand herinneren. Niet een mijner kennissen heb ik kunnen weervinden. De geheele physionomie van het stadje is een andere--ik zeg niet: een betere--geworden. Tengevolge der onlusten en der politieke stroomingen hebben de toenmalige inwoners het plaatsje verlaten en nieuwe zijn in hun plaats gekomen; en toch is het niet meer dan tien jaar geleden, dat ik de Rio Negro den rug toekeerde. Hoe zou het dan mogelijk zijn iemand te ontmoeten, die de paters gekend heeft? De vrome vaders stierven op den zelfden dag dat hun station in rook en vlammen opging."

"Ontzettend," mompelde Alevira.

"Maar ik, Don Cornelio, ik heb pater Francisco gekend."

"Gij, Don Miguel! Hoe is dat mogelijk?"

"Hij was de vriend van mijn arme ouders, de onderwijzer van mijn broeders en van mij, de onderwijzer, die wij vereerden en liefhadden. Al wat ik weet, heb ik hem te danken. Hij was een geleerd man; geschiedenis en natuurwetenschappen behoorden tot zijn lievelingsstudies."

"Ik zat nog op zijn knie toen hij mij van allerlei vertelde! Maar verder.... verder."

"Onze nederzetting stond dicht aan den oever van de Rio; eenige mijlen stroom opwaarts lag het zendingsstation der paters-Jezuïeten. Op een en denzelfden dag werden beide nederzettingen door de Indianen overvallen en verwoest, de bewoners vermoord. Wij vier broeders, waren naar de markt te Carmen; ook mijn jonge zuster bleef in leven, maar werd als gevangene medegenomen. Het is een merkwaardig feit, dat de Blanken, de roovers der pampa, de Indianen te hulp geroepen en zich met hen verbonden hadden om dezen moord te plegen. Hun geweten blijft bezwaard met den dood hunner geloofs- en rasgenooten. Uw broeder, bijgenaamd "De Korte Hand," was de aanvoerder dier pamparoovers en bij de vernieling van onze nederzetting en de missie der paters werd ook uw vader verslagen."

"Ontzettend, afschuwelijk!" stamelde Cornelio doodsbleek. "Don Miguel, kolonel, zeg, dat gij u vergist hebt. Het kan--het kan immers geen waarheid zijn!"

"Wèl ontzettend! Ik zie ze nog; de lijken van mijn ouders, dat mijner zuster, de rookende puinhoopen, de vernietiging van onze welvaart.... den armen pater Francisco, het hoofd met een diepe wond, de lange sneeuwwitte baard gekleurd door bloed."

"Vreeselijk, vreeselijk! Op menig bloedig slagveld heb ik den dood in de oogen gezien, maar dit drama, deze tragedie in mijn eigen familie, overweldigt me geheel."

"Wij, broeders, hebben de lijken onzer verwanten begraven en ook dat van den geliefden pater Francisco. Uit zijn verstijfde rechter hand nam ik een klein gouden medaillon met een kinderportret, dat ik als een aandenken aan mijn vaderlijken vriend steeds bij me draag. Hier is het."

Met trillende vingers opende Don Cornelio het medaillon en wierp snel een blik op het portret.

"Het is mijn beeltenis als kleine jongen; mijn vader nam haar mede toen hij naar deze gewesten trok om Fabiano te zoeken. O, don Miguel, hoeveel heb ik met den dood van pater Francisco verloren!"

Beiden, in sombere gedachten verzonken, bewaarden een diep stilzwijgen. De herbergier, die weinig van het gesprek begrepen had, was ten hoogste verbaasd dat de glaasjes nog ongeledigd voor zijn gasten stonden en hun sigaren waren uitgegaan.

"Povere klanten, die," schimpte hij zachtjes, "zij zullen me niet rijk maken! Wel, wie is dat?" vervolgde hij luid, naar het venster gaande. "Echte spitsboeven, alle drie! Den middelste heb ik nog nooit gezien, zeker pas aangekomen!"

Miguel hief het hoofd op en zag naar buiten.

"Zeg, Gomez, ken je den zeeman, die met de beide caballeros langs de straat slentert?"

"Ik heb hem nog nooit gezien. De beide anderen hebben ergens een estancia en komen dikwijls hier."

"Waar zou ik ze kunnen spreken, zonder......"

"Ze komen straks hier, al gaan ze ook nu naar mijn concurrent. Hij kan hen toch geen Agua Ardiënta schenken."

"Kan ik daarop vertrouwen?"

"Wacht nog eenigen tijd Señor, en drink intusschen een glaasje jenever."

"Miguel begreep de bedoeling van den slimmen pulpero en liet zich nog een glaasje brengen. Op eenigen afstand van het venster staande, hield hij den blik gevestigd op de deur der schuins tegenover liggende pulperio.

"Gij kent dus de plaats, waar mijn arme vader rust, Don Carril?" begon Alevira opnieuw het gesprek.

