Atheensch Jongensleven

Part 3

Chapter 33,455 wordsPublic domain

Ongetwijfeld, en nog erger! Maar de gechargeerde figuren van Aristophanes' blijspelen, opzettelijk grof geteekende karikaturen van vrouwen uit den kleinen burgerstand, behoeven de modellen niet te zijn naar welke wij de moeders teekenen, die de eerste jeugd van onze Atheensche knaapjes zullen hebben te leiden. Krachtig waarschuwt ons tegen eenzijdigheid van voorstelling in dezen het Attische drama. Indien waarlijk èn de positie der Atheensche vrouwen zoo inférieur, èn hare zedelijke ontwikkeling zoo laag bij den grond ware geweest als het uit Aristophanes' comedies zou kunnen schijnen, nooit hadden de Atheners de fiere figuur eener Antigone, eener Electra, de edele zelfopoffering eener Iphigenia, de trouwe liefde eener Alcestis kunnen waardeeren. Het allerminst zeker deze laatste. De samenleving van man en vrouw kan niet zoo uiterst elementair zijn geweest, noch de gemoedsontwikkeling der laatste zoo heel gebrekkig in eene wereld die de geboorte kon geven aan dit merkwaardige drama, aan deze treffende vrouwenfiguur.

Alcestis den dood aanvaardende om haren echtgenoot te redden, en toch zich ten volle bewust, hoe weinig de egoïst voor wien zij het leven laat, eigenlijk zulk een offer waard is: ongetwijfeld, ook de dichter heeft haar zoo gezien, en zijne toeschouwers hebben haar zoo begrepen. Voor hen sprak Euripides geen onverstaanbare taal toen hij dìt zeide: "Geen lavender troost is er in ramp en ziekte dan het bijzijn eener vrouw. Zij verzacht de heftigheid van onzen toorn, zij doet onze ziel opstaan uit de moedeloosheid".

De vraag, hoe dan de Atheensche moeders, zeggen wij de moeder van Sophocles, of die van Plato, ongeveer kunnen zijn geweest, is zoo belangrijk, dat naast deze onmiskenbaar uit het leven gegrepen woorden van Euripides moet worden gesteld wat Xenophon--zeker, zoo al een romanticus toch geen poëtisch dweper--in twee tafereelen ter kenschetsing van zijne wenschen heeft geteekend. Xenophon, een moralist, die voor de diepere wijsgeerige vraagstukken, in den kring der Socratische school onderzocht, niet philosofisch genoeg van aanleg was, heeft juist hierom een eigenaardige persoonlijke beteekenis. Hij inventeert minder dan hij refereert. Hij geeft ons dus door zijne schetsen een tamelijk betrouwbaar, en door de bevallige gemakkelijkheid van zijn zuiveren stijl ook meestal een onopgesmukt verslag van wat men in die Socratische kringen aangaande ethische vraagpunten van den dag, en met name dan ook aangaande de beteekenis en de waarde van het vrouwenleven ongeveer placht te overleggen.

