Avonturen aan gene zijde van den Evenaar

Part 11

Chapter 113,915 wordsPublic domain

"Stilte, jongens! Bill ligt gebonden aan boord en sterft als de piraten niet binnen twee uur bericht hebben, dat wij hun voorstel om samen te deelen, aannemen. Er schijnen groote sommen aan boord te zijn," vervolgde de slimme Pedro, "kostbaarheden van veel waarde; de kapitein zeide dat twee van onze manschappen dicht bij Londen diamanten gestolen hebben. En om die steenen is het de roovers te doen; niet één willen zij aan ons afstaan."

"Wie onzer zou dat zijn?"

"Onze Jim," klonk rustig Pedro's antwoord.

"Wie waagt het mij te verdenken?"

"Ik herhaal wat de piraat gezegd heeft. De andere heeft hij ook genoemd, maar dat kan ik niet gelooven. Heel ons kamp is aan de landzijde omsingeld en aan den zeekant geblokkeerd."

"Wat?..... Is dat waar?..... Onmogelijk!"

"Ga naar de bron of naar het strand en overtuig je. Maar pas op, dat je niet vijf duim staal tusschen je ribben krijgt! De schelmen zonden mij eerst hierheen, toen zij al lang aan wal waren. Je hebt allen geslapen als marmotten. Zoo waar als ik hier sta..... vier booten vol. De bemanning van een drietal is aan land, die der vierde verdeelde zich over de leege booten. Zelfs kanonnen hebben ze op hun sloepen."

"Wat zullen wij doen?"

"Er blijft geen keus. Geven we niet toe, dan is alles verloren, en de helft zal toch altijd de moeite waard zijn. Wij staan weerloos tegen de overmacht."

Toen begonnen de beraadslagingen; het meerendeel der muiters stemde voor "aannemen", maar Jim, woedend dat al zijn plannen mislukten, voorkwam dat er een besluit genomen werd. De diamanten zaten hem "dwars in de maag", en Pedro's bewering, dat hij--Jim--het eerst gehangen zou worden, maakte weinig indruk. Er kwam geen einde aan het wikken en wegen tot de Franschman, op een wenk van Pedro, in verstaanbaar Engelsch zeide:

"Maak wat haast, jongens. Over vijf minuten ga ik heen en bericht den oude, dat je geen vrede met het voorstel neemt."

"Houden wij dien kerel als gijzelaar voor Bill," gelastte Jim.

"Bill sterft, als het antwoord niet bij tijds gegeven wordt," beweerde de Franschman, de schouders ophalend. "Geschiedt mij kwaad, vraag aan Pedro wat dàn gebeuren zal."

"Hebt jelui je verstand verloren, jongens," vroeg deze, "dat je den eenigen weg, die ons overblijft, niet wilt inslaan! Verlang je naar den dood, lummels? Vergrijpen wij ons aan dezen man, dan worden wij allen opgeknoopt."

"Neen, mannen!" besliste Jim. "Beter in onze booten gesprongen en stil weggevaren. Wij overvallen den brik der piraten als zij aan land zijn en meenen ons in hun macht te hebben. Het is donker genoeg om het waagstuk uit te voeren."

"Een schitterende gedachte!..... Vooruit!..... Aan het werk!"

"Is het plan naar onze brik te zwemmen?" spotte de Fransche matroos. "De booten liggen buiten in de lagune, onder het bereik van onze kanonnen."

"Het is zóó," bevestigde Pedro. "Wij zijn, aan handen en voeten gebonden, aan de willekeur der zeeroovers overgeleverd."

"Waarom willen zij deelen als ze zoo zeker van hun zaak zijn?" vroeg de slimme Jim.

"Vraag dat aan mijn kapitein!"

"Pikt de eene kraai soms de oogen der andere uit?" vroeg Pedro. "Pots noorderlicht en sterrenhemel, wat heeft het mij moeite gekost de piraten over te halen ons als kameraden te behandelen en jelui, domkoppen, aarzelt nog het voordeel aan te nemen!"

"Wij willen deelen," riepen eenige matrozen.

