Automobiel-rijden

Part 3

Chapter 33,668 wordsPublic domain

Weest voorzichtig met paarden, waarvan de begeleider u verzoekt uw vaart te matigen, en rijdt ook niet te plotseling langs 'n wagen met paarden bespannen. Zijn de dieren al schichtig (fig. 9_a_), als ge nadert, matig dan uw vaart, passeer met uitgeschakelde motor, en fluit de dieren zachtjes toe, vriendelijk en speelsch, dat leidt vaak de beesten van uw voertuig af en maakt hen voor 'n moment rustiger.

[Illustratie: Fig. 9.

De kruisingsborden der A. N. W. B. en K. N. A. C. (_De Kampioen_).]

[Illustratie: Fig. 9_a_.

Paarden zijn nerveuse dieren.]

Kinderen, die op of langs den weg spelen, moeten ook de bijzondere aandacht van den bestuurder hebben. Niet alleen zijn ze niet altijd even voorzichtig, maar bij uwe nadering drijft hen vaak iets, juist hun heil aan de andere zijde van den weg te zoeken, als waar ze zich bevinden. Vaak ook loopen ze naar moeder's huis of naar 'n waarschuwend zusje en komen daarmede op 't onverwachtst voor uw wagen. En op de ernstige gevolgen daarvan, bij de geringste onattentie van den bestuurder, behoeft in waarheid hier, meen ik, niet gewezen te worden.

_Spaar ook de dieren_, honden, katten, die voor uw wagen wegvluchten, of bij ongeluk binnen uw baan komen. Doe daarvoor het mogelijke! Onnoodig te zeggen, dat ge uwe passagiers of uzelven er niet aan opofferen kunt, maar door van het principe uit te gaan, dat het letsel, wèlk dan ook, dat ge hen aan zoudt doen bij 'n aanrijding, uit 'n gevoel van menschelijkheid zooveel mogelijk vermeden dient te worden, zult ge vele ongelukken voorkomen. Onze huisdieren zijn 's menschen goede vrienden, en dienen als zij, ontzien te worden. Het is heusch niet zoo moeilijk even de vaart van uw wagen te matigen, als er onbewust gevaar voor hen dreigt, en ge bewijst er de goede propaganda voor het automobilisme 'n dienst mee.

Ja, zelfs voor wie in observeeren belang stelt, leveren de huisdieren, die ge langs den weg ontmoet, 'n zeer rendeerend studieveld. De karakteristiek van de wijze, waarop elk soort op de tuf reageert, is zeer leerzaam en typeert vaak de diersoort sterk. Hen negeeren is 'n mooi stuk natuur voorbij zien.

Verzuim ook nooit 'n automobilist "en panne" even uwe assistentie aan te bieden. Veelal, als bandenpech hem kwelt, zal hij die niet behoeven, maar de mogelijkheid bestaat, dat ge door 'n kleinigheid hem van dienst kunt zijn. Bedenk eens hoe onaangenaam het voor uzelf zou zijn, indien ge op 'n verlaten weg of op de hei "en panne" stond, en ge ziet, terwijl 'n kleinigheid u uit den nood zou kunnen helpen, uwe sportbroeders langs daveren, zonder zich om u te bekommeren.

Hebt ge electrische lampen, en ontmoet ge 's avonds 'n andere auto, die last ondervindt van uw licht, draai dan even uw lampen uit en de stadslampen aan. Dat zoudt ge zelf apprecieeren, als 't u gebeurde. Wagens met acetyleenlampen zullen u dit niet kunnen beantwoorden, maar daartegenover staat, dat ge daar ook niet zoo'n last van zult hebben, omdat 't licht minder fel is. Als 't gewoonte werd, dat de wagens, met zware zoeklichten, deze even doofden bij elkaars passeeren, dan zou daardoor het gevaar, ontstaan door verblinding, te niet worden gedaan[3]. Worden de lichten niet gedoofd, dan kunnen er het eerste oogenblik na het passeeren de ernstigste ongelukken gebeuren. Dit kwam reeds voor, o. a. doordat de wagen met 'n mijlpaal rechts van den weg in botsing kwam, omdat de door het licht van 'n tegemoetkomenden wagen verblinde bestuurder het paaltje niet had waargenomen. 'n Anderen keer is 'n wagen op dezelfde wijze in 'n sloot langs den weg terecht gekomen.

