Atheensch Jongensleven

Part 4

Chapter 43,775 wordsPublic domain

De nadrukkelijke wijze waarop Plato dezen strijd bij herhaling heeft gevoerd, sluit allen twijfel aan zijne gegrondheid uit. Inderdaad, ook wat in de fabelleer aanstootelijk was naar Plato's meening en naar de onze, moet zoo'n kleine Athener al zeer vlug hebben leeren kennen. De handspiegels in de zoo gaarne bezochte toiletkamer van zijne moeder moeten hem van Aphrodite's hartsgeheimen, van de geschiedenissen van Danaë en van Leda naar onzen smaak spoedig meer dan genoeg hebben verteld. Men zou kunnen opmerken dat ook onze kinderen jaren lang de Venus van Milo kunnen voorbijgaan zonder te bemerken dat zij meer dan half naakt is. Maar het is hier de menigte der voorstellingen die aandacht trekt! Telkens weer krijgt hij een schotel, een kan, een drinkbeker of schaal in handen, die hem met onomwonden duidelijkheid eene bladzijde uit de chronique scandaleuse der Olympiërs verklaart! Zouden alle Atheners zoo wijs zijn geweest dat ze--voor zich zelven en hunne eigene zedelijkheid blijkens den overstelpenden overvloed van lichtzinnige voorstellingen onbedacht--zorgvuldig uit de handen hunner kinderen hebben gehouden wat de "zinnelijkheid der jeugd" kon prikkelen? Het valt te betwijfelen; maar wie hierin--terecht--eene schaduwzijde van den mythologischen kunstzin der Grieken ziet, die vergete toch niet, ook op de lichtzijde te letten. Bij het dagelijks opmerkzaam bezien van al die beelden, die voor hem staan als in een opengeslagen prentenboek van de hoogste waarde, leert het oog van den kleinen medeburger van Phidias zich gewennen aan de schoonheid die eene der levensvoorwaarden is van het Atheensche volk: de sierlijke lijnen van het vrouwengewaad, in steeds afwisselende bevalligheid gedrapeerd om de statige gestalte van Demeter, den vluggen chiton golvend langs de slanke schouders van Artemis, de door zoo eenvoudige middelen verkregen gratie, de voorname, in majesteit getemperde handbewegingen der godinnen, de edele wilskracht van een rustenden Zeus, de boeiende houding van den citherspelenden Apollo, de lieftalligheid der zingende muzen, kortom iedere actie van het leven, opgeheven tot eene daad van Olympische schoonheid, iedere lijn van het menschelijk lichaam gegrepen in de vlucht der bekoorlijkste beweging. Op de zalfdoos zijner moeder herhaalt zich, als eene verheerlijking van die zorgen waarvan hij, toen hij nog héél klein was, vaak getuige mocht zijn, het toilet van Aphrodite, in de offerscènes op de drinkkannen en schalen herkent hij in schoonen vorm de gestalte van zijnen in vroom dankgebed plengenden vader, en gelijk zijne ouders waken dat slechts zuiver Attische klanken zijn oor naderen, daar zij weten dat "leert kreupelgaan al wie in 't huis van een manke woont", zoo heeft ook hun schoonheidszin zorg gedragen dat zooveel mogelijk slechts het schoone voor zijne oogen komt.

Natuurlijk is het aldus niet altijd en overal. Achteloosheid, gebrek aan smaak en armoedige slordigheid zullen ook te Athene wel hebben bestaan. Maar groote overdrijving ligt er toch niet in de hierboven gegeven voorstelling. De ontzaglijke menigte scherven van voorwerpen voor dagelijksch gebruik, ook de fragmenten van bronzen en koperen huisraad, in de laatste halve eeuw uit Attica's bodem te voorschijn gekomen, doen ons steeds levendiger beseffen, dat Pericles geen woord te veel heeft gezegd toen hij de Atheners roemde, omdat zij "de schoonheid in eenvoud betrachtten": dit is de groote kracht van dit volk geweest--en niemand die de Atheensche musea met aandacht heeft bestudeerd, zal zulks ontkennen--dat het in de kleine voorwerpen des dagelijkschen levens, in die dingen die ook voor kleine beurzen te bereiken waren, is bezield geworden door denzelfden kunstzin die hun zekere gids was bij de groote scheppingen der Attische kunst.