"Neen," schreeuwde Jim, "wij willen niet. Wat wij hebben, wat ons toebehoort, mag niet verdeeld worden."

"Mannen, het is Jim enkel om de diamanten te doen! Hoe 't met ons afloopt, deert hem niet. Wie mijn meening is toegedaan," vervolgde Pedro een paar schreden op zijde gaand, "voege zich bij mij. Die Jim gelijk geeft, ga naar hem."

Twee muiters bleven hun aanvoerder getrouw.

"Wij kunnen niet besluiten onze eigendommen af te staan, wij....."

"Ieder zal zijn eigendom behouden," viel de Franschman hem in de rede. "Maar Jim moet de diamanten geven."

"Kameraden," nam Pedro op nieuw het woord, "zijn wij een van allen schuldig aan den diefstal der diamanten? Heeft Jim beloofd ze met ons te deelen? Ik denk, dat hijzelf er niet over beschikken kan. De andere heeft de steenen in zijn bezit, en wie weet of Jim niet met leege handen naar huis wordt gestuurd."

"Dood en duivel, Pedro!"

"Wees verstandig, Jim. Ik ken de geheele geschiedenis van Cow....."

"Houd je mond, man! Je hebt gelijk. Bij Neptunus zweer ik er vrede mede te nemen."

"Bravo! De piraat stelde nog de voorwaarde, dat wij geen van allen aan de plundering mogen deelnemen. De geroofde goederen zullen bij elkaar gelegd en voor onze oogen verdeeld worden. Heeft iemand daar iets tegen?"

"Neen, tenminste als de plundering niet geschiedt voor de dag is aangebroken. Wij willen zien of we niet bedrogen worden."

"Zou je kapitein dat goed keuren?" vroeg Pedro, zich tot den Franschman wendend.

"Ja. Het is ook zijn wensch."

Een forsche gestalte in een langen mantel gehuld, den hoed diep in de oogen gedrukt, trad plotseling naar voren. Het was Carril, die onder de palmen staande, de gesprekken had afgeluisterd.

"Hoe staat het er mee?" vroeg hij barsch.

"Alles in orde," zeide de Fransche matroos.

"De kapitein is woedend over de langdurige beraadslagingen. Voorwaarts! Naar dat boschje, vlug, anders worden allen over de kling gejaagd."

"Met uw verlof, luitenant. De kapitein heeft de mannen toegestaan hun bagage uit het kamp te halen."

"Vooruit dan! en voorzichtig! Wie leven maakt, worden de hersens ingeslagen."

Als katten zoo stil liepen de mannen weg. Jim sloop in een tent, waarin drie mannen sliepen. Hij boog zich over een hunner en maakte behoedzaam zijn kleeren los. Plotseling voelde hij een pistool tegen zijn voorhoofd en sarrend klonk het:

"Misgerekend, oude vos! Laat de dokter slapen en mij ook."

"Dood en duivel!" bromde Jim. "Geef mijn helft of 't loopt niet goed af."

"Bah! Beweeg je niet, vriendje, anders schiet ik. Ik ontvang alleen bij dag bezoek. Onthoud dat! Marsch, vooruit!"

Jim gehoorzaamde tandenknarsend.

Pedro en de matroos van de "Mariëtta" stonden naast Miguel toen één voor één de muiters terugkwamen. Toen allen, ook Jim, present waren, zeide Miguel: "Ga rustig slapen, jongens. De kapitein verpandt zijn woord, dat hij niet voor het aanbreken van den dag zal laten plunderen. Dus... geen wantrouwen! Wie morgen helpen wil, kan zijn diensten aanbieden. Geen speld mag ons ontgaan, wij krijgen toch maar de helft."

Zonder meer woorden ging hij zijns weegs, gevolgd door den Franschman.

Zoodra een luid gesnork verried, dat de matrozen in slaap waren gevallen, sloop Pedro naar het kamp waar een doodsche stilte heerschte.

Tom, Hyde en James waakten om beurten. Daar verscheen plotseling Pedro voor hun oogen, vertelde hen den stand van zaken en de terugkomst van Lord Westfield.