[3] Zie ook pag. 50.

/# #Daarom automobilisten dooft bij het passeeren uwe zware zoeklichten! Passeert elkaar bij het licht uwer stadslampen!# #/

Indien beide bestuurders zich hieraan houden is het gevaar voor ongelukken onder deze omstandigheden buitengewoon verminderd.

Wees ten slotte voorzichtig met weggebruikers, die de regels van 't verkeer verwaarloozen, met op den rijweg wandelende voetgangers, met links van den weg rijdende wagens of fietsers, of dergelijke. Regelmatig[4] zich volgens de voorschriften van het verkeer zich op rijwielpad, voetpad of rijweg zich voortbewegende voertuigen of personen, ze mogen al deel uitmaken van de algemeene "wegvisie" van den bestuurder, en als zoodanig onder z'n observatie staan, van hen behoeven redelijkerwijze geen afwijkingen van dit normaal voortbewegen verwacht te worden. Echter weest op uw hoede voor hen, die plotseling soms schijnbaar zonder de geringst redelijke motieven, van de regels van den weg, afwijken. Zij leveren 'n verkeersgevaar op, waartegen niet genoeg kan worden gewaarschuwd. In zoo'n geval werke uw signaal krachtig en worde voorzichtig gemanoeuvreerd. En al zoude ook bij 'n ongeval aan hunne eigene onvoorzichtigheid te wijten, dus het ongelijk aan hunne zijde zijn, toch geldt altijd, dat "voorkomen beter is dan verhelpen", ook hier. Dat dus de ervarenheid in 't besturen, de voorzichtigheid bij 't rijden niet uitschakele!

[4] Zie: de "Regels van den Weg" (verspreid door de A. N. W. B.).

MANOEUVRES.

Uitwijken.

[Illustratie: Fig. 10.

Het uitwijken op kruispunten.]

In 't algemeen liet ik al blijken, dat het bij 't passeeren van zijwegen gewenscht is, het midden van den hoofdweg te houden, om op alle eventualiteiten beter verdacht te zijn. 'n Bocht uit 'n zijweg naar links, neme men wijd, 'n bocht naar rechts kort. Er zijn voor den oorlog o. a. ook alweer in Frankrijk pogingen gedaan om 'n voorschrift te vervaardigen, waarbij iedere een kruising of zijwegen naderende auto verplicht zou worden, alleen te letten op alles wat van de rechterzijde komt. Zoodoende zal de van links naderende wagen, voor 'n van 'n zijweg rechts komende moeten uitwijken of stoppen, evenals 'n van 'n zijweg links naderende wagen zal moeten stoppen voor wat rechts van den hoofdweg komt. Het voorschrift, zij 't 'n goed bedoelde poging, is evenmin compleet, als eenig ander tot dusver, en de goede oplossing moet nog gevonden worden. Tot zoolang diene, dat ieder goed uitkijkt en men zich hoofdzakelijk aan de boven eerstgenoemde regels houdt, waarbij wordt aangenomen, als reeds eerder gezegd, dat het verkeer op den hoofdweg vóór gaat. Ook deze regels dienen bij 'n bestuurder vast in 't geheugen geprent te zijn. Hij geve zich dus in den aanvang daarvan bij iederen zijweg of kruising rekenschap en bedenke 'n aantal gevallen tot oefening om z'n geest ook in deze richting soepel en snel gereed tot conclusies te maken. Ook bij kruisingen houde men wat naar 't midden van 't kruispunt, waardoor bij onvoorziene gebeurtenissen voor den wagen de meeste ruimte rondom open blijft om te kunnen manoeuvreeren naar den eisch van 't oogenblik. In geen geval passeere men 'n niet geheel overzichtelijke kruising te snel, nòch sla men met te groote snelheid 'n zijweg in. De kans, waarbij men in dergelijke gevallen zoo doende zich aan gevaar blootstelt is van zelf sprekend dan groot.

