Avondstonden

Part 7

Chapter 7 4,085 words Public domain Markdown

Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest. Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met scheldwoorden bejegend.

De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens deed doen.

De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis, die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en men deed hem vooraan op de knieën zitten; de knecht van den scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen wilde:--Meester, daar moet gij slaan!

Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het stuiptrekkend in de vuist wrong.

De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk liep:

"Gauw! Meester, gauw!"

Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht; gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden.

De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde.

Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de gewelddaden, die zij wilde plegen.

"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden.

De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil sterven, riep hij met krachtige stem:

"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"

Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt denkbeeld van verwarring en woede.

Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de volgende woorden in het oor:

"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog eens komt spreken; zij staat daar beneden;--volg mij!"

En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:

"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter de tweede mik!"

Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig inzicht deed Frans niet dan roepen:

"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam moeten wij hebben."

En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul moest zijn.

Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande, weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag, had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben, schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord van hetgeen er omging.

Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den grond.

"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.--Spoed u!"

Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen, altijd zijn slachtoffer voortsleepende:

"Zege, zege, hier is de beul!"

"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun toeroepende:

"Daar is de beul!"

"Slaat dood! slaat dood!"

En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde, van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas versmolten.--Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.

Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden geworden.

Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad onverwachts in zijne kamer.

De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard, scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op en riep:

"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood ... gij zijt dood, mijn zoon!"

"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid uit.

"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;--de hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...."

Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om zijn gevoel uit te drukken.

* * * * *

Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, die hij even teeder bleef beminnen.--En wanneer hij, ook oud zijnde, op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader.

DE GEEST

ZEDENSCHETS

Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. Elke straat heeft er hare _sage_ of _legende_, doch het is uiterst moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen. Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard.

Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor, zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon. De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.

Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; de eerste, die sprak, was:

KOBE.--Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2] poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel, _Snoef_[3] die trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekijë[4].

BALTE.--Die kan ekik.

FRANS.--Is dâ die va Hanefroeike?

Sus.--Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en[5] betooverd kornijn in, dâ diën brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka. Kunde gij het nie, Balte?

BALTE.--Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6] lampen veur nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander, as[8] ik ze maar wilde vertellen.

FRANS.--Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (_Zij trekken, wie eerst zal beginnen_.)

KOBE.--Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de' kelder onder de Vierschaer.

Sus.--Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van tooverhekse' of van spooke'[9].

BALTE.--Ah wel, 'k zal eulie[10] 'e waerachtig vertelsel vertellen, dâ gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't Fransch gezeed[11] _la pipe de lapin_.

KOBE.--Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.

BALTE.--Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat, _pertang_![12] Neen, _poes_ is 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe' Franschman uit de Mannekestraet: _voleur de poes, de kattendief_! Dâ wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie op de Chantjië gewerkt? Heeft eulie vader _gardechou_ geweest, he? Onder den tijd van de Marriene'?[13] Zwijgt nâ, zulle[14], want ik begin op e' nief[15]. Nâ-w-in die straet daer stond eens 'en huis mê vier _steugië_ zonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het paleis van 'ne keunink[16].

Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.

Sus.--Ah! ah! da zal schoon zijn!

BALTE, _gestoord_.--Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest tege'slag van den _eene'_ achter de straetpoort staen en begost[17] zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen _compassie_ mê kreeg.

KOBE, _met bange stem_.--Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne zucht gelaten hebt?

FRANS.--Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ kieken!

BALTE.--A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de keldermond.

--Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de geest niet dé[18] as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel!

Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat diën uit gierighad[19] ene groote schat had verbeurge. En ge we't wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld gevonde' weurd[20].

A's dâ nâ[21] zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene' keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.

Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, dat hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven.

Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd huis slapen!

Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, van alle spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd!

Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem[22]; 't is gedaen. Wâ moet ik u geven, vroeg hem.

Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol spijs en 'en goêi pan om mijn koeken in te bakke'.

Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,--en a's hem dâ gegeven had, trok Jan tege' den aved[23] mê zijn' _provisie_ in het huis.

A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' koekpot mê spijs in 'en kamer op d'eerste _steugie_, daer nog 'en tafel stond mê twee stoele'.

Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.

Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;--maer hij was toch nie' van zijne' center[24] en hij wist heel goed wat hem zé of dé.

Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.--Dan aen het kissen dat 'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't _Landswelvaren_:--zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.

Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om te draaije'.

Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet uit de schouw--en _pardoef_ in zijn' pan, en de koek in d'asse!

Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeét hem in zijn eige; 't is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan doen, op goê val hetd uit.

Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten hadde.

Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, dat uit de schouw gevalle' was.

Raed nâ toch eens wat datd het was?--Het was en doodsbeen uit 'enen arm!

Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke' ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel geleverd mê hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27] deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun' flauwzen!

Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er 'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan 'en de koek in d' asse!

Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê gegoeid hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' mensch nog nie' gerust laten ete'.

Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.

Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen oppakte en gelijk tege' de' muer aen _garzelemente'_ vaneen sloeg.

Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd 'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in--en dat duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel.

Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo ver als hem vliege' wou.

Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken op de tafel gezet om te gaen ete'.

Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.--Jan telde, en 't was twelf ure!

Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.

Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, en daer stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.--En hij was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge zijn ingewand door zijnen buik kost zien.

Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem verruerde, dan zag hem _pormentelak_ dat het 'ene geest was.