"Hoe ter wereld is Lord Westfield hierheen kunnen komen?" vroeg mijnheer Hyde.

"Het is een lange geschiedenis, die in korten tijd werd afgespeeld. Ik weet het zelf nog niet precies; er is sprake van St. Helena, Napoleon, gevangenneming en dergelijke. Mijn jonge meester ligt bij de bron te slapen. De kapitein van de brik zal zoo aanstonds hier zijn, en zoodra de dag aanbreekt, worden de kerels gebonden."

Een lang gerekt hoorngeschal kondigde den passagiers zoowel als den manschappen aan, dat de zonneschijf in stralende pracht aan de kim verrees. Sprakeloos van verbazing zagen de tochtgenooten elkaar aan. Frog durfde zijn oogen niet vertrouwen, toen hij, zijn tent verlatend, een aantal booten in de lagune zag liggen, en daarbij twee die geschut voerden. Zijn commando: "all hands on deck!" werd enkel door de goedgezinde matrozen gehoorzaamd. Op hetzelfde oogenblik klonk onder de palmen een woest getier en werden eenige schoten gelost.

"Wat moet dat alles beduiden?" vroeg Frog.

"Wat is er gaande?... Wat is er gebeurd?... Wij zijn overvallen!" riepen de passagiers.

Duizend vragen tegelijk werden aan Frog gedaan zonder dat hij in staat was er één te beantwoorden. Toen trad Pedro naar voren, gevolgd door Tom en mijnheer Hyde.

"Sinjeur Frog," zeide hij op minachtende toon.

"De duivel is je sinjeur," viel de stuurman-kapitein hem woedend in de rede. "Hoe durf je het wagen je meerdere op die wijze toe te spreken?"

"Sinjeur Frog," luidde het antwoord, "kapitein Harryson heeft mij en James Wolker maar tot Kaapstad gehuurd. Gij zijt dus mijn patroon niet meer. Gij wilt weten wat dit alles beduidt? De tijd van afrekenen is aangebroken."

"Sinjeur Frog," nam James het woord, "gij hangt den kapitein uit en weet niet eens dat de bemanning oproerig is! Weet niet eens, dat de muiters plan hebben vannacht de passagiers te plunderen. Gij zijt een mooie kapitein."

De passagiers uitten een kreet van ontzetting en drongen zich om Hunter en zijn vriend.

"Sinjeur Frog," zeide mijnheer Hyde, "het zal mij een groot genoegen zijn te Calcutta uw verdiensten in het ware licht te stellen."

"Sinjeur Frog," mengde Tom zich nu ook in het gesprek, "ik onttrek kapitein Harryson aan uw vriendelijke zorgen, en..."

"Vaart allen ter helle!" schreeuwde Frog. "Wie anders dan ik heeft hier te bevelen?"

Snel ging hij in zijn tent en haast onmiddellijk weerkeerend, had hij zijn degen vastgegespt en een gordel omgeknoopt, waarin twee pistolen gestoken waren. Intusschen had Carril, vergezeld door zes man, voor de tent postgevat. Ballière was op eenigen afstand gevolgd.

"Zijt gij stuurman Frog?" vroeg Carril kalm.

"Zeker! Wat wilt gij van mij?"

"Wees zoo goed mij te vergezellen. Wij waren zoo gelukkig uw oproerige manschappen onschadelijk te maken. De schurken zijn geboeid."

"Ik begrijp u niet. En wat beduidt die bedekking van zes man?"

"Dat is mijn geleide. Twee man moeten hier blijven en uw tent aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen."

"Mijnheer! Welke rechten kunt gij hier doen gelden?"

"De toestand waarin uw schip zich bevindt, en het oproer onder uw matrozen uitgebroken, verleenen ons het recht tot handelen. Kapitein Ballière zal er voor waken, dat u niets ontnomen wordt. Wees dus zoo goed mij te volgen om over het lot van uw oproerige manschappen te beslissen."

De hoogmoedige stuurman weerstreefde niet langer; al de aanwezigen sloten zich bij hem aan. De muiters stonden bij elkaar, allen geboeid, eenigen gewond.

"Waarom heeft men je geboeid, jongens?" vroeg Frog.