Novellistisch heeft hij dat gedaan in de geschiedenis van Panthea, eene episode in de Cyropaedie ingelascht, ten deele wel is waar om ook door dit voorbeeld het ideaal van manlijke zelfbeheersching en eerbiedige kuischheid in de persoon van den grooten Cyrus te teekenen, ten deele voorts om door eene schertsende verdichting de theoretici te bespotten, die beweerden dat men de liefde--als een' teug wijn--naar willekeur kon aanvaarden of afwijzen; maar in hoofdzaak toch belangrijk om de zeer treffende figuur van Panthea zelve. Wanneer Cyrus de jonge vrouw, in afwezigheid van haren man buitgemaakt en aan hem ten geschenke aangeboden, toevertrouwt aan Araspes, een' man die zich zelven vrij en tegenover erotische aandoeningen gepantserd acht dan geschiedt natuurlijk het onvermijdelijke; maar niet dit is het opmerkelijke, belangrijk is dat het op, naar men meenen zou, zoo weinig Grieksche wijze geschiedt. Natuurlijk: Araspes wordt verliefd; maar Xenophon heeft al het mogelijke gedaan om aan die verliefdheid den zinlijken grondslag te ontnemen. Hare schoonheid wekt niet dadelijk zijn onstuimig begeeren. Eerst nadat hij dagen lang haar in de lieftalligheid van haren stillen arbeid heeft waargenomen, die aan 't geheele voorkomen van zijne tent zulk een geheel nieuwen gemoedelijken glans verleent, eerst wanneer hij haren edelen aard heeft leeren kennen die zich in de vindingrijkheid van honderd kleine zorgen voor zijn gemak en voor zijn welvaren openbaart, wordt hem de hartstocht te sterk en moet Panthea--tot zijne bittere beschaming!--de bescherming van Cyrus tegen zijn geweld inroepen. Maar wanneer dan Cyrus met den zachtsten takt den jongen lijder ontheven heeft van de taak die te zwaar voor hem was gebleken, en het schrandere overleg van Panthea heeft weten te bewerken dat haar man Abradatas de zijde der vijanden verlaat om zich vrijwillig onder de vanen van Cyrus te plaatsen, dan laat de schrijver met een voor die dagen verrassend talent van romantische verbeelding het volle licht vallen op zijne heldin. Als Abradatas aan 's konings zijde zal gaan strijden, verrast zij hem met eene schitterende wapenrusting, heimelijk op zijne maat vervaardigd en bekostigd uit haar eigen tooi. "Panthea", zegt Abradatas, "hebt gij daartoe uw kostbaarste sieraden gebruikt?" "Niet mijn kostbaarste", is haar antwoord, "mijn kostbaarste tooi zijt gij!"--Dan legt zij hem de wapenrusting om, bij 't vastgespen haar tranen verbergend in een zachten lach. En zij spoort hem aan tot dapperheid met dezen laatsten eed: "Zoo waarlijk helpe mij God, Abradatas! liever wil ik onder de aarde rusten aan uwe zijde, geëerd door den glans van uw moedigen dood, dan ik zou wenschen met u in leven te blijven, geschandvlekt door de herinnering aan uwe smadelijke redding!"

Het naspel van deze novelle, Panthea's stille zorg voor den gesneuvelde, en hare voorbereiding tot den zelfmoord die haar met hem zal vereenigen, moeten wij hier voorbij gaan. Het is genoeg, even op de figuur dezer Panthea te wijzen, om de vraag te stellen en daardoor tevens te beantwoorden: Zou Xenophon zóó eenvoudig en met zoo volstrekte onthouding van alle effectbejag deze schets hebben kunnen schrijven, indien hij niet ook in zijne eigene omgeving had gezien, hoezeer ook bij geringe opvoeding het vrouwelijk gemoed door teeren takt mannenverstand evenaart? De wonderlijke bekoring die uitgaat van Panthea's woorden, zoo ongezocht vrouwelijk en zoo verrassend in hunne kortheid, moet Xenophon toch wel elders dan in zijn eigen verbeelding alleen hebben vernomen!

Maar de romantische schets van Panthea is op eigenaardige wijze door Xenophon aangevuld door eene minder idealistische teekening. In een van zijne kleine economische vertoogen laat hij zekeren Ischomachus verhalen hoe hij zijne vrouw heeft opgevoed tot eene plaats, harer waardig. "Zie--zegt Ischomachus--toen ik haar kreeg was ze nog geen zestien jaar en had ze niets geleerd dan dit: zoo weinig mogelijk te zien, te hooren en te vragen. En toen ik dus zeide dat ik haar beter wilde onderrichten, had ik groote moeite om hare schuwheid te overwinnen en haar te overtuigen, dat wij niet waren te zamen gebracht door eenig toeval of eenige berekening, maar door mijne overtuiging dat wij juist bijzonder voor elkaar geschikt waren en daarom het best in staat zouden zijn samen te werken aan de welvaart van ons huis, en straks van ons gezin.--Maar mijn jonge vrouw antwoordde mij hoofdschuddend: ""Wat kan ik aan dit alles doen? Zedig en kuisch zijn--ziedaar alles wat ik heb geleerd.""--Er was voor Ischomachus heel wat takt noodig om in deze al te bescheidene dochter van Atheensche ouders het geloof in de kracht der vrouw wakker te maken, en Xenophon heeft van de daarbij gevolgde methode eene beschrijving gegeven, die aan de fijne omzichtigheid van een' hedendaagsch romancier doet denken. Kenmerkend echter voor het vraagstuk dat aanleiding geeft, juist hier van Panthea en van Ischomachus' echtgenoote melding te maken, is vooral het einde van het aangehaalde gesprek. "Voor ons beiden", zegt Ischomachus, "heeft God eene schoone taak bestemd: voor mij den krijg met zijne koude en zijne ontbering, het stadsleven met zijne zorgen; want dat zijn de dingen die de geest van den man begeert en die zijn lichaam verduurt. Maar aan u, vrouwen, gaf hij het teedere geduld en de vindingrijke liefde, die voor de opvoeding onzer jonge kinderen noodig zijn."

