Part 6
In de Dorische staten, met name te Sparta, werd deze zorg voor de leiding en tucht der knapen door de regeering geheel aan zich getrokken, en hierin lag een van die kenmerken van den Dorischen geest, die altijd weer opnieuw stof tot debat gaven tusschen de voor- en tegenstanders van het "Laconisme". Het is de moeite waard te hooren, met hoe groote ingenomenheid bijv. Xenophon, natuurlijk in oppositie tegen de Atheensche politiek en praktijk, deze zijde van het Spartaansche leven roemt. Hij wijst er op hoe te Sparta de regeering, wel verre van toe te laten dat ieder maar aan een slaaf zijne kinderen in handen geeft, een van de voornaamste burgers aanwijst om als paidonomos op de jongens boven zeven jaar toe te zien. Hij heeft de bevoegdheid om--onafhankelijk van het oordeel der ouders--de knapen bijeen te roepen en in al hunne oefeningen te controleeren. Vat een of ander zijn werk wat luchtig op, dan is hij de man die straft. Zoo alleen wordt een ideaal bereikt dat als leuze heeft "allen weerbaar". Zoo wordt een jongen een kerel. Geen sandalen dus, die de voeten week maken: ongeschoeid leert een knaap, hoe een soldaat naar boven klautert op een steil en steenachtig pad. Geen wisseling van zomer en winterkleeren, geene voeding tot verzadigens toe. Bovenal geen omhangen in de eigene woning bij eene toegeeflijke moeder; geen spelen zonder toezicht. Is de paidonomos afwezig, dan is te Sparta de eerste de beste respectabele burger bevoegd om in zijne plaats te commandeeren en te straffen; en zoo behoort het.
Onze kennis van Spartaansche toestanden is te onvolledig om ons te zeggen hoe nu eigenlijk in de praktijk van alle dagen die militaire tucht en die collectieve opleiding der jeugd tot een staatsleger werden toegepast. Er is zonder twijfel tusschen Spartaansch en Atheensch jongensleven een groot onderscheid geweest; toch staat het vast dat in beide staten de vrijheid der knapen zeer veel geringer moet zijn geweest dan in onze moderne maatschappij; vooral met betrekking tot hun uiterlijk optreden.
Er is een Grieksch woord, eukosmia, dat door het Hollandsche "fatsoen" of "ordentelijkheid" slechts gebrekkig wordt weergegeven, en op die eukosmia te letten, dat is de taak van den Atheenschen paedagoog. Den mantel omgeslagen in die plooi van deftige sierlijkheid, die aan de Atheensche knapen zoo eigenaardige distinctie verleent, maar hun veel van de eenvoudige kinderlijkheid ontneemt, zoo wandelt de kleine Athener zelfbewust voor zijnen paedagoog uit. De oogen slaat hij neer, want de sophrosyne, de zedige bescheidenheid, eischt zulks; hij schreeuwt niet op straat en gaat van de kleine steentjes als hem een voornaam burger tegenkomt: hij voelt zich den jongen meester, doch tevens den gehoorzamen leerling van den welgeschoren, goedgekamden paedagoog, die--met de schoolboeken en de lier van den "jongenheer" in de hand--achter hem aanwandelt.
Verder dan tot deze algemeene schets brengt onze wetenschap ons niet. Alleen bijzonderheden uit den omgang van een man als Euripides of Plato met zijnen paedagoog zouden dit beeld kunnen verlevendigen. Maar die bijzonderheden ontbreken. Wel kunnen wij met zekerheid zeggen dat de paedagoog ook in het latere Hellas eene steeds aanwezige figuur blijft in het dagelijksch leven van een knaap van goeden huize, en--al geeft hij meer den indruk van tot den "staf" des jongen deftigen Atheners te behooren--blijft zorgen voor hetgeen hem in den ouden tijd was opgedragen, nl. te waken voor de correctheid en er op toe te zien dat de jongeheer den naasten weg neemt naar school. Want straatslijpen is uit den booze.