Er volgde geen antwoord.

"Deze schurken wilden in den afgeloopen nacht de hulpelooze schipbreukelingen berooven, met de booten wegvaren en de bestolenen aan hun lot overlaten," zeide Miguel, de doodelijke stilte verbrekend.

Een uitroep van schrik en toorn volgde op deze verklaring.

"Hoe durft gij mijn manschappen van zulk een voornemen beschuldigen?" vroeg Frog verontwaardigd.

"Het is de volle waarheid. Pedro, kom naar voren en zeg den man, dat ik het scheepsvolk niet lichtvaardig beschuldig."

"Sinjeur Frog," sprak Pedro, "overste Carril heeft nog nooit gelogen. De gevangenen zijn schurken, en God weet hoeveel moeite het mij kostte hen door list en overreding zoo lang van hun misdadige plannen af te houden tot wij hen onschadelijk konden maken. Zij hielden mij voor hun bondgenoot en hebben me niets verzwegen. Reeds aan de Cameroenmonding wilden zij hun voornemen ten uitvoer brengen. Dank zij de krankzinnige daad van onzen ongelukkigen kapitein was ik, geholpen door den "missionaris" en den "klerk" instaat het begaan van den schurkenstreek te doen uitstellen. In den voorlaatsten nacht heeft Jim Mutten het schip laten stranden met het doel den diefstal te kunnen plegen."

Een verward gemompel en uitingen van verontwaardiging, woede en ontsteltenis van de zijde der reisgenooten braken Pedro's woorden nogmaals af.

"Weer gelukte het mij," vervolgde Pedro, "de plundering te voorkomen; ware dat niet het geval geweest, dan zaten de passagiers nog op het wrak, zonder boot en zonder hulp. In de afgeloopen nacht zou het onweer losbreken. Ik had reeds eenige keeren gewaarschuwd..."

"Dat kan ik bevestigen," zeide mijnheer Hyde.

"Ik ook... en ik...," voegden Tom Hunter en James er bij.

"Het was je plicht geweest mij met hun plannen in kennis te stellen," zeide Frog. "Waarom heb je dat niet gedaan?"

"Omdat òf de schurken alles ontkend zouden hebben ... òf gij in uw hoogmoed en in 't geloof aan uw eigen onfeilbaarheid, ze toch in bescherming zoudt hebben genomen."

"Brutale kerel!"

"Maar een eerlijk man! Ik ben nog niet ten einde met mijne beschuldigingen. Zeer zeker zoudt gij de muiters de hand boven het hoofd hebben gehouden, want Jim is hun aanvoerder."

"Hoe bedoel je dat?"

"Hoe ik dat meen, weet gij zelf het best. Denk aan Londen en zijn omgeving.... maar daarop kom ik later terug."

Ballière kwam naderbij. Ned, die goed vermomd tusschen de aanwezigen stond, een bezorgden blik toewerpend, zeide hij:

"Wij hebben niets gevonden!"

"Wie heeft het durven wagen, mijn tent te doorzoeken? Dat is een vreeselijke beleediging," schreeuwde Frog woedend.

"Dat komt later," antwoordde Carril uit de hoogte. "Naar ik verneem, bevindt zich onder de reizigers een rechter."

"Dat ben ik: Sir Robert Cook."

"Wees zoo goed ons mede te deelen welke straf muiters en zeeroovers wacht? En welke de matrozen, die het hun toevertrouwde schip laten stranden met het voornemen de passagiers te berooven?"

"De dood..... de dood door den strop," luidde het op plechtigen toon gegeven antwoord.

Aller oogen wendden zich naar de misdadigers. Velen hunner verbleekten; een jong lichtmatroosje brak in snikken uit, Jim beet op zijn onderlip om zijn ontroering te verbergen, die trouwens niet van langen duur was. Zijn gezicht tot een grijnslach vertrekkend, zeide hij brutaal:

"Die wil, mag zich aan dat vonnis onderwerpen. Ik bedank."