Het kinderleven, hierboven in vluchtige trekken geschetst, was inderdaad in hoofdzaak een leven "onder moeders vleugelen". Natuurlijk bleef in de werkelijkheid de vader niet zoo op den achtergrond als uit onze schets zou kunnen worden opgemaakt. Maar indien wij naar hetgeen wij door de oude schrijvers van hem weten zijn verschijnen in de kinderkamer zouden moeten teekenen--en alleen daarnaar--dan zou de schilderij door theorie grauwer worden dan goed of juist is. We weten natuurlijk uit de dichters (als men ook daarvoor bewijzen verlangt) dat de Atheensche vaders hun jongens lief hadden. Lezen wij de Grieksche wijsgeeren er op na, dan moest die liefde zijn eene "liefde met verstand"; dan zijn de vaders het eens geweest met Isocrates, dat van de opvoeding de vrucht zoet is, maar de wortel bitter, en vinden zij dat de jongen zulks niet te vroeg merken kan. Zij komen gaarne controleeren of de jongen al geleerd heeft pijn te verdragen, of de eerbied, die het beginsel der wijsheid is, al goed bij hem begint wortel te schieten, en overtuigd dat nooit zal kunnen bevelen wie niet heeft geleerd te gehoorzamen, onderzoeken zij streng hoe het met de gehoorzaamheid staat.

Zou de figuur van dezen vader wel geheel in de Grieksche kinderkamer passen? Zij is samengevoegd uit de dogmatische uitspraken en door verscheidene nieuwe beschrijvers van de Atheensche educatie met zorg en nauwkeuriger dan hier geschied is, nageteekend. Maar ongetwijfeld is zij te somber. Gestrengheid doet--althans later--in het leven van dezen Atheenschen knaap hare rechten wel gelden, doch voorloopig mogen wij vertrouwen op den indruk dien ons zijn kinderkamer gaf: een indruk van intiemen eenvoud. Het leven in deze huislijke omgeving schijnt juist op dien grond zeer geschikt om hem voor te bereiden voor eene opvoeding, welker hoofddoel is de kalokagathia, d. i. de vatbaarheid van den geest en het gemoed voor de waardeering van hetgeen schoon is en goed. Daartoe nu rekenen de Grieksche theoretici over de opvoeding, naast het onderwijs, zeer bepaald ook het spel.

Zochten wij in onze schets streng de grenslijnen te bewaren die èn de leeftijden èn de spelen scheidt, dan behoorde in dit hoofdstuk alleen over de spelen der kinderkamer te worden gesproken. Wij zouden dan zeer kort kunnen zijn. Want de Grieksche literatuur, die zooveel grooter aandacht aan de volwassenen dan aan de kinderen wijdt, zwijgt bijkans aangaande het eerste kinderspel; en waren de vazen er niet, men zou over de verknochtheid van Atheensche jongens aan een kapot paardje, en de liefde der meisjes voor een pop zonder beenen, of de vriendschap die een hondje aan zijnen jongen baas verbindt, alleen naar analogie kunnen spreken. Of neen, om van de theoretici te zwijgen, die over het nut van den hoepel en den tol philosofeeren, en terstond de spelen zóó willen gekozen zien dat men bespeurt waartoe de knaap aanleg heeft!--geheel gaat de literatuur die spelen niet voorbij. Het is wederom de praatzieke Strepsiades, die van zijn bedorven jongen weet te vertellen hoe knap hij was om huisjes van klei en paardjes van klei te boetseeren. En dezelfde brave vader zegt later vol verwijt tot zijn zoon: "Toen je nog zóó, zóó klein was, heb ik van mijn presentiegeld je op de kermis een klein wagentje gekocht". Maar deze uitspraak staat zoo zeer op zich zelf, dat ze als een unicum van de eene beschrijving in de andere wordt overgenomen, en er geen boek over Grieksche antiquiteiten wordt geschreven, of deze woorden staan er in. Echter de plastische getuigenissen zijn iets minder schaarsch, en op hunne autoriteit mogen wij dus verzekeren, dat, zoo goed als onze kleine jongens paardje spelen, kermisje spelen, begrafenis of kerkje spelen, ook de Atheensche kinderen in hun hof of daarbuiten het leven der groote menschen hebben nagedaan.

