Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 10
"Ik vrees het ergste," zeide Hunter tot zijn vriend. "Frog is blijkbaar tegen dezen toestand niet opgewassen en het volk gehoorzaamt niet vlug genoeg."
De planter verzocht hem, zoo de nood steeg, zijn incognito op te offeren en zelf het roer in handen te nemen. Tom haalde de schouders op, maar ging toch, vergezeld van zijn vriend, naar den stuurman. De brik hield blijkbaar een andere koers, hoe Tom ook tuurde er was niets van haar te bespeuren, en zonder licht zou ze bij zoo'n storm niet varen,
"Misschien schipbreuk geleden?" opperde mijnheer Hyde.
"Of zij houdt den goeden koers en wij niet, wat waarschijnlijker is."
"En kunnen wij geen ongelukken krijgen?"
"Ik heb geen kaarten en weet niets van geographische lengte en breedte van dit gedeelte van den oceaan. Zijn wij buiten den koers geraakt, dan bestaat er veel kans op een klip te stooten," luidde het antwoord.
"Een prettig vooruitzicht! De zeeroovers zullen wel knappe zeelui aan boord hebben, dus zijn wij uit den koers....."
Een geweldige golf, het schip omhoog heffend, brak zijn woorden af.
"Neem het roer, Hunter, of 't loopt slecht af."
Tom aarzelde even en liet er beslist op volgen: "Er is niets te doen. De zeilen zijn neer, de man aan het roer heeft een ijzeren vuist..... Frog weet de breedte....."
Op hetzelfde oogenblik schoot de "Magada" als een pijl tusschen twee hooge golven.
"Denk eens, de wilde Jim is stuurman," waarschuwde mijnheer Hyde.
"Hij is beter stuurman dan Frog. Wil hij ons ten verderve voeren, dan....."
Een geweldige stoot deed het schip schudden. Het voorste gedeelte omhoog, de zijkanten door de golven gebeukt, was het op een rif geworpen.
Een kreet van ontzetting klonk uit de kajuit, de ontsteltenis der passagiers was onbeschrijfelijk.
Tom zag met één enkelen blik op Jims gelaat de duivelsche vreugde over het gelukken van zijn werk, toen snelde hij met Hyde naar beneden om te trachten de passagiers, die der vertwijfeling nabij waren tot bedaren te brengen. Het was een verschrikkelijke nacht. Tom en zijn vriend, de dokter en Frog hadden al hun overredingskracht noodig om te voorkomen dat de passagiers in de booten sprongen en zich toevertrouwend aan de golven, een zekeren dood te gemoet gingen. Tegen den morgen ging de wind liggen, de zon verrees stralend in het Oosten en joeg de laatste wolken van den horizon. Toen bleek dat de "Magada" tusschen twee koraalriffen als vastgeschroefd zat; van loskomen was geen sprake; het schip had zijn laatste reis gedaan. Hoewel er geen onmiddellijk gevaar bestond, tenzij de storm opstak en het vernielingswerk voortzette, moest er toch beraadslaagd worden hoe men handelen zou.
Intusschen was het helder dag geworden en had Tom heel veraf in het Noorden een strookje land ontdekt. Deze mededeeling werd met gejuich begroet, ofschoon niemand weten kon of het een bewoond en vruchtbaar eiland was of een verlaten, dor plekje grond. Een deel der matrozen leunde tegen de borstwering, de anderen stonden in een groepje bij elkaar. Jim naderde het clubje, bij wie Pedro zich had aangesloten.
"Wat denk je, Jim?" vroeg een der bondgenoten.
"Precies wat ik zeide. Wij zijn dicht bij de Tschagos-eilanden. Kom mee naar het voordek om onze zaak te bespreken."
"De kast zit als een muur, jongens," begon Jim. "Willen wij de boot nemen en de passagiers vriendelijk vragen ons hun schatten, geld, enz. cadeau te doen?"
"Best!"..... Waarom wachten?..... Niet uitstellen," klonk het door elkaar.