"Met zulk gespuis maakt men niet veel omslag," klonk het hoonend uit Frogs mond. "Jelui schelmen, hebt me diep beleedigd en aan allerlei gevaren blootgesteld. De rechtsbevoegdheid wordt op zee uitgeoefend door den kapitein of zijn plaatsbekleeder. Dat ben ik in dit geval. Ik bekrachtig het vonnis: Jim zal het eerst worden gehangen."

Een spotlach vlood dezen van de lippen. Ook Pedro lachte luidkeels.

"Dat zou je best te pas komen, vriendje!" riep Jim. "Werkelijk, je bent niet dom, Frogje, oude jongen. Jij alleen zou het voordeel hebben, mijn zeer achtingswaardige compagnon! Jij alleen de gestolen diamanten houden, Gentleman!"

Frog was doodsbleek geworden. Pedro lachte zoo vroolijk alsof er een vermakelijke klucht werd opgevoerd.

"De doodsangst maakt den man waanzinnig, heeren," trachtte de stuurman met vaste stem te zeggen: "Geloof hem niet."

Hij trok een pistool uit zijn gordel en mikte op Jim, maar Miguel sloeg tegen zijn arm en de kogel kwam in de kroon van een palm terecht.

"Wel, vriendje, heb je zoo'n haast mij naar de andere wereld te zenden?" vroeg Jim, sarrend. "Vervloekt onaangenaam voor je, dat ik mijn mond niet wil houden. Ik geloof graag, dat je me wilt opruimen, wie weet treed ik niet tegen je op als kroongetuige!"

"Dat is niet noodig man," zeide Miguel ernstig. "Heeft zijn verbleeken hem al verdacht gemaakt en zijn houding het wantrouwen vermeerderd, nu verraden hem de gestolen pistolen."

"Wat wilt gij daarmee zeggen?" gilde Frog, opnieuw verbleekend.

"Dat het pistool daar in uw hand, Lord Westfield te Cowford is ontstolen; het andere steekt vermoedelijk daar in uw gordel."

"Hoe zoudt gij de pistolen kennen? Zulken vuigen laster kan iedere dwaas iemand naar het hoofd werpen!"

"Uw gemeene taal en laaghartige voornemens karakteriseeren u voldoende," merkte Miguel op. "Kapitein Ballière", vervolgde hij, zich tot dezen wendend. "Gij weet, dat ik mijn pistolen van den ouden Lord Westfield ten geschenke ontving. Wees zoo goed ze met die van den stuurman te vergelijken en vergeet vooral niet het monogram en wapen nauwkeurig te bekijken."

Frog, hevig ontsteld, liet zich het afgeschoten wapen ontnemen, Jim wreef zich vergenoegd in de handen, Pedro floot zachtjes zijn lievelingsdeuntje en de passagiers wachtten zwijgend en nieuwsgierig op de verdere onthullingen.

"Precies hetzelfde wapen, hetzelfde kunstige ciseleerwerk, lijn voor lijn. Monogram en wapen zijn die van Lord Westfield," besliste Ballière.

"Wat bewijst dat?" vroeg Frog. "Ik heb de pistolen kort voor mijn vertrek te Londen gekocht."

"Met uw verlof, mag ik de wapens eens zien?" vroeg James, naar voren tredend. "Het zijn dezelfde, die de stuurman mij te Londen, door Bob Price--die nu Jim Mutten heet--te koop liet aanbieden. Herken je me niet, Bob?"

Hij trok zijn pruik af, gooide zijn buis uit en stond voor den matroos in het pakje dat hij gewoonlijk in zijn winkel te Londen droeg.

"Alle goede geesten! James..... ben jij de Londensche winkelier? Zeker herken ik je. Het heeft me dikwijls gespeten, dat ik destijds zoo onvoorzichtig was."

"In de kroeg aan de oude haven waar je dikwijls met je kameraden komt, vernam ik dat je "Grobian" genoemd werd."

"Ei zoo! Frogje, "Gentleman," hoe gaat het met je?" spotte Jim.

"Wie me kent, weet dat ik geen misdadiger ben," beweerde Frog met nadruk. "Wraakzucht van Jim, anders niet."

