# Auvergne De Aarde en haar Volken, 1906

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/auvergne-de-aarde-en-haar-volken-1906-13999/index.md

Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag door. Den volgenden ochtend vroeg zou ik uitgaan op eene wandeling in den omtrek en de bestijging van den Puy de Dôme. Daartoe wenschte ik, gelijk ook voor de verdere reis, eenige nadere inlichtingen te hebben en begaf me naar het kantoor van het "Syndicat" (Vereeniging ter bevordering van het vreemdenverkeer) van Clermont. Al mijne vragen werden voorkomend en beleefd beantwoord, en de inlichtingen bleken naderhand geheel juist te zijn. Kaarten kon ik niet koopen, maar men gaf mij 't adres van den besten winkel voor die zaken op. Doch eene fout mag ik niet onvermeld laten. Men ontraadde mij een diligence-rit over Beaumont naar Montdore, en beval mij aan om per spoor tot Issoire en van daar per diligence naar Montdore te gaan. De beide routen zijn goed, maar 't bleek me later op de diligence, onder een vriendschappelijk gesprek met den koetsier, dat de aanbevolen rit eene onderneming van het Syndicat was, en de rit over Beaumont eene van een mededinger te Montdore. 't Is te betreuren dat zulke syndicaten zich niet buiten dergelijke ondernemingen houden; zij verliezen daardoor het zoo hoog noodige onzijdig karakter. Onder het gesprek met den beambte van het syndicat bleek mij ook, dat voetreizigers hier tot de uitzonderingen behooren; in den tijd der auto's krijgen ze een al te sterke ouderwetsche tint. Ik ontmoette dan ook op den geheelen tocht geen collega's en in de meeste hotels (herbergen) werd ik duidelijkshalve als "le Touriste" aangeduid.

Behoorlijk uitgerust met eene kaart, uitgave van het Ministère de l'Intérieur, toog ik er den volgenden ochtend op uit; van Clermont den weg naar Royat op, naar Chamalières en van daar langs voetpaden naar Villars. De omgeving was mooi, maar de wegen waren ongemakkelijk en hier en daar bitter slecht onderhouden. Gunstig stak daarbij af een deel van eene oud-romeinsche heerbaan, die me tot Villars bracht; het is een stuk van den ouden weg van Clermont naar Limoges. Aan weêrskanten een flink verhoogd voetpad; de rijweg belegd met regelmatig behakte, langwerpig vierkante lavablokken, trots de eeuwen van zijn bestaan nog een voorbeeld hoe wegen gelegd moeten worden. Van Villars loopt het pad verder over La Baraque, maar men kan ook door het dorpje Cheix gaan, al naar dat de vele kronkelingen er u heenleiden. Ik trof onderweg een vriendelijk oud vrouwtje uit Cheix aan, die mij in de hitte niet verder wilde laten gaan, eer ik bij haar eene verfrissching had gebruikt. Na Cheix heeft men nog een aardig kijkje op het dorp Orcines en gaat dan over den straatweg voorbij het kruispunt Le Font de l'Arbre naar den Col de Ceyssat. Gedurende die wandeling heeft men den Puy de Dôme steeds rechts voor zich en begint het hoe langer hoe duidelijker te vinden hoe hij aan dien naam kwam. Op den Col de Ceyssat staan een drietal herbergen, die zich alle drie met den naam van hotel tooien, en waar men u keur van maaltijden aanbiedt. Men heeft dan nog 432 M. te klimmen, en hoe de meeste reizigers er toe komen om daar eerst een dejeuner te gebruiken voor men met klimmen begint, wilde mij niet recht duidelijk worden.

Het pad naar den top (1465 M.) is vol afwisseling en een aangenaam bergpad. Eerst door weiden, spoedig in dennenbosch, om later wat steiler, over en langs rotspartijen, boven te komen. De uitzichten worden bij elke kronkeling in het pad mooier, en hier en daar is voor eene bank gezorgd. Men krijgt spoedig den indruk dat geen der bergen daar hoog is, het uitzicht gelijkt meer op eene vlakte met heuvels.

