Atheensch Jongensleven

Part 2

Chapter 23,747 wordsPublic domain

Een gelukskind in vergelijking van vele zijner natuurgenooten, mag dan ook het knaapje heeten welks geboorte aan de belangstellenden wordt kond gedaan door een olijftak aan de deur van zijns vaders woning. Zijn eerste geluk is, dat hij als jongen in de wereld komt. Indien niet een tak aan de deur was gehecht, doch een wollen lint--symbool, naar latere schrijvers gaarne aannemen van den arbeid die de eere der vrouwen is--indien dus was aangezegd dat er een meisje was geboren, wie weet, of dan de vader niet zou hebben gebruik gemaakt van het hem door de oude landswet toegekende recht, en het kleintje dat hem voor de voeten was gelegd eenvoudigweg had afgewezen. Dat inderdaad een volk waarvan wij met reden ook de innerlijke beschaving en de fijnheid van zeden plegen te bewonderen, zelfs in zijn hoogsten bloei een zoo barbaarsch gebruik toeliet kan ons verbazen, maar betwijfelen mogen wij het niet. Het onderscheid tusschen dit gebruik en de overbekende hardvochtigheid der Spartanen, die hun niet geheel welgeschapen zuigelingen eenvoudig naar het Taygetosgebergte brachten, was hierin gelegen, dat te Sparta de staat, te Athene de vader over de aanneming besliste. En nu wordt wel is waar in de redevoeringen en geschiedboeken der Atheensche schrijvers slechts zelden van zulk een verstooting melding gemaakt; maar in verscheidene uit het Grieksch vertaalde comedies van Terentius, en in menig blijspel van Menander is de geheele intrige samengeknoopt met de geschiedenis van te vondeling gelegde meisjes, niet altijd juist kinderen uit eene verbintenis die verborgen moest blijven. En wil men de voorstelling, door de blijspeldichters gegeven, beschouwen als aan 't werkelijke leven ontleend, dan is maar al te dikwijls zulk eene vondelinge tot haar eigen ongeluk geëxploiteerd door hare pleegouders. Ter gedeeltelijke verontschuldiging van den vader die haar verstiet, mag misschien hierbij worden gevoegd, dat althans in de comedies de herkenningsteekenen zelden of nooit ontbreken. Een lint, een bul, een kleinood hebben de ouders vaak aan de kleine vondelingen omgehangen, om het lot een kansje te geven, indien soms verandering in hunne finantieele omstandigheden hunne waardeering van den kinderzegen mocht wijzigen en zij het nu verstooten kind zouden willen terugzoeken.

Maar het is geen meisje, doch een jongen, en een in zijns vaders huis welkome jongen, die onze aandacht vraagt. Van zijne huisgenooten heeft hij reeds sinds, ja vóór zijne geboorte de aandacht in beslag genomen, en wel die aandachtige zorg die het sterk religieus gekleurde karakter der Grieksche kinderverpleging met zich brengt. Het oud-helleensche volksgeloof is vol van angst. Daemonische wezens loeren op al de paden van het menschelijk leven: één misgreep, één verzuim kan verderf brengen. En even als het sterfbed voor hen die het naderen nog gansch andere gevaren brengt dan die van ritueele onreinheid, evenzoo wekt de ure der geboorte angst. Men vreest de geheimzinnige machten die in de ure der geboorte het leven van moeder en kind in de handen dragen, men denkt zich het kraambed omringd door daemonen, en er is een niet geringe kans dat van die daemonen enkelen den kleinen knaap op zijnen levensweg zullen blijven vergezellen, indien men een enkele van de door oud gebruik geheiligde usantiën uit het oog mocht verliezen. Maar talrijk als die gevaren, zijn gelukkig ook de uitreddingen, en de namen van Goden en Godinnen, wier aanroeping zegen brengt.