"Halt, kameraden! Bill en Dick, houdt de ezelskoppen, die niet wilden meedoen, op eenigen afstand. Zij behoeven niets te weten. Dus jongens," vervolgde Jim, "zullen wij het masker afwerpen?"
Een "ja" door veel stemmen geuit, was het antwoord.
"Een woordje, jongens," mengde Pedro zich in het gesprek. "Kom wat naderbij, zóó. Luister een oogenblik naar mij. Ik ben geen heethoofd meer en heb reeds veel beleefd."
"Ja, ja! Pedro moet ook zijn meening zeggen."
"Nu clan, op die oude kast kunnen wij niet blijven, wij zoomin als de passagiers. Zonder weerstand bieden zullen zij zich niet overgeven en gebruiken wij geweld, dan gaat mogelijk menig onzer naar den duivel. Zij zijn talrijk en hebben pistolen."
"Niet meer aarzelen! .... Nu is het tijd!..... Het juiste oogenblik!" riepen eenigen, doch anderen zeiden: "Laat hem uitspreken."
"Als gij niet luisteren wilt, laat het dan," zeide Pedro, de schouders ophalend.
"Neen, Pedro zal spreken," besliste Jim. "Hij is voorzichtig en dat kan geen kwaad."
"Ik moest je eigenlijk dien streek alleen laten uitvoeren!" bromde Pedro. "Luister! Uitstellen tot vannacht is mijn raad. Wij allen moeten vandaag nog naar het eiland. De eerste storm--en wie weet hoe gauw die komt--slaat de kast uit elkaar. De passagiers zullen wel oppassen hun stukken van waarde niet aan boord te laten.... Wat gaat stuurman Frog daar doen?" viel hij zichzelf in de rede.
"Bemoei je niet met hem. Spreek maar!"
"Wij zorgen dat de passagiers met al hun koffers aan land komen en als alles daar ginds is, dan.... nu.... dat behoef ik niet te zeggen."
"Dan nemen wij wat ons goed dunkt, laden de booten vol en dan.... vooruit naar Diego Garcia," voegde Jim er bij. "Jongens, zoo zullen wij het doen."
"Alsof de passagiers aan land gewillig zullen afstaan wat ze aan boord met pistolen verdedigen!" spotte een hunner.
"Neen," antwoordde Jim, "maar als zij slapen zijn ze in onze macht."
Frog had de passagiers op de kaart laten zien waar ze zich bevonden en met de grootste vriendelijkheid medegedeeld, dat de groep der Tschagos eilanden een Engelsche bezitting was, die van Mauritius uit geregeerd werd; dat de meeste eilanden niet bewoond waren en het grootste Diego Garcia heette.
Maar wat hielp dat alles?
Mijnheer Hyde had hem geducht de waarheid gezegd en nabob Cook hem nog scherper onderhanden genomen. Frog had getracht met allerlei argumenten de verantwoordelijkheid voor de ramp van zijn schouders te schuiven, maar toen was Tom opgesprongen en had hem kort en bondig, op echte zeemansmanier gezegd, dat hij--Frog--een kwast en een lichtzinnige patroon was; dat de schipbreuk niet zou hebben plaats gehad als de stuurman van de "Magada" zijn plicht had gedaan, en dat het den schijn had alsof men het schip met opzet had laten vastloopen.
Frog was woedend uitgevaren, waarop Tom eenvoudig had geantwoord, dat zijn beschuldiging op goede gronden berustte en hij nu van den stuurman eischte alles te doen wat in zijn vermogen was om nog grooter rampen te voorkomen.
"Ik ben," vervolgde Tom, "zooals mijnheer Hyde bevestigen kan, eerste luitenant bij de Britsche marine en wil u met raad en daad bijstaan. Mijn naam moogt gij ook weten, want te Madras ga ik toch aan boord van het daar gestationeerd oorlogsschip. Wees zoo goed, mijnheer Hyde, den stuurman mijn naam te zeggen."
