Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
AVONTUREN AAN GENE ZIJDE VAN DEN EVENAAR
Door Kurt von Albrecht.
Naar het Duitsch Door Mevrouw Van Heuvelinck.
AMERSFOORT G. J. SLOTHOUWER.
DE CARRILS.
"Well! Denk je werkelijk, dat wij hier nog blanke broeders zullen ontmoeten, hier op deze vlakten, die je pampa's noemt en waar men zoover het oog reikt geen hut bespeurt, ja niet eens een kudde vee?"
"Vertrouw op mij, Señor, als op het heilige Sacrament. Gij begrijpt toch wel, dat ik een goede reden heb voor mijn bewering."
"Hoor eens, vriendje, het is niet voor de eerste maal dat ik je waarschuw. Je weet hoe ik over je denk."
"Dat weet ik; toch zult gij moeten erkennen, dat ik u steeds heb behandeld als de eene caballero den ander."
"Maar dat spreekt vanzelf! Ik betaalde je immers om mij...... daarheen te brengen. En, Pedro, nog voor ons vertrek uit het fort heb ik je al gezegd, dat de onrustige, spiedende blik, waarmede je telkens om je heen ziet, geen vertrouwen wekt. Denk er aan dat mijn pistolen geladen zijn en ik gaarne schurken neerschiet. In je eigen belang, vriendje, spaar me de ervaring, dat je tot dat groote gilde behoort en reken er op dat het vermoeden alleen al voldoende zou zijn om mij van mijn wapens gebruik te doen maken."
De beide ruiters, die dit gesprek voerden, reden op de groote vlakte van Patagonië naar Argentinië welke zich uitstrekt tot de Rio Pilcamayo. Zij bevonden zich op de hoogte waar de Rio Negro met donderend geweld zijn wateren in den oceaan stort, en op eenige honderde mijlen afstand van de bekende nederzetting Carmen de Patagones. De een, een man in de kracht van zijn jaren, bereed een buitengewoon mooi ros, welks edele vormen getuigden van zijn Andalusieschen oorsprong; de ander zat op een klein kastanjebruin paard zonder eenige schoonheid, maar van krachtigen lichaamsbouw. Het uiterlijk der beide reizigers was al even verschillend als dat hunner dieren. Hij, die het vurige ros zoo volkomen in bedwang had, was lang en tenger maar sterk gespierd; een eenvoudige uit beste stof vervaardigde kleeding omsloot zijn lenige gestalte. Het blonde haar en de lange blonde baard, evenals de blanke door de zon gebruinde gelaatskleur wettigden het vermoeden, dat hij op het noordelijk halfrond het levenslicht had aanschouwd. Zijn metgezel, een nog jonge man, was een dier figuren, dien de reiziger in Argentinië op al zijn tochten ontmoet. Gekleed in het korte Spaansche buis en de wijde broek, over zijn schouders de poncho, om de heupen een bont gekleurde met franje versierde doek, de voeten in plompe hooge laarzen met sporen, was hij, rechtop en onbewegelijk in den zadel gezeten, het onvervalschte type van den echten gaucho. [1]
"Señor Inglese," begon na een langdurig zwijgen de als Pedro toegesproken herder opnieuw het gesprek, "Señor Inglese, gij hebt mij als gids aangenomen en betaald. Wilt gij me nu volgen of niet? Denkt gij den weg zonder mij te kunnen vinden, goed, ga dan alleen. Maar, zeg eens, welke richting zoudt gij inslaan als ik wegliep? Terugkeeren, niet waar, er zat niets anders op, want het zou de grootste dwaasheid zijn om zonder levensmiddelen naar het Zuiden te trekken, het Zuiden dat u bovendien geheel onbekend is."
"Hm, hm," zeide de Engelschman, snel een blik op het grijnzend gelaat van zijn reisgenoot werpend. "Hm, hm," herhaalde hij langzaam en nadenkend over het moeilijke geval, waarin hij zich bevond.