Bij Villars was ik reeds langs eene _cheire_ gekomen; dat zijn oude lavastroomen, die, nog onverweerd, volkomen onvruchtbaar bleven. Wanneer men er zoo van boven opziet en de kronkelingen waarneemt,--de gladde, bruinroode oppervlakte spiegelt zelfs hier en daar in de zon,--dan krijgt men eerst voor goed den indruk van zoo'n lavastroom, en heeft men een voorproef van de vele overblijfselen van het vulkanisch tijdperk in Auvergne. Hier en daar langs het pad ziet men ook rotsblokken op en door elkaar, die u doen denken aan uitgebrande steenkoolslakken. In deze omgeving maken ze echter meer den indruk van merkwaardig grillige vormen, dan van vulkanische overblijfselen.

Boven op den Dôme is ook eene cantine, waar het eenvoudige maal zeer goed smaakt.

Op het hoogste punt staat het meteorologisch observatorium, dat als eerste plaats van waarneming van dien aard in Europa, in 1876 ingewijd werd. In 1648 had de Puy de Dôme reeds gediend om uit het verschil in hoogte van eene kwikkolom den druk der atmosferische lucht aan te toonen. Périer nam de proef op verzoek van Pascal. Nu bevindt er zich, in ruime gebouwen, de meest volkomen inrichting tot het doen van allerlei weerkundige waarnemingen. Het merkwaardigste van den Puy de Dôme is echter de tempel van Mercurius, helaas wat te veel een bouwval. Hij werd in 1874 ontdekt, toen men begon te bouwen aan het observatorium. Eene heerlijke plek hebben die romeinsche bouwheeren uitgezocht; het moet een treffend gezicht zijn geweest van uit de vlakte, toen die gebouwenmassa zich daar verhief. Mij dunkt, de bewoners van het dal hadden in de oude dagen grootscher uitzicht op dien heidentempel daarboven, dan wij nu hebben van de hoogte af op de cathedraal van Clermont, wier fijne omtrekken door den afstand geheel verdwijnen, en wier twee slanke torens maar een onbeduidenden indruk maken.

Van den Puy de Dôme heeft men een prachtig uitzicht op het hoogland van Auvergne; de Franschen noemen het met groote ingenomenheid "une des plus curieuses du monde". Zonder hen dit na te zeggen, want de heele wereld heb ik niet gezien, geef ik hun gaarne toe dat het bijzonder mooi is. 't Geen er vooral aantrekkelijk van is, is het neerzien op de uitgebrande vulkanen van de bergketen, met hunne kraters, zoo duidelijk zichtbaar, en op de zoo even reeds besproken lavastroomen. De geheele vlakte van Limoges ligt voor ons, noordwaarts schijnt zij onbegrensd; naar het oosten toe loopt ze op tegen de hoogten van Forez. Men zegt dat bij gunstig weder de Mont-Blanc van hier zichtbaar is,--maar ik had het genoegen niet. In het Zuid-oosten de bergen van Livradois en de ketens van Velay. Zuidelijk de omtrekken van de Mont-dores en westelijk de granietruggen van Limousin. Noordwaarts omlaag ziende, heeft men vlak aan zijne voeten een ouden krater, de Nid de la Poule; rechts den Puy de Dôme, de groote en de kleine Suchet, en weêr meer links den Puy Pariou en den Puy des Gaules, waarvan men duidelijk de vroegere krateropeningen waarneemt. Men denke zich echter daarbij geen woest tafereel en geene wildernis; de vulkanen zijn allen met gras begroeid, hier en daar met boschpartijen; de valleien zijn akkers en de kraters vruchtbare weiden. Dat men aan een dier kraters den naam van het hoendernest gaf, komt zeer begrijpelijk voor. De wetenschap kan hier van vulkanen en kraters spreken; de toerist heeft voorloopig nog het geloovig toekijken.

Ik bleef nog lang boven, om goed thuis te komen in de verschillende toppen en hunne onderlinge ligging.

Bergafwaarts volgde ik denzelfden weg tot aan Le Font de l'Arbre, maar stak daar den straatweg over in de richting van Fontanat, een schilderachtig dorpje, waar ik geene levende ziel tegenkwam en daarom met te meer aandacht de aankondigingen van het gemeentebestuur las, voorschrijvende dat men rechts moest loopen en dat rij- en voertuigen niet draven mochten. Waarschijnlijk maakte die gemeente zich weerbaar tegen auto's. Voorbij Fontanat werd de weg zeer lommerrijk en in de nabijheid van Royat, langs de oevers der Tiretaine, zeer schilderachtig; hier en daar watervalletjes, prachtige boomgroepen, kastanjes vooral, frissche boomgaarden, heerlijk groen en diepe schaduw.

