Atheensch Jongensleven

Part 7

Chapter 73,573 wordsPublic domain

Omtrent de ligging en de inrichting der scholen, waar de kleine jongens van het oude Athene toch zoovele uren doorbrachten, zijn wij al heel slecht ingelicht. Het kleine aantal zeer beroemde en gracieus geteekende vazen met schoolafbeeldingen, dat reeds dikwijls door ons is genoemd, geeft dienaangaande niet veel zekerheid. Wij zien er den schoolmeester op een gemakkelijken leunstoel zitten; de jongens zitten in school meestal niet op banken maar op kleine klapstoeltjes, die ze mee kunnen dragen als ze "voor het front" moeten komen. Een Pompejaansch fresco, bij jong en oud bekend om de levendige afstraffingsscène die er op is afgebeeld, geeft ons zelfs een les in een zuilengalerij te zien. Maar uit dergelijke schilderingen kan niet veel met zekerheid worden besloten. Als b.v. de schilder, om de ledige ruimte tusschen zijne figuurtjes te vullen, allerlei schoolattributen, een boekrol, eene lei of een lier daarin schildert, mag men dan zeggen: "zoo was blijkbaar de wandversiering in de scholen"? De grens tusschen werkelijkheid en verdichting is hier niet te bepalen. Ook zal b.v. de "fatsoenlijke" school, waar Demosthenes lezen leerde, wel een ander voorkomen hebben gehad dan het schooltje waar Aeschines--zooals Demosthenes hem met krenkende woorden herinnert--als kweekeling van zijn vader Atrometus zijne rampzalige jongensjaren doorbracht, "de zitplaatsen afsponsend en inkt wrijvend".

Omtrent den tijd na Alexander, toen, zooals reeds gezegd is, het onderwijs staatszorg begon te worden, en in 't bijzonder door de instelling van de zoogenaamde ephebie veel meer dan vroeger werd gedaan voor het "voortgezet onderwijs", lichten inscripties en monumenten ons veel vollediger in. Schenkingsacten op steenen tafels bewaard, getuigen van de vrijgevigheid van rijke burgers, die of alleen of in vereeniging met anderen gelden voor een Gymnasium met al de noodige bijgebouwen beschikbaar stelden, soms ook de kosten van onderhoud van een door de stad gebouwd gymnasium op zich namen. En wat zulk een munificentie zeggen wilde, toonen ons zeer duidelijk de opgravingen, met name die te Pergamum. Het gymnasium--oorspronkelijk slechts eene openbare worstelschool voor jongelieden en mannen, doch te Pergamum overeenkomstig de eischen aan de staatsopleiding der epheben gesteld een geheel gebouwencomplex--is aldaar een schoolgebouw, over drie terrassen zich verdeelend. Ook op Delos kan men nog zeer duidelijk zien, hoe zich om den eigenlijken oefeningshof een reeks van vrij ruime leerlokalen heeft gegroepeerd; en te Priene heeft men enkele jaren geleden eene leerkamer van het Gymnasium teruggevonden, welker muren nog overeind stonden. Maar het zou een verkeerde methode zijn uit deze hellenistische Gymnasiën eenige gevolgtrekking te maken aangaande de lagere scholen van het Athene der vijfde eeuw.

Misschien is onze onwetendheid op dat gebied licht te dragen: tenminste als wij vragen naar het leven der knapen, niet naar de eischen der ouders. Het zal den Atheenschen jongens wel niet zoo heel veel hebben kunnen schelen, of hun school fraai geschilderd of gemeubeld was. Zeker is de intimiteit van jongens uit zoo goede families als Lysis en Menexenus, in een goed gebouwde en zorgvuldig geventileerde school ontwikkeld. Hoe zou dat anders kunnen zijn, in den aristocratischen kring uit welken Plato de helden voor zijne dialogen kiest. Maar schoolkameraden wordt men ook in eenvoudiger lokalen. En wie herinnert zich niet door Xenophon's Hellenica, welke magische kracht er uitging van het woord "schoolkameraden", waarmee in 404 na het gevecht in den Piraeus de hierophant Kleokritos de burgers van de tegenpartij opwekte tot verzoening?