Bij deze woorden nam Tom zijn breedgeranden hoed af, trok zijn pruik van zijn hoofd en zijn valschen baard van zijn gezicht.
"Tom Hunter, luitenant bij de Britsche marine," stelde de planter voor.
Frog was doodsbleek geworden bij het hooren van dien naam en het zien van Toms gelaat.
"Dus...," stamelde hij, "zijt gij de vluchteling?"
"Ja, ik! Gij weet de reden van mijn incognito en óók dat ik niets gedaan heb, strijdig met de begrippen van eer."
"En... de gevangengenomen valsche Hunter?"
"Mijn vriend is eveneens zeeofficier. Maar nu aan het werk."
Frog wist geen uitweg meer. De matrozen stonden er om heen en wachtten op de dingen, die komen zouden.
"De nood dwingt ons het schip te verlaten," begon Frog.... "Gelukkig ligt dicht hierbij een eiland, waarheen wij ons begeven kunnen. Ik zal naar Diego Garcia zenden om een vaartuig."
Deze maatregel bleek echter onnoodig, daar er genoeg booten voorhanden waren. Met behulp van eenige matrozen zocht nu Tom een doorgang tusschen de klippen en Frog gelastte den passagiers hun goederen bij elkaar te pakken. Toen werd,--trots de tegenkanting van Nabob Cook, die meende met zijn dochter het eerst aan de beurt te zijn--door het lot de volgorde beslist, waarin de passagiers zouden worden overgebracht. Geen enkele matroos was weerspannig: eenige deden hun werk uit plichtgevoel, andere om voor hen gewichtige redenen.
Het eiland was onbewoond, maar gelukkig niet dor of woest. Kokospalmen vond men er in overvloed, ook aan bosschages ontbrak het niet. Een aantal groene schildpadden kropen rond en eenige papegaaien vlogen hoog in de lucht. Tom had met de eerste boot stokken, zeilen en hangmatten medegegeven, en de noodige levensmiddelen voor de personen die overgebracht werden.
Mijnheer Hyde liet dicht bij den oever van de stokken en zeilen tenten opslaan, hing de hangmatten tusschen de palmen, verzocht de aanwezigen dorre takken te willen verzamelen om een vuur te kunnen branden en zond den kok met het hengelgerei naar het strand.
De reizigers, die op den Oost-Indiëvaarder volstrekt niet verwend waren, voelden zich des avonds recht op hun gemak. De zeevisch smaakte heerlijk, in de tenten waren van mollige dekens bedden gespreid, die tot een zoeten sluimer noodden, waaraan allen, na de doorgestane angsten en vermoeienissen behoefte hadden. Zoodra het avondmaal gebruikt was, namen de schipbreukelingen de tenten en hangmatten in bezit en weldra was het kamp in diepe rust verzonken.
Pedro had James ingefluisterd welke plannen er voor den nacht gemaakt waren en deze had ze weer aan Tom medegedeeld. Frog had gelast, dat, zoolang een verblijf op de "Magada" niet levensgevaarlijk was, er dag en nacht in den mastkorf uitkijk moest gehouden worden. Had men het geluk een schip te zien, dan zou onmiddellijk een kanonschot worden gelost.
Bill en Pedro werden den eersten nacht naar het schip gezonden. Bill wilde zich verzetten maar Jim wenkte hem te gehoorzamen en fluisterde hem in, dat de bondgenooten hem en Pedro zouden afhalen als ze 's nachts het eiland verlieten. Verder droeg Jim hem op de koffers, die nog aan boord waren nauwkeurig te onderzoeken, wat er van waarde was in de boot te brengen en deze verder met levensmiddelen te vullen. Op hun tocht naar het schip verdeelden Bill en Pedro de werkzaamheden en de laatste, vreezend dat de zeeroovers hen zouden zoeken, wees er op hoe geraden het was het bevel om uitkijk te houden te gehoorzamen. Bill maakte geen tegenwerpingen meer en aan boord gekomen, begon hij dadelijk de kisten en koffers open te maken en den inhoud na te zien. Het was al tamelijk donker en opdat niets zijn spiedenden blik zou ontsnappen, stak hij een groote scheepslantaren aan. Pedro had op een kist plaats genomen en op een stuk scheepsbeschuit knabbelend, zeide hij hoofdschuddend:
"Wat zullen de passagiers wel zeggen, als ze hun goederen zoo door elkaar gegooid weervinden?"