"Jij zegt dat wij westwaarts moeten gaan en ik zeg van neen, omdat ik naar Patagonië wil en niet naar de Andes. Jij beweert, dat de laatste nederzetting der blanken in het Westen ligt en ik houd vol, dat het vuur daar in het Zuiden door blanken is ontstoken, al is het mogelijk waar dat de roodhuiden zoo nabij zijn als je vermoedt."
"Hebt gij vuur gezien, mylord, en ik, een gaucho, niet?" vroeg Pedro ongeloovig lachend. "Vuur.... zoo waar," viel hij zichzelf in de rede, "nu zie ik het ook! Maar de rook, dien wij in de verte naar het Oosten zien drijven, stijgt niet uit het kamp der blanken," vervolgde hij beslist. "Het is geen houtvuur zooals zij gewoonlijk aanleggen, maar 't wordt gestookt met verdroogd gras en dorre berberissetakken. In de pampa's, ten zuiden van de Rio Negro is geen ander brandmateriaal te vinden. Wilt gij uw verderf te gemoet gaan, mylord, rijd dan naar het Zuiden, wilt gij uw doel bereiken, volg mij dan naar het Westen."
"Well! Indien gij werkelijk gelooft, dat de Indianen daar hun kamp hebben opgeslagen, breng me dan bij hen. Ik wil naar Patagonië, zij het dan ook met Indianen," hield de Brit eigenzinnig vol.
"Bij de heilige jonkvrouw van Cordova gij hebt uw verstand verloren! Weet gij dan niet, dat de Tsonecas de blanken vermoorden of hen houden als ..... slaven?"
"Ik zal hun slaaf niet zijn maar hun vriend en..."
"En nooit weer de grenzen van Patagonië overschrijden! De Tsonecas rijden als duivels en nooit gelukt het iemand hun te ontvluchten. Neen, Mylord, laten wij naar het Westen, naar de nederzetting trekken. Daar vinden wij allicht een aantal bomberos, die tegen een goede betaling een strooptocht in het land der Tehuelches willen meemaken."
"Tusschen twee vuren," mompelde de Engelschman in zijn moedertaal. "Ginds een troep Indianen, hier een gaucho. Ik stel in geen enkel opzicht vertrouwen in dien knaap en zou er op durven zweren, dat hij de gelegenheid zoekt me aan den meestbiedende te verkoopen."
"Al besloten, Mylord?" vroeg de gids, de overpeinzingen van den Brit storend.
"Pedro, Don Pedro," zeide deze deftig, "wij zijn beiden dapper, is het niet, en duchten geen gevaar. Laten we naar het Zuiden rijden en behandelen de Indianen ons als vijanden...... Well, dan vluchten wij naar het Westen. Onze paarden zijn goed en sterk en onze wapens uitstekend geschikt om ons den vijand van het lijf te houden."
"Bij de heilige Jonkvrouw, Mylord, neem toch mijn raad ter harte. Carramba!" vloekte de vrome Pedro, haastig een kruis slaande. "Wie van den duivel spreekt, ziet zijn staart. Voor de laatste maal, gringo, [2] wilt gij met mij naar het Westen rijden of alleen naar .... Carratscho! 't Is reeds te laat! Zaagt gij daar niet plotseling voor één enkel oogenblik een menschenhoofd te voorschijn komen? Waar het gebleven zou zijn? .... In die vervloekte greppels kunnen zij zich zoo gemakkelijk verschuilen. Daar," vervolgde de gaucho opgewonden, "daar Mylord, daar, dicht bij den opstijgenden rook een ruiter,.... verdwenen is hij alweer! Carratscho! Dat was de vent dien ik gezien heb. Nu gaat hij ons verraden."
De Engelschman had eveneens den ruiter gezien en snel zijn verrekijker gegrepen, maar op het zelfde oogenblik waren man en paard als in den grond weggezonken.