Schoolkameraden--dikwijls beteekent het bovenal kwelgeesten van den zelfden schoolmeester. Vóór de scholieren vraagt deze onze aandacht. Hoe is de financieele positie van zulk een onderwijzer? Ook hier geeft de hellenistische tijd een meer bevredigend antwoord dan de Attische periode. De schenkingen der hierboven vermelde staatsweldoeners kwamen hun ten goede, mits ze regelmatig solliciteerden en boven anderen welbehagen vonden in de oogen der machtige volksvergadering. In Teos kon men na de hiervoor besproken schenking van Polythrus de onderwijzers een salaris van 600 drachmen betalen, te Milete uit het fonds van Eudemus 30 drachmen in de maand. Die honoraria wijzen op eenig aanzien, al verdient opmerking dat te Teos voor den muziekmeester 100 drachmen meer wordt uitgetrokken dan voor den gewonen onderwijzer. Maar in de klassieke periode was het aanzien der schoolmeesters niet hoog. Lucianus bewaart daarvan nog de herinnering, als hij den cynischen wijsgeer Menippus laat verhalen van zijnen tocht naar de onderwereld. In den Hades, waar alle aardsche ongelijkheid wordt vereffend, zag Menippus koning Philippus van Macedonië als schoenlapper, Xerxes als bedelaar en de hoogste satrapen van het Perzische rijk als stokvisch-verkoopers en schoolmeesters. Zulk eene voorstelling stemt inderdaad overeen met den smalenden toon van Demosthenes' woord tegen Aeschines: "Terwijl ik als leerling een behoorlijke school bezocht, was jij een schoolmeestertje". En wij kunnen er zeker van zijn dat Aeschines' vader, een man van zeker niet mindere afkomst dan Demosthenes, alleen omdat de Peloponnesische oorlog hem had geruïneerd aan 't schoolmeesteren was gegaan, d. i. was gaan concurreeren met die menigte halfburgers en slaven, die te Athene het gilde der Grammatisten (lagere onderwijzers) vormden.

Oneervol bleef die positie natuurlijk zoolang de Atheensche ouders met zeer elementaire vervulling der behoeften aan onderwijs tevreden waren, en onvoordeelig zoolang de schoolmeester uitsluitend afhing van het karige schoolgeld.

Karig was dat loon zeker. En wat moet de man beginnen, als op den "zuren dertigsten" van de maand een of andere jongen ter school komt zonder de poovere schoolpenningen, of wanneer de menschen zich gedragen zooals de trouwelooze voogden van Demosthenes, die wel aan hunnen pupil het Minerval in rekening brachten, maar het zelf in hun zak staken. Aan een gerechtelijke vervolging kan de arme schoolmeester zich niet wagen. En een proces zal hem zeker niet baten tegenover een burger zooals Theophrastus er een in zijn geestig boekje teekent als type van schrieligheid. Deze beminlijke Athener, dezelfde gulle vader die zijn zoontje als een pretje beloofd heeft hem mee te nemen naar de comedie, maar dan zóó laat gaat, dat hij zeker is zonder entree binnen te worden gelaten, weigert het volle maandgeld te betalen, als een van zijne kinderen een paar dagen ziek is geweest, en in Februari stuurt hij zijne jongens in 't geheel niet naar school. "Er is met al de feesten in die maand zooveel te zien, dat er van schoolgaan toch niet komt". Zoo klinkt zijne boodschap; maar hij bedoelt natuurlijk: "zoo spaar ik eene maand schoolgeld uit en behoef meteen niet mee te doen aan dat malle gebruik om op het Choënfeest den meester door de jongens een cadeautje te laten geven".

Men vraagt zich onwillekeurig af: hoe moet zoo'n Atheensch knaapje zijn leermeester hebben aangezien? Alcibiades sloeg zijn onderwijzer om de ooren, omdat de man er niet eens een eigen Homerus op nahield. Maar Alcibiades is nu eenmaal de Steerforth van het Atheensche jongensleven. In den toon waarop de schrijvers over den schoolmeester spreken is meer dat ons aanmoedigt om--met matiging van de rhetorische charge--geloof te schenken aan de schildering die Libanius--zij het dan ook voor een veel lateren tijd--van den schoolmeester geeft: "Als een rechter zit hij daar op zijn troon, als een voorwerp van schrik en angst, de wenkbrauwen samengetrokken, toornig en onvermurwbaar.--Nu moet de jongen bij hem komen. Deze nadert sidderend en in elkaar gebogen, want hij moet laten kijken wat hij gevonden, gesteld, onthouden heeft. Wee hem, zoo hij het niet goed heeft gedaan!"