"Als zij ze weervinden! Onze kameraden nemen vannacht al de booten mede. Hoe zullen ze dan op het wrak komen?"
"Mogen wij die ongelukkige menschen aan hun lot overlaten?" vroeg Pedro.
"Wat zou dat! Er komen schepen genoeg voorbij, die hen zullen opnemen. Eten is er voldoende op het eilandje. Wij moeten toch tijd hebben om ons hier of daar te verbergen."
"Hum, hum, ten minste als alles goed gaat."
Pedro klom naar boven, in de mastkorf om zich te vergewissen of de ellende der schipbreukelingen nog verhoogd zou worden door een overval der piraten. Ondanks de duistere lucht zagen zijn geoefende zeemansoogen een zeil en zoodra hij er den verrekijker op richtte, bleek hem dat het schip langzaam het eiland naderde.
"Alle duivels!" bromde Pedro, "waarachtig de zeeroover.... ken de brik uit honderden.... zij is het.... geen twijfel mogelijk. De piraat weet dat wij hier zijn.... heeft zeker vandaag reeds gespionneerd.... Wat te doen? Waarschuw ik de matrozen.... en de passagiers.... dan zal Jim met zijn bende het plunderen laten en.... de piraten het doen.... Hum.... Bills lantaren hebben ze natuurlijk gezien.... hierheen komen ze.... dat staat vast! Hum.... Misschien kan ik ze in verkeerden koers sturen.... Hum ...."
De "Mariëtta" had eveneens een zwaren strijd met de elementen gevoerd, maar bemand met knappe zeelui en bestuurd door een bekwamen hand was ze voor ongelukken gespaard gebleven. Ned, niet twijfelende of de muiters zouden in dien stormnacht hun misdadige plannen ten uitvoer brengen, had voorgesteld, zoodra het weer bedaard was, de "Magada" te gaan zoeken. Spoedig was zij gevonden. Zonder door de bemanning of de passagiers bemerkt te zijn, was de "Mariëtta" zoo dicht de plaats des onheils genaderd, dat Ned met behulp van zijn verrekijker den toestand kon waarnemen. De brik stevende terug, kwam, nu de avond gevallen was weer in 't zicht en wierp op eenigen afstand van de gestrande "Magada" het anker uit. Twee sloepen, van geschut voorzien werden neergelaten; in de eene stapten Miguel en Ned, gevolgd door tien matrozen, allen goed gewapend; de tweede bleef liggen, gereed om te hulp te komen zoodra het afgesproken sein gegeven zou worden. Ned liet de roeispanen omwoelen en onhoorbaar gleed de sloep over de golven. Toen ze het wrak bereikt hadden, was er geen licht te bespeuren, geen geluid te vernemen.
"Boot ahoy" riep Ned.
Geen antwoord.
"Zouden allen aan land zijn gegaan?" vroeg Miguel.
"Er is zeker nog een wacht aan boord. Een schip als dit, dat het nog zeker lang houden kan, verlaat men niet voor den tijd," waagde een oude matroos op te merken.
"Jongens", riep Ned luid, "wie heeft de wacht! Bill? of de wilde Jim? Is Pedro er niet of James, de brompot?"
"Dood en duivel! Die stem ken ik," klonk het en een hoofd verscheen boven de borstwering. "Wie zijt gij?"
"Die stem ken ik ook", zeide Ned lachend. "Komt ze u ook niet bekend voor Don Miguel Carril van Argentinië?"
