Atheensch Jongensleven

Part 5

Chapter 53,742 wordsPublic domain

Dit is een gewoon blindemanspel, maar de Atheensche kinderen kennen eene reeks van spelletjes, die met blinddoeken beginnen, doch waarbij het spel na die inleiding verandert. Grootendeels zijn dit spelen waarbij het op handigheid van beweging, scherp opletten, vlug raden aankomt. Maar van de meeste dier spelen zijn ons beschrijvingen overgebleven zóó duister... alsof een van de Atheensche jongens zelf, met de bekende ongeschiktheid van kleine spelers om hun spel uit te leggen, die beschrijving had opgesteld. Die allen te ontwarren, is niet de taak van deze schets. We noemen er enkele, die van onze moderne spelen zich min of meer onderscheiden. Merkwaardig is bijvoorbeeld het spel dat de Grieken "de Pot" noemen. Waarschijnlijk werd dit aldus gespeeld. Een zit in 't midden: hij heet "de Pot". Snel in een kring om hem heen rondloopend, trekken de anderen hem aan zijn haar en zijne kleeren, zij geven hem een tik of knijpen hem, maar zij blijven in snelle beweging rondgaan, want hij, dien de middenman, ronddraaiend op zijn plaats als een pot op de schijf van den pottebakker, grijpt, die moet in diens plaats gaan zitten.

Ook dit spel heeft weer zijne variaties. Soms b. v. is er een wezenlijke pot in 't spel. De jongen die daarop moet passen houdt den pot aan den rand vast, terwijl hij daarbij rondloopt. De anderen draven in een kring om hem heen en geven hem klappen, terwijl zij roepen: "Wie past op den pot?"--"Ik, Midas", antwoordt hij en tracht wie hem slaat, met den voet aan te raken; wat natuurlijk niet heel gemakkelijk is, omdat hij den pot niet mag loslaten.

Dit Potspel zal wel onder de spelen voor kleine jongens behooren. Het is een vrij kalm vermaak, en vooral Pot of potbeschermer te zijn was een zoet, wel wat vervelend werkje. Natuurlijk kunnen ook grooteren het daarom wel gespeeld hebben; want het heeft veel van het door iederen leeftijd gespeelde kollabisme, een soort van blindeman, waarbij de jongens den geblinddoekte slaan en hem daarna laten raden ("profeteeren"), wie het is die hem geslagen heeft.

Terloops zij hier opgemerkt dat, juist als in onzen tijd, klappen geven bij al deze kinderspelen schering en inslag was. Zoo bijv. ook bij de oud-Grieksche manier van ons "zakdoekje-leggen". Niet alleen toch moet de jongen die niet heeft bemerkt dat het "eindje touw" bij hem is neergeworpen, op zijne beurt het touwtje leggen; maar hij moet eerst den kring rond en krijgt bij die gelegenheid van elk der spelers een tik. Merkt hij het wel, dan springt hij op en loopt den legger achterna om dien, zoo hij hem grijpen kan een klap te geven. En ook in die aftikmethoden hebben ze weer allerlei afwisseling.

Oud zijn natuurlijk al deze spelen, niet in de laatste plaats diegene waarbij òf een naam wordt genoemd òf een deuntje wordt gezongen, voor de kinderen zelf niet recht meer begrijpelijk. Waarom zij den potbeschermer Midas noemden--toch zeker wel een andere Midas dan de koning met zijn ezelsooren--dat wisten zij geen van allen. En of de pot, dien Midas moest beschermen, iets te maken had met de schildpad (chelone) in de meisjes-editie van dit zelfde spel, was hun zeker evenmin bekend als ons. "Ongeveer gelijk aan 't chytra (pot) spel" heet bij de Grieksche geleerden dat meisjesspel. Meer weten wij er dus niet van, maar aan ons fantaseerend gissen van oude herkomst opent het een ruim veld, alleen reeds omdat het een van die eigenaardig geheimzinnige refreinspelen is. De meisjes huppelen om de eene die in 't midden zit heen en roepen op zingenden toon haar toe:

Zeg, schille-schildpad, wat doe jij in 't midden daar?

Deze antwoordt:

Ik wikkel wollen garen en Milesisch draad.

Dan de anderen weer:

Wat heeft je zoon misdreven, dat hij 't leven liet?

