Avondstonden

Part 2

Chapter 2 3,809 words Public domain Markdown

Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige vrouw zich tot haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn schilderbord, roepende:

"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij zijn rijk, mijn kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te halen, dat u in uwe ziekte ontbroken heeft!... En gij zult genezen, mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu zullen wij weer vroolijk leven!"

"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder arbeidt, geen gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het zien van uwen nood moest uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt. Het is God zelf, die daarom mijne zwakke hand bestierde!".

* * * * *

Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen het werk voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in bespeuren, waarom hem ook eene milde belooning geschonken werd. Hij kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij ter voldoening van iedereen afmaakte.--Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte printen te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en, alhoewel hem dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de hinderpalen, welke de kunst hem aanbood.

Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten huis gaan; maar dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te leeren, wat hem door de milde natuur niet geschonken was, dat hij, voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een befaamd schilder werd begroet.

Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een goed burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat zij, haren zoon den roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met zaligen vrede in zijne armen het leven ontging.

DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS

MIJMERING

I

(_Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene zitbank_)

DE BROEDER.--Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen kussen achter dijnen[1] rug leggen;--laat dijn hoofdeken ter zijde rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome verlustigen. Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren hunne kelken naar dijn aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste liederen aan....

Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang en murmelt zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in prachtigen purpergloed ... o, voels du niet, hoe de aangelokte zefier in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals dartelt en speelt?

DE ZUSTER, _zittende_.--Broeder, de natuur is schoon, niet waar? Alles lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op aarde! Waarom spreekt onze moeder mij dan immer van een schooner en gelukkiger vaderland? En waarom blinken er tranen in haar oog, als zij zegt, dat een beter oord mij wacht?

DE BROEDER.--Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele gesteenten met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit moeders oogen witte en zwarte waterparelen zien vallen. Zij betreurt dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, doch verblijdt zich, dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe.

DE ZUSTER.--Zal ik haast vertrekken, broeder?

DE BROEDER.--God alleen weet het, Rosa.

DE ZUSTER, _mijmerend_.--Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij! Hij heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe vroolijk ontvangt hem zijn schaterend huisgezin.... Als zijne jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge vaderland zijn, niet waar, broeder?

DE BROEDER, _met vochtige oogen_.--O, zuster, spreek zoo niet! Komt de Engel vroeger, du zals met hem gaan.

DE ZUSTER.--Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen.... Zal ik vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken?

DE BROEDER.--Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is dijn beeld en draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen geest.

DE ZUSTER, _de bloem aanschouwende_.--Arme roze, waarom dij zoo vroeg van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme zijn?

DE BROEDER.--Zij zal verwelken en sterven, Rosa.

DE ZUSTER.--Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven moet ik insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland!

DE BROEDER.--De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij zal hij lachend en minnelijk schijnen.

DE ZUSTER.--En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat zal er toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik?

DE BROEDER.--Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten in zijne armen, zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele juichend opstijgen tot God, die dij eene schoone plaatse in zijnen hemel heeft voorbereid.

DE ZUSTER, _na lang stilzwijgen_.--Broeder, ik voel mijne oogen verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou mij verkwikken.

DE BROEDER.--Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken bij dijnen zoeten slaap.

DE ZUSTER.--Niet zóó, broeder.... het kussen aan de rechterzijde. Dáár moet immers des Heeren engel staan?--Zies du niets gelijk eene zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds dáár misschien?

DE BROEDER.--Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen. Verjaag die bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn vermoeid hoofd ter ruste.

DE ZUSTER; _zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert gedachteloos de bloem op hare hand._--Ontwaak mij, broeder, als ik te lang mocht slapen.