Groote sympathie kunnen wij moeilijk voor zulke beperking der vrijheid van ronddolen hebben. De uren waarin we onze stad leerden kennen in hare intiemste hoekjes, of alleen rondzwierven aan den Buitenkant zijn ons daartoe te lief. En daarbij kunnen we ook niet laten de vraag hier weer te herhalen, die telkens bij ons opkomt, wanneer we nadenken over het Grieksche knapenleven: "waar is bij dit alles de vader?" Wandelde dan een Atheensch vader niet met zijn zoon den Kerameikos door, om hem de namen te doen lezen van hen--zijn eigen voorvaders misschien--daar begraven waren, eervol en van staatswege, omdat zij in den krijg voor 't vaderland waren gesneuveld? Toonde hij hem niet de plek waar, half begraven onder de nieuwe woningen ten westen van den burchtheuvel, de resten nog te zien waren van het oude kleine Athene? En beklom hij niet daarna met hem den burcht zelf, om hem eerst te wijzen hoe van een nog oudere nederzetting daar de sporen waren te zien in den ouden muur, doch daarna hem de heerlijkheid van het Parthenon te doen verstaan?
Wie die vragen stelt, beantwoordt ze daardoor meteen. Het zou ondenkbaar zijn dat het anders geweest ware. Zoo goed als een Atheensch vader zijn' jongen de geschiedenis van zijn stad leerde, hem soms bij zich aan tafel liet eten, ook als hij vrienden had, hem meenam naar sommige van de plechtige vergaderingen van zijnen Demos en hem aan zijne zijde liet zitten in het theater, zoo goed moet hij met hem naar de Piraeushavens zijn gewandeld, op den Lycabettus zijn geklommen, en met hem gestaan hebben voor het opengewerkte hek van het raadhuis. Maar dat is iets anders dan den jongen alleen te laten gaan. Op dit punt is er stellig een tijd geweest dat men te Athene streng was, en dat men van een jongen, die over de Markt heen moest gaan, verwachtte dat hij "zediglijk en ingetogen" schuin overstak over het plein, en een eventueele boodschap aan zijn vader, die daar "over staatsbelangen" delibereerde, maar liefst in een der aangrenzende winkels afgaf. Ja, de spreker in eene van Lysias' redevoeringen gaat zoover, dat zijne woorden ons, indien het feit zelf niet zoo vast stond, bijna als eene parodie zouden klinken. In vollen ernst schildert daar de pleiter zijne eigene deugdzaamheid aldus: "Wat mij aangaat, ik ben nu dertig jaar; en nog nooit heb ik mijnen vader tegengesproken of heeft mij een burger van eenig kwaad aangeklaagd. Ik woon vlak bij de markt, maar nooit heeft men mij op de markt zelve of bij de gerechtshoven zien ronddolen vóór de ramp van dit proces mij trof."
Er is geen twijfel aan, of deze jonge man is eene uitzondering. In de dagen van Pericles veranderde in allerlei opzichten zoowel door de uiterlijke omstandigheden als door wijziging van inzichten de leefwijze der Atheners, en daarmee de positie van den paedagoog. De staatkundige bemoeiingen der meeregeerende burgers moesten wel, naast de toenemende uithuizigheid der vaders, de persoonlijke vrijheid van beweging der zoons bevorderen en het aanzien der paedagogen verminderen. Waar was de paedagoog van Alcibiades, toen deze jonge geweldenaar, in een nauw straatje met zijn vrienden aan 't bikkelen, een vrachtkar dwong stil te staan tot het eind der partij, door zich lang-uit vóór het span op den grond te werpen?
In dit verhaal zijn we misschien dicht bij het huis van Alcibiades. Maar de gevallen zijn niet zeldzaam, waarin we knapen van den schooljongensleeftijd zoo met elkaar zien omgaan, dat we ons nauwelijks de aanwezigheid van den paedagoog daarbij denken. Nog eens: troepen jonge knapen van goeden huize, vrij uittrekkend voor de poorten der stad om te spelen wat ze willen en te gaan waar zij kunnen,--ja, dat is zeer zeker een schouwspel dat men te Athene in den ouderwetschen tijd zelden zal hebben gezien en in de vierde eeuw, toen het dien weg uitging, spoedig door een zeer nauwkeurig gereglementeerde regeling van de sloteducatie heeft trachten te keeren. Maar wij moeten ons toch die Atheensche jongens niet al te zeer als fatsoenlijke gedetineerden voorstellen. In eene der redevoeringen van Isocrates zegt een jong man aangaande zijne eigene jeugd: "Mijn vriend en ik zijn van onze jongste jaren af door eene zoo innige vriendschap verbonden geweest, dat wij nooit anders dan te zamen naar de godenfeesten of de offers plachten te gaan". Het zal dunkt me niet noodig zijn, dit jonge vriendenpaar in onze verbeelding steeds te doen vergezeld gaan van een onafscheidelijk tweetal paedagogen.