"Alle goede geesten! Spookt het of droom ik?"
"Pedro, oude vriend en reisgenoot van het Pays Del Diablo, zijt gij werkelijk daar aan boord?" vroeg de overste in het Spaansch.
"Maak me niet in de war," klonk het weer van 't schip. "Wat gij daar zegt, kan iedereen zeggen."
"Maar wie de "Gentleman" is, kunt gij alleen zeggen, Pedro, oude schelm."
"Als dat niet mijn luitenant is, mogen de ijsbeeren me verslinden."
"Je weet zeer goed dat, hier bij den aequator deze beesten je niet de eer zullen aandoen je op te peuzelen", schertste Ned. "Maar je hebt gelijk! voorzichtigheid is geraden."
"Kom dan maar boven, wij beiden kunnen u niet beletten te enteren."
Een kabel werd uitgeworpen en spoedig waren ze aan boord. Welk een vreugde voor den wakkeren Pedro zijn meester weer te zien! Zijn gezicht straalde van vreugde toen Ned zijn mantel opensloeg en zijn uniform zichtbaar werd.
"In dienst.... ondanks het duel te Portsmouth?" vroeg Pedro verbaasd.
"Eerste luitenant met verlof op de "Eagle" stelde Ned zichzelf voor. "Maar verlang je niet je landsman te zien?"
"Ja, ja...... Ik vergat het! Is het werkelijk waar?"
"De zuivere waarheid!" antwoordde Miguel nader tredend. "Herken je me niet meer?"
"Gij zijt het, gij zijt het. Welk een ontmoeting!"
"Ja! God bracht ons te Rio Negro samen, scheidde ons te La Plata en vereenigt ons weer in den Indischen Oceaan."
"En hoe ging het u?"
"Daar kon ik wel een boek over schrijven! Denkelijk blijven wij eenigen tijd samen en dan vertel ik je alles. Hoe het je zelf gegaan is, heeft Lord Westfield me haarfijn meegedeeld."
Ned had intusschen poolshoogte op het dek genomen, en in Bill een der muiters herkennend, fluisterde hij een matroos in, hem scherp gade te slaan.
"Zeg me voor alles, Pedro, hoe 't hier staat," vroeg Ned, zich tot dezen wendend.
"Alles naar het eiland daar ginds... Menschen en koffers en kisten! Jim en zijn kameraden willen hen vannacht plunderen en met de sloepen wegvaren. James, luitenant Hunter en mijnheer Hyde zijn gewaarschuwd."
"Mijnheer Hyde ook?"
"Ja. Wij deelden hem alles mee."
"En onze stukken van waarde?.... De "Grobian" en de "Gentleman"?"
"Alles ginds. Ik geloof, dat de "Grobe" den "Gentleman" naar de andere wereld, zal zenden om de steenen alleen te kunnen houden."
"Behoort de "Gentleman" dan niet tot het rooversgespuis?"
"Het beslissend oogenblik is nabij; ik kan dus nu wel zeggen: neen, hij is er niet bij."
"Nu gaat me een licht op," zeide Ned. "Pedro, mensch, hoe ben je dat te weten gekomen?"
"Door mijn scherp gehoor. Beider stemmen hebt u even goed gehoord als ik en wel te.... Cowford."
"Te Cowford? O, Pedro, ik begrijp alles! Die kerels hebben er meer slag van dan wij om zich te vermommen."
"Dat niet luitenant, maar... evenveel. Van weerszijden hebt gij elkaar niet herkend. Maar, Mylord, wij hebben geen tijd te verliezen als we de plundering willen voorkomen."
"En onze diamanten terug krijgen! Pedro, wat zullen wij het beste doen?"
"Er is maar één middel. Het kamp omsingelen en de booten bezetten."
"Vannacht? En hoe krijgen wij de steenen, als ze in het water geworpen of in den grond verborgen worden?"