"Sinjeur Frog," zeide Pedro, een diepe buiging makend, "ik heb de eer u mede te deelen, dat ik de vrijheid nam aan boord der "Magada" een gesprek af te luisteren. Toen hoorde ik dat Jim of Bob u "Gentleman" noemde. En naar dien "Gentleman" zochten wij juist, wij..... dat wil zeggen: de klerk, de missionaris, James Walker en ik. Jim eischte de helft van den diefstal en dreigde alles te zullen verraden."

"Het is de volle waarheid, Pedro. Frog bezit niet eens de eerlijkheid waaraan roovers zich tegenover elkaar stipt houden. Hij is een dubbele schelm."

Plotseling, als ware hij uit de lucht gevallen, trad Ned in uniform te voorschijn, en met fijnen spot klonk het van zijn lippen:

"Welkom, Lord Falton, wat verheugt het mij u te ontmoeten! Het korte haar, de afgeschoren baard en de veranderde kleeding maken u haast onkenbaar. Ook uw stem klinkt anders. Gij herinnert u mij toch wel? Gij waart te Cowford zoo vriendelijk mij uw steun en aanbeveling toe te zeggen. Op de "Magada" echter liet uw welwillendheid voor mij, de klerk, wel wat te wenschen over. Mogelijk wilt u nu de goedheid hebben mij den weg te wijzen langs welken ik in 't bezit van mijn eigendommen kan geraken? Waar zijn de diamanten?"

Jim schaterde van het lachen.

"Zoek ze zelf," riep Frog, buiten zichzelf van woede en angst.

"Misschien kan uw kamerdienaar mij zeggen, waar gij uw schatten bewaart. Bob, waar kunnen de diamanten zijn?"

"In een leeren taschje, dat Zijn Hoogheid, Lord Falton, aan een koord om den hals draagt, Mylord. Doe mij het genoegen het koord nuttig te gebruiken en er den schelm aan op te hangen."

Op een wenk van Ned grepen eenige matrozen van de "Mariëtta" den stuurman, ontnamen hem zijn wapens en vonden inderdaad op de door Bob aangewezen plaats de diamanten, welke zij aan Ned overhandigden. Frog werd gebonden en evenals zijn manschappen scherp bewaakt.

Ten spoedigste werd naar de "Magada" om levensmiddelen gezonden en terwijl het maal werd gereedgemaakt, bespraken de vrienden met de passagiers den toestand waarin allen zich bevonden. Het was zoo druk aan het strand van dit onbewoonde eiland als daar wel nooit voorkwam.

Kapitein Ballière wreef zich vergenoegd de handen, dat het hem gelukt was zijn vriend Westfield te helpen in het terugvinden van zijn eigendommen. Cook dankte Ned hartelijk voor zijn krachtdadig optreden. Ned, Hunter, Carril en mijnheer Hyde stonden druk pratend bij elkaar, toen een der matrozen van de "Mariëtta", naderbij kwam en meldde, dat de wilde Jim Lord Westfield om een onderhoud liet verzoeken.

De vrienden zagen elkaar verwonderd aan, Ned voldeed echter aan het verzoek en volgde den Franschman.

"Vergeef mij, Mylord, dat ik u lastig val, maar toen ik uw naam hoorde, kwamen oude gebeurtenissen mij in de gedachte. Reeds te Cowford kwam niet alleen uw naam maar ook uw persoon mij bekend voor; op de "Magada" heb ik u niet herkend, maar nu ik u in uniform zie, weet ik dat wij elkaar reeds vroeger ontmoet hebben.... op zee!"

Ned lachte.

"Te Cameroen!" zeide hij. "Nu herken ik je ook."

"Juist! Destijds was ik in dienst van een slavenhandelaar... een Yankee... op de "Liberator"."

"Wel, wel, stonden wij reeds meermalen vijandig tegenover elkaar?"