Dat spreekt eigenlijk van zelf, vooral bij de Grieken, die gaarne spelen en hun kinderen graag zien spelen. Als een jongen zich afzondert en gaarne de eenzaamheid zoekt, dan schudden ook de Atheensche vaders het hoofd. Themistocles maakte door zulk een in zich zelven gekeerd, vroegrijp leven zijnen paedagoog dikwijls genoeg ongerust. Wat wonder? Het was niet natuurlijk dat een jongen, in plaats van te kaatsen of te knikkeren, enkele uitverkoren volgelingen in een hoekje trok en aanklachten of verdedigingsredenen voor dit verbaasde publiek improviseerde. Zoo iets is ook in Grieksche oogen ongewoon. Naar Helleensche opvatting staat het spel onder de onmiddellijke bescherming der Goden; dit bewijst o.a. het volgende korte verhaal van Plutarchus: "Eens", zoo luidt het ongeveer, "bedreigde eene aardbeving de stad Sparta. Onbewust van het naderend gevaar zijn de knapen aan het oefenen in de palaestra, en de ouderen kijken toe bij hun spel. Daar verschijnt op eens een verdwaalde haas in het perk, en zijne komst is het sein voor een wedloop. Voort jagen de rappe jongens den zwerver achterna; het perk door, het perk uit. Maar nauwlijks is met het haasje de jongenstroep, flikkerend in het licht, uit de palaestra verdwenen, of de aarde begint grommend te dreunen, de muren waggelen, 't gebouw stort in; doch de spelende knapen, Gods gunstelingen, zijn gered."

Zoo is er dus alle reden om in onze beschrijving den knaap niet dadelijk van de kinderkamer naar school te brengen. In het Grieksche jongensleven--in hoofdzaak een openlucht-leven--wordt minstens evenveel gespeeld als geleerd. Ook is het spel daar meer algemeen, minder afgescheiden naar standen geweest, dan in onze steden, althans nu, het geval is.

In de kinderjaren zal de moeder toch niet altijd angstvallig gewaakt hebben dat haar zoontje niet met de kinderen der slavinnen, zelfs niet met die van zijne voedster in aanraking kwam? De verhouding der Atheners tot hun dienstpersoneel maakt dat onaannemelijk. De slaven en slavinnen, althans die niet aangekocht doch in huis geboren zijn, en die door deelname aan het huislijke offer inderdaad tot het familieverband behooren, staan daartoe met hun heeren in een te nauwe relatie, en de slavinnen werken dagelijks aan 't spinnewiel of 't weefgetouw met haar meesteres: hoe kon het dan anders dan dat ook de kinderen samen speelden? Ook wanneer de knapen ouder geworden zijn teekent zich het standsverschil nog niet dadelijk zoo scherp af. Natuurlijk heeft de eene jongen fijner chiton en beter gekleurd himation aan dan de ander; maar tot op een vrij geringen vermogenstrap blijven al deze kinderen vrije Atheensche burgers, zich aan elkaar gelijk gevoelend. De grond van die gelijkheid is dat ze meerendeels vaders hebben die geen handwerk verrichten. De Atheners en in het algemeen de Grieken zien met eenige geringschatting neer op die medeburgers, die van het schoenmaken een gebogen rug of van ander "zittend werk" een enge borst krijgen; een fabriek te hebben--zooals de vader van Lysias--is al minder erg: dan laat men zijn slaven voor zich werken. Maar zelf schoenmaker of timmerman te worden, of een winkel te gaan houden, waar men zelf en niet door slaven nering deed, dat zou zeker beteekenen een slagboom te leggen tusschen zijn eigene kinderen en die van anderen.

Het is waarschijnlijk, dat--nog daargelaten het verschil van "fatsoenlijkheid" ook bij ons nog tusschen het eene handwerk en het andere, of den eenen winkel en den anderen gevoeld--ook hierin de Atheners in 't laatst der vijfde eeuw niet allen meer gelijk dachten. Herodotus zegt, als hij meedeelt dat ook de Aegyptenaars de krijgerskaste zooveel hooger stellen dan de handwerkers-kaste, dat wellicht de Grieken ook dit inzicht van de Aegyptenaren hebben overgenomen. Blijkbaar vindt hij dus de opvatting zelve niet de natuurlijkste zaak van de wereld; en te Athene zelf moet wel de democratie wijziging der publieke opinie hebben te weeg gebracht, toen eenmaal de presentiegelden voor de volksvergadering het aan alle handwerkslieden en winkeliers mogelijk hadden gemaakt aan 't geheele staatsbedrijf deel te nemen zonder financieele schade voor hun eigen bedrijf. In ieder geval maakte het slavenbezit, al hief dit het standsverschil niet op, het minder noodzakelijk dat de armere jongens dadelijk voor het ambacht werden opgeleid; en zoo kunnen wij gerust, zonder aan de historische waarschijnlijkheid te kort te doen, ons de jongensspeelplaats vrij "gemengd" voorstellen.