Tracht ook niet nog snel vóór 'n uit 'n zijweg komend voertuig of wat 't ook zij, heen te komen, als ge gelegenheid hebt om te stoppen. Laat liever de andere weggebruiker dan kalm even voortgaan. Er is zelfs kans, dat, waar bij zoo'n geval het uitzicht op den hoofdweg belemmerd wordt gedurende 'n oogenblik, ge, door snel voor het andere voertuig heen te willen schieten--en daardoor den verkeerden kant van den weg nemend--in de baan van 'n uit de tegenovergestelde richting komende auto of wagen zoudt komen, en dus deze verkeerde manoeuvre de aanleiding voor 'n ernstig ongeval zou kunnen worden. _Doch niet dit alleen moet u er van terug houden, maar uw gevoel voor verkeersorde!_ Dit principe moet bij ieder rijder voorzitten, dat het zich houden aan 'n goede verkeersregeling de verkeers-anarchie het beste keert. En daaraan heeft dus ieder weggebruiker mede te werken[5].

[5] Zie ook in dit verband de "Regels van den Weg", door de A. N. W. B. verspreid.

Neem in bochten nooit de buitenbocht, als de binnenbocht de aangewezen plaats is, waarop ge u bevinden moet (rechts van den weg). Ook het voordeel even naar links te buigen, teneinde sneller de bocht te kunnen overzien, weegt eerstens niet op tegen 't gevaar, dat daardoor ontstaat van door 'n van de andere zijde komenden wagen te worden aangereden, en is tweedens van verkeersregel-standpunt beschouwd, absoluut niet geoorloofd. "Snij" ook 'n bocht naar links, die ge _niet_ overzien kunt, te scherp af, want daardoor stelt ge u aan dezelfde gevaren bloot. Prent u goed in 't hoofd, dat ge u eigenlijk _nooit_, onder welke omstandigheden ook, links van den weg moogt bevinden, behalve dan 't kleine oogenblik waarop ge 'n anderen wagen inhaalt en voorbij rijdt. Zorg in dat geval er zeker van te zijn, dat van de andere zijde geen wagen nadert met dezelfde bedoeling uit tegenovergestelde richting. In zoo'n geval is het gewenscht, de auto of ander voertuig, dat u tegemoet komt, eerst te laten passeeren, en daarna pas de voor u in dezelfde richting als de uwe zich voortbewegende wagen of auto voorbij te rijden. In 'n dorp of bij woningen of op 'n smallen weg, zij men met dat achterop rijden eveneens zeer voorzichtig. Beter is het even te wachten tot 'n plaats waar de weg ruimer passeeren veroorlooft, dan dit te forceeren. Door bruuske maatregelen verbetert men geen te wenschen latende weggesteldheid, integendeel vergroot men uit veiligheidsoogpunt de kans op ongevallen.

Men moet echter niet uit 't oog verliezen, dat in al deze gevallen echter de ervaren rijder, dank zij z'n geoefend opmerkingsvermogen en z'n rij-ervaring, allicht doortastender op zal treden, dan door onervarenen mogelijk geloofd zal worden. Hier dan wederom onmiddellijk van roekeloosheid te spreken, is overdreven. Waarmede ik maar zeggen wil, dat ook in deze gevallen ieder voor zich duidelijk moet weten, wat hij zich veroorloven kan en mag, en #hier de norm alleen te trekken is door deskundigen#. _Want het mag als vanzelfsprekend worden beschouwd dat de geoefendheid van oog en hand mogelijkheden schept, waarover geen ongeoefende 'n oordeel uit kan spreken._

Nog 'n enkel woord over 't rijden in de stad, in verband met dit onderwerp.

Rijdt dan nooit te hard; volg de verkeersregelen, en let op den verkeersagent. Wilt ge passeeren, of afslaan, vraag dezen dan door 'n enkel gebaar, waarmede ge de gewenschte richting tevens aangeeft, of ge passeeren kunt. Verkeersagenten zijn zeer nuttig voor het verkeer en het is voor ieder van belang hen in de hand te werken bij die regeling. Is er geen verkeersagent, rijdt dan bedachtzaam en houdt u aan de regels van den weg. Indruk maken door buitengewone manoeuvres is ook hier uit den booze. Het is veel mooier, juist met 'n grooten wagen, die buiten makkelijk z'n 100 K.M. loopt en in de stad gewillig en handelbaar is, gemakkelijk en rustig om te gaan, als met 'n kinderwagen, dan deze voor te stellen als woeste kilometervreters. Integendeel zal het uiterst handelbare van zoo'n weglokomotief sympathieker werken, dan het schrik-aanjagende, verwekt door het donderen met vrijen uitlaat of door groot misbaar van loeiende signalen. Cela ne se fait plus. Als 't vroeger gebeurde, dan was 't vaak faute de mieux. Onze moderne machines zijn daar werkelijk te volkomen voor geworden. En voor menschen, die, van hun wagen of van het automobilisme houden, is de waardeering van dit volkomene meer waard, dan de romantiek van den schijn, waarin sommigen zich, door het laten knallen hunner motorrossen, aan draken temmende helden gelijk, meenen te hullen!

