Part 11
"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ planten?"
Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit, zeggende:
"Dat zijn weerkens, eh?[52]"
M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en herhaalde als met gramschap zijne vraag:
"Waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ toch planten?"
M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende gesprek:
BIELENS.--Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit met rijp oordeel beslissen.
FRUYTS, _blijmoedig_.--Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet wat bloemken mijne _Striata Formosissima_ is. Niemand heeft haar in honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53] ditmaal eens kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.
BIELENS.--Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?
FRUYTS.--Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder geweest.
BIELENS, _invallende_.--Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan nog meer met uitstel plagen?
FRUYTS, _hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen_.--Zie, Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.
BIELENS, _in het boeksken lezende_.--"N° 756, _British Queen_, Well's.--Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu vastgesteld na Paschen."
FRUYTS, _in gedachte dwalende_.--Dit moet eene schoone bloem zijn, eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken aan! Raadt gij mij hem te koopen?
BIELENS, _met ongeduld_.--Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze kinderen na Paschen, ja of neen?
FRUYTS, _hij schudt het hoofd met spijt_.--Wel ja, ja zeker. Zijt gij nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de _British Queen_ nu koopen, zeg?
BIELENS.--Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe dochter wel een rond sommeken medegeven?
FRUYTS.--Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand gegeven.--Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder gehaald, Bielens?
BIELENS.--Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien gelegd.--Ik ga _boeturen_[54].
FRUYTS.--De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.
BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?
FRUYTS.--Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden dan _ja_. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, wees gerust. Tot namiddag.
Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord, daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering deden gissen.
"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte kramer. Ik zou beschaamd zijn!"
De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak met bevende stem:
"Den sleutel, zeg ik!"
"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. Dáár is de sleutel."
M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen ouderdom.
Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen bloei, in hoogste praal! Daar staat _Miss Colt_, de satijnen roos, daar _Conqueror_, het fijn geplooid bruin fluweel; hier _Fireball_, de gloeiende vuurbol, en de tweekleurige _Nonpareil_; verder de gulden _Topaas_, de zilveren _Virgin Queen_ en de zwarte _Sambo_. Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt, doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem, dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!
De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den kelder, op de hoogste schab stond,--en sprak mompelend:
"Dáár, in dat houten baksken, ligt mijne _Striata Formosissima_ zoo gerust op een bed van zemelen te slapen. _Striata Formosissima!_ edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de _Striped perfection_ niet zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe uwe bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij durven de doffe vlekken van _Striped perfection_ bij uwe anjelierische bestreping vergelijken[55]. O, zij dwalen: de nijd verblindt hen; maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal wegrukken...."
Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen laten, om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge verloofde van Bielens zoon was juist uit de stad te huis gekomen. Daar zij voorbij de woning van haren toekomenden man gegaan was, twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige woorden van zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet, of zij voegde er haastig bij:
"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen. Zult gij hem wat helpen?"
De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer dochter en antwoordde:
"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan komt het er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig met zijne Dahlia's uit den kelder te halen."
Dit nieuws scheen de dochter te verheugen.
"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?"
"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw glimlachend op. "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,--wees daar niet bang voor. Ik zeg toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een eerlijk burgerskind; hij past op en heeft al eenen goeden trek op zijn kantoor.--Gij hebt u beiden altijd braaf gedragen. Ja, ja, na Paschen."
Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich stil en overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort eenig klein huiswerk te verrichten. Weinig tijds daarna verscheen Frans Bielens, gekleed als een jong heerken, tamelijk fraai van gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. Ternauwernood kon men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met eenen lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder zeide:
"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn tevreden; gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het hangt dus van M. Fruyts alleen af, ons blijde en gelukkig te maken. Heb de goedheid hem voor mij een oogenblik gehoor te verzoeken; ik zou hem gaarne alleen spreken."
"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder schertsend. "Ik zie wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten worden. Gij hebt gelijk, het is dat gij elkander bemint. Wacht een weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan roepen."
Zij naderde de kelderdeur en riep:
"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!"
Een gemor, dat wel op een _ja_ geleek, antwoordde op haren roep. Zij verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende:
"Hij zal terstond komen."
Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de verschijning van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder een groot gerucht: het schijnt, dat men een paar ledige flesschen tegen den muur aan stukken slaat; de schabben worden krakend van den muur gerukt, en van den eenen kant naar den anderen geworpen. Het is er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de stem van M. Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in grievende galmen klinkt de naam van _Striata Formosissima_ herhaalde malen de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der bevende gelieven klinken.
Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man over zijn breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en hetgeen zij ziet, belet haar te spreken.
Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van Fruyts. Zijn haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn half hemd is uit zijn ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe hij in zijne borst moet gewroet hebben; zijne broek is bedekt met slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen kleven nog de stukken der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. In de eene hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende kracht een stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn gelaat getuigt van de uiterste wanhoop:--de wenkbrauwen over de ogen gezonken, de hoeken van den mond stuiptrekkend naar achter, en de bloote tanden opeengesloten als van iemand, die bijten zal.... Met schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit en stuurt zijn gezicht in het wilde rond.--De vrouwen staan verbaasd en sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder met de handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze is verbitterd over den gekken toestand, in welken hij zich nu geplaatst ziet. Gewis kan hij de oorzaak er van raden, want een grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. De vrouw begint de verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw:
"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te slokken?"
De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt niet.
DE MOEDER.--Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (_Zij verzacht hare stem spottend_.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe hand gevallen? Och arme!--Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor zulke vodden?
DE DOCHTER; _zij wil den arm haars vaders vatten_.--Och, vader, wat is er gebeurd? Zeg het aan mij.
DE VADER; _hij stoot ze weg_.--Laat mij gerust! Spreek mij niet aan! Uit mijne oogen! (_Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar zulken geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt_.) Lomp, lui beest! Gij tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen of gij krijgt eenen steen aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost geven?
DE MOEDER, _met gramschap_.--Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot? Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden te doen? (_Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en snauwt hem toe_.) Zijt gij van zin er uit te scheiden met die belachelijke komedie, of ik zal u eens aan de deur zetten, hoort gij het?
Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde zijne vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij sprakeloos door de kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het oogenblik zijner verkoeling afwachtten. De ongelukkige liefhebber sloeg zich van tijd tot tijd met de hand voor het hoofd, en scheen aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. Dan, hij kon echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij uit:
"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker vermaak scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar ik zal uwen lekkeren vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia in zijn hof houden, al moest ik dieven betalen om ze te gaan aan stukken stampen."
DE JONGELING, _met spijtige kalmte_.--Ik weet niet, Mijnheer Fruyts, dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede vrienden!
DE VADER, _bitsig_.--Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet aandoen.
DE JONGELING.--Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan, Mijnheer Fruyts?
DE VADER.--Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's niet doen sterven--uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille, die hij won, niet van mij gestolen, zeg?
DE JONGELING, _verwonderd_.--Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen sterven? Dit wist ik niet.
DE VADER, _met klimmende woede_.--Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?--En is het zijne schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?[56]
DE JONGELING.--Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen; maar gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen hebben zijne Dahlia's ook afgebeten.
DE VADER, _bulderend_.--Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij dan de medaille gewonnen, zeg?--Valschheid en bedrog, ja! Maar dit was al lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij mij duur betalen. En zeg hem maar:--van nu af aan geene vriendschap meer; en gij, die den stille en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar uit mijn huis blijven.--Als mijne dochter u nog durft aanspreken, steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. (_De dochter begint te weenen_.)
DE MOEDER, _met spotternij_.--Maar hoe kan een mensch van vijfenveertig jaar toch zoo zagen!--Wanneer zullen wij nu eens weten, wie er dood is?
DE VADER.--Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet. Dat weet _ik_, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten. Tien jaren verkorting van mijn leven!
DE JONGELING.--Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw ongeluk mijn vader u veroorzaakt heeft?
DE VADER, _in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne oogen_.--Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat hij wel kon denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar, o schelmerij! (_Hij geeft aan zijne stem een fleemenden toon_.) Jan, zegt hij met eenen loozen treek, Jan, leg uwe _Striata Formosissima_ in eenen bak met zemelen; dan zal zij goed droog blijven.--En wat is er geschied?--Zie, ik kan mijne gramschap niet bedwingen....
DE VROUW.--Welnu, wat is er geschied, zageman?
DE MAN, _met droefheid_.--Wat er geschied is! Luister, wat verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest opgegeten waren, hebben zij mijne _Striata Formosissima_ ook opgeknabbeld. Weet gij het nu?
