Atheensch Jongensleven

Part 15

Chapter 152,949 wordsPublic domain

De voornaamste plechtigheid is de parade voor het volk, in solemneele zitting vergaderd in het theater van Dionysos. Het woord "zitting" is hier niet overdrachtelijk gebruikt. Er was een tijd geweest, dat de Atheners--die, als we hen nagaan in hun publieke leven, wonderwel ter been moeten zijn geweest, want alles doen ze bijna staande--ook in hunne volksvergaderingen niet zaten. Maar die tijden waren voorbij, en daartoe zal zeker de wassende welsprekendheid der volksredenaars wel het hare hebben bijgedragen. En sinds nu (tusschen de jaren 340 en 330) door de zorgen van den overlegzamen staatsman Lycurgus een steenen theater was gebouwd in de heilige aan Dionysos gewijde ruimte, waar ook thans nog de ruïne ons een zoo levendig beeld geeft van de plaats waar de Atheners hun groote Dionysosfeesten vierden, plachten de Atheners gaarne daar te vergaderen. Het behoeft niet gezegd, dat voor eene wapenschouwing die plek bijzonder geschikt was. Zoo werd dus op een bepaalden dag van het jaar het volk daar ter plechtige zitting geroepen. Maar hoogstwaarschijnlijk was daaraan reeds eene andere, korte doch indrukwekkende plechtigheid voorafgegaan, en er is naar mij voorkomt reden om aan te nemen dat deze laatstgenoemde de Dionysische vertooning opende, terwijl de parade er het besluit van was. Die openingsplechtigheid geldt de weezen van die burgers, die in den krijg voor het vaderland zijn gevallen. De staat heeft na den dood der vaders de kosten van de opvoeding dezer knapen voor zijne rekening genomen, en--althans in de oudere periode, toen de ephebie nog niet tot eene, slechts voor vermogenden toegankelijke weelde was geworden--hen ook doen opnemen in de rij der epheben. En het is een van de aantrekkelijke zijden van het Atheensche volk geweest, dat het dien staatsplicht als staatseer beschouwde. Athene heeft die kinderen harer helden lief, en behandelt ze niet als stadsarmen doch als lievelingszonen; in de jaren toen de Atheners nog altijd zelf den vijand tegemoet gingen--wat uitsleet in de vierde eeuw en eerst in den hachelijken strijd tegen Macedonië weer regel werd--heeft de verzekerdheid dat de Staat "zijne zonen als de herinnering aan zijn' moed zou eeren" voor menigen soldaat den doodstrijd op het slagveld verlicht.

Zoo rusten dan ook de oogen der burgers die de rijen van den schouwburg vullen--velen met hunne kinderen naast zich, die het thans aanvangende schouwspel bijzonder moet treffen--met groot welbehagen op de "Weezen" die, omdat ze den ephebenleeftijd hebben bereikt en dus uit de voogdij van den Staat worden losgemaakt, thans voor het volk treden. De oude Atheensche gewoonten hebben bij zulke handelingen vaak eene op zeer fijn gevoel berustende gratie. Op het oogenblik dat de Staat deze weezen laat heengaan uit zijne voogdij en hen in de maatschappij zendt, geeft het vaderland hen nog een geschenk. Maar dat is niet een "uitzet", een pak kleeren of zoo iets: het is eene volle wapenrusting als hopliet, de zware bewapening van den volksburger, eene wapenrusting gelijk aan die waarin hunne vaders zijn gestorven. In die panoplia treden ze nu de orchestra binnen, de staatsheraut gaat voor hen uit, en als zij in het midden hun gelid hebben gevormd, één onbewegelijke rij, fel stralend van licht in de voormiddagzon, dan verheft de heraut zijne stem en draagt de boodschap, "zoo treffend en zoo uitnemend van kracht om ook anderen op te wekken tot dappere deugd" voor. "Hoort mij aan, burgers van Athene", zoo zegt hij--en tot op de bovenste rijen draagt de voortreffelijke akoustiek zijne stem--"Uw volk heeft deze jongelingen, wier vaders op het slagveld in eervollen strijd om uwentwil het leven hebben gelaten, opgevoed tot op dezen dag hunner manbaarheid; nu bekleedt datzelfde vaderland hen met volle wapenrusting, ontslaat hen uit de voogdij met zegenwensch voor hun verder lot en noodigt hen voor heden uit tot de vooraanzitting."