Trouwens, de aanleidingen om de knapen zonder hun paedagogen te laten, waren talrijk genoeg. Voor vele der feestelijke zanguitvoeringen of gymnastische wedstrijden, aan welke knapen deelnemen, is zooveel voorbereiding en werkelijke training noodig dat de "choreeg", d.i. de vermogende Athener aan wien de verzorging van zulk een wedstrijd op zijn eigen kosten wordt opgedragen, eenvoudig-weg, om zoo zeker mogelijk van zijn succes te zijn, de jongens die voor het koor bestemd zijn eenige weken bij zich in huis neemt, of onder zijn toezicht ergens inkwartiert, opdat ze beter kunnen studeeren en ook juist datgene te eten en te drinken krijgen wat goed voor hen is. Niemand denkt er toch aan om zich de zaak zoo voor te stellen, dat zulk een "choreeg" behalve aan de jongens ook aan hunne paedagogen al dien tijd logies gaf?
Het is niet zonder belang dit alles in het oog te houden. Innige, zeer vertrouwelijke jongensvriendschap duldt geene argwanende paedagogen-ooren en -oogen. Wanneer bij ieder fluisterend geuit woord de goeverneur, voor ergerlijk of onbehoorlijk samenspreken beducht, zijn neus tusschen beide steekt, kan niet anders dan een officieele relatie ontstaan, niet die aan liefde verwante, zeer innige verhouding, die ons telkens roert in Grieksche verhalen en treft op Attische vazen. Niet alleen de oudste mythologie had haren Orestes en Pylades.
Bovendien: over de geheele instelling der paedagogie veranderde de meening gaandeweg. Het wil in dit opzicht niet zooveel zeggen dat Xenophon er zich scherp over uitliet, dat de Atheensche vaders hunne zoons overlieten aan gehuurde leidslieden; want hij wilde een nog scherper toezicht naar Spartaanschen trant. Maar wie eenigszins in Plato's dialogen tehuis is, heeft niet veel moeite ook daar een afkeurend oordeel te vinden. Zeer duidelijk is dit in de slotscène van zijn Lysis. De wijsgeer heeft in dezen dialoog een zeer verzorgde en uiterst aantrekkelijke teekening gegeven van een paar Atheensche jongens van goeden stand. Hun gratie, een vermenging van levendige, door opmerkzaam luisteren opgewekte vrijmoedigheid met bescheiden vrees om door vrijpostig spreken te mishagen, hun frissche belangstelling en hun ongerepte jongensachtigheid bekoren den tegenwoordigen lezer niet minder dan ze Socrates bekoorden. En wat doet nu Plato? Als het dispuut tusschen Socrates en de beide knapen juist op een bijzonder moeilijk punt is gekomen, en de onderzoekers zich in eene verlegenheid bevinden die Plato zelf inderdaad, naar zijne methode in deze soort van gesprekken, bedoelt als eind van den dialoog, dan komen plotseling "als twee daemonen" de paedagogen van Lysis en Menexenus met de jongere broertjes dier beide knapen en bevelen hen terstond mee te gaan. Socrates en de anderen trachten de paedagogen te bewegen om de jongens nog een oogenblik bij hen te laten. Maar dan slaan de beide geleiders een hoogen toon aan, en "in een taal die nu juist niet het zuiverst Attisch was" staan ze Socrates te woord op eene wijze, die duidelijk toont dat ze samen het feest van den dag met een extra beker hebben gevierd.
Plato's kritiek komt eerst dan in hare scherpte uit, wanneer men bedenkt, tegenover hoedanige knapen hij deze ruwe paedagogen, nauwlijks beter dan livreiknechten, plaatst. Men zou den geheelen dialoog moeten aanhalen, wilde men de beminlijkheid van den jongen Lysis zelf doen gevoelen, of den lezers een vluchtigen blik gunnen in het gezin waaruit hij stamt. Maar vooral belangrijk is voor ons op dit oogenblik, wat Socrates, in dien toon van liefdevolle ironie tot hen sprekende die hem voor de jongens zoo aantrekkelijk maakte, over hunne vriendschap zegt. "Menexenos", zoo zegt hij, "er is één ding waarnaar ik al van jongs af een buitengemeen verlangen koester. Andere menschen hebben ook dergelijke verlangens wel; de een begeert een paard te bezitten, een ander jachthonden, een derde geld of eer of iets dergelijks, doch al die dingen laten mij koel. Maar wat ik daarentegen met hartstocht begeer te bezitten, dat is een vriend... En nu zie ik u en Lysis, en terwijl ik u zie, sta ik verslagen doch prijs u gelukkig, dat gijlieden te zamen den schat, dien ik zoo lang vergeefs heb gezocht, reeds op uw leeftijd hebt kunnen vinden. Daarom zeg ik tot u: wijs mij den weg, langs welken menschen elkanders vrienden worden."