Ook in den manlijken leeftijd bleef het spel algemeen. Bewegingsspel gold ten allen tijde bij de Atheners als een zeer aanbevelenswaardige uitspanning, op hygiënische gronden niet alleen, maar ook uit moreele aanleiding. De overtuiging was bij hen levendig, dat een strijdbaar volk, om weerbaar te blijven, zijne agiliteit, zoo onmisbaar in de taktiek der oude infanteriegevechten, steeds moet oefenen; en die oefening werd te Athene vergemakkelijkt door het groote aantal der van staatswege onderhouden speelplaatsen en openbare baden. Aristophanes ziet er dan ook Socrates weinig vriendelijk om aan, dat hij, in plaats van met de jonge Atheners in hun gymnasium te balslaan, hen op eene bank in de schaduw lokt om met hen--nog wel te vergeefs--al debatteerend een antwoord te zoeken op de vraag: wat nu eigenlijk die ingetogenheid is, die geldt als het hoofddoel van hunne opvoeding. Ja zoozeer denkt zich de Griek het spel zelfs bij volwassen mannen als zeer begeerlijk deel van eene natuurlijke levenswijze, dat ook de dichter die zich droomend verdiept in de geneugten der Elyseesche velden en de vazenschilder, die eerbiedig de oorden der eeuwige vreugde afbeeldt in zijne kleine tafereelen, hun schilderij vullen met spelende mannen.

Wat aangaande die spelen verdient te worden verteld, heeft op de kinderjaren maar weinig betrekking. Wij hebben natuurlijk het recht, wanneer de schrijvers zwijgen, ook hier aan onze verbeelding eenigermate vrij spel te laten. De Atheensche knaapjes--ook al zijn het jonge Heeren--behoeven wij niet zoo angstvallig alsof het meisjes waren opgesloten te houden binnenshuis. Zij hebben ook wel met jongens "uit de buurt" gespeeld, koninkje b.v., zooals in het altijd weer boeiend verhaal van Herodotus de kleine Cyrus als herdersknaap dat deed met de jongens van zijn dorp. En de kleine jongens, die wij op vazen even of oneven zien spelen met noten in de hand, of die zich opwinden met het raadspelletje dat de Italianen Morra noemen, spelen toch zeker een straatspelletje. Maar speciaal Atheensch is dit alles niet: die spelen zijn altijd hetzelfde geweest. Wie zoekt naar echt-Grieksche spelen vindt voorzeker nergens zooveel verscheidenheid als in het balspel. Den onuitputtelijken rijkdom van bevallige bewegingen aan het balwerpen en balvangen eigen, hebben de Grieken nooit opgehouden te bezingen, sinds Homerus de scène schiep die eeuwig zal bekoren: Nausicaa met hare gespelen aan 't strand van Scheria. Welk een beeld van levensblijheid rijst voor onze oogen, als we den jongen Sophocles ons voorstellen, zelf in zijn drama Nausicaa de hoofdrol vervullend en aan duizenden zijner medeburgers de vaardigheid van zijn spel, tegelijk met de voorname slankheid van zijn jonge lichaam, openbarend!

In groote afwisseling, van kinderlijk balkaatsen af tot woest foot-ball toe, leeren nu de Atheensche jongens de verschillende balspelen en zij blijven die beoefenen hun heele leven door, in lichteren of zwaarderen vorm naar gelang van leeftijd en lichaamskrachten. De Staat bevordert en steunt die oefeningen, en zij behooren tot de opvoeding. De Atheensche gymnastiekscholen of palaestra's hebben vaak afzonderlijke sphaeristeria (balplaatsen), en zelfs op de tamelijk enge ruimte van de Acropolis is een afzonderlijke sphaeristra afgemuurd voor de jonge meisjes van voornamen huize, uitgekozen tot de eervolle functie van Errhephoren bij de godin Athena. Wat ons uit de beschrijvingen het best bekend is, ziet meestal op samenspel van jonge mannen of jongelingen en komt, zooals begrijpelijk is, in vele opzichten overeen met onze moderne spelen. Van deze balspelen voor een geheel troepje tezamen, zijn de meest bekende het spel op de krijtstreep en het grijpbal (phaininda). Het eerste is zeer geschikt om door kinderen te worden gespeeld en werd--immers het heet ook allegaar--wellicht door jongens en meisjes te zamen gespeeld; het tweede is een levendig, soms woest, spel voor groote jongens, of jonge mannen.