Dan gaan de jonge soldaten, met het diep ontroerende gevoel dat zij heden in aller oogen de eer hunner vaders dragen, heen naar de zetels der vooraanzitting en zij zetten zich neer bij den priester van Dionysos, bij de gezanten der bondsstaten, bij de hooge ambtenaren, eene onderscheiding genietende die zeker niet hunne ijdelheid heeft opgewekt, maar wel hunne begeerte om niet minder te zijn dan hunne vaders. Als zulk een knaap, na zulk een plechtigheid de Dionysische vertooning die dan een aanvang neemt uit zijn eerezetel mee aanschouwende, den Philoctetes van Sophocles ziet opvoeren, en de edele jongelingsfiguur van Neoptolemos voor zich ziet in diens aangrijpenden strijd tusschen politiek belang en karakteradel, dan wordt deze dag een kracht in zijn leven, en er zal heel wat cynisch smalen over rhetorisch vertoon en over speculatie op volkssentimentaliteit noodig zijn, voordat valsche schaamte hem er toe brengt met dezen dag te spotten. Helaas, toch zal menigeen onder deze Staatsweezen, wanneer hij later, krachtens het recht van zijn hooge ambt, wederom plaats neemt op die eerebanken, niet dan met een blos kunnen terugdenken aan den dag toen hij daar zat krachtens het eererecht hem door zijn vader nagelaten.

Dan vangen de Dionysia aan. Maar volgens een vast gebruik volgt onmiddellijk op deze feestdagen eene geregelde vergadering van het volksparlement (de ecclesia) in de theaterruimte; en zoodra nu de zaken waarvoor deze vergadering is bestemd zijn afgehandeld, heeft in de orchestra, de middenruimte, ten aanschouwe der leden van de volksvergadering eene regelmatige parade-exercitie van het geheele ephebencorps plaats. Dit is geen wapenschouw, ook geen assaut, want de epheben zijn waarschijnlijk op dat oogenblik nog niet zwaargewapend; het is een uitvoerige, half gymnastische, half militaire vertooning van de bewegingstaktiek der Attische infanterie, het vlugge keeren in eene kwartwending rechts ("speerkant") en links ("schildkant") de halve wending en de geheele, het vormen van rotten en gelederen, de hardloop, de vlugge zwenking: kortom de geheele vereeniging van rapheid in beweging en snelheid in 't stilstaan, welke door de uitgebreide infanterietaktiek van de Grieksche vechtwijze wordt vereischt. En aan het slot van deze parade komt ook weer een geschenk. Van staatswege worden de epheben nu begiftigd met speer en schild, en hierdoor wordt erkend dat zij thans in den vollen zin behooren tot de hoplieten van Athene, al telt natuurlijk voor de berekening van hunnen volbrachten diensttijd ook reeds het eerste jaar hunner ephebie mede.