De vraag door Socrates hier gesteld omvat een veel ruimer terrein dan bij eene oppervlakkige lezing schijnt. Zij roert het vraagstuk aan van de mogelijkheid eener reine vriendschap, die te Athene met gevaren werd bedreigd, van welke onze maatschappij zich nauwlijks een denkbeeld kan maken. Het kan dan ook in Plato niet zijn opgekomen, om de leer te prediken, dat men goed zou doen eenvoudig de knapen alleen te laten gaan, waar zij maar wilden. Maar niet te min is het uit zijne voorstelling wel met zekerheid af te leiden, dat de waardeering van den paedagoog in de vierde eeuw te Athene aan het dalen was. Al is het gebruik, om aan de zoons van goeden huize een zoodanigen leidsman op straat mee te geven, niet uitgesleten, vermoedelijk is zijne rol wat veranderd en zijn macht over de knapen verminderd. Maar zoo de Atheensche vaders toen meer dan te voren hunne zoons vrij lieten en minder nauwlettend toezagen wie zij kozen als hunne paedagogen, de staat heeft dat niet met onverschillige oogen aangezien. Allerwege komt omstreeks het einde der vierde eeuw een drang naar staatstoezicht op de opleiding naar voren. Te Athene wordt door den staat de tucht en militaire voorbereiding der achttienjarige jongelieden geheel in eigen handen genomen, en in allerlei steden van Hellas en van het Grieksch sprekend Klein-Azië blijkt omstreeks dienzelfden tijd het Dorische instituut van paedonomen veld te winnen. Allerwege vinden wij in die periode tuchtmeesters, van staatswege aangesteld, die het oppertoezicht houden over het welvoegelijke gedrag, de eukosmia, der schoolgaande knapen--en ook der meisjes--die de offers voor hun welzijn bezorgen en waken voor de belangen der veelal op aristocratischen grondslag gevestigde onderwijsstichtingen.
Dit laatste woord vooral brengt ons ver buiten het terrein, dat op dit oogenblik het onderwerp is onzer beschrijving. Ofschoon toch de staatsidee voor de Atheners een fundamenteele beteekenis in leven en opvoeding beide heeft, zoodat als onomstootelijke leer de stelling wordt gehuldigd, dat in de allereerste plaats de mensch burger is, en ofschoon dus in ieders oog dit de taak des opvoeders moet zijn, in den geest van het kind de neiging te wekken vrijwillig en uit eigen begeerte datgene te doen, waartoe hem als hij volwassen is de burgerwetten zullen verplichten, heeft desniettemin de Atheensche staat in het eerste tijdperk van zijn' bloeitijd zelden in die opvoeding ingegrepen: het oude Athene kent leerplicht noch staatsprogram, staatsonderwijs noch subsidie. Eigenlijk laat zich niet eens met onweerlegbare zekerheid bewijzen, dat destijds de Atheensche staat den ouders imperatief den plicht oplegde hunne kinderen te doen onderwijzen. In de treffende scène van Plato's Crito, waar de jonge rijke Crito bij Socrates in de gevangenis komt en dezen tracht te overreden om verkleed te ontvluchten, wijst Socrates hem op het contract, stilzwijgend tusschen hem zelf en de wetten van zijn vaderland gesloten, en hij voert die wetten aldus sprekend in: "Socrates", zoo zeggen zij, "hebben wij niet het huwelijk tusschen uwe ouders, en daardoor uwe wettige geboorte mogelijk gemaakt? Hebt gij eenige aanmerking op onze huwelijksregeling of waart ge ooit ontevreden met onze bepalingen aangaande de voeding en opleiding der kinderen? Is door ons niet op de juiste wijze aan uw vader de opdracht gegeven u in de musische en gymnastische kunsten te doen onderrichten?"-- Inderdaad, het betoog door de Wetten van Athene hier gehouden, zou alle bewijskracht ontberen, indien op het stuk van onderrichtsverplichting in die stad geenerlei wettelijke bepalingen hadden bestaan; maar uitvoerig of streng poenaal kunnen die regelingen dan toch niet zijn geweest. En dat was ook nauwlijks noodig. Het lag immers niet in den Atheenschen aard, de familie-eer te verwaarloozen door veronachtzaming van de zorg voor de zonen des geslachts: zelfs de schooier Agorakritos, de braadworstjeskoopman die in de "Ridders" van Aristophanes aan Kleon de loef afsteekt door zijne nog grootere schaamtelooze doortraptheid, de "man of the street" die er zich op beroemt "op de markt te zijn opgegroeid", moet bekennen dat hij "helaas" een beetje lezen heeft geleerd.