Het spel op de krijtstreep heeft in zijn aanleg iets van lawntennis. Op het speelveld trekt men in 't midden eene krijtstreep en op deze wordt de bal--een niet te kleine, helder en levendig gekleurde en met paardehaar gestopte bal--neergelegd. Achter de beide partijen, in welke zich de medespelers hebben verdeeld, die zich nu aan weerszijden van de middenstreep scharen, trekt men daarop ter afsluiting van de beide "kasteelen" twee lijnen parallel met de middenstreep, en 't spel kan beginnen. De voorspeler van de partij die het eerst aan de beurt is, neemt den bal van de streep en tracht dien zoo over de hoofden van de tegenspelers heen te werpen dat hij neerkomt aan gene zijde van de achtergrens, terwijl dezen er op uit zijn den bal op te vangen, in zijne vaart te stuiten en zoo ver mogelijk op de andere zijde van de middenstreep tegen den grond te jagen. Wie gaarne bij de beschrijving van een oud spel denkt aan iets wat hij zelf heeft medegespeeld noemt hier beurtelings de namen van kastie, kaatsspel, lawntennis--maar, om achtereenvolgens ieder van die vergelijkingen weer op te geven. Want een scherp onderscheid tusschen het antieke spel en de genoemde of soortgelijke nieuwe spelen is gelegen in den sloteisch: al vangend en werpend de tegenspeler zoowel als den bal over de achtergrens van de tegenpartij te drijven. Niet alleen verliest dus die partij één punt, die den bal over haar hoofd laat vliegen, zoodat hij over de achterlijn neerkomt, doch ook degene die, om hem te grijpen, achter de grenslijn moet terugwijken. En om hierin de taak eenigszins gelijkmatig te verdeelen, zal men den bal wel niet al te licht hebben gemaakt; hoe gemakkelijk zou het anders geweest zijn om aan de tegenpartij den strijd en de overwinning onmogelijk te maken door den bal hemelhoog te gooien.

Op allerlei wijze brachten de Grieksche jongens afwisseling in dit spel. Soms waren ze ieder bij beurten op de rij balwerper, soms lieten zij het aan het toeval over, wie den bal zou grijpen en daarmee het noodige doen. Men kon voorts bij 't begin het lot laten beslissen wie 't eerst zou mogen werpen, of ook deze beslissing laten afhangen van een voorafgaanden wedloop naar de middenstreep. En zoo kunnen we ons nog vele variaties denken, mits we maar in het oog houden, dat er onderscheid moet worden gemaakt tusschen het spel van de streep en het Grijpbal, dat naar den aanvang van een zijner vormen ook wel heet "Laat den bal eens kijken".

Dit spel zou men, eer dan het vorige, met ons voetbal kunnen vergelijken, indien het niet wat dwaas was aan het voetbal te herinneren bij een spel dat geheel met de handen en volstrekt niet met de voeten werd gespeeld. Dit zeer levendige spel begint aldus, dat een der spelers (die zonder twijfel bij dit spel ook in twee partijen waren verdeeld) een schijnworp doet, "den bal laat kijken" aan een van de tegenpartij, d.i. den schijn aanneemt als of hij hem aan dezen zal toewerpen en hem dan daarop snel naar een ander (of misschien ook wel eens juist om de verwarring te vermeerderen naar dezen) werpt. Het zal na een paar gelukkige herhalingen van deze inleiding niet lang hebben geduurd, of de bal raakte den grond. En dan wordt het een jagen en rennen, een stooten en grijpen en ravotten dat aan het onstuimigste Rugby herinnert. In een fragment van een verloren blijspel staan eenige regels ter beschrijving van de levendigheid waarmee dit spel werd gespeeld: "Hij nam den bal--zoo heet het daar ongeveer--en had er pleizier in, dien aan den een te presenteeren, doch den ander te ontwijken... één drukt hij weg, een ander beurt hij overeind. En luid klinken de commando's: "Buiten om; den langen weg; langs hem heen; over zijn hoofd; beneden langs; naar boven; sla kort terug; weer op je plaats"".

