# Avondstonden

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/avondstonden-13595/index.md

Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.

Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.

Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der vlam....

Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten. Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:

"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!--O, neen, neen, scheur mijn hart niet met uwe nagelen.--Geef mij den slag van gratie, dat ik sterve!"

Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken had:

"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, dat ik niet wil,--ik zal den ouden man verjagen...."

Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.

Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.

Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te verroeren.

Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit rog of vloot gekookt was geworden.

Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven, vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.

Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te laten vinden.

Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw gebonden, op wat stroo te slapen.

De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende ledematen.

Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het overige wierp hij in den ziedenden ketel.

Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:

"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren of zien moogt!"

De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk gevestigd.

Nog vijf minuten!

In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren; de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.

Nog twee minuten!

De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk gevestigd, stond hij gereed om te steken....

Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, als van iemand, die met eenen stok gaat.

"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek overhoop nedervielen.

De deur ging open.--Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de hand.

Nog ééne minuut!

"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.

"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.

"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de geneeskunde uit. Dit is verboden."

De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf uren ging slaan.

"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of gij doodt iemand met uwe handen!"

"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"

Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...

Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is dood!"

Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de deur ingeloopen, roepende:

"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"

De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later tot eenige maanden gevangenis verwezen.

--Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken; want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde betoovering?

VOETNOTEN:

43: Eene gemeente bij Antwerpen.

44: Eene gemeente bij Antwerpen.

STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS

ZEDENSCHETS

Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn, alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.

Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend een toets dienen in deze beschrijving.

Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué, de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in. Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet; en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van buiten kent,--en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen, maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.

Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: "Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de Dahlia?"--Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45] zijn aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal ze zeker onder den voet geloopen hebben:--dit zou spijt zijn!"--Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"

--Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.

--En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts _enkele_ bloemen als starren geeft,--dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,--dat deze plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen kruidenhof,--dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 verkreeg, enz.

Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, gedurende zijn gansche leven, het _goeden dag_ weigeren.--Hij, die anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft toegesteld.--Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de geurrijke Anjelier[46] vertrapt hij met voeten; de overvloedige bloemende Wolroos[47] geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat uit de ontwortelde planten van Okulei,--Pioen,--Tuiltje,--Vingerhoed,-- Violier,--Beverken,--Veldklok,--Knaptand,--Lelie,--Brikel[48] en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid gehaat.

Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat de _Marmot_ een dier is, dat gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier: zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en springt den hof in.

Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve Sneeuwzotteken[49] met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft, als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:

"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu gaan wij weer leven!"

De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat in een ander vertrek, zonder nog te spreken.

De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de razernij der Dahlia's.

U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.

M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als volgt:

"_Anna Maria_ plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, met muizenoorkens en met purperen punten. _Buonaparte_, met haren stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens _Waterloo_ met hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik _Défiance_ nog planten? Die Dahlia _doet het bijna nooit_[50]. Het is anders nog al eene aardige: chocolade met melk.--Ik zal haar in het midden zetten met _Englands pride_, _don Carlos_, _Formosa_ en _Hortense Knyff_. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet ik mijne _Striata Formosissima?_[51] Ik mag daar niet losselijk over beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers moede gezien, eer zij aan mijne _Striata Formosissima_ komen. Dit mag ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"

Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen heeft.