De charge hieraan te ontnemen, daartoe helpen ons wederom de vaasteekeningen. De vriendelijke rustige mannen die op de oud-Attische vazen zijn afgebeeld, zien er niet zoo bar uit, en de aardige jongens op Duris' vazen staan niet krom van angst, maar bevallig en rechtop voor hunnen meester.

Het knaapje dat wij op Duris' scholen voor zijnen grammatist zien staan, zal wel evenmin als een gewone schooljongen van onzen tijd geweten hebben dat zijn vader met diens vrienden heftig placht te debatteeren over de ware methode van onderwijs en de juiste keus der leerstof. Omdat wij zijn leven en niet dat van de schoolmeesters schrijven, behoeven ook wij ons in dien strijd niet te zeer te verdiepen. Wij kunnen volstaan met te luisteren naar hetgeen Plato Protagoras laat zeggen over het algemeene doel der schoolopvoeding, al doet de sofist dat, dank zij Plato's ironische teekening, wat heel deftig. "Van kindsbeen af, het heele leven door--zoo zegt Protagoras--leeren en vermanen de ouders hunne kinderen. Zoodra een jongen begrijpen kan wat men tot hem zegt, wedijveren zijne moeder en zijne voedster en zijn vader zelf in de zorg om hem zoo voortreffelijk mogelijk te maken, bij elk woord en bij elke handeling hem leerend en aanwijzend "dat is rechtvaardig en dat is niet rechtvaardig" en "dit is mooi en dat is leelijk", en "dit is vroom en dat is goddeloos", en eindelijk "dit moet je doen, en dat moet je niet doen". En volgt hij nu deze wenken gewillig, des te beter; zoo niet, dan wordt hij als een tak die aan 't scheef groeien is en krom wordt, recht gebogen met bedreigingen en slagen. Na dit tijdperk zenden de ouders hem naar school, en daarbij dringen ze meestal bij de schoolmeesters er veel meer op aan, dat de jongens goed fatsoen leeren, dan dat ze lezen en schrijven of citherspel bij hen leeren. En de onderwijzers houden vooreerst daarop het oog, en vervolgens, als de jongen lezen heeft geleerd en den zin der woorden verstaat, laten ze hem op zijn schoolbankje gezeten de gedichten van goede dichters voorlezen en van buiten leeren, in welke allerlei goede lessen staan en uitweidingen en lofprijzingen van edele mannen van het voorgeslacht, opdat de jongen die met ijver navolgt en streeft hun gelijk te worden. En de kitharisten doen desgelijks. Zij letten vooreerst op des jongens ingetogen houding en gedrag en waken er voor, dat ze geen kwaad doen, en vervolgens, als ze hen geleerd hebben de cither te bespelen, geven ze hun weer van andere dichters de liederen te leeren, terwijl ze hen de melodie daarvan op de cither leeren, en zoo maken ze dat rhythme en harmonie eigen wordt aan hun ziel en zij zelf zachter van aard worden en meer geëvenredigd en harmonisch van gemoedsstemming. En opdat een kloek lichaam hun aldus goed geworden geest diene, en zij in oorlogen of andere bemoeiingen niet behoeven te vreezen uit hoofde van onvoldoende lichaamskracht, zenden ze hem naar den gymnastiekmeester".