Hoevele van al die gebruiken nu in eene beschaafde Atheensche familie van de vijfde eeuw nog in eere werden gehouden, weten wij natuurlijk nog minder dan wij dit omtrent ons eigen vaderland en zelfs onze vaderstad weten. Mij dunkt, zelfs in heel "verlichte" gezinnen zullen de meeste leden der huishouding toch wel vermeden hebben om in de nabijheid van de kamer waar de groote gebeurtenis werd verwacht, te gaan zitten met gekruiste beenen, of met samengevouwen handen; dit was toch zeker en vast--zelfs voor een "ongeloovig" mensch--dat zulk eene houding de Eileithyiën, de godinnen der geboorte, hinderde in haren arbeid. En als dan, niet gestoord door zulke booze invloeden, het kind verschenen was, is er zeker menige tooverformule gefluisterd, waarvan de vader niets heeft bemerkt, en die niet tot zijne kennis kwam. Want in de meeste gevallen woont de Atheensche vader de plechtige intrede van zijn zoontje in het leven waarschijnlijk niet bij. Zoo als het in moderne romans vaak in strijd met de werkelijkheid wordt voorgesteld: de aanstaande vader in eene aangrenzende kamer zenuwachtig op en neer wandelend en door de hulpvaardige ingewijden zorgvuldig op een afstand gehouden--zoo was het inderdaad regel te Athene. Behalve de traditie, die het kraambed uitsluitend met vrouwelijken bijstand omgaf en ook zelfs, behoudens zeer kritieke gevallen, geen manlijken vroedmeester daarbij riep, werkte daartoe de levenswijze in het Atheensche huwelijk en in overeenstemming daarmee de verdeeling der Atheensche burgerwoning mede. Reeds deze bevordert eene scheiding tusschen man en vrouw. Nu eens op de eerste verdieping, dan weer, als nl. de levensomstandigheden der echtgenooten wat ruimer zijn, of hun zaken het hun mogelijk maken buiten de stad te wonen, in het achterhuis, heeft de vrouw hare gynaikonitis, hare "vrouwenwoning", en al overdrijft men eenigszins door dat een sérail te noemen, gelijk ons zal blijken wanneer wij over de eerste kinderjaren van den Atheenschen knaap, die voor een groot deel dáár worden doorgebracht, gaan spreken, de gedachte aan zulk een oostersch verblijf wordt toch wel bij ons opgewekt, wanneer wij bedenken hoe streng de afgeslotenheid van dat gedeelte der woning was, hoe ver het er van af is dat wij de kamer waar een Atheensche huisvrouw woont met onze huiskamer zouden kunnen vergelijken. Een tafreel in den trant van een Hollandsch theetafeltooneeltje, waar de vrienden van den vader des huizes en de studiegenooten van de zoons vertrouwelijk zitten te praten met de moeder en de dochters van het gezin, is te Athene in fatsoenlijke kringen ondenkbaar. In eene van Lysias' redevoeringen roemt de pleiter zijne nichtjes die bij hem in huis wonen om hare zedigheid, en hij wijst er met nadruk op dat ze zóó fatsoenlijk waren, dat ze zich zelfs geneerden, als een der manlijke huisgenooten haar aangezicht te zien kreeg.

De beteekenis dier afgeslotenheid van het moedervertrek zal ons later blijken: ook de kraamkamer, zooal niet ontoegankelijk voor den vader, heeft dien ten gevolge voor den Atheenschen echtgenoot een geheel ander karakter gehad dan voor ons, Hollandsche vaders: een gaarne bezocht heiligdom, waar wij de machtige baker met eerbied en stil ontzag aanstaren terwijl zij heerscht over alles wat ons eigendom is, met overtuigd en zachtzinnig despotisme. Natuurlijk heeft echter Athene wel bakers bezeten. De Atheensche kraamkamer heeft zelfs eene vroedvrouw. "Moedertje" of "Grootmoeder"--Maia noemt het Attische spraakgebruik deze nuttige dame, die wat haar mag hebben ontbroken aan obstetrische kennis (er zijn geen statistieken van kindersterfte in de oudheid!) vergoedde door volledige ervaring van alle "moeilijke gevallen" in de buurt, en door eene soliede kennis van al de geheimzinnige wetten, ook nu nog niet geheel uitgestorven, welke het doen en laten eener gehoorzame kraamvrouw plegen te regelen.