"Vervloekt! Maar als we niet vlug gaan, zijn de vogels gevlogen. Wel kunnen we hun den weg tusschen de klippen versperren, maar de diamanten raken ten slotte toch verloren. De kerels zullen ze liever weggooien dan ze ons teruggeven."
"De zaak is dus het plunderen te beletten en tevens het kamp af te zetten?" vroeg de overste.
"Ja, als we manschappen genoeg hadden," zuchtte Pedro.
"Wij hebben er genoeg. En evenmin gebrek aan sloepen. Met deze mede vijf, waaronder twee met geschut."
"Alleen door een list kan het plunderen voorkomen worden en Pedro moet handelend optreden," meende Carril. "Weet je een middel?"
"Hum... ja-- ik moet terstond vertrekken... hum.... hoe zou het zijn als.... hum--'t gaat zóó niet.... ja..... zóó kan het, zóó moet het gebeuren."
"Wat is je plan?"
"Ik belet dat er geplunderd wordt. Mijn boot heb ik noodig, de andere vier volgen achter elkaar. Kunnen uw sloepen spoedig hier zijn?"
"De tweede in vijf minuten, de andere binnen een kwartier."
"Uitstekend! Terwijl ik met Jim en de anderen onderhandel, moet het kamp omsingeld worden en de booten aan het strand blijven liggen. Ik zal den muiters een sprookje opdisschen zonder dat zij er iets van begrijpen. Den geheelen nacht moet er wacht gehouden worden, 't zij mijn plan al dan niet gelukt."
"Dat zal geschieden," besliste Miguel. "Pedro, nauwelijks ontmoeten wij elkaar of de avonturen beginnen weer."
"En andermaal is er een Westfield bij," merkte Ned op.
"Ja; maar te Rio Negro stond een Westfield ons bij....."
"En heden verleent gij hem uw hulp," zeide Ned, Miguel de hand drukkend. "Laat ik eerst het signaal voor de afvaart der booten geven," vervolgde hij, "en dan vlug aan het werk."
"Wat doen wij met dien knaap?" vroeg Miguel op Bill wijzend.
"Binden en meenemen. Laat hem knevelen en in mijn boot leggen."
Carril wenkte twee zijner matrozen het bevel uit te voeren.
"Wij hebben nog een oogenblik tijd," meende Pedro; "zeg mij met een enkel woord, Don Miguel, hoe gij u door het leven hebt geslagen. Als soldaat.... dat zie ik en dat voorzag ik wel toen we te Rio-Negro tegen de Roodhuiden vochten."
"Ik had geluk, amigo mio. Eerst streed ik aan de zijde mijner stamgenooten, de Spanjaarden; later voerde het lot mij en mijn broers onder de vanen van Napoleon. Wij verkregen allen den rang van officier."
"Dat was te voorspellen. En welken rang bekleedt gij nu en welk toeval bracht u op de Tschagos-eilanden? Zijt gij bij de marine geplaatst?"
"Neen, dat niet! Ik ben overste bij de kurassiers."
"Alle drommels! Overste! En ik...."
"Ben de beste, trouwste majordomus" riep Ned, die juist naderbij kwam. "Een echte, flinke zeeman, de vriend van zijn jongen meester."
Ontroerd wilde het factotum hem de hand kussen, maar Ned sloeg zijn armen om hem heen. "Oude jongen, al lang ben je een goed vriend voor mij!"
"Maar Carril--overste wil ik zeggen, waar ter wereld hebt gij mijn luitenant ontmoet?"
"Als je mij in het vervolg dat "overste" wilt sparen, zul je alles weten."
"Nu dan..... Carril, graag, maar vergeet niet, dat gij mij als rooversleerling hebt leeren kennen."
"Ja, als leerling," herhaalde Miguel lachend, "een leerling die zijn eersten opdracht niet kon volvoeren en levenslang zijn vak niet zou hebben geleerd. Overigens heeft Lord Westfield, de jongere, ook mij op verboden wegen gesnapt."
"Toch niet als....."