Ook op dit gebied, geloof me, is de romantiek uit den tijd!

Overwegen, trams en rails.

Niet in alle steden zijn voor het verkeer ten opzichte van de trams zoo duidelijke regels voorgeschreven als te Amsterdam. Deze zijn in 'n keurig uitgevoerd boekje, dat we hier gaarne en passant vermelden, bij de Verkeerspolitie te verkrijgen, en dus kunnen die locale verordeningen hier worden voorbijgegaan.

[Illustratie: Fig. 11. (_De Kampioen_).]

In het algemeen dient men bij het passeeren van trams, mede dank zij de onvoorzichtigheid der trampassagiers, zoowel buiten als in de stad, uiterst voorzichtig te zijn. Bovendien geven rails en de aan hun baan gebonden tramwagens, vaak aanleiding tot gevaarlijke momenten.

In de eerste plaats in de bochten (fig. 11). Groote tramwagens, vooral die op smal spoor, hebben daar de onhebbelijke gewoonte, vrij ver buiten de baan der rails te zwaaien, o. a. de wagens van de Amsterdam-Haarlem-Zandvoort-lijn, de E.S.M. Wacht men in zoo'n bocht op 'n naderende tram, of wil men die in de bocht passeeren, dan loopt een auto kans tusschen de rails en den trottoirband, door het omzwaaiende voor- of achter bovengedeelte van den wagen, geknakt of minstens beschadigd te worden. Staat uw wagen of rijdt ge langs de rails (fig. 11_a_), reken dus dan niet met de sporen, maar doe er nog 'n goed stuk bij voor den wagen met de treeplanken, en mijdt het in 'n bocht te wachten als er 'n tram nadert.

Dan dienen wegvernauwingen uwe bijzondere oplettendheid te vragen, indien zich tram- of locaalspoor daar ook bevindt. De loop der rails is niet altijd goed waarneembaar van uit de verte; een in vaart zijnde tram kan, dank zij de korte bochten in de lijn, heel plotseling en heel onvoorbereid u den weg versperren.

[Illustratie: Fig. 11_a_. (_Autoleven_).]

Wacht u er ook voor met de wielen in het spoor te geraken. Eerstens is dit gevaarlijk bij de nadering van andere voertuigen, omdat ge onmogelijk, eenmaal in 't spoor, op 'n door u zelf gekozen oogenblik er uit kunt komen en dus kans hebt, dat dit op 't ongelegenste oogenblik geschiedt. Zitten de wielen in de rails, dan moet ge voorzichtig trachten door het heen en weer bewegen van 't stuurwiel ze er uit te draaien. Dit gebeurt altijd bruusk en gaat meest met slipbewegingen van den wagen gepaard. Redresseert dus onmiddellijk nadat de wielen uit de rails springen, de fausse manoeuvre die de wagen maakt, met 'n contra-beweging van het stuurwiel. Lukt het u niet uit de rails te komen met voorzichtig manoeuvreeren van het stuurwiel, dan dienen de wielen met 'n stuk hout, 'n plank of iets dergelijks geholpen te worden. Die plank wordt dan dwars over de rails gelegd en gestut, dat wegglijden onmogelijk is. Manoeuvreer hierbij voorzichtig, en fausseer de stuurinrichting hierbij niet. In de stad zal zoo iets niet voorkomen maar wel op buitenwegen waar het railsprofiel niet met den weg gelijk ligt.

[Illustratie: Fig. 12.]

