# Avondstonden

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/avondstonden-13595/index.md

"Nooit,--nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen vloek. Zou ik met u mij in den poel van schande en verachting trekken? O, neen."

"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw lot, en gij zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden. Gelooft gij, dat ik u wil laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op dezen stond! Ho, ik zal met betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel in mijnen geest, dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal beloonen."

Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag met verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn opofferde en zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten prooi geven. Ditmaal schetste een waar geluk zich op zijn gelaat, en een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij hief de oogen ten hemel en riep:

"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij eenen uwer engelen geschonken."

Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar voorhoofd het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der trotschheid zien blinken.

Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak gesleten hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht op zijne zuster en Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen afgemaakt was, begon het waken hem schrikkelijk te vervelen. Met zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij:

"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest aan Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome."

Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde hij echter den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam zijnen hoed, en zich bereidende om uit te gaan, zeide hij:

"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan."

"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want zoo gij misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar dan zal ik u bijstaan."

De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de deur om het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij wierp zich om zijnen hals en sprak de volgende woorden op nadrukvollen toon:

"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan wel!"

En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van haren minnaar in de straat galmen en vergaan.

II

Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.

Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter aanduidde.

Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:

"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"

"Ja, hij gaat daareven weg.--Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen, dat hij u wacht."

Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke vader op een bed lag uitgestrekt.

De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn hoofd had teruggetrokken.

Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zóó was het ook met den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet.

Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij met bevende en dorre stem:

"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn vonnis?--Zal ik beul zijn?"

"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats neme.--Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn, mijn ongelukkige zoon."

De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte:

"Het is dus morgen, morgen, vader,--dat de laatste hoop op geluk mij moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop..... Betaalde moordenaar! Moordenaar!"

"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden vergoedt."

Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:

"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden, wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers, bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt."

"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch nooit heb ik ze begrepen."

"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge uitstorten--en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten; want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal mij zelven verachten.--En geene hoop meer! Het moet zoo zijn."

"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende, "neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op de openliggende bladzijde."

Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep: "Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O, maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul; men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij, terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het slijk der schande begraven te worden?"

"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven vinden."

"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet. En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel terugvinden."

De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te begeven, zeide hij:

"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog éénen raad geven.--Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven. Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt, en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u verheffen;--en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het noodlottig werk te volbrengen.--Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over u."

Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:

"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"

In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien, bleef hij met beweeglooze oogleden zitten.

Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal hadde verlustigd.

III

Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met een koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier en daar door een gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der zuivere lucht werkte krachtig op de gemoederen der burgers van Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende personen, die de rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en eene menigte kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich boven de stad verspreid hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur, haren schoot ontsluitende, hun het leven had teruggeschonken.

Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om de Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen de prachtige vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het ALLERHEILIGSTE hen genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de steenen der markt en knielden vol eerbied neder. Terwijl al het blikkerend goud der kazuifelen en stolen de oogen der aanschouwers deed schemeren, kwam een statig gezang van zware mannestemmen de ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de menigte geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne verbeelding tot den woon van God op te klimmen.

Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden: eerst de broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge en oude Voetboog, en de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk gewaad en met blinkende wapenen.--Dezen ook voorbij zijnde, kwam er eensklaps eene onstuimige beweging onder het volk; iedereen deed geweld om zich grooter te maken en het hoofd boven de anderen te kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en een algemeene schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te kennen:

De omgang!--Daar is de omgang!

En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water, dreef langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den rug van het zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een teeken zijner machtige hand de twee waterbronnen, welke de walvisch wel dertig voet hoog uit zijne neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe de burgers lachend en gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen walvisch te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed heenkomen, hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende, stuurde dan den natten straal tot hen en stortte emmers water over hunne hoofden. Men geloove niet, dat zij daarom bedroefd waren; neen, zij juichten heviger en gaven geene acht op de schade hunner kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun baarde.

Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en oogen verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der hoogste huizen blikt. Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van Neptunus, Europa op den stier, de Parnassusberg met de Zanggodinnen, de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, het Koopvaardijschip, en meer andere schoone zinnebeelden.

Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel om vrienden of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en mits de omgang zeer lang was, klommen er vreugdekreten op uit alle bijzondere straten der stad. Onder den invloed van het zoete lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid genegen, hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun aangezicht blonk.

Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig hield en van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar onbekend ware, was er ergens een mensch, wiens leven steeds vol bitterheid geweest was, en die nu, eilaas, in den poel der smart zoo diep verzonken lag, dat hij den grond er van gevoelde.

De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend met de armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch, wiens spieren hunne veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die jongeling met de schoone zwarte haren, die aan zijn bleek gelaat zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij zoo oud geworden als zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken in verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,--schrikkelijk teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld geworden: zijne haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des gemoeds was zijn zenuwstel dermate gevoelig geworden, dat het minste gerucht hem deed beven; en telkens dat de klok van St.-Jacobs één uur meer uitriep, liep koud zweet hem van het aangezicht, en zijne witte haren rezen te berge op zijn hoofd.

Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen.

"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."

Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:

"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt schepsel zijn;--mijne handen zal ik in het bloed van mijnen evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,--eene vrouw, o, Lina, Lina!--indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed is besmet geweest!--Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand naar een mes uitgestrekt om mij te dooden--doch het scheen mij, dat uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb geweend totdat het mes mij ontvallen is."

Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:

"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen behelzen?"

"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.--Wat ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!

Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en omhelsde hem onder eenen tranenvloed.

"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?"

De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden. Hij sprak:

"Vader, o, vergeef mij,--ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan tegen den haat en de verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer, mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."

Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer, vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.

In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.

IV

Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper Herman moest gerecht worden;--men had het tot dit uur uitgesteld, uit hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.

Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede vertooning bij te wonen.--Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het vernietigen van den mensch verlustigt!

De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid en medelijden voor den veroordeelde.--Waarom? Om hunne hatelijke natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid verborgen ligt.

Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener onthoofding bij te wonen.--Het was een grievend vertoog te zien, hoe schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen, mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde lichamen pronkten.

Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden; maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde, hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest gebeuren.

Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein.