Royat is een der sierlijkste badplaatsen van hoog-Auvergne. Van Fontanat afdalende, komt men eerst in de oude stad, beroemd om zijne vestingkerk. Omstreeks de 13de eeuw werd zij tot eene versterking omgebouwd, iets dat men toen meer deed. Een zonderling gezicht zoo'n kerk met schietgaten en kanteelen boven het dak uit. Men had vooral die versterkingen geheel gerestaureerd, en nam daartoe de steensoort waaruit de kerk indertijd opgetrokken was, een materiaal dat men in den naasten omtrek nog voor 't grijpen had. Mij scheen het toe, dat de ligging der kerk haar weinig tot verdedigingspunt eigende, en ik voelde de booze verdenking bovenkomen, dat hierbij meer aan de fantasie van den bouwmeester gedacht moest worden, dan aan den drang der omstandigheden. Ook de steenen der restauratie waren fantastisch, want ze waren nog niet met het stof der eeuwen overtogen, en vertoonden nog de grillige vlammen van pas uitgehakte lava. Dat ontnam aan 't geheel de stemming. Het nieuwe Royat, de badplaats, is zeer sierlijk en vol levendig en weelderig gedoe, maar heeft geen bijzonder karakter. Ik keerde per tram van Royat naar Clermont terug.

De volgende dag was bestemd voor den tocht naar Montdore; eerst per trein tot Issoire, en dan per diligence (_car alpin_)naar Montdore. De reis was te ver om te voet te worden afgelegd.

Van plaatsbeschrijvingen van streken die men per spoor doorvliegt, ben ik geen vriend. De snelheid waarmede 't eene 't andere opvolgt kan in den regel niet dan verwarde algemeene indrukken geven. Daarom slechts de vluchtige opmerking, dat de weg schilderachtig is, vooral wanneer men de rivier de Allier kruist of op korten afstand de oevers volgt. Bij de stadjes, die men langs komt, heeft men nog eene sierlijke hangbrug over de rivier. Men komt voorbij Vic-le-Comte, voorheen de hoofdplaats van Auvergne, waar de bloedigste tafereelen uit zijne middeneeuwsche geschiedenis afgespeeld werden. Dan voorbij Coudes, met bouwvallen van abdijen en kasteelen, verlaat dan de Allier weder en komt in de vlakte van Issoire. 't Speet me zeer, dat ik geen tijd had om te Issoire de groote kerk te gaan zien, die veel overeenkomst heeft met de Notre Dame du Port te Clermont, doch deze in afmeting en versiering overtreft, maar de car alpin waarmede ik naar Montdore zoude rijden, staat aan 't station klaar, en hoewel de postillon op de vraag of er plaats was, antwoordde dat er alleen gebrek aan reizigers was, werd de reis met groote overhaasting aanvaard.

Een plaatsje naast den postillon werd door mij ingenomen, en spoedig vernam ik van hem, dat ik maar 10 K.G. bagage vrij had, en dat mijn handkoffer wel meer zoude wegen, maar dat hij zoo onheusch niet was, om daar dadelijk op 't kantoor over te spreken. Alweder het oude type, door dezen jongen man ten tooneele gevoerd; in één opzicht evenwel verschillen die heeren daar, van het bij ons inheemsche soort. Zij staan in de eerste plaats op den titel van postillon; koetsier is hun wat min. En dan, ze zijn wondergraag met monsieur aangesproken. Dat was me al meer opgevallen, een tramconducteur hoort ook gaarne monsieur, ze laten dit spoedig merken; en wanneer men den koetsier van eene car alpin of gewone diligence maar altijd met monsieur aanspreekt, dan behoeft de fooi later nog niet eens zoo heel ruim te zijn, om op voorkomendheid, ook aangaande het overwicht van den koffer te kunnen rekenen. Niet dat die vrienden hooger geacht willen worden dan zij zijn, maar ze zijn gaarne even hoog als ieder ander.