In hunne volle wapenrusting--en dit is het laatste deel van de drieledige plechtigheid--marcheeren zij nu naar het kleine heiligdom der godin Aglauros, om hunnen ephebeneed af te leggen. Op de zeer steile noordhelling namelijk van de Acropolis, waar zich ook thans nog eenige moeilijk te bereiken grotten bevinden, was ééne grot vrij hoog gelegen, en waarschijnlijk oudtijds met de alleroudste "pelasgische" nederzetting op den burcht door een in de rots uitgehouwen trap verbonden, die de Atheners eerden als het heiligdom van Aglauros, eene van de dochters van Cecrops. Het is niet zoo heel zeker, dat alle Epheben, indien men hen had gevraagd wie deze Aglauros eigenlijk was, en hoe het kwam dat zij naar hare onaanzienlijke grot, in plaats van bijvoorbeeld naar den grooten tempel van Athene Parthenos, werden gebracht om hun burgereed af te leggen, veel anders zouden hebben weten te antwoorden dan dit, dat deze plek zoo bijzonder heilig was door hoogen ouderdom. Intusschen was hun de oude heilige sage wel bekend: hoe Aglauros en hare zuster Herse zich in den ouden tijd van de rots hadden neergestort in hare ontzetting over hetgeen ze te zien kregen bij het openen van zeker mandje, aan hare zorg toevertrouwd door Athena met het strenge bevel het ongeopend te bewaren. In dit mandje--welke Atheensche knaap wist het niet!--had het kind met de slangevoeten gelegen, Erichthonios, de geheimzinnige stamvader der Atheensche koningen, dien ieder kende als alouden bewoner van het Erechtheum! Vermoedelijk zullen de meeste Epheben met deze vage notie van oude heiligheid wel tevreden zijn geweest, ja de plechtigheid van de eedsformule zal er voor hen misschien door gewonnen hebben, dat het ten deele zoo geheimzinnig vreemde goden waren, die zij als getuigen bij hunne belofte aanriepen. Het formulier namelijk, waarvan men zich in den tijd van de reorganisatie der Ephebie geregeld bediende, luidde aldus: "Ik zal deze heilige wapenen niet te schande maken, noch ooit den wapenbroeder in het gevaar alleen laten naast wien ik gesteld zal zijn. Wat aan onze goden gewijd is of wat geheiligd is door menschelijke vroomheid, zal ik verdedigen, hetzij alleen hetzij met anderen. Het vaderland zal ik aan mijne navolgers overgeven, niet minder doch grooter en krachtiger dan ik het heb ontvangen. Aan hen die het bestuur voeren, zal ik onderworpen zijn met inzicht en aan de wetten, die gesteld zijn, zal ik gehoorzamen, alsook aan degene die het volk van Athene nog stellen mocht in eensgezindheid. En zoo iemand mocht trachten die wetten omver te werpen of aan dezelve niet gehoorzaam mocht zijn, dan zal ik dat niet toelaten doch dien man tegengaan, zoo alleen als met anderen. Ook zal ik de heilige instellingen onzer vaderen in eere houden. Zoo waarlijk helpe mij Aglauros, Enyalios, Ares, Zeus, Thallo, Auxo en Hegemone."

De talrijkheid der namen van de goden die als getuigen worden aangeroepen, is in de oogen der Epheben zelf zeker wel geschikt geweest den ernst van hunnen eed te verhoogen; maar het plechtige van dit slot ligt toch eigenlijk hierin, dat hoe ook de eed zelf naar de behoeften der tijden zich heeft gewijzigd--en wij weten dat dit het geval is omdat ons enkele wijzigingen bekend zijn--de godennamen duidelijk de herinnering bewaren aan de alleroudste tijden der stad. De eed, dien hier de Epheben zweren en dien zij, zooals blijkt uit menige toespeling in de redevoeringen der Attische Oratoren, met eerbied gedurende hun verder leven gedenken, is in waarheid de oude belofte der burgerwacht die de oude stad op den burcht beschermt. Niet Hermes of Apollo, de schutsgoden der mannelijke jongelingschap, worden daarom hier aangeroepen, doch Aglauros, die als priesteresse van de burchtgrot geene andere is dan Athena, de godin der Acropolis zelve, en met haar Thallo en Auxo, naast Aphrodite Hegemone de personificatiën van den landbouw, die de oudste burgers had gevoed.

De eed in de Aglaurosgrot neemt nu de Atheensche jongelieden zoozeer definitief in het corps der soldaten op, en is dus zoozeer het einde van den knapenleeftijd, dat onze schets hier behoort te eindigen op het oogenblik dat wij de kleine schare, gekleed in de Thessalische ruitermantels, kort van achteren en van voren met langer afhangende slippen, en met den petasos, den slapgeranden vilten hoed op het kortgeknipte haar, zien afdalen van de Acropolishelling. Met een enkelen oogopslag mogen wij hen dus nog slechts volgen op hunne militaire excursies als peripoloi, rondgaande troepen, en denken aan hun spitten, hun graven, hun walbouw en hunne wachtposten op de grenzen, waar het spel van den speerworp ernst gaat worden. Wij zien hen in de passen van Oenoë staan, metterdaad leerend hoe daar een kloeke troep, mits goed geoefend, een leger kan tegenhouden dat uit Boeotië oprukt. Straks beklimmen zij Phyle, de steile bergvesting, onvergetelijk in de Attische krijgsgeschiedenis, sinds Thrasybulus zich daar had genesteld ten tijde dat hij aanrukte om Athene van de Dertig te bevrijden. En hetzij ze legeren in de dalen van den Cithaeron, hetzij ze de maan zien schijnen over de kronkelende lijn van Attica's zeekust, wij weten dat zij straks terug zullen keeren in hunne stad, sterker van lichaam, maar ook sterker van geest. Want nu kennen zij hun land en hebben Attica liefgekregen uit eigen gemeenschap met den bodem, waarop zij gerust en gestreden hebben.