Wij behoeven deze Maia niet op hare schreden te volgen. We laten haar rustig hare vloekafwerende kruiden kauwen, we laten haar zorg dragen dat de huisdeur met pek worde besmeerd om de daemonen af te weren; straks als ze alles ver heeft gehouden wat de moeder kon schaden en bij gesloten deur het knaapje geboren is, laten wij haar het kind baden in het--natuurlijk heilige--bad, water met olie. Dan zwachtelt zij het jongske, voorloopig in wat stijver banden misschien dan ons voor hem gezond lijkt, en het oogenblik is daar, dat hij zijne intrede doet in het leven van zijn vader. De Maia legt het knaapje neer voor diens voeten; dat is niet als bij ons een "presenteeren" van 't kindje, naar vast bakertarief met eene goede fooi beloond, maar in werkelijkheid eene vraag. "Aanvaardt gij mij als uw kind?" zoo schijnt het jongetje te vragen, neergelegd op de aarde die zijn eerste en opperste moeder is. En thans--in ons geval--beurt hem natuurlijk de vader op en aanvaardt hem. Deed hij dat niet, zoo zou dit boekje ongeschreven blijven.

De daad van aanneming door den vader vindt hare eerste bekrachtiging in het feest der Amphidromiën, dat--als alles naar wensch gaat--op den vijfden dag wordt gevierd. Onafscheidelijk aan den godsdienst verbonden als alle oud-Atheensche familieplechtigheden, is de handeling der Amphidromiën natuurlijk ook symbolisch. In snellen gang, als wilde zij het laatste gevaar dat van den kant der daemonen nog dreigt, afweren, draagt de Maia in naam der moeder, of anders deze zelve, den kleinen jongen om 't huiselijk haardvuur heen. Zij doet dat na zelve door besprenkeling eene symbolische reiniging te hebben ontvangen en draagt door de handeling van den rondgang den jonggeborene op aan de godheid die het huisaltaar met al die daarop offeren beschermt. Zoo wordt de knaap eng verbonden aan het huis zijns vaders, het heilig vuur zal ook zijne toekomst beschermen, de familie neemt hem aan. En het is noodig dat deze opname in den kring van het geslacht ook nog door een bepaalde daad wordt betuigd. De familieleden worden uitgenoodigd om den dag door een feestmaal te komen vieren; zij brengen dan kleine geschenken mee, somtijds voor het doopkindje een rammelaar, een amuletje of iets dergelijks, soms--en dit is waarschijnlijk de oudste gewoonte--andere, in waarheid voor 't kind zelf weinig genietbare, geschenken: vischjes of andere kleinigheden voor tafel. Deze laatste kleine gaven bewaren beter het oude karakter van de familiegeschenken: zij spreken duidelijk uit dat de leden van 't geslacht, zooals ze bijdragen tot zijn lustratiemaal, hem hunnen steun en bijstand voor de toekomst verzekeren en hem erkennen. En in zekeren zin zal wellicht later hunne aanwezigheid op dit feest hem van grooten dienst kunnen zijn. In eene stad waar geen betrouwbaar register van den burgerlijken stand is, en ieder kwaadwillige met eenige kans van slagen zijnen vijand in een proces wegens onrechtmatige uitoefening der burgerrechten kan aanklagen, redt wellicht den bedreigde de verklaring van neven of nichten dat zij indertijd zijne Amphidromiën hebben meegevierd.