"Ik begaf mij onder de Dualla en werd toovenaar. Om aan uw nasporingen te ontkomen, had een mijner kameraden mijn huid donkerbruin gebrand, daarna werd ik als neger gevangen genomen en aan een Portugees verkocht om naar de Vereenigde Staten overgebracht te worden. Onderweg door u, Mylord, bevrijd en aan de kust gezet, viel ik in handen van mijn vroegeren kapitein den Yankee, die bij hoog en laag zwoer, dat ik een weggeloopen slaaf was en mij naar Brazilië verkocht. Eindelijk verbleekte mijn donkerbruine huid en kwam ik op een koopvaardijschip terecht."

"En wat wil je nu van mij?"

"Uw voorspraak voor het gerecht. Ik wil, als het moet, met mijn leven boeten voor mijn dwaze streken, maar hangen.... bengelen.... eindigen als een kat... brr!"

"Eén ding kan ik voor je doen... je voordragen als kroongetuige. Tot meer ontbreekt me de macht. De diefstal vergeef ik je, maar als onverbeterlijke deugniet en als kameraad van zoo'n gevaarlijk individu als Frog, moet je, zoo goed als hij de straf ondergaan, die inbrekers te wachten staat."

"De diefstal is niet bewezen. Als wij ontkennen is de zaak uit. Ik weet, dat Frog de wapens en de diamanten in een koffiehuis te Londen heeft gekocht."

"Noodelooze moeite, Bob! De waard van de "Gouden Eekhoorn" bij wien ge op dien bewusten nacht de paarden hebt gestald, heeft al lang alles verraden."

"Nu ja, ik ontken ook niet," zeide Bob schouderophalend. "Was ik maar nooit bij dien slavenhandelaar gekomen! Van dien tijd vervolgt mij het ongeluk en in plaats van in goeden doen te geraken, ga ik jammerlijk ten onder... Als ik nog eens jong was, nog eens mijn leven moest beginnen!"

"Het spijt me, Bob. Ieder moet zijn broodje eten zooals hijzelf het bakt en je bent een groot misdadiger. Wie in koelen bloede een schip met zooveel onschuldige menschen laat stranden, alleen met het doel om te stelen, verdient geen medelijden."

"Ik zette mijn eigen leven toch ook op het spel," poogde Bob zich te verontschuldigen. "Het lot heeft mij zonder genade behandeld, ik kan mij den tijd niet meer herinneren, dat ik mij van ganscher harte over iets verheugde. Te Cameroen en in Brazilië, wat heb ik daar geleden! En de menschelijke rechtvaardigheid .... wat heeft die voor mij gedaan? Aan handen en voeten gebonden mij aan de willekeur van den wreeden Yankee overgeleverd. Door honden voortgejaagd, door de zweep van den opzichter ten bloede geslagen, moest ik blootshoofds werken onder de verzengende stralen der Zuiderzon."

"Geen wonder dat je de menschen hebt leeren haten, maar tegen zulke gevaarlijke vijanden moet men zich toch verdedigen. Ook geloof ik graag, dat je een beter leven zoudt willen beginnen, doch.... het is te laat!"

"Hm.... Mylord.... eigenlijk wilde ik u een dienst bewijzen, om uwentwille verzocht ik om dit onderhoud. Nu merk ik, dat wij mogelijk zaken met elkaar kunnen doen."

"Zaken met elkaar! Wij?"

"Ja.... eerlijke zaken. Wie een kind des doods is, denkt niet meer aan bedrog. Ik verpand mijn rooverseer.... gij zult moeten erkennen, dat ik die althans bezit."

"Ongetwijfeld.... en Frog ontbreekt ze geheel."

"Bij deze bijzondere soort van eer verklaar ik, u gewichtige mededeelingen te kunnen doen. Belooft gij mij als kroongetuige voor te stellen en eerst na afloop van het zeerooversproces, mij wegens den diefstal der diamanten aan te klagen?"

"Ja, kapitein Ballière, die de gevangenen naar Diego Garcia brengt, zal van mij de opdracht krijgen voorloopig Frog alleen aan te klagen."

"Wilt gij mij uw woord er op geven, Mylord?"

"Gij hebt het."

"Neem mijn dank aan, Mylord, al is het maar den dank van een zeeroover. En mijn berichten. Kent gij een man, die zich "Blonde Charles" laat noemen?"

"Ik niet, maar.... Wat weet je van hem?"