Let bij het inhalen van 'n tram ook op de mogelijkheid, dat er iemand voor of van de tram weg zal springen (fig. 12). Goed signaal geven en zooveel mogelijk wegbreedte latend tusschen de tram en uw wagen is hierbij 'n vereischte. Om 'n stoomtram in te halen, die z'n stoompluim over den weg slingert, en u het uitzicht belemmert is het geraden te wachten, tot even de wind den stoom verjaagt. Want de afstand noodig, om 'n snel rijdend voertuig als 'n tram in te halen, is te lang, dat de kans niet te groot zou worden, dat er, in den tijd noodig om den stoompluim in te halen en er doorheen te rijden, zich van de andere zijde ondertusschen 'n wegbelemmering zou voordoen, die ge niet zoudt hebben kunnen zien naderen. Komt ge 'n dergelijk vehikel tegen, matig dan uw vaart zoodanig, dat ge voor plotseling uit dien stoompluim opdoemende voertuigen stoppen kunt. _Geef flink signaal_ en zet desnoods den wagen stop aan den rechterkant van den weg, tot de tram voorbij is. Want dan hebt ge de meeste zekerheid, omdat dan alléén 'n voertuig sneller of even snel als de tram zich voortbewegend, gevaar kan opleveren. En dit gevaar kan worden afgewend door 't geven van 'n signaal en door goed den rechterkant van den weg te houden.

[Illustratie: Fig. 13. (_Autoleven_).]

Wil ook niet te dicht voor 'n tram heen oversteken. 'n Tram glijdt bij bruusk stoppen nog vaak ver langs de rails door. En wordt ge door 'n zich achter de tram bevindend vehikel genoodzaakt plotseling te stoppen (fig. 13), dan kan den wagen-bestuurder z'n tram op de gladde rails moeilijk houden. Niet alleen uit eigenbehoud is dus deze manoeuvre verkeerd, maar zeer zeker ook uit 'n oogpunt van verkeersorde, en voor het behoud van derden. Kijk ook bij het oversteken van rails goed uit en praat niet met uwe passagiers (fig. 14), 't hoofd naar hen toegewend, en daardoor onoplettend voor wat u omringt of op de lijn nadert. _Het is veel moeilijker ongelukken te voorkomen, dan ze te veroorzaken._ En matig de vaart van uw auto bij stopplaatsen waar passagiers wachten, of uit 'n wachtlokaal te voorschijn treden. Want meestal schijnt de nadering van de tram de passagiers zoo te biologeeren, dat ze vergeten, dat ze zich op den verkeersweg bevinden of deze moeten oversteken om in te stappen en dus van dien verkeersweg tijdelijk 'n bagagedepôt maken of 'n wachtlokaal. Het vluchtheuvel-systeem der Amsterdamsche verkeerspolitie is dan ook wat dit punt betreft 'n zeer toe te juichen verkeersbeveiliging.

[Illustratie: Fig. 14. (_Autoleven_).]

Achteruitrijden en manoeuvreeren.

Een moeilijk punt voor den beginner, die nog niet zeker is van z'n bewegingen. In de eerste plaats worden de voeten op het rempedaal en het koppelingspedaal geplaatst en wordt als gas gegeven moet worden, dit met den voet gedaan, die het rempedaal bedient, of zoo mogelijk, met de hand, door middel van 't gashandle op 't stuurwiel. Dan wordt bij 'n open wagen het lichaam gedraaid naar de binnenzijde van den wagen, de rechterhand aan 't stuurwiel, de linker op den rug van de zitting (fig. 15), zoodat de bestuurder stevig zit, de pedalen bedienen kan, en de geheele achterzijde van den wagen over de geheele breedte overzien, terwijl het effect van de minste beweging kan worden geobserveerd. Dit geldt natuurlijk alleen bij open wagen, bij gesloten wagens moet met de linkerhand gestuurd worden, en rechts langs den wagen naar buiten en naar de punt van het achterspatbord worden gezien. Met een langzaam manoeuvreeren leert men ook dit het best. Zorg dat ge zoo zit, dat geen kans bestaat dat uw voeten van de pedalen afglijden. Dit kan, door half te gaan staan op de pedalen en uzelve schoor te zetten tusschen den rug van de zitting en het voorschutbord. Bij wagens met het stuurwiel links, geldt wat manoeuvres betreft natuurlijk het tegenovergestelde.

[Illustratie: Fig. 15. (_De Kampioen_).]

