# Avondstonden

## Part 9

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/avondstonden-13595/index.md

DE MEESTER, _op zijne lippen bijtende en half beschaamd_.--Ja, ja, op de Paardenmarkt, juist!--Maar in welk land zijn wij?--In Spanje, in Turkije, in Lapland of in Belgenland?

VICTOR.--In Belgenland.

DE MEESTER, _vergenoegd_.--Ik wist wel, dat hij het niet vergeten had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (_Victor, na lang zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop_.) Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel vijfentwintig keeren gewezen. (_Tot vr. Van Laer_.) Madam, hij is beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel insteekt.

KAREL, _tot Edward met zachte stem_.--Wat leelijke mouwstrijker dat de meester is, eh?

EDWARD.--Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?

FRANS.--Ik heb er eenen: let op, hij gaat!

DE MEESTER, _roepende_.--_Silence_, daar in den hoek!

VR. VAN LAER, _tot den meester_.--Ik heb het altijd gezegd, dat onze Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware hem eenen stiel te leeren;--maar ik zal wel maken, dat hij ten minste pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren.

DE MEESTER, _zich buigende_.--Daarin hebt gij het grootste gelijk van de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of eenen schoolmeester van maken.

(_Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer_.)

VR. VAN LAER, _verstoord_.--Wel wat afgrijselijke dingen!--Een mensch met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed!

DE MEESTER, _met groote woede_.--Wie heeft dit gedaan? Wie durft die achtbare madam Van Laer met papier werpen?

EDWARD, _roepende_.--Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!

DE MEESTER, _Frans bij den kraag naar de deur slepende_.--Hier gij, schelm! De deur uit, deugnietenkind! (_Hij werpt hem aan de deur_.)

FRANS, _buiten luidkeels schreeuwende_.--Ge meent, dat ik nog zal weerkomen, eh?--maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... (_Stilte_.)

VR. VAN LAER.--Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te mager zijn, volgens dat hij zegt.

DE MEESTER.--Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij het reeds kan.

EDWARD, _tot Karel_.--Ja, _pennekepik_ kan hij beter, eh?

KAREL, _roepende_.--Meester, Edward lacht u uit!

EDWARD.--Neen wel, meester, hij is het zelf.--Hij zegt, dat Victor beter _pennekepik_ kan!

DE MEESTER, _dreigend_.--_Silence_, daar, zagemannen! of ik zet u de school af.... (_Stilte_.) _Allons_, Victor, let wel op, ik zal het u eens voordoen. (_Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend_:) Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer eene snee....

PIET, _schreeuwende_.--Meester, meester! daar vliegt een _meuldener_[40] in de school! Pst! Pst!

AL DE LEERLINGEN.--Hoera! Hoera!--Pakt hem!--Hoe na of ik had hem! Hier, daar, pst! pst!

(_Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk vliegt de kever haar in het haar._)

VR. VAN LAER, _met bange stem_.--Och! och! meester, verlos mij van dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! (_De meester neemt den kever van haar hoofd_.) Ai, mij! daar houd ik eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, wat beklaag ik u,--wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.

DE MEESTER, _met gramschap rondziende_.--Ik zal u straks spreken! (_Stilte_.) _Allons_, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (_Hij geeft eene pen en een pennemes aan Victor_.)

VICTOR, _met ongeduld_.--Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar buik?

DE MEESTER.--Snijd er maar stoutelijk door, Victor.--Geef ze maar eene goede snee.

(_Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk._)

VR. VAN LAER, _bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare armen_.--Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.--Ziet eens wat snee. (_Zij beziet den verbaasden meester met woede_.) Meester Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.--Dis is uwe schuld....

DE MEESTER, _met spijt_.--Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes, madam.

VR. VAN LAER.--Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (_Zij heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden_.) Kom aan, Victor.--Kom naar huis, mijn kind.

DE MEESTER.--Maar, madam, gelief....

(_Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit_.)