Nu is hij dan werkelijk zijn vaders zoon. Maar hoe zal hij heeten? Dit wordt spoedig beslist; in ieder geval vóór of op den tienden dag. Natuurlijk kan men Amphidromiën en naamgeving vereenigen; maar een ouderwetsch en royaal Athener scheidt de beide dagen en gevoelt waarschijnlijk op den tweeden dag meer dan op den eersten zijne rechten als vader. Hem komt het recht toe--al kan hij goedgunstig zijne vrouw raadplegen!--om zijnen zoon een' naam te geven. Wie denken mocht dat dit eene zaak van niet zoo heel groot gewicht is, kent de oude Grieken weinig. Het is niet uitsluitend familietrots of liefde tot de eigene ouders, die daarin beslist. Wel is waar heerschen ook hier gaandeweg gewoonte en traditie, die grootvaders naam op de kleinkinderen doen overgaan. Ook een Grieksch vader heeft dus de ontroering gekend, waarmede een onzer aan zijn hulpeloos klein kind den naam toevertrouwt, die hem als zijns eigenen vaders naam heilig is en dierbaar. Maar de oudste Grieken--en daarvan is altijd iets gebleven--hechtten ook aan den naam om de beteekenis zelve. Hoe zou een volk, dat in de namen zijner goden zulk eene diepte van zin, van geloof, hoop en vrees legde, niet tot in het angstvallige zorgvuldig zijn geweest in het benoemen zijner kinderen! In den ouden tijd althans leidt hen daarbij de overtuiging dat in den naam zelf eene kracht ligt, een magisch vermogen tot afweer van het kwade, eene stellige belofte van zegen van de zijde der godheid wier naam in den kindernaam wordt gevlochten. En ook als die voorstelling verzwakt, blijft in den naam een erfelijk geschenk van den grootvader, den vorst, den verwant, den vriend of beschermer, eens door dien zelfden naam gesierd of gewapend. Zoo tint soms de naam een geheel geslacht, ook, en niet het minst, in de gewijzigde opvatting zijner beteekenis en macht. Namen, uitgaande op hippos (paard) oudtijds gekozen met stille, half verheffende, half beangstigende herinnering aan de rossen van den Doodsgod, Hades, soms ook met trots gedragen, omdat zij de herkomst van het vorstelijke geslacht uit Pluto zelf verkondigden, wisselen van kleur, als reeksen van riddergeslachten daarmee de toespeling op den rijkdom hunner stoeterijen verbinden. Zoo ook namen als Pheidon, die oudtijds in volleren vorm den vorst roemden die zijne kracht spaart (Pheidocrates) of die zijn volk ontziet (Pheidileos), maar straks in den boerenstand overgenomen de deugd der spaarzaamheid roemen, welke de zoon eens zuinigen boers reeds door den naam alleen hoopt op zijn kind over te brengen. En vaak tracht men den stamvorm van een naam van vader op kind te bewaren: Sophilos noemt zijnen zoon weer Sophocles. Zoo blijft de belofte der wijsheid (sophia) verzekerd.

Natuurlijk is ook in deze zaak allerlei onregelmatige willekeur. De boer Strepsiades, in Aristophanes' Wolken had gaarne zijn zoontje Pheidon genoemd of Pheidonides. Maar zijn vrouw, die eene voorname dame is, dweept met een' naam waarin Hippos voorkomt, en zoo komt het door transactie tot Pheidippides. Het feit dat dit een werkelijk bestaande naam is zou, als wij het toch niet reeds van elders wisten, al genoeg zijn om te bewijzen dat zulk eene samenvoeging van namen uit twee families verre van zeldzaam was. Bovendien, ook afslijting en sleur doen hier hun werk. Hoe zou anders zoo menigmaal een ongunstige naam een' wijs en edel man hebben aangeduid! Aeschylus' naam is niets anders dan een smalend verkleinwoord om een "leelijk mannetje" aan te duiden, en zeer respectabele Grieken hebben een gelukkig leven geleid onder namen als "de Roode", "Krombeen", de "Schele" enz. Ook heeft plebeïsch welbehagen aan plastische, duidelijk stempelende namen in menige familie waarschijnlijk door bijnamen de oude waardiger namen verdreven. Er behoeft maar eens een vader te zijn die plaagziek aan zijn kleinen jongen met den mopneus den naam Simos geeft of voor een reeks van geslachten is die naam regel geworden: eerst Simos, dan Simon, dan Simias of Simonides, straks Simylos: zooals grootvader heet mag immers de kleinzoon ook heeten.

En zoo zal het in Athene's bloeitijd wel niet veel zijn gebeurd dat met dezelfde onafhankelijkheid voor de verlangens van grootouders die sommigen onzer beweegt hun kinderen Roderich of Isolde te noemen in plaats van Jan naar den grootvader of Keetje naar de grootmoeder, een Atheensch burger plotseling besloot zijn kind nu maar eens Diphilos of Apollophanes te noemen en niet Simon of Mikkylos naar zijnen grootvader. En zoo iets is voor den knaap volstrekt niet hinderlijk; maar wel valt het te betwijfelen of Cimon, de zoon van Miltiades, een heel grooten dienst aan zijn eigen zoon bewees toen hij hem, als een hulde aan het bevriende Sparta, den naam van Lakedaimonios gaf. Na Cimons dood, toen de betrekkingen tusschen Athene en Sparta gaandeweg uiterst koel werden, zal de jonge man heel wat last van zijn naam gehad hebben.--Dan is het beter een trouwen vriend of een gestorven broeder te eeren door diens naam aan den jongen te geven.