Mogen wij dit slechts kort aanstippen, eveneens ligt het buiten ons bestek te spreken van de latere tijden. Immers de Ephebie zou niet lang meer blijven wat zij in het eind der vierde eeuw nog was. Toen meer en meer in het onder Macedonische heerschappij verzwakkende Athene de overtuiging verkwijnde, die de Ouden had geleerd dat burgerrecht weerplicht insluit, toen werd ook het weerbare corps der Epheben een luxecorps, eene garde voor voorname rijke jongelui, met een eigen bibliotheek en een eigen gymnasium, en voorts met een staf van badopzichters, portiers, geneesmeesters, masseurs en wat dies meer zij. Maar de beschrijving dezer aristocratische corporatie brengt ons--hoe hoog ook soms de inscripties hare praestatiën prijzen--in een geheel ander Athene dan waarvoor onze schets aandacht wilde vragen. Van onze Epheben nemen wij het liefst afscheid wanneer we hen, na kloek volbrachten oefentijd, zien opgaan in de rij der hoplieten die door den strateeg tot den velddienst zijn opgeroepen: op dat oogenblik geven zij ons het duidelijkst beeld van den volkomen Athener.

Wij nemen noode afscheid van dien Ephebe.--"Waarom noode?" vraagt men wellicht; "zouden wij dan onze zonen, zouden onze jongens zich zelf zóó wenschen als hij was?" Mij schijnt zulk een vergelijken altijd onredelijk. Noodlottig en gevaarlijk acht ik elke liefde voor het verleden, die onze liefde voor den tijd waarin ons leven is geplaatst doet versterven. Tevens echter schijnt mij geen liefde zóó verblind als die, welke in hare eenzijdige bewondering voor nieuwere tijden weigert de fouten te zien waardoor ons geslacht kan ondergaan, en genezing te zoeken in de lessen van het verleden. Die lessen ontbreken niet geheel in de geschiedenis der Atheensche jeugd. Ik wil die lessen niet opsommen: mijn doel is bereikt indien de hierboven gegeven schets het Atheensche knapenleven eenigermate heeft doen zien als eene voorbereiding tot den burgerstaat, zooals Pericles die in zijne "grafrede voor de gevallenen" teekent. Immers dit zijn wel de deugden die de Atheensche opvoeding aan de knapen wilde geven: liefde voor eene schoonheid die niet op pracht berust, doch op eenvoud en nagestreefd wordt met inspanning, noch ooit ontaardt in weelderige rust; liefde voor het vaderland, die zich rekenschap geeft van de deugden waardoor het gewassen is, doch niet gelooft in eene volmaaktheid der overgeërfde deugd, door geen nieuw inzicht te verbeteren; liefde voor het goede, die niet meent in eigen boezem de norm der waarheid rond te dragen, doch zonder eigengerechtigdheid het aanziet, dat verscheidenheid van oordeel verscheidenheid van levenswandel brengt.

OVERZICHT VAN DEN INHOUD.

INLEIDING.

Schaarschte der literaire gegevens over Grieksch kinderleven Grieksch familie- en geslachtsverband Beteekenis der verwantschap Oudere en nieuwere opvattingen Familie-verband en burgerschap Beperking van het onderwerp

EERSTE HOOFDSTUK.

Wettige en onwettige kinderen te Athene Erkenningsvrijheid Geboorte-ritueel Afgescheidenheid der vrouwenwoning De kraamkamer en de min Amphidromiën en naamgeving Gewichtige beteekenis van den naam Inleiding in de phratriën, beteekenis van het phratriën-verband De vrouw in het Atheensche huwelijk in de tragedie en in Xenophons geschriften De taak van de moeder en de trophos Het Atheensche kind in de kinderkamer Eerste aesthetische en godsdienstige ontwikkeling Bescheiden rol van den vader in de kinderopvoeding Eerste kinderspelen Beteekenis van het spel bij de Grieken Gering standsverschil Algemeenheid van het spel Het balspel Spel op de krijtstreep Grijpbal Ourania Koning en Ezel Blindemanspelen De Vlieg De Pot Zakdoekjeleggen De schildpad (chelichelone) Hasardspelen, dobbelspel De koten (astragaloi), sinds Homerus bekend (Patroclus) Schervenspel Tollen Kwartels- en Hanen-gevechten Waardeering van wedijver en eerzucht

TWEEDE HOOFDSTUK.