"Don Pedro is bang," zeide Mylord, onverschillig de schouders ophalend. Met de grootste kalmte schoof hij den verrekijker in elkaar en stak hem in het foudraal.
"Mylord," riep de gaucho driftig, "ik zweer bij mijn schutspatroon, dat ik mij dadelijk wreken zou over deze beleediging, indien wij niet gezamenlijk moesten trachten het naderend gevaar te ontkomen."
Zonder acht te slaan op Pedro's uitval, vervolgde de Engelschman bedaard; "Zou het onmogelijk zijn, dat blanken uit de nederzetting op jacht gegaan en ginds gekampeerd zijn?"
"Blanken uit de nederzetting?" vroeg Pedro nadenkend. "Hm, hm, 't zou kunnen," vervolgde hij, blijkbaar verheugd over de mogelijkheid van zulk een oplossing, die hem om bijzondere reden zeer welkom zou zijn.
"En .... zouden wij kunnen vluchten, indien bleek dat vijanden daar hun kamp hadden opgeslagen?"
"Beproeven konden wij het in ieder geval ofschoon ik vrees, dat onze pogingen vruchteloos zouden zijn," meende Pedro, bij wien langzamerhand de hoop levendig werd, blanken, in dit geval vrienden, te zullen aantreffen. "Zijn het Indianen," vervolgde hij, "dan hebben ze ons reeds lang gezien en overal wachten uitgezet. Dan worden wij omsingeld evenals ze een kudde guanacos of struisvogels omsingelen. Zooals de zaak nu staat, kunnen wij niet beter doen dan naar het kamp rijden."
"Well, dan doen we dat!" stemde de Lord toe. Hij nam zijn pistolen uit de holsters, legde zijn buks dwars voor zich over het zadel en gaf zijn paard de sporen.
Pedro voelde naar het lange mes, dat hij in een soort scheede in zijn rechterlaars droeg en overtuigd dat zijn pistolen, karabijn en lasso binnen zijn bereik waren, maakte hij zich gereed den Brit te volgen.
Deze echter, zijn metgezel niet vertrouwend, wenkte hem aan zijn zijde. Zijn achterdocht was nog sterker geworden, sinds de gaucho zoo plotseling allen wederstand had laten varen en bereid was zuidwaarts te trekken.
Behoedzaam naderden de beide ruiters de plaats, waar eenige oogenblikken te voren het menschenhoofd zichtbaar was geweest. Zij ontdekten een kleine inzinking van den grond, maar van man en paard was geen spoor te zien.
Hoe verder zij zich van de Rio Negro verwijderden en zuidwaarts trokken, hoe vlakker en schraler de bodem werd. Alle plantengroei had opgehouden, de grasvlakten lagen achter hen en vóór hen strekte zich een dorre, kale steppe uit, doorsneden met meer of minder diepe voren.
Om een overrompeling zoo mogelijk te voorkomen, volgden ze een dier laagten, doch spoedig bleek hun dat zij, in die richting voortrijdend, het vuur niet naderbij kwamen.
"Ik vermoed, dat zij hun kamp ergens in een diepe kloof hebben opgeslagen," merkte de Engelschman aan.
"Dat verwenschte ravijn met zijn bochten," bromde Pedro. "Telkens loopen wij gevaar op den vijand te stuiten."
"Dan over de vlakte verder," besloot de Brit, en de daad bij het woord voegend, wendde hij zijn paard. De dunne rookkolom diende hun tot wegwijzer en vastberaden stuurden zij er op aan. Na een half uur rijdens bereikten ze een hollen weg; het vuur was nergens te bespeuren en de rook, door de wind voortgedreven, scheen nu hier dan daar uit de aarde op te stijgen.
Zonder zich te bedenken reden zij het ravijn in. Een hevige wind joeg hen een zwaren walm en een sterke brandlucht tegemoet; het vuur moest in hun onmiddellijke nabijheid zijn, maar bleef door de vele kronkelingen van den weg voor hun oog verborgen. Met het pistool in de hand drongen ze verder door, toen plotseling als ware hij uit de lucht gevallen een ruiter voor hen stond. Snel hielden ze hun paarden in, gereed hun leven te verdedigen.