Bij het verlaten van Issoire stijgt de weg westwaarts langs den linkeroever van de Causse d'Issoire. In 't verschiet teekenen zich de omtrekken der Dore-bergen tegen den gezichteinder; rechts verheffen zich de wanden der hoogvlakte van Pradines als muren steil omhoog. Links enkele bergspitsen. Die steile wanden der hoogvlakte van Pradines vertoonen op den rand de eerste vulkanische vorming van eenigen omvang die ik nog zag; die bovenranden bestaan alle uit rotsblokken, blijkbaar in vuurgloed gevormd; het zijn uitgedoofde slakken in de grilligste gedaanten en van reusachtige afmetingen. Wat verder, voorbij het dorpje Perrier, ziet men in de wanden vierkant gehakte gaten; het zijn de overblijfselen van vóórhistorische woningen, waarvan eenige nog bewoond worden door de gezinnen der bewakers van de wijnbergen. Daar is ook eene pyramidaal omhoog gaande rots, die te meer de aandacht trekt omdat er een torentje op gebouwd is; 't is thans een bouwval, die toren van Maurifolet, en men kan hem volgens de inlichtingen van mijnheer den postillon alleen bereiken door een inwendig in de rots uitgebroken wenteltrap. De weg loopt overigens tot St. Nectaire door eene zeer welvarende streek. De gedeeltelijk ingehaalde oogst was van goede hoedanigheid en meestal tarwe. Ik zag er verscheidene kweektuinen voor druiven, met opschriften dat er puike gezonde stekken uit Californië, Australië en meer afgelegen oorden te krijgen waren. De druivenziekte schijnt daar dus onder de inheemsche boomen sterk huis te houden. Er werd veel geploegd, eene zeer ondiepe voor, en 't trok mijn aandacht dat op dien vetten grond de ploeg altijd maar met ééne koe--en 't vee is er niet zwaar--bespannen was. Waarschijnlijk kon dit, omdat de grond sterk gemengd was met lavagruis, en daardoor wat losser. Eigenaardig was het hanteeren van den ploeg. Bij den kop der koe eene vrouw met een langen staak, waaraan een platte beitel; daarmede stak zij voortdurend de vette klei van de eene zijde der ploegschaar af en maakte daartoe met den staak steeds een zwaai boven haar hoofd. De man die den ploeg stuurde, verrichte bovendien dezelfde zwaai-beweging, om met zijn staakbeitel de ploegschaar aan de andere zijde te bevrijden. Wanneer men dat werk zoo aan den gang ziet, kan men zich aanvankelijk dat zotte gezwaai met die staken niet verklaren.

Na een rit van 4 uur kwamen we te St. Nectaire, waar twee uur stil gehouden werd voor het middagmaal. Ik liet mijn koffer doorgaan naar Montdore en besloot het overige van den weg, nog 28 kilometer te voet af te leggen en tevens St. Nectaire wat nader te bezien. We waren te St. Nectaire-le-bas aangekomen, dat geen dorp is maar alleen eene bad-inrichting, waaromheen hotels. Zijne bijzondere merkwaardigheid is een _dolmen_, een steen van 4 M. lang en ruim 2 M. breed en 70 cM. dik, rustende op drie steenbrokken; eenige schreden van daar vindt men nog eene verzameling geplante steenen, die geheel den indruk geven van een verwoest hunebed.

Men vindt er verder ook eene grot met versteenend water, en verder doorgaande, steeds langzaam stijgend, ziet men spoedig St. Nectaire-le-haut sierlijk tegen een berg aangeleund, en op den top van dien berg de fraaie kerk, een merkwaardig monument uit de 11de en 12de eeuw, in 1878 geheel gerestaureerd, met twee stompe torens aan de voorzijde en een achthoekigen op het kruis. De gewelven rusten ook hier niet alleen op gemetselde pijlers, maar bij afwisseling op kolommen, en de versiering der kapiteelen is zeer opvallend; op een er van komt de kerk zelf voor. In de sacristij bewaart men een allermerkwaardigst beeld van St. Bauduin, van eikenhout, bekleed met verguld koper; het hoofd en de hals van gedreven koper, met beweegbare oogen van ivoor en hoorn. Al verder stijgende komt men te Boissières, gebouwd op vulkanische gesteenten, waarin men hier en daar ook weder holenwoningen ziet; dan weder afdalend in het dal der Couze, met een zeer kale _Cheire_, zoo troosteloos als ik er nog geene zag, en dan Murols, een smerig dorp, bekend om de prachtige bouwvallen van zijn kasteel, thans eigendom van het departement. Sommigen schrijven deze bouwvallen een zeer hoogen ouderdom toe, anderen gaan niet verder terug dan de 15de eeuw. Ze staan op een bazaltheuvel van 729 m. hoogte, en zijn een der merkwaardigste overblijfselen van den franschen vestingbouw in deze streken. Een bewaarder vraagt u 50 centimes toegang, maar laat u overigens vrij. Eerst komt men in een kring van vestingwerken op eene ruimte, die het geheele kasteel omringt, dan leidt een steil pad omhoog, en ziet men bij eene poort naast den grooten toren twee romaansche kapelletjes, één uit de 11de en een uit de 12de eeuw, tegen elkaar gebouwd. Het kasteel is dus om die bestaande kapelletjes heen gebouwd, of het is zelf van nog ouderen datum. De eigenlijke kasteelpoort is uit de 15de eeuw, en uit dien tijd stammen ook de vestingwerken. Er is nog een klein gebouw, dat er wat vroolijker uitziet en uit lateren tijd dagteekent. Het beklimmen van den toren is zeer aan te raden, om het goede overzicht over het geheel der gebouwen en om het prachtige uitzicht op den omtrek.