Deze reeks van bevelen is juist duidelijk genoeg om ons te doen gevoelen dat we ook van dit spel de finesses niet kennen; doch zooveel zien we er althans wel uit, dat het niet een taak voor kleine jongens was worstelend mee te tasten naar den bal, die--zooals een Grieksch schrijver het uitdrukte--"gelijk een wilde deern huppelt van den een naar den anderen man, zonder één oogenblik op de zelfde plaats te blijven". Dit balspel is mannenwerk. Mij dunkt, als Alexander de Groote in zijn legerkamp den krijgsmantel aflegde en zich liet zalven om met zijne edelknapen aan 't balslaan te gaan, dan gold het zulk een "grijpbal".

Maar naast deze forsche oefeningen stonden verscheiden balspelen die meer vroegen naar bevallige behendigheid dan naar kracht. Van dien aard waren de spelen door de luchthartige Phaeaken ter eere van hun gast Odysseus uitgevoerd. Toen vorst Alkinoos aan Halios en Laodamas opdroeg eene proeve van hunne danskunst te geven--zoo verhaalt Homerus--"namen zij den schoonen purperen bal, een kunstwerk van den vaardigen Polybos. Toen wierp de een, den nek achterwaarts buigend, den bal hoog naar de schauwige wolken, en de ander hoog opspringend greep dien, aleer nog zijne voeten den grond weer hadden bereikt".

Geen Athener kon deze boeiende beschrijving lezen, geen Atheensche jongen haar voor het eerst door een ouderen vriend hooren voorlezen, als op het tafereeltje ons in eene schoone drinkschaal bewaard, of hij voelde dat hier zijn "luchtbal" (ourania) werd beschreven. Vooral dat "achterwaarts buigen van den nek" is hem zeer familiaar. Hij heeft dit spel van zijn eerste jeugd af gespeeld, soms met twee, soms met drie of meerderen. Maar dit is een van die spelen die tevens leeren zijn, en nooit hebben zijne leermeesters verzuimd er op te letten dat hij het hoofd bevallig wenden zou en den hals sierlijk buigen onder het werpen, dat hij springen zou met slanke gratie en neerkomen licht en veerkrachtig. Het ouraniaspel kan men op iederen leeftijd spelen, maar voor de naakte jongenslichamen is het een van de geschiktste oefeningen in bevallige vlugheid.

Waartoe de reeks uit te putten? Er zijn nog zoovele balspelen die men noemen kan. Jongens en meisjes--vooral meisjes--kaatsen gaarne met den bal tegen den grond of ze werpen dien tegen den muur; en zij kunnen dat zoo noodig in hun eentje doen. Maar Grieksche kinderen vinden ook een spel eerst echt, als er een element van wedijver in is. En zoo geldt bij vele dezer spelen: wie 't wint is Koning. En wie 't verliest? Die is Ezel. Hem mag de koning bevelen wat hij wil; en dìt is zoo goed als zeker, dat de reeks van bevelen zal eindigen met een lastgeving aan den Ezel om zijn Koning op den rug te nemen en rond te rijden. Legt hij daarbij zijnen Ezel de handen op de oogen, dan ontwikkelt zich daaruit een van de tallooze blindemanspelletjes, die de Atheensche kinderen kennen. Aan werkelijke blindemanspelletjes zoowel als aan zulke, waarbij het blinddoeken of oogensluiten alleen tot inleiding voor een ander spel dient, zijn de Grieken zeer rijk. Kenmerkend onderscheiden zich die spelen eigenlijk voornamelijk alleen hierdoor, dat het karakter van openluchtspelen er duidelijker bij op den voorgrond treedt. Bij het eigenlijke blindemanspelletje "de Vlieg" (mosca ceca zeggen de Italianen) laat men niet--zooals binnenskamers bij ons--den geblinddoekte vrij ronddwalen. De Grieksche kinderen omgeven den blindeman in een kring. Zoodra hij geblinddoekt is, begint hij te zingen: "ik ga op vliegen jagen" en steekt de handen uit om een uit den kring te pakken. Maar de anderen zingen terug: "wel jagen; maar niet vangen", en ze slaan hem--als plagende bromvliegen--met hunne riempjes, tot hij een van hen grijpt.