De naamgevingsdag is een plechtige dag, dien men met een offer siert; maar de jonge zoon moet ook erkend zijn als jong Athener. Ras breidt zich, na het feest van den tienden dag, om den knaap de kring uit die hem vereenigt met hen die van éénen stam met hem zijn. Hier is een duidelijk verschil merkbaar tusschen onzen modernen staat en den antieken. Oneindig gebrekkiger in hare organisatie dan onze hedendaagsche gemeente, is toch de oude polis hechter door de zorgvuldige wijze waarop zich hare concentrische cirkels ineen voegen. De familie in het geslacht, het geslacht in de phratria. Het is niet genoeg dus, dat naast den vader ook de ooms het knaapje gezien en dus erkend hebben, ook het geslacht--zoo hij van adel is--en de phratria moeten hem erkennen, of althans door zijne presentatie aanzegging krijgen van het feit dat hij er is.

Met een enkel woord dient hier de beteekenis dier phratriën voor het burgerschap van den jongen Athener in het licht te worden gesteld. De phratriën zijn oude, op de vroegste stamindeelingen berustende groepen van geslachten. Zij bewaren de traditie der samenvoeging van den Atheenschen staat uit familiën, en ook later toen de onderlinge verwantschap der phrateres door bloedsbetrekking reeds lang niet meer naspeurlijk was, bleven de genooten van een en dezelfde phratria zich beschouwen als allen te zamen afstammende van eenen stam-vader. Drie phratriën te zamen vormden eene oude phyle (stam), vier phylen te zamen waren het die het gansche echt-Atheensche volk in zijnen oudsten vorm uitmaakten. Die traditie en die volksindeeling bleven zich in alles wat met familierecht samenhing handhaven, ook toen in het laatst der zesde eeuw eene geheel nieuwe politieke regeling het adellijke en niet adellijke Athene op meer democratischen grondslag verdeelde, geordend naar districten. Bij alle verklaring van antieke toestanden is in het gebruik van moderne termen een zeker gevaar; maar denkt men alle vrijheid van keuze, elk richtingsverschil in godsdienstzaken dat onze kerkelijke gemeente kenmerkt weg, en legt men niet in alle bijzonderheden nadruk op het religieuze element, dan zou men de phratriën zeer wel met onze gemeenten kunnen vergelijken. Want de phratrië heeft haren eeredienst van Zeus Herkeios en Apollo Patroïos, zij heeft hare geregelde offerfeesten, heiligdommen en bezittingen en ook hare vaste bijeenkomsten. Zonder eigenlijk politiek karakter te bezitten vormt zij den band tusschen familiën en staat en sluit de kleinere groepen der burgerij te zamen in kringen die eene zekere mate van onderlinge belangstelling en onderlinge bekendheid waarborgen. Wie trouwt, stelt onder feestelijke gebruiken zijne phrateres daarvan in kennis, wie een zoon heeft gekregen doet evenzoo, terwijl hij later die kennisgeving door een plechtig offer op den gemeentedag bevestigt en eindelijk, als de zoon meerderjarig wordt, hem op solemneele wijze bij de phratria zal inleiden, hetgeen eene eerste schrede zal zijn voor de vervulling van de wettelijke formaliteiten die hem dan het volkomen onbeperkte burgerrecht zullen verzekeren als lid van den Atheenschen Staat.

Want vooreerst is de kleine jongen nog niet anders dan een candidaat-lid, een ridder-expectant. Na de eerste voorloopige kennisgeving in de phratria neemt noch deze noch ook de staat, bij wien--in tegenstelling met het vaste gebruik in onze moderne maatschappij--geenerlei aangifte van zijne geboorte is geschied, veel notitie van hem. Zijn vaderland, zijn staat, is de kinderkamer, dus in de meeste gevallen het vrouwenvertrek. Daar heerscht zijne moeder als koningin, krachtig bijgestaan en ook wel eens overheerscht door het ministerie van de slavin die eerst zijne min is geweest en straks zijne kindermeid zal worden.

Na hetgeen hierboven reeds met een enkel woord is gezegd over de afgesloten levenswijze der Grieksche, en bepaaldelijk der Atheensche vrouwen, zal het niemand verwonderen dat op dat "koningschap der moeder in het vrouwenvertrek" nog al eens iets is afgedongen. De vraag, hoe eigenlijk de positie der getrouwde vrouw te Athene moet worden beschouwd is te veel omvattend om die hier in hare geheele beteekenis te behandelen. Zooveel echter als noodig is om ons eene voorstelling er van te maken, wat eene moeder uit den beschaafden stand voor hare kinderen kon zijn, mag hier wel in het midden worden gebracht.