Ook door subsidiën schijnt Athene in zijnen bloeitijd de zaak van het onderwijs niet te hebben gesteund. In die periode zal zich trouwens de behoefte daaraan niet sterk hebben doen gevoelen. De kosten van het onderwijs waren gering, en in een stad waar man en vrouw met twee kinderen zonder armoe leven kunnen, als ze een gulden of zeven inkomen in de week hebben, is niet licht een gezin buiten staat de kinderen wat te laten leeren. Bovendien, de vader kan lid van den raad worden (op zijne beurt!) en dan verdient hij een drachme per dag, of hij kan als lid van de volksrechtbank zijn halve drachme verdienen. In ieder geval heeft hij zijn presentiegeld als lid van de volksvergadering.
Was dus in dezen tijd naast het uitgebreide systeem van staatsuitkeeringen en vacatiegelden kosteloos staatsonderwijs niet noodig, op den duur is dat veranderd. Het begint met indirecte inmenging van den staat door het instellen van wedstrijden. Inscripties bewaren ons de namen van knapen, die bij openlijke schoolexamens den prijs voor schoonschrift, voorlezen of citherspel behaalden; weldra worden openlijke eerbewijzen toegekend aan enkele magistraten wegens hun bijzondere verdiensten ten opzichte van de opvoeding der jeugd. En dan--in de derde eeuw--vindt men op verschillende plaatsen inrichtingen die aan staatsonderricht zeer nabij komen. Zoo legateerde een burger van Teos--niet ver van Ephesus--aan zijne stad een kapitaal van 34000 drachmen, om uit de renten daarvan een zeker aantal onderwijzers in bepaalde leervakken te salarieeren; eveneens stichtte Eudemus, een rijk burger van Milete, een fonds van tien talenten zilver (ruim zeven-en-twintig duizend gulden) uit welks renten, tegen 10% berekend, de verbetering van het schoolonderwijs aan de kinderen der vrije burgers in dier voege zou kunnen geschieden, dat deze in het vervolg door openlijk geëxamineerde en van staatswege bezoldigde leeraren zouden worden onderwezen. Eene Delphische inscriptie verhaalt uitvoerig hoe het bestuur der heilige stad, in geldnood verkeerend, zich had gewend tot Koning Attalus II van Pergamum om bijstand voor het onderwijs der Delphische jongens en van den Pergameenschen koning 18000 Attische drachmen had ontvangen ter bestrijding van de onderwijskosten, benevens 3000 voor de eereprijzen en de offers, gelijk ook koning Eumenes II aan den staat der Rhodiërs eene schenking deed van 280000 medimnen graan, opdat uit de op rente gezette opbrengst van dat geschenk de salarissen der onderwijzers zouden kunnen worden verbeterd. Het is niet gewaagd aan te nemen, dat hetgeen deze toevallige vondsten ons omtrent enkele steden leeren, in de laatste eeuwen vóór Christus, bij het stijgen van de eischen van 't onderwijs en het verslappen van het persoonlijk plichtgevoel, min of meer regel was geworden. Maar dat in Athene's bloeitijd de staat den burgers dezen plicht uit de hand nam, is niet waarschijnlijk. Men heeft wel eens een bewijs voor het tegendeel willen vinden in het volgende verhaal van Plutarchus. Toen, zoo verhaalt nl. deze schrijver, de Atheners in 480 bij de nadering van Xerxes' leger hunne stad ontruimden, zelf met de gansche strijdbare manschap op de schepen gingen en hun vrouwen en kinderen aan de hoede der burgers van Troezen, Aeginae en Salamis toevertrouwden, namen de Troezeniërs het besluit, die kinderen van staatswege te onderhouden en aan de onderwijzers het schoolgeld uit te betalen.--Is nu hier eenige sprake van staatsverplichting of het besef daarvan? Immers het tegendeel! Het feit zelf dat voor de Atheensche jongens schoolgeld werd betaald, spreekt duidelijk genoeg: de Troezeniërs namen de voedings- en onderrichtingstaak eenvoudig van de Atheensche ouders over.
