Part 4
In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij haar hoofd en sprak knielend....
"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."
Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen. Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en schreiden met hartverscheurend snikken.
Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;--doch hij, die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee blinkende tranen uit zijne oogen.
"Rampzaligen!" zuchtte hij.
[Illustratie: Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.]
Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de knieën, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:
"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,--ik kus het stof uwer voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"
De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,--en tot de lijdende kinderen gaande, sprak hij:
"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over."
De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal. De heer Schippers hernam:
"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw, die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."
Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen, liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens huilend en riep met verpletterd wee:
"Eugène! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit meer zien...."
Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten, of hare kinderen nog omtrent haar waren.
De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer, waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te worden;--maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem het kind uit de armen.
"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,--gij, die den naam uwer moeder draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des doods!"
Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel gezonken waren.
"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe moeder nog eens, mijn arm kind;--gij ook verlaat mij, gij, mijn evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste schat.... Vaarwel, vaarwel!"
En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en deerlijk huilend vallen liet.--Na eenigen tijd met starende oogen, misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieën, met de handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme den knecht, die onmiddellijk verscheen.
"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugène, met Virginia, met Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."
De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.
"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart. God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel, de beproeving is nog niet gedaan.--Pieter, mijn vriend, ik verzoek u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen. Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu ken ik ze!"
De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar hart vervangen had.--Maar die blijdschap moest van korten duur zijn. Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond, en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing; zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.
U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan, indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de geneesheeren zich bevonden.
Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met haar kind op het tapijt.--Arme moeder! Zij had met een vluchtigen blik haren Eugène en hare Virginia gelijkt zien liggen.
Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek, en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende kracht:
"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;--gij ziet het, ik ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg mij, vergeeft gij mijne misdaden?"
De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:
"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u niet verlaten, vóórdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven gij vreest."
"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet, hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en onderbreek mij niet.--Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina. Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar, ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...."
"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.
"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel, dat ik mij onrechtvaardig heb toegeëigend, niet meer aanraken zal! En ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieën uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?--Het kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik vraag u geen woord,--slechts eenen kus van verzoening en vergiffenis,--en dat de Heer ons zie!"
De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er in die verzoening!
* * * * *
Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed; de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen en sprak weemoedig:
"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten heeft."
Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:
"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"
WEETLUST EN GELOOF
ZINNEBEELD
Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.
De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd; het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,--en alles bracht sombere gedachten in mijn hart op.
Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht, vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.
Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.
Het levend raadselwoord stond vóór mij!
Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam eens booms, door den storm ontworteld.
De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen vinger vooruit en sprak:
"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.
Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.
En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk _grondbeginsel_ gezocht.
Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was zwaar om te dragen.
Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem.
Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de dienst Gods zelf.
De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;--mijne wenkbrauwen zonken over mijne oogen;--twee breede rimpels verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende gepeinzen werden mijn aandeel.
Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben."
* * * * *
Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:
"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien de aarde uw hoofd tot zich trekt.
Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u niet verkwikken en ondersteunen,--dat gij weenend ten grave zinkt?"
"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent des menschens leven niet!"
Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op mijne wangen,--en alles lachte mij toe in de gulle natuur.
Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.
En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde ik.--Ik kon bidden en danken.
Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,--als het schitterend dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend verheft en uitdooft--om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te schijnen.
Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om het lijden te kunnen vergeten.
En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.
Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met de zielen der menschen geschapen was.
Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.
Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,--en ik riep mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig liefde in 's menschen hart is.
Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.
Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.
Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte water op mijne wangen.
En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.
Ho!--op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,--mijn boezem klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...
Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;
En het gapend graf ontving zijn lichaam,--en de koude aarde bedekte den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....
En het was voor eeuwig!
Dan zocht ik het geluk in de min.
Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,--en het arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.
Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.
En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.
Aan God dacht ik niet!
Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de wereld.--De zeise des doods liep over de aarde;
En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden geslagen.
Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieën zien liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.
Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds tweemaal op zijne lippen was geweest,
Dan bad ik den Heer om genade;
Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;--want eene afgrijselijke stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam.
Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne zinneloosheid.
De dooden hooren niet!...
Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!
Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem geledigd....
En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.
Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.
En ik bleef alleen in de wereld.
Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden.
En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking met de droefheidsstonden--waren als 1 tot 1000!
Ik riep spijtig en lasterend tot God:
Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen, opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...
En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart werd koud:
Geloof ontging mij gansch,--weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.
En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de lippen houden;
En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"
* * * * *
De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.
Zijn schedel helde zwaar voorover,--hij wandelde moeilijk en ging gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis.
Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber aandenken.
Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk mij te gemoet treden.
Doch ik had nog betrouwen in God.
Mijn oog ging smeekend ten hemel.
En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking weg.
Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking vroeg mijne ziel.
Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.
En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het beenderhuisje.
Dáár ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.
Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,--want eene magere en beenige hand raakte de mijne.
En de grijsaard stond weder nevens mij.
* * * * *
"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel raakte, "ziet gij daar dit hoofd?--Dit was mijn vader!..."
En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne stem.
En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.
Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen kleineren schedel en sprak:
"Ziet gij daar?--Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was hij,--en hij stierf toch.
Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.--Dit mijn vriend!...
Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk en mijne zaligheid!
Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het leven over.
Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.
En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel ook wit maken en bederven...."
Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene schaduw voorbij.
Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en zoo beminnelijk als de hoop zelve.
Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.
Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen op de aarde.
De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:
"O, kind, verstaat gij het leven nu?--Begrijpt gij nu dit raadselwoord van alles--_vernietiging_?"
"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"
Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God verlicht:
"Dáár woont het eeuwige raadselwoord van alles,--van leven, van dood,--van geluk en rouw!...
Ik ben ook door God bezocht geworden,--mij ook is een echtgenoot, een kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:--God."
Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.
Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.
En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.
Hij antwoordde: _Weetlust_!
En de vrouw op deze vraag antwoordde: _Geloof_!
Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte kon mij onder dat heilige scherm nog raken.
Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.
HET BEULSKIND
VERHAAL
I
Den avond vóór Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De diepste stilte heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond was.