Naast deze algemeene beschouwing is de verzekering niet onvolledig, dat de oude leer dat "veelweterij geen verstand geeft", in de dagen van welke wij spreken te Athene als ouderwetsch begon te gelden en het woord van Isocrates: "niet wat men den leerling kan meegeven, maar hoe men zijne ooren opent, is de vraag" naar de meening van vele zijner tijdgenooten de taal van een droomer was, blind voor de gebiedende eischen der praktijk. Voorshands echter zal de kleine beoefenaar van 't alfabet van dien strijd nog niet veel bemerken. Gewichtiger is voor hem een ander theoretisch dilemma--al zal hij het niet formuleeren zooals wij dat doen. De vraag is deze: zal men hem onderwijzen volgens de leer door Plato bij oudere leerlingen proefhoudend bevonden, de methode van het zachtzinnig en geduldig voorbeeld? Of zal men de methode van den dwang volgen? Voor het laatste is de kans het grootst. De praktijk van het Grieksche onderwijs eischt gestrengheid van den kant des leermeesters en stipte onderworpenheid van den leerling. Het is teekenend voor het gezag van den schoolmeester, dat Xenophon--sprekend over de discipline der Spartaansche troepen die hij op hun tocht naar Azië vergezelde--om recht duidelijk te doen gevoelen, welk een ijzeren tucht daar heerschte, zegt: "de troep had tegenover hun commandant hetzelfde gevoel als schoolknapen tegenover hun meester."--Zoo is de meester de autoriteit, en met het versje van Menander: "des leerlinge eerste les is houd-je-mond" zijn de Grieken het eens. De belangstellende vraagal, dien de moderne paedagogiek zoo gaarne doet optreden met zijn van nadenken getuigend "meester, waarom?" zou--vrees ik--op een Grieksche school niet veel succes hebben gehad. Een Atheensch scholier heeft niet te vragen, hij heeft te luisteren en te gehoorzamen; doet hij dat niet ... dan is er een stok.

Hoe lang nu de schooldagen van den kleinen Athener zijn geweest, is ons alweer niet bekend. Maar wel weten we dat, zooals van zelf spreekt, zijne aandacht wordt verdeeld tusschen den grammatist en den kitharist. Eerst komt natuurlijk het spellen en lezen. Juist onze eigene meer en meer geperfectionneerde methodes van leesonderricht maken het voor ons belangrijk te weten hoe de Atheners hun jongens het begrip van de leeskunst en haar praktijk hebben bijgebracht.

In den aanvang van onze tijdrekening was bij de Grieksche meesters te Rome dit de gewone weg: eerst leeren de kinderen het alfabet opzeggen, dan wordt hun de vorm en de klank der letters geleerd, dan de syllaben en de verschillende wijzen waarop die ontstaan, en ten slotte de woorden uit die syllaben gevormd; feitelijk dus de Spa-a-methode. Dezelfde was reeds door Plato, en zeker wel in overeenstemming met de praktijk aanbevolen: "Eerst"--zegt deze--"moet de knaap de letters kennen naar hun vorm en naam".--Zouden niet ook de Grieken speelmiddelen hebben gehad om de kinderen die te leeren? De rijke Herodes Atticus, die een tijdgenoot van M. Aurelius was, had een hardleerschen en onwilligen zoon, zijn onuitputtelijke rijkdom veroorloofde hem--en bij zijn ongeëvenaarde mildheid kon hij zulks doen zonder den schijn van parvenu's-bluf--aan dien zoon vier-en-twintig slaafjes cadeau te doen, die ieder eene letter vertegenwoordigden. Mij dunkt, dit zal wel een weelderige imitatie zijn geweest van een ouder gebruik; losse ivoren lettertjes kende ook Quinctilianus; terracottascherven met syllaben-oefeningen: ar, bar, ger, er ber, ger, enz. zijn in Attica in den grond gevonden, en eindelijk dat de Atheensche kinderen inderdaad "B met een A = BA" leerden, weten wij uit literaire overlevering.