Voorbij Murols krijgt men een boschrijk dal, zoo bezaaid met vulkanische brokken, dat men haast zou gaan denken aan eene vóórhistorische verzameling van slakken-steenen; dan bereikt men spoedig het verrukkelijk gelegen meer van Chambon, een waterplas van ongeveer 60 hect. ter diepte van bijna 6 M., op 880 M. hoogte. Men beweert dat dit meer gevormd is door een lavastroom, neerkomende van den Tartaret, die de Couse afdamde. De oppervlakte vermindert voortdurend; naar men zegt ontsnapt het water door spleten die in den lavadam ontstaan. Spoedig zal dat meer echter nog wel niet verdwijnen, en nog menigeen zal zich in de allerbekoorlijkste ligging kunnen verheugen. Op den achtergrond ontwaart men de allergrilligst gevormde rotsen van den Dent du Marais. Voorbij het meer krijgt men een prachtig uitzicht op het dal van Chaudefour, en het dorp Chambon naderende, ziet men eerst op het kerkhof eene kleine romaansche grafkapel, zoo eerlijk en zuiver van stijl en zoo goed bewaard gebleven als maar mogelijk is; zij dateert uit de 11de eeuw en wordt in de wandeling zeer oneigenlijk het Baptistère genoemd.

Chambon is niet groot en niet zindelijk, maar aan de samenvloeiing der Couze en der Surain zoo schilderachtig gebouwd, en zoo allerliefst tusschen de boomen gelegen, dat men de onzindelijkheid spoedig vergeet en besluit den maaltijd maar elders te nemen, om hier zijne oogen met toenemenden lust te gast laat gaan. Alles is bij het bouwen aan het toeval overgelaten, maar daaruit is een geheel ontstaan, dat de bouwers niet droomden en niet bedoelden. De huizen op zichzelf hebben niets bijzonders, maar het geheel aan de beide stroompjes en onder het hout is bekoorlijk.

Van Chambon gaat het verder door het diepe dal van de Surain, overal met dennenbosschen bedekt, met groote slingers omhoog tot aan het gehucht Bressouleille. Ditmaal is het een gelukkig verschijnsel als de wandelaar wat moede wordt, want bij het rusten is de klimmer altijd geneigd om eens achteruit te zien hoe hoog hij al gekomen is; en juist achteruit zijn hier de heerlijkste vergezichten. Een kleine bergstroom, de Diane, ziet men van val tot val vooruit springen, en zijnen loop volgende krijgt het oog een prachtig rustpunt in het meer van Chambon en op zijne mooie omgeving. Het is van deze hoogte bijna nog mooier, dan wanneer men aan de oevers staat! Van Bressouleille gaat het al maar met groote slingers over eene hoogvlakte, dan door weiden, dan door bosschen omhoog; verderop is de weg uitgekapt in de wanden van den Puy de la Croix Morand; 't landschap wordt eentonig en somber, tot men op den bergrug komende, den Col de Diane (1360 M.) bereikt en, na zich eene korte wijle verheugd te hebben in een effen weg, op eenmaal het prachtige dal der Dordogne voor zich heeft. Men ziet de badplaats Bourboule in de verte, de meren Guéry en La Roche-Tuillière, hoewel op grooten afstand, bijna aan zijne voeten. Nu met korte slingers snel omlaag; in de weiden, voor 't eerst op deze reis, tal van bloemen; om een rotsachtig voorgebergte heen, en daar ligt het vriendelijke Mont-Dore voor u.