DE MEESTER, _pijnlijk en met diepe droefheid tot den leerlingen_.--_Eh bien_, serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen! _Trêtert_[41] mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, niet waar?--Geeft mij nu nog eene geraaktheid,--maakt mij lam aan armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult gij lachen, eh, monsters? (_Hij bedaart een weinig en zegt met neerslachtigheid_:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?--Hebt gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt om u te leeren....

EDWARD, _schreeuwende_.--Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met een strooiken aan heur gat!

DE MEESTER, _stampvoetend en met wanhoop_.--Ja, ja, ik weet het wel, gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,--een hoop ezels,--zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (_hij hoest twee of driemalen met pijn_.) Ja, nagels van mijne doodkist;--want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult krijgen, moordenaars! (_Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het op elf uren_!) Het is elf uren.--De school is uit!

(_De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen gedruis_.)

DE LEERLINGEN, _van alle kanten roepende_.--Hoera! Hoera! De school is uit!--Wie speelt er mee broekstavast?--Wie doet er mee in d'O? Wie heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]

DE MEESTER, _zijne deur toesluitende en het hoofd schuddende_.--_Aures habent et non audient_! Alweer twee leerlingen kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!

VOETNOTEN:

29: _Lawijd_. Gerucht.

30: _Pennekepik_. Ieder brengt ééne of meer pennen in het spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie eene pen aanpikt, wint ze.

31: _Aarzak_. Bedrieger, krakeelzoeker.

32: Goedkeuring of goede noot.

33: Schrijfboek.

34: _Okentrek_. Men schrijft een getal okens kegelwijs nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al de O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie te mogen raken.

35: Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.

36: Des middags niet mogen naar huis gaan. _Bakken_, voor straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.

37: Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met deze schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle zijde naar boven, dan heeft men _klontjen-trek_, en men trekt een getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle zijde naar boven, dan heeft men _witbier-zet_, en men is verplicht een getal krieksteenen in te zetten.

38: Een oud schoolboek.

39: _Frank_, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd.

40: Een Meikever of Molenaar.

41: Plagen, tergen.

42: Verschillende kinderspelen.

DE KWADE HAND

VERHAAL

Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die het menschelijk verstand te boven gaan,--voorvallen, die alle wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.

In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43] eene weeze van omtrent achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten der aarde.

Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44] gegaan, om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.

Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor haar stond en weder vroeg:

"Welnu, dochter, wat uur is het?"

Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:

"Acht uren."

Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:

"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"

Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia en ging haren weg--Onder de aanraking van het oude wijf werd het ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band klemmen.

Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden stortte.

Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.

Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin, roepende:

"Theresia is dood!"

Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde, begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar, roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en schudden.

Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden weenden.

Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:

"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"

Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.

Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde. In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde, op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder dat zij schreeuwen kon of opstaan.

Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de kamer waren ontvlucht.

Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles hielp echter niets:--de tooverheks ging voort met alle nachten het ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.

Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken zoovele ratelende beentjes.

Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet helpen kon.

Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen. Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht onophoudend ten gronde gevestigd.

Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende ondervragingen met zonderlinge stem:

"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"

"Ik weet het wel, man."

"Hebt gij niets op uwe _conscientie_?"

"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."

"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"

"Nog veel minder."

"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of vermaledijd hebben?"

"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg gestorven."

"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"

"Neen."

"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"

"Nooit."

"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het oude wijf u betooverd heeft."

"O, daar ben ik zeker van."

"Wilt gij verlost zijn?"

"Moet gij dit vragen?"

"Antwoord mij!"

"Ja, ik wil verlost zijn."

De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen onzichtbaren geest scheen te spreken.

Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt. Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om niet te hoesten.

Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:

"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u gelegd heeft."

"Is het de oude tooverheks, of niet?"

"Het is de oude tooverheks."

"O, ik weet het wel."

"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?"

"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."

"Is dit uw goed woord?"

"Ja."

De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:

"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor gegeven wordt."

"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."

"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis te betalen."

Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man gegeven. Hij hernam:

"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe, dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen: een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend ten venster uitvliegen.--Men behoort dat daarom open te laten. Er is niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."

Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:

"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond worden."

Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard en verliet de kamer.

In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar elders zich begeven had.