En zij:

Hij heeft zich op een sneeuwwit paard in zee gestort.

Sneeuwwit--leukos--zoo heet ook de rots, de Leukadische, van welke zich, in de legende der dichters, Sappho, verteerd door ongelukkige liefde voor den schoonen Phaon in de zee stortte. Wie zal zeggen welke banden die legende met het meisjesspel der Atheensche kinderen vereenigde? Oude cultusgebruiken en ritueele dansen schuilen niet zelden in zulk een kinderspel weg.

De spelencatalogus die nog zou te bespreken zijn, is lang, want de Grieksche kinderen hebben in de bewegingsspelen eene groote vindingrijkheid gehad, vooral in die combinatie van blindemanspel met krijgertje en verstoppertje, die naast de handigheid de vlugheid oefenen. Men mag zonder twijfel in dezen rijkdom ook wel de leidende hand van ouders of paedagogen erkennen; het spel is een onderwerp van studie, voor philosofen zelfs als Plato en Aristoteles, en het was te verwachten dat vele hunner hoorders in eigen kring toepasten wat ze van hen over goed spel hadden gehoord.

Of die philosophische waardeering van het spel naar zijnen physieken of ethischen invloed aan de jongens zelf de meest aanbevelenswaardige methode scheen, mag misschien betwijfeld worden. Zeker zijn bij de jongens sommige spelen in eere juist omdat zij kracht of moed of karakter eischen, en wanneer Plato zegt, dat er een aantal spelen zijn die jongens overal van zelf beginnen te spelen zoodra ze bij elkaar zijn, dan heeft hij waarschijnlijk ook wel aan zulke soorten van spel gedacht. Probeeren wie de sterkste is in zijne handen of in zijn nek is daartoe een begin; eene waardeering van hoogere eigenschappen ligt er aan ten grondslag, als de jongens probeeren wie het langst onder allerlei plaagzieke of pijnlijke aanvallen stil kan blijven staan. Al deze spelen dragen met elkander een karakter van oefening en inspanning, waardoor ze ook bij ouders en voogden in aanzien zijn: ze gelden als opvoedend.

Maar als Plato spreekt van "natuurlijk opkomende" spelen, dan is daarbij die reeks van "spelletjes" niet te vergeten die met den winlust, met het hazard samenhangen. "De Lydiërs", zegt Herodotus ergens, "beweren dat de Grieken van hen de meeste hunner spelen hebben geleerd, het bikkelspel, het balspel en andere dergelijke. Zij hadden namelijk zelf die spelen uitgevonden bij een hongersnood, om zoodoende zich zelven er toe te brengen slechts om den anderen dag te eten. Bij 't spel--hoopten ze--zouden zij den maaltijd wel vergeten. Maar onder deze uitvindingen rekenen de Lydiërs het dobbelspel niet. De dobbelsteenen aanvaarden zij niet als Lydisch".--Het is niet onwaarschijnlijk dat de Lydische zegslieden van Herodotus--of ook de historicus zelf--door deze laatste zinsnede een vonnis over de dobbelsteenen heeft willen vellen. De meeste Grieken denken over de teerling niet zoo streng, en rekenen het eene verdienste van Palamedes dat hij zulk een voortreflijk uitspanningsmiddel voor matrozen, die òp zijn van 't roeien, heeft uitgedacht. Maar--de dobbelsteen is voor den man; de knaap mag met koten spelen.

Van de koten, de astragaloi zou men, als een Grieksche jongen gekleed was gelijk een Hollandsche, kunnen zeggen dat hij ze altijd in zijn zak had. In elk geval kennen wij de Grieken niet zonder bikkels, en kent geen onzer die Homerus gelezen heeft ze niet. Wie denkt niet aan de nachtelijke verschijning van den gestorven Patroclus? Naast Achilles' leger aan 't zeestrand staat de schim, smeekend om de begrafenis, opdat niet langer de dooden haar weren uit de plaats der eeuwige rust. En dan zegt de doode: "Geef mij uw hand, Achilles, en zweer me--want ook uw dood is nabij--dat gij zorg zult dragen, dat uw gebeente en het mijne in ééne lijkbus rusten. Wij willen in den dood vereenigd zijn zooals wij dat waren in het leven. Van jongs af! Weet gij het nog, hoe mijn vader Menoitios mij bracht aan het hof van uw vader Peleus, ter bescherming omdat ik had moeten vluchten? Immers ik had een anderen knaap dood geslagen in mijne woede, "driftig over de koten."