Reeds een menschenleeftijd vóór Xenophon had Euripides in verschillende zijner tragediën juist ditzelfde vraagstuk aan de orde gesteld, en niet slechts het verschil tusschen moederzorg en vaderliefde treffend geteekend, doch vooral, zooals in zijne Medea, op de gevaren gewezen, uit een door gebrek aan opvoeding en gelijkstelling stelsellooze ontwikkeling van de vrouwelijke geestesgaven te verwachten. Zonder twijfel was dus in de periode van snelle oeconomische ontwikkeling en verandering, die met den Peloponnesischen oorlog parallel gaat, ook ten opzichte van de positie der vrouw eene zekere evolutie van inzichten aan het werk, en zoo ontleenen wij met recht aan de schets die Xenophon hier geeft van een--zij het dan ook door hem verdicht--huisgezin uit den eenvoudigen stand eenig vertrouwen in de bekwaamheid en bevoegdheid der Atheensche moeders; welsprekender dan te voren worden ons dan de fijn geteekende tafreelen op sommige Attische vazen, waar wij naast eene zoogende moeder een ernstig schoon man zien staan, leunend op zijn staf in die houding van waardige gratie, die de vazenschilders zoo gaarne aan de basreliefs van het Parthenon ontleenen. En opmerkzamer geworden, zien wij dan op den achtergrond van menigen Platonischen dialoog en van menige oratie der Attische redenaars het tafreel van een rustig binnenvertrek met eene geliefde en geëerde huismoeder opkomen, al vergeten wij ook niet, dat er nog eeuwen zullen verloopen vóór Plutarchus zal getuigen: "Dit is het schoonste huwelijk, waarin de man het verstaat de onderwijzer zijner vrouw te zijn in het edelste en schoonste wat hij zelf heeft geleerd."