Erkend moet worden dat de Staat als zoodanig te Athene ten opzichte van de vrouw, met uitzondering van een zekere bescherming harer zeer beperkte finantieele rechten, vrij wel alles verzuimd heeft, wat te verzuimen viel. Voor een ietwat heftig feminist van onzen tijd is er aanleiding uit zijne lectuur deze conclusie te trekken: "In de beschaafdste stad van het antieke Griekenland laat de welgestelde burger met goedvinden van overheid en medeburgers de moeder zijner wettige kinderen een slavenleven leiden."

Die conclusie schijnt mij onjuist, maar zij laat zich begrijpen. Want vooreerst is in politieke niet slechts, doch ook in juridische zaken de positie der Atheensche huismoeder en vrouw die van wèl omschrevene onmondigheid. De vrouw kan in een proces niet als getuige worden gehoord, zij is niet bevoegd te beschikken over iets dat meer waard is dan één schepel graan; en het is dan ook een van de eerste répresaille-maatregelen die de vrouwen in Aristophanes' bekende comedie "het Vrouwenparlement" tegen hare mannen nemen, dat zij deze laatste wetsbepaling op de onttroonde heeren toepasselijk verklaren. Voorts staat, omdat de vrouwengeest te zwak is tot zelfbestuur, de vrouw levenslang onder voogdij: eerst van haar vader, dan, als deze sterft, van haar naasten bloedverwant. Haar voogd is haar oom, haar broer, haar neef; als ze trouwt, haar man, als zij weduwe is, haar zoon. Zij stemt niet, zij legateert niet, ja zij erft niet anders dan om als erfdochter het bevel te volgen van den naast-berechtigden bloedverwant, zoo die haar huwen wil om of de eigendommen te winnen vastgehecht aan haar persoon, of die over te brengen op de wettige zonen die uit dit huwelijk zullen worden geboren.

De lijst dezer onbevoegdheden behoeft niet te worden uitgebreid. Zij zijn alle uitvloeisels van eene in recht, staatkunde en oeconomische verhouding streng gehandhaafde overtuiging: dat de man de volle en onverdeelde heerschappij behoort te voeren, dat hij--zooals Plutarchus het niet zonder zelfbehagen uitdrukt--"moet heerschen over de vrouw gelijk de ziel heerscht over het lichaam."

Toch mogen wij bij den indruk van volstrekte inferioriteit der vrouw, dien ons deze en dergelijke feiten geven, niet blijven staan, al erkennen wij ook dat bij zulk eene verhouding, die de vrouw--ook door hare onvoldoende opvoeding--in zooveel opzichten maakt tot de mindere van haren echtgenoot, en haar zoo weinig in staat stelt zijne ernstigste gedachten te verstaan, bezwaarlijk in het Atheensche gezin die geest kan hebben geleefd, die wij in ons familieleven een opvoedingselement van de hoogste waarde achten: onderlinge liefdevolle toewijding, gegrondvest op volkomen sympathie in het hoogste. Maar twee zaken mogen wij niet uit het oog verliezen. Vooreerst deze, dat daargelaten alle politieke en sociale rechten, en daargelaten alle theoretische bespiegeling de natuurlijke orde van zaken aan iedere huisvrouw op haar eigen gebied, en dat is niet eng, toch steeds eene macht verzekert, die de alleenheerschappij nabij komt. Tot op zekere hoogte zal ook wel bij de Atheners de suprematie van den Heer en Meester alleen in theorie hebben bestaan. In menig Atheensch huisgezin zal wel gegolden hebben hetgeen eens Diophantus, de zoon van Themistocles, aangaande zijne ouders getuigde: "Wat mij behaagt--zoo verklaarde deze als jongen--dat accepteeren Athene's burgers in hun volksvergadering. Want al wat ik wil, wil mijne moeder ook, en wat mijne moeder wil dat wil mijn vader, en wat mijn vader wil, dat willen alle Atheners".

"Maar--zal men zeggen--deze soort van heerschappij is niet anders dan de tyrannie van een zorgzame huishoudster of eene talentvolle keukenmeid; en Aristophanes' comedies doen ons de Atheensche huisvrouwen niet veel anders zien, dan als huishoudsters en wel als zulke, voor wie hare mannen--heerschers in de volksvergadering--een heilzame vrees koesteren."