De vreemde ruiter was gekleed als een gaucho, maar zijn slanke, elegante gestalte en zijn regelmatige fijne gelaatstrekken verrieden zijn Spaansche afkomst. Met een hoffelijke buiging groette hij de beide mannen en zwaaide met een sierlijke beweging zijn grooten sombrero.
"Mag ik zoo vrij zijn te vragen waarheen gij rijdt caballeros?" vroeg hij uiterst beleefd; zijn schitterende bruine oogen rusten even met een ernstigen, onderzoekenden blik op het gelaat van den Engelschman en bleven toen met een uitdrukking van verbazing en weerzin op den gaucho gevestigd, die zich blijkbaar niet op zijn gemak gevoelde.
"Mijn doel is het vuur te bereiken waarheen de rook ons den weg wijst," antwoordde de Brit.
"Ik vlei me, señor, dat gij met vredelievende bedoelingen tot ons komt en wil u gaarne welkom heeten in ons kamp. Toch is voorzichtigheid, in de wildernis meer nog dan ergens anders, een plicht dien we nooit mogen verzaken. Vergun me dus de vraag in welke verhouding gij staat tot.... uw metgezel, dien ik de eer heb te kennen."
"Kent gij mij?" vroeg Pedro ontsteld.
Een sarcastische lach plooide de lippen van den Engelschman; het gelaat half naar zijn tochtgenoot keerend, zeide hij:
"Er bestaat geen enkele verhouding tusschen ons. Deze caballero, Don Pedro, dient mij tot gids; that is all."
"En weet gij, Señor, wie uw gids is?" vroeg de ander.
"Wat hebt gij daarmee te maken?" riep Pedro heftig. "Gij zegt dat ge mij kent en ik zweer bij alle heiligen, dat ik u nog nooit gezien heb."
"Wie en wat mijn gids is, weet ik niet," merkte de Lord op, "maar ik heb mijn vermoeden."
"Dat is mij volkomen onverschillig," schreeuwde de gaucho, die nauwelijks zijn angst kon verbergen. "Ik heb mij verbonden u bij de blanke naburen der Tsonecas te brengen. Gij zijt er, dus... vaarwel gringo."
Al sprekende haalde hij den teugel aan en wilde wegrijden. Maar het was reeds te laat.
Een groote, forschgebouwde man in de dracht der gauchos, het gelaat met den zwaren, kortgeknipten baard half verborgen achter den breeden rand van zijn hoed, trad hem in den weg, met opgeheven hand hem wenkend zijn paard in te houden. Hij zelf was te voet, maar bevelend klonk het van zijn lippen:
"Blijf, caballero, blijf. Mijn woord erop, dat u geen leed zal geschieden."
Nauwelijks hoorde de jonge man, die aan den anderen kant stond, die stem of hij riep juichend: "Miguel, Miguel!" Snel zich wendend naar de zijde waar het vuur zich moest bevinden, bootste hij drie keer achter elkaar den schreeuw van den condor na. Toen sprong hij vliegensvlug uit het zadel en snelde naar den man die met uitgestrekte armen nader trad.
"Miguel," zeide hij, zich aan zijn borst werpend, "Mijn broeder, hebben we je eindelijk weer! Waar ben je toch zoo lang geweest? Antonio en Juliano waren overtuigd, dat we je nooit zouden weerzien. Ik alleen gaf den moed niet verloren."
Voor Miguel kon antwoorden, verschenen nog twee jonge mannen, eveneens in de dracht der gauchos, die hem niet minder hartelijk begroetten.
De Brit beschouwde met een onverschilligen blik de ontmoeting der vreemden, terwijl Pedro op eenigen afstand stond en blijkbaar niet wist wat hij doen zou.