Het heeft er allen schijn van, dat wij ter wille van de Atheensche moeders de zoontjes vergeten en het bekende woord van Pericles verwaarloozen, die zeide, dat "de roem eener brave vrouw hierin is gelegen, dat zij zoo weinig mogelijk van zich doet spreken." De uitvoerige toelichting van de wijze op welke door de dichters en philosofen over de rechten en eigenschappen der getrouwde vrouw wordt gesproken, was echter gewenscht om te voorkomen dat wij hare rol als moeder al te veel van die onzer moeders verschillend denken. Wederom: tusschen de kleine burgervrouwen uit Aristophanes' comedies, rondsollend met hare zuigelingen overal waar ze maar eenige aanleiding vinden om ongestraft buitenshuis te komen, en de moeder van Nicias of van Pericles moeten wij onderscheid maken, maar toch zijn zeker in de eerste levensjaren de ervaringen van beider soort kinderen wel ongeveer gelijk geweest. Veel kunnen we als van zelf sprekend voorbijgaan; het is langdradig werk den kleinen knaap van dag tot dag te volgen. Een Atheensch jongetje heeft niet anders de kunst van het loopen en van allerlei andere òf behoorlijke òf nuttige zaken geleerd dan een jonge Hollander. De Grieksche moeders zijn het evengoed als de moderne oneens geweest over de vraag, of men de kinderen stijf of los moet inspelden; met dat vraagstuk van hygiëne bemoeit zich zelfs de philosofie. Ook bewoog de twijfel omtrent het juiste oogenblik om met vast voedsel te beginnen de antieke moederwereld ernstig genoeg, al hadden zij practisch minder met de vraag uit te staan, omdat, ondanks het protest van vele theoretici over de opvoeding, de Atheensche dames, veel meer dan in onze wereld pleegt te gebeuren, eene min in dienst namen. En er zijn daar zeker, zoo goed als te Amsterdam of te Brussel, vaders die, omdat de moeder niet veel naar 't kind omkijkt, de taak van de "droge min" moeten vervullen. Strepsiades, de boer bij Aristophanes, de man die met een dame boven zijn stand is getrouwd, kan getuigen hoe trouw hij met de melkkroes kwam aanloopen als zijn jongen "bru" riep, dat blijkbaar bij onderlinge overeenkomst tusschen vader en zoon drinken beteekende. Maar in geregelde burgerhuishoudingen heeft men een slavin als min en òf dezelfde òf eene andere als kindermeid. Daardoor blijft een groot deel van de eerste opvoeding feitelijk in handen van slavinnen. De verhouding, die tusschen deze trophoi en hare voedsterlingen in het latere leven bleef bestaan, is merkwaardig. Wel idealiseert de Attische tragedie die relatie, want de trophoi zijn steeds slavinnen en dus meestentijds de minderen van de Atheensche moeders in beschaving. Maar zij moeten toch wel iets méér dan onze bakers, iets anders dan onze bonnes zijn geweest. In de rijke verzameling grafschriften, die ons in de bloemlezingen der oudheid is bewaard gebleven, zijn enkele van de innigste en teederste gedichten gewijd aan getrouwe voedsters. Ook is het niet geheel zonder beteekenis, dat de Grieksche theoretici de ouders van goeden huize zoo nadrukkelijk vermanen om toch bij de keuze der trophos niet alleen te letten op eene zuivere uitspraak van het Grieksch, doch ook hierop, dat de voedster de moeder moge helpen om aan de kinderen beter voedsel te geven dan te vinden was in de schadelijke logens van allerlei verdichte sprookjes.

Deze vermaning stelt de trophoi inderdaad min of meer naast de moeder in het rijk van de kinderkamer. Voor het overige is in vele opzichten de dampkring van die wereld eeuwenlang dezelfde gebleven: het is--ook de vazenschilders en de dramatici leeren ons dit--de wereld van de rammelaars en de kleppers, het is het rijk van de wiegeliedjes, waarin zich zinledig gerijmel met den naieven weerklank van eeuwenoude mythen vereenigt tot dat wonderbaar roerend gezang, dat ieder betoovert, die ooit kind is geweest. In de Atheensche kinderkamer heeft, niet minder dan bij ons, menig jong oog gestraald bij 't hooren van dat onveranderlijke "daar was er eens". Door den Atheenschen hof heeft de fabel haar weg genomen, op de lange reis die van Aesopus naar Phaedrus en van Phaedrus naar Lafontaine voert. In de Atheensche kinderwereld heeft het verhaal van den braven Hendrik zijn taak verricht, maar ook de boeman, en "het paard dat stoute jongens bijt". Menig kinderoog heeft daar angstig de duisternis ingestaard, wachtend of Gello ook verschijnen zou, die na den dood harer eigene kinderen rondsluipt om anderen kinderen het bloed uit te zuigen, of anders de vreeslijke Lamia, die nooit slaapt, doch als ze moe is hare oogen een poos in den zak steekt.