Het is een droevig tafreel dat bovenaan staat in de geschiedenis van het bikkelspel bij de Grieken, en wie het leest kan nooit laten zich weer af te vragen: Wat zou hij gespeeld hebben met "den zoon van Amphidamas", die arme Patroclus, wiens geheele houding van ernst tegenover Achilles door deze geschiedenis zoo treffend wordt toegelicht? Zou hij geraden hebben (geknobeld)? En zouden ze het toen over "even of oneven" oneens zijn geworden? Of zouden ze gewoon hebben gebikkeld? Het tweede spel is meer waard dan het eerste en geeft zeker niet minder aanleiding tot heftigen twist.

De Atheensche jongens en ook de meisjes spelen dit kotenspel bijzonder graag. Ze werpen de koten uit de hand, juist als bij ons de kinderen plachten, maar zij gebruiken er naar 't schijnt geen stuiter bij, zooals onze meisjes doen. De koten hebben natuurlijk zeker waarde naar de wijze waarop zij vallen: iedere zij, de platte vlakken, het bolle en het holle zijvlak hebben hun eigen getal, en al is de getallencombinatie, daar de smalle zijden van zelf niet meerekenen, minder groot dan bij den dobbelsteen, afwisseling is er genoeg in het spel, dat uit den aard op verschillende wijze kan worden gespeeld en, veel meer dan het dobbelen, ook voor kinderen geoorloofd wordt geacht.

Zoowel dat dobbelspel als de andere hiermee verwante spelen der Atheensche jongens hebben zoo groote overeenkomst met onze spelen, dat het volkomen overbodig is er lang bij stil te staan. Maar wel moet iets worden gezegd over het schervenspel.

Met scherven spelen de Atheensche jongens op allerlei manier, en ze houden dat lang na den kinderleeftijd vol. Ze vinden zich niet licht te deftig om platte "zeilsteentjes" zoo over het water te keilen dat ze drie of vier malen opspringen; noch zijn ze lang in hun eigen schatting te jong om mee te doen, als de scherven "in 't kuiltje" moeten worden gegooid. De allerjongsten zijn van zelf uitgesloten, als er geld bij te pas komt; dan wordt echter de variëteit zelve van 't spel levendiger. Want er is precisie en behendigheid toe noodig om een muntstukje, dat in een kring is gelegd, juist zóó met de geworpen scherf te raken dat het kantelt en op zijne keerzij komt te liggen, en dan weer een andermaal het zoo te treffen dat het uit den cirkel wijkt. Mannen spelen dat en groote jongens--men denke alleen maar aan het benoodigde kapitaal in koper!--Maar op iederen leeftijd kan men opgooien met scherfjes of met bikkels. Hoe gaarne teekenen de vazenschilders de gracieuze Attische meisjes bezig met dat spel. Bevallig is de slanke arm uitgestoken, met de fijne handpalm. Met eene vlugge beweging zijn de drie of zelfs vijf kleine steentjes uit het holle der hand opgeworpen en nu is de kunst "alle vijf" te vangen op den rug der hand. Tollen met de munt op den nagel van den duim is daarnaast een geliefd kunstje, en niet minder het eigenlijke tolspel.

Terecht is daarbij meer dan de bedaarde en eentonige priktol de drijftol in eere. De lustige drijftol was reeds voor de vorsten, voor welke Homerus zong, een familiaar speeltuig. Hoe zou anders de oude zanger er toe gekomen zijn van Hector te verhalen dat hij, getroffen door een steen, "ronddraaide als een drijftol?"--De vergelijking is drastisch en zij vond navolging. Callimachus maakt er van gebruik, terwijl hij de jongens met hun drijftol laat spelen "op den breeden driesprong"; maar Vergilius teekent in een van die keurig verzorgde pericopen waarin hij de oude homerische beeldspraken uitwerkt tot tafreeltjes van de meest verzorgde détailkunst, de jongens met hun vliegenden drijftol "in de ruime atria". Onze Atheensche knapen zullen wel niet zooveel "ruime atria" tot hunne beschikking hebben gehad als de voorname senatorenzonen die aan Vergilius voor oogen stonden. Het Atheensche tolspel denken we ons waarschijnlijk te recht grootendeels op straat, zoo goed als het "bok, bok, sta vast" en het lijntje trekken.