DE BROEDER; _hij zit neder voor zijne zuster en weent._--Twee bloemen, die verwelken!--Arme roze, daar liggen nu dijne roode bladeren als bloedvlekken op de sneeuw harer handen gestort. (_De zuster beweegt hare hand; de rozebladeren vallen in het stroomend beekje_.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend beeld zoo juist!--Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren gul en blijde zien blinken en verdwijnen; maar nu,--kranslooze bloem op gebroken stengel,--nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den levensstroome te schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare ziel maakt zich los van het kranke lichaam, en misschien staat waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag toch die ziekte zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der maagden eene voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal dus met de engelen zingen voor des Heeren troon.... (_Hij buigt het hoofd en zwijgt_.)

VOETNOTEN:

1: Oudtijds, in plaats van _gij_, _u_ en _uw_, schreef men in het enkelvoud _du, dij, dijn_. Het is te bejammeren dat deze schrijfwijze is verloren gegaan, daar wij met _gij_, _u_ en _uw_ onze denkbeelden niet juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te worden, dat in den tweeden persoon enkelvoud men altijd eene _s_ zet achter het werkwoord, zoodat men schreef _du habs, du wils_, voor ons hedendaags _gij hebt, gij wilt_.

Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer mijmering, hebben zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud langzaam in de schrifttaal herin te voeren. Onze taal zal er in zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg uit onderhavig stuk zelf zal kunnen opmerken.

Ziehier hoe deze woorden verbogen worden:

M. V. O. 1. dijn, dijne, dijn, 2. dijnen, dijne, dijn, 1. van dijnen, van dijne, van dijn, of dijns, of dijner, of dijns, aan dijnen, aan dijne, aan dijn, of dijnen, dijne, dijn, of dijner, of dijnen. 1. naamval du, " dij, " dij, van, aan dij.

II

DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE

DE ENGEL.--Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?

DE DUIVEL.--Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.

DE ENGEL.--Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?

DE DUIVEL.--Is zij geene dochter Eva's?

DE ENGEL.--Zij is het.

DE DUIVEL.--Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland geschonken.--En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij deze ziele!

DE ENGEL.--Zij is rein, du kans ze niet raken.

DE DUIVEL.--Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? (_Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond de maagd; vogelen zingen op het geboomte_.)

DE ENGEL, _met droefheid en stil_.--O, du almachtige, verleen aan mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het verlies betreuren van het zoete maagdelijn!

III

DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.

HET MEISJE; _zij ontwaakt met eenen glimlach_.--O, God, wat is dit? Genezen! Wat zoete begoocheling!

Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; warm bloed stroomt mij door de aderen.--Waar ben ik toch? Alles is hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (_De duivel vaart in eene roze_.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!

DE ROZE, _waaruit de duivel spreekt_.--Zuster, ik kom en rust op dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als de jongste morgenstraal!

HET MEISJE.--Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?

DE ROOS.--Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer verlate!

HET MEISJE: _zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst_.--Blijf op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen boezem!... Roze, dijne doornen wonden mij! (_Zij werpt de bloem weg_.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (_De duivel verbergt zich in het beekje_.)

HET BEEKJE, _waaruit de duivel spreekt_.--O, du allerschoonste maagd, bekoorlijke Rosa!

HET MEISJE.--Wie sprak mijnen naam?

HET BEEKJE.--Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.

HET MEISJE; _zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld in den gladden waterspiegel_.--Hoe rozevervig zijn heden mijne wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch niet blanker dan mijn voorhoofd..... (_De duivel komt uit het beekje_.)

DE DUIVEL, _spottende tot den engel_.--Ha, ha, engel des lichts, du begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen gemoed,--ijdelheid en liefde? Één sleutel heeft reeds den boezem der maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart!

DE ENGEL.--Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.

DE DUIVEL, _met woede_.--Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;--ja, daar verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht.... Let op, ik ga dij werks leveren! (_Hij keert terug in het beekje_.)

HET MEISJE, _in de beek ziende_.--Lief beekje, heeft dijn zilveren plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?