Zoowel bij het spellen als straks bij 't latere lezen heeft de schoolmeester alle gelegenheid om scherp toe te luisteren, of het knaapje dat voor hem staat zuiver uitspreekt. Daargelaten nog dat hij misschien lispelt, 't zij van nature, 't zij door 't voorbeeld van een ouderen broer, die brauwt omdat Alcibiades brauwt of lispelt omdat een ander voornaam lion met slappe lippen spreekt, kan hij ook van elders de vocalen minder keurig hebben meegebracht. Athene is sinds de Perzische oorlogen een internationaal middelpunt, en de stad is vol halfburgers, zoogenaamde metoiken: op 35.000 burgers 10.000 metoiken. De zoontjes van deze naar Athene overgekomen vreemdelingen hooren thuis de heldere Atheensche a wellicht op zijn Ionisch als è, of, als ze van Dorischen huize zijn, lachen meester en scholieren hen uit, zoo dikwijls als ze "plat pratend", met een breede Dorische a voor den dag komen, waar een Athener ee zou zeggen. En een menigte andere eigenaardigheden moet in hun spreken te gelijker tijd verdreven worden. Hellas heeft over zijn kleine oppervlakte een ongemeen groote verscheidenheid van vervormingen derzelfde woorduitgangen; zoo vroeg mogelijk--en zeker vóór men den jongen leerde zich te verdiepen in de geheimen der pas "ontdekte" grammatica--moest de meester hem oefenen in nauwkeurigheid van uitspraak. Die nauwkeurigheid wordt trouwens door de Grieksche taal zelve bijna geëischt. Het werk van een goed deel onzer voorzetsels, voegwoorden en hulpwerkwoorden wordt immers in het Grieksch verricht door fijne vocaalwisselingen en door een lenig en rijk samenstel van buigingsuitgangen. Die bevallige vormen door slordig afkappen of onzuiver articuleeren te verminken, is het werk van een "barbaar". Juist op het feit dat in een jarenlang verkeer geen der buurtgenooten hem op zoo iets had betrapt grondt een van Demosthenes' klienten zijn recht tot erkenning van zijn Atheensche afkomst!--En aan die spreekoefeningen knoopt zeker de meester telkens het wèl bekende "dat zegt men zoo niet" vast. Want ook in het woordgebruik moet de kleine metoikenzoon op zijn tellen passen. Het is een van de treffendste bewijzen voor de groote begaafdheid van den redenaar Lysias, dat hij, zoon van een metoik en leerling der Sicilische rhetoren, die zoovele talen kent als menschen, wel elk zijner klienten laat spreken, klagen, schertsen naar zijnen aard, maar in geene zijner oraties een duimbreed afwijkt van het zuiverste Attische idioom. Zoo iets leert meestal een jongen alleen in zijn vroege jeugd. En doet hij dat niet, dan zal het hem gaan als dien Stephanus, van wien Demosthenes zegt: "Rechters, aan zijne soloecismen hebt gij zelf allang gehoord dat deze man een barbaar is; uit zijne schurkenstreken zal ik het u ten overvloede thans nog bewijzen."

Wie lezen zegt, zegt schrijven, althans in oud-Hellas, waar men beide vakken van onderwijs met één zelfden naam "Grammata" (letters) aanduidde, en waar verder gewoonlijk, ten minste in den ouderen tijd, voor boekschrift en gewoon handschrift in brieven en acten, een zelfde lettervorm dienst deed. Er is dan ook--dit spreekt van zelf--geen enkele redelijke grond om aan te nemen dat, zoolang het oude Athene scholen heeft gekend--en dit is zeker sinds Solons dagen het geval--in die scholen niet naast het lezen van den aanvang af het schrijven zou zijn gedoceerd. Bewijzen laat zich zoo iets niet. Reeds de schaarschte van schrijfmateriaal moet oorzaak zijn geweest dat de kunst van 't schrijven zelf, ofschoon ongetwijfeld duizend jaar vóór onze jaartelling in Griekenland bekend, niet ijverig werd beoefend: de soldaten van klein-Aziatischen huize die Psammetichus I (654-617) op zijn tocht naar 't Nijleiland Elephantine begeleidden, waren niet allen de schrijfkunst meester, en de kameraden wier vaardige hand aller namen insneed in de beenen der colossale standbeelden te Aboe-simbel in Nubië, voegen er met trots aan toe: "Onze namen zijn geschreven door Archon, zoon van Amoibichos, en Pelekos, zoon van Eudamos", welke verklaring dan door een paar van de vrienden met zeer gering succes is nagekrast.--Maar wie wandelt over de rotsen van Thera (Santorin), die vindt daar de bewijzen dat in de zevende eeuw de Theraeïsche mannen--jongere en oudere--over het algemeen vrij vaardig met de stift moeten zijn geweest, en bovendien, dat blijkens den vorm hunner letters ook toegeeflijker materiaal dan de harde steen hun bekend was.