Het zal ook wel meestentijds in de open ruimte van een marktplein zijn geweest, dat de Atheensche knapen zich samenschikten voor hunne wedkampen van kwartels en hanen, imitatie van de speelwoede hunner vaders en oudere broers. Een lievelingskwartel te fokken ergens thuis in een hoekje van de binnenplaats, welk Atheensch vader zou het zijn zoontje niet hebben vergund, even goed als hij hem den kleinen keffenden spits gunde die op zoovele Atheensche reliëfs, zelfs op grafmonumenten, de metgezel der knapen en jongelingen is.--Maar meestal is het een Atheenschen jongen niet genoeg een' vogel op te kweeken of enkele tamme kunstjes te leeren. Zijn ideaal is hem te dresseeren dat het een goede vechtvogel wordt; dan draagt hij hem rond en toont hem aan zijne vrienden en hij houdt hem bij zich onder zijn overkleed. Alcibiades droeg zijn lievelingsvogel nog bij zich, toen hij al volwassen was en zich reeds mengde in de politiek; hij kwam er mee in de volksvergadering. En toen hij eens, bij een voorstel om eene vrijwillige oorlogsbelasting te heffen, zijne royale instemming wilde betuigen en onder den luiden uitroep "ik doe ook mee" zijne beide armen omhoog hief, vergat hij dat hij een kwartel onder zijn kleed had, en de vogel vloog weg. Toen vergat het souvereine volk van Athene zijne staatsbeslommeringen, allen stoven den lieveling van hun lieveling achterna. En de man die den vogel greep en aan Alcibiades terug bracht, heeft daardoor een naam in de wereldgeschiedenis gekregen: hij heette Antiochus, en Alcibiades heeft altijd goed voor hem gezorgd.

Deze anecdote, door Plutarchus verhaald om te bewijzen hoe verzot de Atheners op Alcibiades waren, kan tevens ten bewijze strekken hoezeer zij van kwartels en kemphanen hielden. En hoe zouden zij niet! Van staatswege werden er immers wel hanegevechten gehouden, en de eere-zetel van den Dionysospriester in het groote theater van Athene, de hoogste eereplaats in den geheelen schouwburg, is op den zijwand versierd met een zeer geestig gebeeldhouwde afbeelding van een paar vechtlustige kemphanen. Zoo zullen dus Atheensche vaders er minder bezwaar tegen gehad hebben dan bij moderne ouders het geval zou zijn, dat hun jongens kwartelwedstrijden houden. Eerst gaat dat vrij eenvoudig. De concurrenten trekken een kring op den grond, zetten daar hunne kwartels in, en nu begint de wedstrijd: elk der beide jongens mag, natuurlijk met inachtneming van zekere stipt voorgeschreven wetten, met zijn middenvinger den kwartel van de tegenpartij op den kop tikken, ja zelfs hem plukharen, en de kwartel die dan het eerst met den kop in de veeren wegwijkt uit den cirkel heeft het verloren en wisselt van eigenaar. Maar dit spel is voor vogels en jongens beiden niet meer dan eene inleiding. Knapen van meer ervaring en vogels van meer training hebben prikkelender spel noodig. Dan vechten de kwartels zelf met elkaar, aangehitst door het schreeuwen en drijven hunner meesters, en als de vogels, wild door 't gesis en geschreeuw, elkaar de vederen uitrukken, ja misschien de oogen uitpikken--wel dan geniet het Atheensche jongenspubliek met even groot enthousiasme als in het Dionysostheater hunne vaders wanneer de hanen vechten "met echte sporen".

Ook bij de Atheners rees wel eens twijfel of zulke hanengevechten wel zoo heel heilzaam voor hun jongens waren. Maar als een of ander zedemeester hen kwam vragen, of dit nu een schouwspel was, Marathonstrijders en hun kleinzoons waardig, dan hadden zij toch hun antwoord klaar. "Wanneer mijn jongen--zoo zeiden ze dan--die kleine vogels ziet plukken en bijten om de overwinning, tot ze er half dood bij neertuimelen, dan zal hij duidelijk leeren gevoelen, hoe schandelijk het wezen zou minder te zijn dan zoo'n kleine kwartel, en ooit een strijd op te geven omdat men een paar onnoozele wonden heeft opgeloopen.