DE VROUW, _hem uitlachende_.--Wel, wel, is het anders niet? Blijven er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo te werk gaan en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk uwer dochter overgebeten hebben?
DE VADER.--Anders niet, anders niet! (_Tot den jongeling_.) Mijn huis uit, flierefluiter.--Gauw!
DE DOCHTER, _weenend_.--Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt beloofd, dat wij mochten trouwen.
DE VADER.--Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,--met den valschaard, die mijne _Striata Formosissima_ aan de ratten overgeleverd heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den bult van Okeren.
DE MOEDER.--Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens kort spel mede maken. (_Zij vat haren man bij den schouder en zet hem ten huize uit. Zij sluit de deur toe_.)
M. Fruyts bleef eenige oogenblikken vóór de deur staan; doch ziende, dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen naar de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te planten. Hij hield nog altijd het stuk wortel van zijne _Striata Formosissima_ in de hand, en wrong het stuiptrekkend tusschen zijne gespannen vingeren. Zijn hoofd hing krachteloos op zijnen schouder; zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de Dahlia's-plek gekomen, overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk wortel, dat hij onder zijn gezicht bracht:
"_Striata Formosissima_! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie mijne vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene medaille zal ik hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de ratten geweten, dat iedere beet, dien zij u toebrachten, een beet in mijn hart was! Hadde ik het kunnen voorzien, ik hadde mijnen kelder opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende dieren te verzadigen. Maar te laat is dit beklaagd,--gij zijt voor mij verloren. O ramp!"
En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk wortel over het wijde veld.
Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend, door de paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien dag weigerde te eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de gebeden zijner dochter, al de berispingen zijner vrouw hadden geene macht genoeg om hem in huis en bij het vuur te doen komen.
Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te midden van zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne tanden klapperen. In deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te gevoelen over de barschheid, met welke hij zijne dochter en den jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, dat men hem onder de Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het hoofd opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm tot zich zag komen.
Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:--de deur uit, gauw!--maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem een gevouwen briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem aan en ontvouwde de plooien met eenen spottenden grimlach.
Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M. Fruyts? Wat roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht, die zijne borst ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke tijding.--Hij leest:
"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik heden aan den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de echte _Striata Formosissima_."
Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten bloemenkweeker.
"Gij bezit eenen wortel van de _Striata Formosissima_!" riep M. Fruyts in verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is waarheid! Laat zien dien wortel!"
Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier en het mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo zoeten glimlach, dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze betasting vond.
"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene _Striata Formosissima_."
Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat.
"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia hebt, gij kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert."
"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer V---- sedert vier dagen een wortel van de _Striata Formosissima_ gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden uitslag mijner pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was. De heer V---- heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand bezit hem nu in de omstreken, misschien niet in België, dan ik alleen. Zoudt gij hem van mij willen aanvaarden, als een bewijs mijner mededeeling in uwe droefheid?"
Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts; hij deed eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de eene hand tegen zijn hart, terwijl hij met de andere den jongen Bielens naar het huis voorttrok. Hier zat de dochter bij de stoof te weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. Vrouw Fruyts rustte met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van aantrekkelijk te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:--"Zijt gij daar, flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht gevende, hief den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend:
"Hoera! Hoera! Ik heb mijne _Striata Formosissima_ weer! Toe, vrouw! laat ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw eene goede flesch uit den kelder,--van het patersvaatje! En gij, mijne lieve Trees," sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende, "vergeef mij ook, mijn kind, dat ik zoo boos ben geweest.--Kom hier, Frans, mijn zoon!"
Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep:
"Vivat _Striata Formosissima_! Leeft lang en trouwt na Paschen!"
VOETNOTEN:
45: Een gewichtig verdrag tusschen België en Holland.
46: Dianthus Caryophyllus.
47: Lychnis Dinica.
48: Aquilegia--Paeonia--Dianthus barbatus--Digitalis pupurea--Cheiranthus--Astrantia--Campanula--Anthirrinum--Lilium--Primula Auricula.
49: Galanthus Nivalis.
50: Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en vele mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen komen, zooals zij zijn moeten.
51: Allerschoonste gestreepte.
52: Dit is een fraai weder.
53: Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk Dahlia's-liefhebbers wonen.
54: _Boeturen_ beteekent: jonge Dahlia's kweeken bij middel van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt.
55: Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus of Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd.
56: Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol (Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met paardenmest gevet zijn.
EINDE