De knaap gaat naar school Zijn leidsman, de paedagoog Paedagogie in het heroïsche tijdperk Phoinix bij Homerus Adrastus bij Herodotus Dorische en Attische agoge De eukosmia en de vrije beweging op straat De knapen zonder hun paedagoog Gewijzigde beoordeeling der paedagogie: Plato's Lysis Uitbreiding der staatszorg in lateren en onthouding in vroegeren tijd Staatssubsidiën sinds de derde eeuw Algemeenheid van lager onderwijs Inrichting der scholen in vroeger en later tijd Levenspositie van den schoolmeester Theoretische grondbeginselen van zijn onderwijs Het eerste leesonderricht, tevens spreekonderricht Het schrijven Beperktheid der schrijfkunst Uitbreiding van 't schoonschrijven in lateren tijd Omvang van het lager onderricht en duur van den schooltijd Klassen- en groepen-onderwijs Opklimming van klas tot klas Uitbreiding van het leesonderwijs tot declamatie Beteekenis der Homerische poëzie in het Attische jongensleven Elementair rekenonderricht Het rekenen op de vingers en op den abacus Bezwaren der Grieksche multiplicatie en der herleidingen Bestudeering der stelsels van munten en maten Eerste ontwikkeling der mathesis Herkomst der mathematische wetenschap De inhoud der eerste leerboeken Geleidelijke systematiseering van het meetkundig onderwijs De historie in het lager onderwijs De geografie Eerste ontwikkeling der aardrijkskunde De kaart van Hecataeus Moeilijkheden in de eerste wetenschappelijke aardbeschrijving Herodotus en Hecataeus Kaarten in Atheensche scholen Uitbreiding van leertijd en leerstof De school van den citharist Antieke waardeering der muziek Lierspel en lyrische poëzie Literaire en religieuze argumenten voor het muzikaal onderwijs Beteekenis en praktijk van het schoolonderricht in de muziek Phorminx, citharis en cithara Het viersnarig en het zevensnarig instrument Uitbreiding der begeleidingstechniek Cither en fluit De gymnastiek Doel der gymnastische oefeningen Strijd over haar nut De gymnastiek bij Lucianus Palaestren en Gymnasiën De palaestra eene particuliere school De gymnasiën publieke inrichtingen De Gymnastiekmeester (paidotribes) Vakken van onderricht; het dansen, springen, hardloopen, discusworp, vuistgevecht en worsteling De jongens buiten de school Godsdienstige feesten

DERDE HOOFDSTUK.

Wijzigingen in de opvoedkundige theorieën en in de wenschen der Attische jeugd Verlangen naar voortgezet onderwijs Uitbreiding van lectuur en grammatica Het teekenen als vak van propaedeuse Geleidelijke vorming der encyclopaedie Verschil van inzichten en van standsbehoeften in het Athene der vierde eeuw Beteekenis van het sophisten-onderricht Hoofddoel: de rhetoriek Hare bestrijding door Plato Plato's eigen onderwijs in de Akademie geen knapenonderricht De school van Isocrates Doel van zijn onderwijs in de philosophische rhetorica Zijne beteekenis als leermeester Practische resultaten De instelling der Ephebie Oudere en jongere Epheben Inleiding tot het burgerschap Vergadering van phratria en demos Onderzoek in den Raad Instelling van Sophronisten en Kosmeten Hunne verhouding tot de Epheben Noodzakelijkheid van hun toezicht tot verbetering der discipline Eerste rondgang der Epheben Oefeningen in het Gymnasion Deelname der Epheben aan de staatsfeesten Panathenaeën en Promeatheusfeest Scheiding der standen in de Ephebie Het ruitercorps Garnizoensdienst der Epheben Plechtigheden aan het eind van het eerste jaar Theaterzitting: huldiging der Weezen Volksvergadering ter inspectie van de Epheben Eedaflegging in den tempel van Aglauros Afscheid van de Ephebie Besluit

End of Project Gutenberg's Atheensch Jongensleven, by Koenraad Kuiper