"Komt, broeders, laten wij naar den toldo [3] gaan. Maar... is alles veilig? Uit het Noorden, vanwaar ik kom, dreigt geen gevaar."
"Alles veilig," beweerde de jongste. "Ik zag niemand dan deze twee caballeros en hun verschijning trok in die mate mijn aandacht, dat ik de komst van mijn besten broer niet eens bemerkte."
"Ei, ei, Alonso, heeft de lange vredestijd je zoo roekeloos gemaakt?" zeide de oudste op ernstigen toon. "Kom, laten wij hopen, dat je gelijk hebt en geen gevaar naakt. Vooruit, vrienden, naar het vuur! Zes uur geleden verrees de zon aan de kim en nog heb ik niets gegeten. Eigenlijk--het is om te lachen--heb ik in de laatste twee en veertig uur geen eten gehad."
"Dan treft het best, dat wij een struisvogel hebben. Het dier, waarschijnlijk van de kudde afgedwaald, is door Antonio met de bolas gevangen."
"En wordt zeker door Juliano op zijn bekende voortreffelijke manier aan het spit gebraden," schertste Miguel.
Met een sierlijke handbeweging noodigde hij de beide vreemdelingen hem te volgen. De Engelschman sloot zich dadelijk zonder eenige plichtplegingen bij hen aan; Pedro echter aarzelde.
"Wie waren deze mannen, die hem schenen te kennen?" vroeg hij zichzelf af. "Best mogelijk dat Alonso en Miguel hem hadden gezien; 't was dan ook veel gemakkelijker zich het gezicht van één enkelen vreemdeling te herinneren, dan dat deze, die nog maar sinds korten tijd zich in dit gedeelte van het land bevond, al zijn medeburgers zou kennen. Hij was zich van geen kwaad bewust, al had hij ook op het punt gestaan een misdaad te bedrijven. Maar wat zou het viertal, dat blijkbaar nauw verbonden was, in hun schild voeren....."
"Allo, vriend van "De Korte Hand," zeide Miguel, Pedro's gedachtengang afbrekend, "kom mede en wees onbezorgd. Van ons hebt gij niets te vreezen, dat zweer ik bij den heiligen Miguel, mijn schutspatroon."
Bij de woorden: "Vriend van de korte Hand" werd Pedro doodsbleek en ging een rilling door zijn leden. Hij herstelde zich echter spoedig en volgde zonder een verklaring te durven vragen. De krommingen van het ravijn, dat door een vulcanische uitbarsting was ontstaan, volgend zag de Lord op een open ruimte, gevormd door het uitwijken der wanden, die loodrecht van den bodem der kloof omhoog stegen, eene hut. De eenige opening was een lage deur aan de oostzijde, waardoor de bewoners slechts gebukt in en uit konden gaan. Op eenigen afstand van den toldo brandde een vuur, dat, zooals Pedro terecht had begrepen, onderhouden werd met verdord gras, distels en berberissetakken.
De ruiters stegen af; de Lord, Miguel, Alonso en Pedro spreidden hun mantels op den grond voor de hut en strekten er zich welbehagelijk op uit. Antonio en Juliano traden op het vuur toe en begonnen den struisvogel tot een heerlijk maal te bereiden. De paarden der broeders waren dicht bij den toldo vastgebonden, die van den Brit en den gaucho liepen vrij in het rond en beten de enkele grassprietjes af, die hier en daar uit den dorren bodem opschoten.
De Engelschman bood zijne nieuwe vrienden een sigaar aan; die met vriendelijken dank werd aangenomen.
"Ik heb er nog tien, caballeros," zeide hij, den sigarenkoker weer in zijn zak stekend, "wij moeten er zuinig op zijn. Wie weet wanneer ik de laatste rooken zal."
"Quién sabe," herhaalde Miguel, "wij zijn overal in Gods hand. Hij heeft u, señor, heden voor gevaren behoed waarvan gij niet het flauwste begrip hebt. Gij ..."