Behoudens kleine wijzigingen is deze kinderwereld in hoofdzaak wel overal aan zich zelve gelijk. Het Atheensche binnenhuis onderscheidt zich echter zeer bepaald van onze moderne woning door eene vereeniging van eigenschappen die bij ons zich meer over verschillende standen verdeelt. Eensdeels is de Grieksche vrouw natuurlijk door het feit, dat alles of althans een groot deel van de kleeding voor haar en haar gezin "homespun" is, veel regelmatiger aan den arbeid dan bij ons vrouwen van den hoogeren stand; ook eischt de keuken met alle bijbehoorende zaken, vooral de wijnkelder, in haar huis haar voortdurend toezicht. Zoo is de uitdrukking, dat zij troont in haar vertrek, minder overdrachtelijk dan het schijnt. Maar naast die arbeidzaamheid, onmisbare eigenschap in eene maatschappij waar nog zooveel van de eigen zorg der meesteres afhangt, heeft zij eene geduldige opmerkzaamheid voor haar toilet, die in de oogen van menige ouderwetsche huismoeder, ook van onze hoogere standen, zeer afkeurenswaardig zou zijn. Dit brengt nu eenmaal de naar Oostersche zeden zweemende mode te Athene mede. Zorgen voor een uitgewerkt kapsel, verzorgen van de huid met verschillende schoonheidsmiddelen, uitermate vindingrijke attentie in het omleggen en plooien van haar gewaad, dat zich niet door het maaksel maar bijna uitsluitend door de kleurenkeus en door de schakeering en drapeering van dat harer buurvrouw onderscheidt, ziedaar wat hare werkzaamheden zijn en wat ook haar zoontje, zoolang zij hem nog toestaat zelfs tot in haar toiletkamer achter haar aan te dribbelen, ijverig zal kunnen waarnemen. Overigens, al is die vrouwenwoning voor hem in zijn kinderjaren tot hij naar school gaat zijn vaste verblijf, ook later zal zij tot op zekere hoogte zijne huiskamer blijven, waar hij welkom is als hij thuis komt uit school--mits hij niet "overal met zijne handen aanzit." Zoo gaat het althans Lysis, den levendigen veertien- of vijftien-jarigen knaap naar wien Plato zijn dialoog over de vriendschap heeft benoemd. "Als je thuis komt bij je moeder, Lysis", zoo vraagt Socrates dezen, "dan laat je moeder je toch zeker, om te maken dat je gelukkig ben, alles doen wat je wil? Als ze aan 't spinnen is of aan 't weven, dan mag je toch zeker met alle genoegen de spoel of den kam of wat er verder van weefgedoe aanwezig is, in je handen nemen?" Toen begon Lysis te lachen en hij zeide: "Dat lijkt er niets naar, Socrates! Moeder verhindert mij dat niet slechts, maar ik zou klappen krijgen, als ik die dingen aanraakte!" Maar daarnaast stelt Socrates ons Lysis voor, als zijn vader en moeder wat te lezen of te schrijven hebben: dan hebben ze hem noodig en ze roepen hem. Zeker toch ook allicht in moeders kamer?

Deze tafreelen zou men kunnen vermeerderen. Maar daardoor zou hoogstens worden bevestigd, dat in vele opzichten de wereld, waarin de Atheensche knaap zijne eerste kinderjaren doorbrengt, van de onze niet veel verschilt. Wie echter wat verder zoekt, vindt toch nog wel bijzondere karaktertrekken. Denken wij aan de dagelijksche omgeving in welke deze jonge Athener de indrukken zijner kinderjaren, beslissend voor zijn leven, ontvangt, dan treden twee zaken duidelijk op den voorgrond: èn zijn schoonheidsgevoel èn zijn religieuze vatbaarheid moeten in dezen kring gemakkelijk zijn ontwikkeld en gevoed. De jongen behoeft juist niet in een van die kleine paleizen te zijn opgevoed, die bij de stijgende weelde van de vijfde en vierde eeuw binnen Athene begonnen te verrijzen; de voorhof waarin hij het eerst heeft leeren loopen, behoeft geen fontein in het midden, geene kostbare zuilenrijen in den omtrek te hebben gehad, wat hij daar ziet van dag tot dag heeft zeker niet nagelaten in de genoemde twee opzichten richting te geven aan zijn gemoed en verstand: in het huis van zijn vader heerschen vaste religieuze gewoonten, en daar heerscht Helleensche schoonheidszin.