HET BEEKJE.--Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne boorden,--voor haar knielden,--om eenen blik harer oogen smeekten en voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"--En toch, engellijke Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! (_Zij verlaat het beekje_.)

HET MEISJE; _zij blijft lang in mijmering verzonken_.--De schoonste zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!... Maar, wat zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne krankheid;--zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk....

DE ENGEL, _met diepe droefheid_.--Rosa, hebs du gansch dijnen goeden vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?

HET MEISJE.--Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne stem nu zoo treurig?

DE ENGEL.--Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden.

HET MEISJE.--Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?

DE ENGEL.--Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.

HET MEISJE.--Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?

DE DUIVEL.--Ha, ha, wel gezegd!

DE ENGEL.--Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en snelle voeten,--den zwane den ranken hals,--den pauwe het gulden vederkleed,--der duive de zoete oogen,--den nachtegale het bekorend lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?

HET MEISJE.--Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de lichaamsschoonheid, door God mij verleend.

DE DUIVEL, _tot den engel schertsend_.--Engel des lichts, eindig toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren?

DE ENGEL, _tot het meisje_.--Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.

HET MEISJE.--O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch mij ontbreekt de macht.

DE ENGEL, _tot den duivel_.--Achteruit, du verleider, dijn looze strik gaat breken! (_Tot het meisje_.) Rosa, du hebs een gelaat, een lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne dezer twee schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds du kiezen?

HET MEISJE.--O, ik behielde immer de zieleschoonheid.

DE ENGEL.--Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne lichtkroon in den hemel blinken!

DE DUIVEL.--Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke liefde.

IV

DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.

HET MEISJE.--O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt den goeden God zelven,--het lichaam alleen den mensche.... (_Er komen twee tortelduiven op een wilgetak zitten_.) Gij, lieve tortelkens, ik wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.

DE DUIVEL, _tot de duivinne_.--Tot wanneer, o wreede, zals du ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van steen?

DE DUIVINNE.--Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du goede, trouwe vriend en beschermer.

DE DUIVEL.--Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; een ander vuur verteert mijn ingewand. (_De duiven vliegen weg_.)

HET MEISJE.--Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik begreep hem niet;--hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,--en dan is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....

DE ENGEL, _tot den duivel_.--Mislukt is dijn aanslag op het spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!

DE DUIVEL.--Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien! (_Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan_.)

HET MEISJE; _zij ziet eenen jongeling naderen_.--Wie komt daar? O, hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!

DE DUIVEL, _in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat_.--Rosa, hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?

HET MEISJE.--O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft gedeeld.--Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine gezellinne niet vergeten?

DE DUIVEL.--Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.

HET MEISJE.--Waarom toch?

DE DUIVEL.--Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden met mij, of ik sterf? (_Hij vat hare handen driftig in de zijne_.)

HET MEISJE, _verschrikt_.--Los, los! dijne handen branden als vuur, dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen zielevrede.

DE DUIVEL.--Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O erbarmen, erbarmen! (_Hij knielt voor haar_.)

HET MEISJE, _medelijdend_.--Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten verlichten, ik deed het gaarne.

DE DUIVEL.--Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat du niemand boven mij bemins.

HET MEISJE.--Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.

DE DUIVEL.--Het zij zoo, bemin dijne moeder.

HET MEISJE.--Ik heb eenen broeder.

DE DUIVEL.--Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils zijn, dat du niets anders boven mij bemins.

HET MEISJE.--En zoo ik het zegge, Lodewijk?

DE DUIVEL.--O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne liefde!

DE ENGEL.--Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen God?

HET MEISJE.--O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme vriend; zou ik hem niet troosten?

DE DUIVEL.--Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.

HET MEISJE.--Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te vergrammen.

DE DUIVEL.--O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!

DE ENGEL.--Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!

HET MEISJE.--Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?

DE ENGEL, _haastig_.--Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.--In den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen voor dijne zaligheid heeft vergoten....

De DUIVEL.--O medelijden, medelijden met mij!

HET MEISJE.--Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!