Niet alleen vaders uit de oudheid denken er zoo over. Maar in de Atheensche beschouwing valt bijzondere nadruk op het denkbeeld van den wedijver. Dat al die spelen voor grooter en kleiner jongens de eerzucht prikkelen is onmiskenbaar en den Atheenschen ouders is dat zeer naar den zin. Want in het spel zien zij gaarne eene inleiding voor de schoolopvoeding. Het kinderspel moet de aandacht wekken, de leden rap maken, de wilskracht stalen. Vangt daarmede het spelende kind aan, de jongen zal het voortzetten; de Atheensche scholier zal alleen de kalokagathia die den Attischen burger stempelt bereiken, als met de oefening van zijnen geest die van het lichaam gepaard gaat.

Zoo voert iedere spelbeschrijving, die niet uitsluitend aan den hier herhaaldelijk genoemden grammatischen catalogus van kinderspelen is ontleend, doch ook steunt op hetgeen de schrijvers er ons over zeggen, ons weer terug naar de theorie. Bij alle onthouding van staatswege zijn de Grieken toch altijd zeer vasthoudende opvoeders geweest; ook het spel bespreken zij bijna nooit anders dan als een van de middelen tot educatie. Onze schets heeft dat niet gedaan; wij hebben voornamelijk gevraagd: "waarmede hielden de jongens zich bezig?" en daarbij geene volledigheid gezocht. Stelde niet de leeftijd, dien wij bespraken, grenzen aan de beschrijving, dan zou hier naast een enkel woord over triktrak en damspel ook nog met eenige uitvoerigheid van het beroemde kottabosspel moeten worden gewag gemaakt. Maar een tafelspel, hierin bestaande dat de gasten wedijveren wie uit beker of schaal met de meeste vaardigheid en gratie door eene rappe polsbeweging (niet met een plompen zwaai) een klein restje wijn--niet een plas!--zóó kan opwerpen naar een hooger opgesteld bekken, dat met een voorgeschreven welluidenden klank de wijn in het metalen bekken valt--zoo'n spel is opwindend en pleizierig--wie zal het tegenspreken?--maar geen spel voor jongens. Hoogstens zullen dezen zich in mik-zekerheid kunnen oefenen door voorbereidende exercitiën met water. Daar ze geen symposion houden en dus geen bekers, nemen zij een teug water in den mond, en passen zoo een vorm van kottabos toe, die nog altijd--ook bij onze straatjongens--in de mode is.

II

Onze schets heeft in de laatst voorafgaande bladzijden de kleine Atheners, hetzij alleen hetzij met anderen, laten rondzwerven op eene vrij ongeregelde wijze. De lezer meene echter niet dat zulk een vagebondeeren in overeenstemming is met de opvoedingsbeginselen der Atheensche vaders. Dit kan genoegzaam blijken uit de nauwlettende zorg waarmee op zijn geheele doen en laten wordt toegezien, zoodra hij--op zijn zevende jaar--naar school gaat. Als zijn ouders het eenigszins ruim hebben volgt hem op zijn' weg een vertrouwde slaaf van middelbaren of hoogeren leeftijd; dat is de paedagoog. Zijne figuur is voor ons zoo vreemd, en van zijne verhouding tot den knaap, die tegelijk zijn meester en zijn pupil is, zoo onmodern, dat het de moeite waard is iets langer bij dezen slaaf stil te staan dan zulk een lakei oppervlakkig beschouwd het schijnt te verdienen.