"Ik vermoed het ... ik vermoed het," viel de Lord hem levendig in de rede. "Don Pedro," vervolgde hij, zich tot dezen wendend, "ik ontsla je uit mijn dienst onder voorwaarde, dat je mij vertelt waarom je niet naar het Zuiden, wel naar het Westen wildet rijden. Ik zal je een guinje geven en volkomen vergiffenis schenken als je mij de waarheid zegt."
Miguel en Alonso zagen elkaar met een blik van verstandhouding aan: Pedro trok een verlegen gezicht, haalde ongeduldig de schouders op en hulde zich in een dikke rookwolk.
"Mylord," begon hij aarzelend, "wees grootmoedig en verzoek deze caballeros in wier schuilplaats wij ons bevinden en wier bescherming mij is verzekerd u de zaak mede te deelen. Een enkel woord ter mijner verdediging zal ik dan zeker wel mogen bijvoegen."
"Eerst moeten deze caballeros weten wat ik denk. In Carmen de Patagones zocht ik een gids om mij in het kamp der bomberos te brengen, hopend dat deze genegen zouden zijn mij te vergezellen op een reis door Patagonië."
"Een reis door Patagonië?" vroeg Miguel verbaasd.
"Door Patagonië," herhaalde Alonso, niet minder verwonderd dan zijn broer.
"Door Patagonië ..... zeker in een luchtballon," spotte Antonio.
"Yes, caballeros, door Patagonië," verzekerde de Brit bedaard. "In Carmen heeft iedereen mij uitgelachen en 't mij afgeraden, behalve Don Juan Espirio, de adjudant van den onderkoning te Buenos Aïres.
"Don Juan Espirio!" riep Miguel plotseling opspringend.
"Carracho," mompelde Pedro.
"Yes. Don Juan Espirio."
"Dan was mijn vermoeden tòch gegrond," zeide Miguel, zich weer op den grond uitstrekkend.
"Hij beval mij den gaucho Pedro aan, die volgens zijn verzekering volkomen vertrouwbaar was. Het kwam mij echter verdacht voor, dat Don Juan en Pedro de reis zoo licht telden en iedereen het gekkenwerk noemde mijn plan door te drijven, en het onmogelijk achtte ooit mijn doel te bereiken. Mannen, die men hier bomberos noemt, schenen mij geschikte reisgenooten en naar hen wilde ik gebracht worden. Ik houd van avonturen en hoopte hun mogelijken tegenzin te overwinnen en ze tot mijn plan over te halen. Toen ik heden morgen tot de overtuiging kwam, dat Pedro me naar de Andes inplaats van naar Patagonië wilde brengen, weigerde ik verder te rijden. Wat Pedro ook zeide, ik hield voet bij stuk en verklaarde zuidwaarts te willen trekken. Toen dreigde hij mij te zullen verlaten, en ..... daar verscheen eensklaps een menschenhoofd."
"Dat was ik," zeide Miguel.
"En een oogenblik daarna even plotseling een ruiter."
"Dat was ik," verklaarde Alonso. "Een nederzetting in de richting van de Andes is er niet, althans nu niet meer," voegde hij er bij op treurigen toon en met somberen blik.
"Met bomberos wilde ik over de reis beraadslagen en dan terugkeeren naar Carmen om de noodige toebereidselen voor de expeditie te maken en mijn geld te halen."
"Ei zoo," zeide Pedro verrast door deze mededeeling.
"Mijn gids beweerde eerst dat Indianen hier hun kamp hadden opgeslagen en later dat blanke broeders uit de nederzetting hier waren te samen gekomen. En ik geloof, dat de gaucho mij aan inboorlingen wilde overleveren om mij te vermoorden en te bestelen."
"Goed begrepen," zeide Alonso, met blijkbaar genot de asch van zijn sigaar strijkend.
"Caracoles! Zóó is het!" bevestigde Pedro. "Maar ik schijn geen aanleg voor zulke daden te hebben. Sedert drie weken zwerf ik hier in de buurt, waarheen Satan zelf me gezonden heeft."