De wandeling was aangenaam geweest; de afwisseling groot en de laatste verrassing: het uitzicht op het dal der Dordogne, zette de kroon op het werk. Daar kon wel een tegenvaller op overschieten, en die kwam ook. Ik vraag u, wat heeft een voetreiziger met den ransel op den rug te verwachten, wanneer hij daar zoo om licht en donker in eene fransche modebadplaats aankomt? Ik stapte naar het Hôtel des Etrangers, waarvoor ik eene aanbeveling had van het Syndicat te Clermont,--maar 't was precies of men dacht dat ik niet eerlijk aan die aanbeveling gekomen was; ik kon ternauwernood eene kamer krijgen, en toen mij die niet beviel, was 't nagenoeg heel en al mis. Niet prettig in eene plaats die ik wist dat overvol was! 't Is mij eerst aan 't einde van mijn verblijf aldaar mogen gelukken, de madame een anderen indruk te geven; een reiziger die, met zijne spoorwegbiljetten in den zak, toch te voet het land doorkruist, is iets dat buiten den gedachtenkring van die menschen ligt.

Le Montdore is een plaatsje met slechts 1866 inwoners, maar een zeer druk bezochte badplaats; het ligt aan het einde van het dal der Dordogne, die niet ver van de plaats haar oorsprong neemt. Twee beekjes vloeien uit de bergen, de Dore en de Dogne en vereenigen zich ongeveer een uur boven de plaats. De achtergrond van het dal wordt gevormd door de donkere spitse uitloopers van den Puy de Sancy. De omgeving van het bad is weelderig; groote, rijke hotels, een aardig park en een casino, dat voor iedereen toegankelijk is; maar de weelderige omgeving is klein, en wat verder Montdore uitmaakt is meer dan eenvoudig. De omstreken zijn mooi, maar alléén gezonden kunnen ze bereiken; de fraaiste punten zijn slechts met inspanning toegankelijk. Een bergspoorbaantje komt hier aan tegemoet. Intusschen, men behoeft slechts een avondbezoek aan het Casino te brengen om te zien, dat er ook gezonden te Montdore verblijven, die langs allerlei wegen hun tijdverdrijf zoeken.

's Morgens vroeg ging ik er weer op uit, en had het genot de badgasten in de onmogelijkste costumes naar de thermes te zien gaan; 't is grappig om te zien hoe men in badmantels nog mode kan hebben! Versieringen aan die kleedij schijnen ook al een punt van studie te zijn en aanleiding te geven tot eene "dernière création". Een oude heer op klompen, in een badmantel met een sleep, naast eene jonge dame met een mantel die heelemaal geen sleep had, terwijl zij zich overigens vreemd toegetakeld had met eene prachtige badmuts en zich een zeker cachet verschafte door in het vroege morgenuur eene cigarette te rooken,--was wel 't koddigste van wat er zooal over de Grande Place kwam. Ik ging met het bergspoortje als eenige passagier naar boven, naar het Salon du Capucin, eene aardige uitspanning onder prachtig hout; daar kocht ik van een kellner een courant van den vorigen dag, en las daarin met alleraardigste schrijffouten de namen van ons nieuwe ministerie. De kellner begreep er niets van, dat ik in die oude courant zoo'n schik had. Van het Salon du Capucin ging de weg, door een prachtig eiken- en mastbosch, langzaam omhoog tot aan den voet van den Capucin, een rotsgevaarte dat daar steil omhoog rees. Een pad er om heen brengt u aan de andere zijde, waar een zachte helling het bestijgen gemakkelijk maakt. Van den top (1463 m.) heeft men een goed uitzicht op Montdore, den Sancy en de bergen van Bozat. Men vraagt u aan een herbergje aan den voet van den Capucin 25 centimes voor het beklimmen. De meeste dier bergtoppen hier zijn particulier eigendom, en worden aan kasteleins verpacht. Van de herberg ging ik verder door in de richting van den Puy de Clièrgue, die men voor zich ziet liggen en zoo over de kammen der bergen, die doorloopen tot den Puy de Sancy, tot aan het Val de la Cour en het Val de l'Enfer. Voor wandelaars, die niet gesteld zijn op een paadje langs de diepte, is er nog een aangename weg om den top van den Clièrgue heen,--maar hij is wat langer.