De naam van dezen ouden dienaar heeft een voornameren klank dan men voor eenen slaaf die een' jongen naar school brengt zou verwachten, en dank zij een merkwaardige speling van het lot is eerst in lateren tijd, toen de eigenlijke slavenfunctie van den paidagogos min of meer uit de mode was geraakt, de oude beteekenis van het woord door het overdrachtelijke gebruik dat de philosophen er van maakten weer op den voorgrond gekomen. Immers agoge beteekent niet slechts "geleide", maar ook "leiding", en in de oude tijden was dan ook--vooral in vorstelijke kringen--de paedagoog behalve de geleider tevens de leidsman van den jongen edele geweest, dien men aan zijne zorg toevertrouwde. Het zijn de heroïsche, de ongeletterde tijden, waarvan dit geldt; maar de latere Grieken hebben het nooit vergeten. De tragici vooral bewaren aan die oudere periode opzettelijk en met onloochenbare sympathie de herinnering. Zij beijveren zich om hunne paedagogentypen ernstig en eerbiedwaardig te maken; aan niemand hunner is dat beter gelukt dan aan Sophocles toen hij zijn Electra schreef: de getrouwe dienaar die aan den aanvang van dit treurspel den jongen koningszoon geleidt naar het paleis van zijnen Vader, de dienaar dien Sophocles de eer van de aanvangswoorden heeft waardig gekeurd:

Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zien met eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,

die dienaar is in de plannen en de plichten van den jongen Orestes geheel ingewijd; meer dan dat: zijn ernst, vertrouwd met het verleden van het Atridengeslacht, heeft inderdaad Orestes gevormd: die edele aard, dat besef van adel, die aanhankelijkheid zijn zijn werk. Wij staan dan ook geen oogenblik verbaasd over het feit dat deze slaaf alles bestiert, dat hij Orestes aanspoort en leidt, op een toon van beproefd en erkend gezag. Eerst na eenig nadenken komen wij er toe te vragen: wie geeft aan dezen slaaf zoo groote autoriteit?

Intusschen, de paedagogentype uit de Electra staat niet alleen. Telkens vindt men haar weer in de tragedie, niet vaak met zooveel noblesse geteekend, maar wel telkens bekleed met dezelfde autoriteit. Blijkbaar hebben de treurspeldichters willen doen uitkomen dat zij zich de verhouding van den paedagoog tot zijn jongen beschermeling in haren oorsprong geheel anders denken dan die in hun eigen tijd geworden was. Er was reden voor hen om zich de vraag te stellen, of eigenlijk de heroëntijd dien zij in hunne tragediën beschrijven, wel paedagogen had gekend; want de Ilias en de Odyssee zijn ook hier weer karig in duidelijke en onmiddellijk beslissende getuigenissen. Aan het hof van Peleus, den vader van Achilles heeft Phoinix, zelf man van adel, doch wegens manslag balling uit zijn land, eenigermate tegenover Achilles, den jongen prins, de rol van paedagoog vervuld. Peleus heeft hem huis en hof geschonken en vertrouwt hem zijn zoon toe. En Phoinix verzorgt eerst Achilles, en daarna zorgt hij voor hem: eerst gewent hij hem behoorlijk te eten en drinken zonder te morsen--maar straks leert hij hem ook:

èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.

Achilles is in den tijd dien Phoinix hier beschrijft nog een knaap. Maar als Telemachus op reis gaat, die toch al een jonge man is en op Ithaka reeds min of meer aan het hoofd van de huishouding staat, heeft hij toch op zijnen tocht naar Pylos een leidsman bij zich, om hem te raden en te helpen. Immers Godin Athena zelve gaat mee in de gedaante van Mentor, en in haren naam is de zorg van den idealen paedagoog vereeuwigd.

Ook buiten den kring van de ridderpoëzie en het drama vinden wij dezelfde verhouding geteekend: toezicht en leiding in dagelijkschen omgang, gezelschap als van een gouverneur, maar dan zonder te scherpe aanduiding van het standsverschil; en een sprekend voorbeeld van zulk eene verhouding is door Herodotus gegeven in de door somber fatalisme zoo aangrijpende geschiedenis van dien voortvluchtigen vorstenzoon Adrastus, wien, als hij aan Croesus' hof opname en reiniging van schuld heeft gevonden, de leiding van Croesus' zoon wordt toevertrouwd.

Ofschoon dus in die oudere tijden--tijden van voortdurenden onderlingen roof--het aantal slaven talrijker en hunne beschaving niet zelden aan die van hunne meesters gelijk was, eenen slaaf als paedagoog geeft ons het epos niet te zien. Wel leeft ook daar de voorstelling, dat de ridderjeugd niet opgroeit zonder paedagogische leiding en toezicht.