Houdt de _uit_stekende deelen van den wagen goed in het oog en houdt rekening met 't feit, dat ge achterop 'n kap hebt, die 'n eind uitsteekt, of dat ge reservebanden en in ieder geval 'n benzine-tank achter uw wagen hebt. Rijdt dus ook niet te dicht op 'n achter u staanden wagen.

Bij het inrijden van garages moet op den rand van het rechter achter- en voorspatbord worden gelet. De breedte van den inrij garandeert dan vanzelf dat de andere zijde safe is. Zie echter toe, dat er zich geen voorwerpen, 'n fiets, 'n benzineblik of zoo iets dergelijks op uw weg bevinden, zooals te vaak voorkomt. En uitwijken laat zoo'n ingang veelal niet toe.

[Illustratie: Fig. 16.

Methoden om in 'n garage op de juiste plaats te geraken. (_De Kampioen_).]

Bij het op z'n plaats zetten van den wagen in de garage moet ge ook voorzichtig manoeuvreeren. De hoofdzaak is dat ge op uw plaats komt te staan en zoo goed mogelijk. Van te veel brio komen kapotte muren en verbogen spatschermen. Maakt het u nerveus, dit heen en weer gedraai, laat het dan gerust 'n ander over. Het is niet ieders werk en juist bij dit rangeeren kunnen kleine oorzaken groote gevolgen hebben.

Stopt ge in 'n straat, verzuim dan niet eerst de hand uit te steken, als teeken voor het achter u volgend voertuig. Zet uw wagen netjes langs het trottoir, niet scheef, of zoo, dat 't verkeer er door belemmerd wordt. Moet ge tusschen twee voertuigen of auto's in komen te staan, rijdt dan iets verder, en dan achteruit tusschen de wagens in (fig. 16_a_). Rijdt niet dwars over naar de linksche zijde van de straat, tegen het verkeer in, maar rijdt rechts en draai dan om mèt de richting van het verkeer méé, tot vóór het huis, waar ge wezen wilt. Dit is in nauwe straten natuurlijk niet mogelijk, maar daar bestaan òf voorschriften dat ze slechts in ééne richting bereden mogen worden òf 't zijn stille straten, waar ge niemand in den weg staat. Is geen van deze manoeuvres mogelijk, blijf dan, al moet ge ook links zijn, rechts langs de trottoir staan.

[Illustratie: Fig. 16_a_. (_De Kampioen_).]

Ook buiten de stad dient ge daarop te letten. Moet ge plotseling stoppen, 'tzij door 'n motorpanne of door 'n lekken band, gebruik dan de laatste vaart van den wagen om 'm langs de rechterzijde van den weg "uit de baan" te zetten. Gebeurt dit op 'n helling en geven de remmen wat mee, zet dan dalend 't rechtervoorwiel, stijgend het rechterachterwiel schuin tegen den berm aan.

Keeren op 'n smalle weg of in 'n nauwe straat, wordt, zoo nergens 'n oprit of 'n zijweg aanwezig is, het beste volbracht door bij de eerste manoeuvre den wagen zoover mogelijk dwars over den weg te zetten met de voorzijde zoo dicht mogelijk bij den berm (of tegen 't trottoir), met het stuur zoo ver mogelijk om. Dan wordt het stuur zoover mogelijk in de andere richting gedraaid en achteruit gereden. Slaagt men er niet in de auto bij de eerste manoeuvre zoo ver rond te krijgen, dat 'n voorwaartsche beweging in tegenovergestelde richting al kan worden bewerkstelligd, dan herhale men geleidelijk aan de beweging tot den stand van den wagen achterwaarts 'n kwart slag op de wegbreedte mogelijk maakt, waardoor vanzelf de wagen in de goede richting zal staan.

Het spreekt vanzelf, dat ge in uwe automobilistische loopbaan vaak voor gevallen zult komen te staan, die moeilijk allen van te voren omschreven kunnen worden. Dit is ook niet de bedoeling. De hoofdzaak is, dat ge volkomen meester wordt, door 'n koel en kundig leeren bezien, van elke situatie, 'tzij dat deze snel beleid of kalm overleg vraagt. In vele gevallen zal 'n begrip van wat verkeer beduidt, geholpen door locale voorschriften, u sneller voorschrijven wat ge te doen hebt dan honderd geschreven regels. Maar de principes ervan, dient ge allicht vooruit te kennen.

NACHTRITTEN EN MIST.