Ook de vazenscherven, o.a. die van Naucratis in Egypte, waar sinds het laatst van de zevende eeuw een Grieksche nederzetting was, en die van Corinthe, waarschuwen ons om aangaande de uitgebreidheid der schrijfkunst onder de Grieken ons niet al te ongunstige voorstellingen te maken. Natuurlijk: indien we op een vaas een opschrift vinden, netjes gepenseeld vóór de vaas werd geglazuurd, dan bewijst dit alleen dat de geestige teekenaar ook schrijven kon, evenals eene oude inscriptie op het voetstuk eener statue veelal slechts de schrijfvaardigheid van den beeldhouwer of diens werkman aantoont; doch als men scherven van kruiken vindt waarin met ruwe hand bij de wijding een godennaam is gekrast, dan weet men: hier is de schenker aan 't werk geweest; hier heeft de koopvaarder dankend voor redding en winst op zijn wijgeschenk aan den havengod de herkomst vermeld met eigen hand, zij het dan ook met eene hand die de roerpin vaster bestierde dan de schrijfstift.

En na Solons dagen zijn voortdurend de Atheners meer gewend geraakt geregeld gebruik te maken van het schrift. Dit werd reeds door de uitbreiding van hun handel en door de klimmende verkiesbaarheid van alle burgers tot ambten die de schrijfkunst stilzwijgend onderstellen, noodzakelijk. In Perikles' dagen moet wel het aantal analfabeten te Athene gering zijn geweest: stemmende leden eener volksvergadering, die niet kunnen lezen en schrijven zijn ondenkbaar, en de welbekende boer, die aan Aristides verzocht om den naam "Aristides" op zijn verbanningstafeltje te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon, zal zelfs toenmaals--in 't begin der vijfde eeuw--wel eene uitzondering zijn geweest.

Daarmee is niet gezegd dat de Grieken schoonschrijvers waren. Terwijl ze namelijk in de opschriften van hunne tempels en statuën buitengewone zorg besteedden aan voortdurende verfraaiing der reeds van 't eerst af zeer ornamenteele lettervormen, schijnt hunne gewoonte om in het dagelijksche leven allen handenarbeid aan slaven over te laten, te hebben veroorzaakt, dat hun eischen voor leeken ten opzichte van het schoonschrift over het algemeen op bescheiden hoogte zijn gebleven. Gelijk in allerlei andere takken van onderwijs, heeft men ook op dit gebied in de eeuw na Alexanders dood gehoopt verbetering te brengen door examens en prijsuitdeelingen;--van weldoeners, prijzen en overwinnaars in declamatie en calligrafie doen ons, zooals wij reeds hierboven vermeldden, de opgravingen der laatste jaren mededeeling uit Milete en Priene, uit Samos en Naxos, en de Anthologie bewaart in een aardig klein epigram de herinnering aan een jongen, die bij den wedstrijd in het schoonschrijven als derden prijs niet minder dan tachtig bikkels won. Maar als wij de proeven van schooljongensschrift raadplegen, die in Aegypte voor den dag komen, hetzij op wastafeltjes of op perkament en papyrus, en zelfs als we er daaronder een uitzoeken dat de meester niet "heel goed" heeft gewaarmerkt, dan zien wij wel in dat voor de Grieken, die niet als calligrafen hun vak van het schrift maakten, langen tijd het woord van Plato heeft gegolden: "om mooi te schrijven hebben wij onze slaven".

En toch--al zijn de resultaten gering--hoe doen ze hun best, meester en leerlingen, op de geestige schaal van Duris. De meester heeft het wastafeltje ter hand genomen en terwijl 't knaapje--in eerbiedige houding en den ernst des oogenbliks beseffend--staat te wachten, trekt hij zijn hulplijnen, horizontaal, opdat de letters goed naast elkaar, verticaal opdat ze ook--naar Attischen schoonheidseisch--goed onder elkaar komen te staan. Voor de kleintjes zal hij nu ook schets-letters trekken om over te teekenen, straks om aan te vullen, voor de grooteren schrijft hij klanken, woorden, complexen van moeilijke letters die ze copieeren, en tenslotte zal de jongen zelfs een blad papyrus van hem krijgen, waarop hij niet meer kan uitvegen en waarop hij schrijft met inkt.