"Precies zoo lang geleden zijt ge te Carmen gekomen. Ik zag je," sprak Juliano, zijn aandacht verdeelend tusschen het gesprek en het gebraad.
"Het was voor de eerste maal," vervolgde Pedro, "dat ik handelend zou optreden en 't hing van den goeden uitslag af of ik al dan niet in den bond "De Korte Hand" zou worden opgenomen. Maar het plan is mislukt. En ware het me mogelijk geweest den Inglese mijn kameraden in handen te spelen, dan nog zouden zij met een spotlach mij begroet hebben, want de gringo heeft zijn geld te Carmen gelaten. Hebt gij werkelijk geen geld of sieraden bij u, Mylord?"
"Neen," klonk het kortaf.
"Noch bij den aanvoerder, dien ik niet eens ken, wijl hij al sinds een maand afwezig was om een groote onderneming voor te bereiden, noch bij de leden van den bond kan ik mij meer vertoonen. Ik zou me half dood schamen over het mislukken der zaak, al was het dan ook een schurkenstreek."
"Hoe staat het eigenlijk met die nederzetting in het Westen?" vroeg de Brit.
"Bah! De moeite niet waard om over spreken. Niets dan een half vergaan huis, eenige toldos en een aantal tenten van guanaco vellen. Het lijkt meer op een kamp dan op een nederzetting."
"Het is de legerplaats van de bende: "De Korte Hand,"" voegde Miguel er verklarend bij, "of juister de schuilplaats van vagebonden en boosdoeners, die geheel zonder middel van bestaan zijn, den arbeid schuwen als een dief het hangen en een geweten hebben waarin een rijtuig met vier paarden kan omdraaien. De onvruchtbare bodem van onze pampa's is niet in staat deze kerels het noodige voedsel te verschaffen, te minder daar ze te lui zijn om den grond behoorlijk te bewerken en dus.... gij begrijpt, Señor. De streek waar de legerplaats zich bevindt, kennen wij van nabij. Helaas, niet enkel in onze hoedanigheid van bomberos."
"Pedro," sprak de Lord, "zeg me eens waarom je bij die rooverbende je wilt aansluiten. Dit wekt in hooge mate mijn belangstelling."
"Heb je twist gehad bij het worstelspel en het mes te vlug getrokken?" vroeg Antonio.
"Of was de schedel van je tegenpartij niet hard genoeg om weerstand te bieden aan je slagen. Niemand te Carmen kent je, en wie geeft dáár om het verleden van een mensch?"
"Ik heb nog geen bloed vergoten, caballeros, dank zij de raadgevingen van mijn vrome moeder. Kunt gij u voorstellen, dat ik als een gejaagd hert word voortgedreven, zonder mij aan een noemenswaardigen misslag schuldig gemaakt te hebben?"
"Yes. I think so! Je staat iemand in den weg en moet boeten voor hetgeen een ander deed; of je waart getuige van een misdaad en de booswicht heeft de schuld op jou geworpen."
"Neen, neen, Mylord, niets van dien aard. Mijn ouders, caballeros, waren brave menschen. Mijn moeder zorgde voor de huishouding van mijn meester, wiens estancia [4] in de onmiddellijke nabijheid lag van een der grootste rivieren. Mijn vader was er opzichter over een groot aantal gauchos. Reeds al knaap hield de estanciero mij, de speelnoot van zijn zoon dikwijls bij zich en toen mijn vader op een tocht naar den Gran Chaco verongelukte, dachten allen dat ik zijn opvolger zou worden."
Pedro zweeg even en vroeg smeekend:
"Mylord, mijn keel is droog. Geef me een slok als vooruitbetaling op de beloofde guinje. Ha, dank u, Mylord, dank u, het is vast geen Argentijnsch brouwsel maar goede ..... goede ..... alle duivels ..... hoe heet het ook .....?"
"Whiskey. Maar vertel verder."