De oud-grieksche goden vinden welbehagen in den eeredienst, hun openlijk en van staatswege gebracht in de steeds rijker en kostbaarder opgebouwde tempels, maar noch zij noch hunne vereerders vergeten het daarom ooit, dat de eigenlijke plek van intieme aanbidding de huislijke haard is, waar in geregelden offerdienst het trouw verbond tusschen het geslacht en zijn beschermheer telkens wordt vernieuwd. Daar moet ook de kleine Athener het eerst zijne goden leeren kennen. In de spitse pyramide-vormige zuil of in het vierkante altaar, dat vóór het huis op straat staat, leert zijne moeder hem alras Apollo te vereeren; hij behoeft nog niet zoo heel oud te zijn om haar te verstaan, als zij hem zegt dat Apollo de Afweerder van het booze is, en dat inderdaad, indien dat altaar van ouden en vreemdsoortigen vorm daar niet stond, het booze gemakkelijker binnen zou sluipen in huis. Dan zal zij hem vertellen dat die krachtige god, Zoon van Zeus en blondgelokte trots van zijne moeder Leto, ook hem beschermen wil, want dat hij zich gaarne ziet aangeroepen als Voeder der knapen; maar dat hij ook de Vaderen van zijn geslacht voor rampen heeft bewaard en daarom zijne hulde zal vragen als hij groot is geworden, als zijnde de God die Schutsheer is der Geslachten. Naast Apollo Patroïos leert zij hem dan Zeus Herkeios, den Oppergod des gezins, kennen. Met den kleinen jongen aan de hand staat zij er bij, wanneer de vader zijn dagelijksch offer brengt op het altaar van Zeus Herkeios in den hof. Soms ziet hij er wierook offeren, dan weer worden er vruchten gewijd; een enkelen keer--maar dat is zeldzaam--is hij er getuige van dat er een dier wordt geslacht. Hoe nauwkeurig prent hij zich dan, toeziende met het scherpe waarnemingsvermogen van een kind, de streng in acht genomen ritueele bijzonderheden van het brandoffer in het geheugen, hoe aandachtig volgt hij den kok of zijnen vader in al hunne bewegingen. Zou hij zich ook al in zijne naieveteit een beetje verbaasd hebben, dat het beste den God onthouden wordt, en dat de groote Zeus zich laat tevredenstellen met die gedeelten van het geslachte dier, die hem zelf het minst begeerlijk schijnen: de schenkelbotten en wat vet?

Dat Prometheus het eerst de menschen heeft geleerd, aldus de goden met een schijnportie tevreden te stellen, zal zijne moeder, al kent zij de sage uit Hesiodus, hem waarschijnlijk vooreerst nog wel niet vertellen. Maar overigens, als hij zijne oogen openhoudt en zijn mond tot vragen bereid heeft, is het ongelooflijk hoe snel hij de mythologie van zijn volk, die in de kunst en het maatschappelijk leven van Hellas alle lagen van cultuur geheel doortrekt, kan leeren verstaan. Onze verbeelding gaat te ver, wanneer we ons den kleinen knaap voorstellen "aan moeders schoot luisterend naar de gewijde geschiedenis"; minder nog is hier sprake van een soort van catechetisch onderricht in bepaalde hetzij confessioneele hetzij moderne richting; over een dergelijk onderwijs spreekt nooit een van al die oude dichters, die in zoo treffende verzen den teederen omgang der Grieksche moeders met hare kinderen gedenken. Maar Plato's uitvoerige polemiek tegen het "poëtisch onderwijs" der kinderen toont wel duidelijk, dat men daarin vrij ver placht te gaan. In een toon van groote verbittering richt Plato zich tegen dat onderricht in de kinderkamer. Hij erkent, dat het kinderlijk verstand, daar het immers den stevigen kost der verstandelijke waarheid nog niet kan verdragen, het licht verteerbare voedsel der verdichting noodig heeft. Maar dat hiertoe de mythologie zooals de vaderen die hebben overgeleverd--eene aaneenschakeling van verhalen vol logen en bedrog, vol echtbreuk, doodslag en verraad--wordt gebruikt, dàt noemt hij verderflijk.