Zoo is er dus alle aanleiding om te gelooven dat--met uitzondering wellicht van de allerarmste dagloonersbevolking--het aantal burgerzoons die, zonder eenig onderwijs te ontvangen, als straatjongens rondzwierven niet zoo heel groot was. Zelfs de "gealimenteerden", de burgers die wegens lichamelijke invaliditeit van staatswege eene subsidie genoten, zullen meestal nog wel voor het luttele schoolgeld eene kleinigheid hebben kunnen besteden. Natuurlijk is daarmee niet gezegd, dat er te Athene geen straatjongens waren! Reeds het groote aantal slaven moest daartoe wel een contingent leveren; de massa vreemden die langer of korteren tijd daar den kost kwamen zoeken, brachten ook hunne kinderen mede, en eindelijk moedigde menige eigenaardigheid van het zeer openbare samenleven der Atheensche maatschappij niet slechts het "straatslijpen" maar ook de straatrooverij in groote variëteit van vormen aan. Ofschoon dus de "manteldieven" en de "beurzensnijders", die 's nachts en in de avondschemering werkten, grootendeels uit volwassenen bestonden, hebben toch zeker in de uitgebreide dievenbrigade dergenen die in de openbare badhuizen rondgluren, om terwijl de goede burgers in het zwembassin zijn met hunne kleeren uit wandelen te gaan, ook de knapen wel vaak als leerlingen dienst gedaan. Niet zonder reden had Athene eene talrijke politie.
Maar dezen achtergrond van het Atheensche volksleven behoeven wij voor onze schets niet te betreden. Wat de burgers aangaat denken we er aan, dat zelfs de venter in warme worstjes, die "zoon der markt op straat gewonnen en geronnen", lezen had geleerd, al was 't ook maar "een beetje en heel slecht".
Van het zesde of zevende jaar af gaan de Atheensche jongens naar school. De zoons van goeden huize waarschijnlijk wat vroeger dan de "armelui's kinderen", gelijk zij er ook langer blijven. De democratie heft het standsverschil niet op, en zonder twijfel was er groot onderscheid tusschen de zoons van Pericles of Nicias en den boer in Aristophanes' Wolken die nog nooit eene landkaart had gezien. Ook zijn allicht de localiteiten zeer verschillend geweest. 't Goedkoopst komt men zeker terecht bij een schoolmeester die, bij gebrek aan een eigen lokaal, een stil hoekje op straat heeft uitgezocht om--voor een paar dubbeltjes--de kinderen van het dorp of van de wijk lezen te leeren, zooals de legende dat Dionysius den Tweede laat doen, nadat hij, uit Syracuse ontvlucht, zijn ouderdom te Corinthe was komen doorbrengen, en gelijk--naar een meer betrouwbare overlevering--Epicurus het als jongen deed "ter assistentie van zijn vader".--Maar vermogende Atheners stellen andere eischen. Wij behoeven ons daarom nog niet voor te stellen dat al die jongens school gaan in lokalen met beelden georneerd en gelegen aan een koele binnenplaats met eene fontein. Maar reeds hierin was eene zekere weelde, dat men de scholen niet graag te bevolkt had en liefst dicht bij huis, om de jongens niet te veel op straat te laten. Zoo heeft iedere buurt haar school, en voor de vereerders van de oude tucht, gelijk Aristophanes, was het een lust er naar te staan kijken hoe na de morgenuren de jongens uit één district samen van de leesles naar den muziekmeester marcheerden:
"in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel".
Maar de scholen voor minder betalenden zullen wel grooter zijn geweest. Als Herodotus verhaalt, hoe omstreeks 494 te Chios, tijdens den schooltijd het dak der school instortte, zoodat op één na al de kinderen, honderdtwintig in getal, omkwamen, dan vindt hij blijkbaar in dat aantal niets ongewoons.