"Als zeeroover wil je zeggen, omdat je onze brik voor een piraat hield? Neen, we wilden iemand schaken....."
"Schaken!..... een zwarte jonge dame misschien?" spotte Pedro.
"Neen, neen, geen liefje, geen bruid. Wij wilden van St. Helena den banneling halen--Napoleon."
"Onmogelijk!..... Gij schertst!"
"De volle waarheid, vriend, wij werden op onze vingers getikt."
"Dat was te verwachten. Een gevaarlijke onderneming, Don Miguel."
"Toch zou ze gelukt zijn, indien Lord Westfield ze niet verijdeld had."
"Dat wil zeggen," verdedigde Ned zich, wanneer de wind uw dépèche niet aan mij bezorgd had."
"In ieder geval hebt gij er straf voor beloopen," schertste de overste. "Wij namen u gevangen."
"En steldet mij in staat de diamantendieven te vervolgen!..... een zware straf, dat moet ik bekennen."
"Ik begrijp er niet veel van," zeide Pedro.
"Wij zullen alles haarfijn vertellen," beloofde Carril. "Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.
Op dat oogenblik kwam de tweede boot aan, waarin Ballière zich bevond, spoedig gevolgd door de andere. De roeispanen werden omwikkeld en de expeditie zette koers naar het eiland. Voorop Pedro met twee matrozen van de "Mariëtta". De vaartuigen waren sterk bemand en de manschappen gewapend tot de tanden. Dicht bij het eiland scheidden de booten. De eerste sloep met geschut bleef voor het kamp, de beide jollen zetten haar manschappen links, de andere groote boot de haren rechts aan wal. Daarna roeiden ze terug naar de sloep, die voor het kamp had post gevat en werd de bemanning over de vier booten verdeeld. Met inachtneming van de meest mogelijke voorzichtigheid werden de vaartuigen der schipbreukelingen van den oever in het water getrokken, waardoor er van ontvluchten geen sprake kon zijn.
Onder leiding der drie vrienden omsingelden de matrozen het kamp aan de landzijde, terwijl Pedro naar de landingsplaats roeide. Een Franschman vergezelde hem aan land, de andere bracht zijn boot op de hem aangewezen plaats.
De muiters hadden zich tot slapen neergelegd, wel wetend hoeveel de lange roeipartij naar Diego Garcia van hun krachten zou vorderen. Twee hunner, die de wacht hadden waren eveneens in Morpheus armen gezonken; het knarsen van het zand onder de voeten van Pedro en den Franschen matroos, deed hen verschrikt ontwaken.
"Wie gaat daar?" werd er gevraagd.
"Stil..... ik ben het..... Pedro."
"Pedro!..... Wat moet dat beduiden?"
"Wekt voorzichtig de anderen."
Dat was spoedig gebeurd. Pedro nam Jim bij den arm en trok hem een paar stappen verder.
"Wat duivel, Pedro, spreek toch! Wat is er?"
"Als je verstandig bent..... stel je dan tevreden met de helft van hetgeen wij hoopten te nemen..... anders krijgen we niets."
"Maak geen grapjes!...... Ben je dwaas?..... Wat is er gaande?....." vroegen de matrozen, die naderbij waren gekomen.
"Het beduidt dat Bill geboeid is en ik vrijgelaten ben enkel om met jelui te onderhandelen."
"Hoezoo?..... verder, verder!..... Hel en duivel!" riepen ze, met allerlei vloeken klem aan hun woorden bijzettend.
"Stilte, jongens! Laat Pedro spreken! Wil je de passagiers wekken?"
"Bill en ik trokken op wacht; hij doorsnuffelde de kisten, ik haalde proviand. Er brandde een lantaarn, anders had Bill niet kunnen zien. Toen ik weer op het dek kwam, werd er geroepen: "Boot ahoy" en--daar waren de piraten uit Cameroen."
"Heer in den hemel!..... Alle donders!..... Zwavel en pek!"..... een legioen zeemansvloeken klonk in de stilte van den nacht.