"Zooals ik u zeide, is ze mij dierbaar als de rustplaats mijner ouders."

"Zoudt gij me haar kunnen beschrijven, zoodat ik haar bezoeken kan?"

"Binnen eenige dagen, Don Cornelio, hoop ik op het graf mijner ouders te kunnen bidden. Onze tocht voert ons naar gindsche streek en ik noodig u uit, u bij ons aan te sluiten."

"Gaarne, zeer gaarne! Hartelijk dank voor uw aanbod. Nog een bede, Señor, zeg mij wat er van Fabiano is geworden?"

"Een rooverhoofdman. Hij verdient niet het minste medelijden, en nu, jaren na zijn dood, is hij nog de oorzaak dat wij ons aan ernstige gevaren moeten blootstellen. Hij stierf door de hand van Lupan, een Toki der Molutches, dien hij meermalen had bedrogen. Bij die gelegenheid ontroofde Lupan hem een blanken gevangene, die zwaar gewond en volkomen hulpeloos aan hun genade was overgeleverd en voor wiens invrijheidstelling hij een hoogen losprijs vorderde. De gevangene, die zooals wij hopen, nog leeft, is de vader van den jongen Lord met wien gij kennis hebt gemaakt. Hem willen wij, het kostte wat het kost, uit de handen der roodhuiden redden."

"Mijn God, welk een opeenstapeling van zonden! Neem mij mede, Don Carril! Laat mij u helpen. Ik smeek er u om. Geef mij de gelegenheid in eenig opzicht het onrecht goed te maken, dat mijn broeder den Brit heeft aangedaan."

"U wachten last en moeite, Don Cornelio, gevaren en zwaren strijd. Maar gij zijt soldaat en het zou onvergefelijk zijn een zóó geoefende hand, een zoo groote stoutmoedigheid aan de zaak der Westfields te onttrekken. Gaarne wil ik hem uw voorstel mede deelen, tenzij gij er de voorkeur aan geeft, zelf met den Engelschman te spreken."

"Het zou me aangenaam zijn, indien gij den Lord wildet voorbereiden. Mogelijk zou men mij--den broeder van "De Korte Hand"--wantrouwend afwijzen en deze vernedering zou ik gaarne mezelf sparen."

"Stel u gerust. Edward Westfield is te edel van gemoed om u, den onschuldige, aansprakelijk te willen stellen voor de misdaden van uw broeder. Zie, daar komen mijn vrienden aan. En... Ballière en Bob er bij, die pas morgen hier zouden aankomen!"

Eenige minuten later traden de vrienden binnen.

"Welkom in Patagonië, kapitein!" riep Miguel, zonder zijn plaats aan het venster te verlaten.

"Mijn dank, overste! Zeg eens, is het een Patagonische gewoonte, dat men zijn vriend geen schrede tegemoet komt."

"Neen, dat niet, Amigo mio, maar ik sta op schildwacht voor de pulperia, daar ginds."

"Laat zulk werk aan anderen over en drink liever een glas op onze behouden aankomst."

"Bob alleen kent het wild, dat ik op het spoor ben. Zend hem bij mij."

Voor wij onze vrienden op hun tocht tegen de Molutches vergezellen, willen wij eerst verhalen hoe het de schipbreukelingen gegaan is. Zooals wij weten deed Bob, om zichzelf te redden, het voorstel den muiters hun vrijheid weer te geven, onder voorwaarde, dat zij hun leven op het eiland zouden slijten. De Mariëtta voer weg, met Bob aan boord, om hem, de aanvoerder der muiters, zooals de passagiers werd medegedeeld, te Diego Garcia aan de autoriteiten over te leveren. Eenige dagen later keerde de brik terug en meldde de komst van een koopvaarder en van het schip te Garcia gestationneerd. Deze beide vaartuigen brachten dan ook de schipbreukelingen veilig naar Indië.

Het afscheid tusschen Tom, Ned en mijnheer Hyde was zeer hartelijk. Nabob Cook uitte zijn diep leedwezen te moeten scheiden van Westfield, die hem en zijn dochter het leven had gered. Ook juffrouw Cook nam deze gelegenheid waar om nogmaals haar dank te betuigen.

"Nog twee jaar moet ik dienen," zeide de rechter, "en dan is het doel bereikt, dat ik mezelf heb gesteld. Mooi.....ja, prachtig is Indië, maar naar oud-Engeland trekt mijn hart. Over twee jaar ben ik te Londen en hoop, Mylord, u dikwijls bij me te zien."

Den gevangenen, ook Frog, werd nog eenmaal de keus gelaten tusschen verschijnen. voor het gerecht of terugblijven op het eiland. Ze kozen natuurlijk het laatste.

De schepen zetten koers naar Noord en West, en na menigen afscheidsgroet verloren de scheidenden elkaar uit het gezicht.