Part 14
Het ligt voor de hand een oogenblik te glimlachen over eene inrichting, die ons zoo weinig in overeenstemming schijnt met de behoeften en wenschen van achttienjarigen. En toch--wie in de kosmetenzaal van het Atheensche museum een enkel half uur vertoeft, om eens rustig te kijken naar de rij van Attische kosmeten--zij 't dan ook grootendeels uit lateren tijd--welke aan deze zaal haren naam geeft, hij zal niet heengaan zonder den indruk mee te nemen dat hij een oogenblik heeft vertoefd in een gezelschap van ernstige, beminlijke mannen, paedagogen in den beteren zin des woords, en dat de Atheensche jongens, die waarlijk in hunne schooljaren de sophrosyne hadden leeren hoogschatten, de leiding van zulke sophronisten eer zullen hebben gezocht dan geschuwd. Waarom zou niet menig Attische jongen in den overgang van het schoolleven met zijne gebondenheid en van het huislijk leven met zijne intieme gewoonheid tot de hem nog zoo weinig vertrouwelijke vormen van een zeker niet over-zachtzinnig kamp van jonge recruten zich gaarne hebben neergezet naast dien ouderen vriend zijns vaders, dien man van aanzien in de phyle, die den verleden roem van hunnen stam kan verhalen, de eerezuilen aan hem toonen kan die de namen hunner helden bewaren, hem de campagnejaren beschrijven, in eigen jeugd met de ouders der tegenwoordige leerlingen doorgebracht? Mij dunkt, de meesten onzer hebben ook wel zulk een oom of zulk een vriend huns vaders gekend, aan wien zij bij tijden en in sommige zaken nog gemakkelijker hun vertrouwen schonken dan aan hun eigen vader.
Een zoodanige verhouding kon te gemakkelijker tusschen de epheben en hun sophronist ontstaan, omdat de sophronisten als het ware gedelegeerden waren met een algemeene opdracht. Het militaire commando was in handen van den strateeg, want de epheben zijn recruten; zoodra dus de troep in garnizoen is op een of ander vast punt, staan zij onder de bevelen van den plaatselijken commandant en--militair gesproken--niet van den sophronist, ofschoon hij zeker aanwezig is en niet minder zeker gehoorzaamd wordt. Hij zelf gaat blijkbaar met de compagnie mee. Immers uit de staatskas ontvangt de sophronist voor zich zelven eene drachme en voor ieder zijner epheben vier obolen (d.i. 2/3 drachme), en voor die soldij schaft hij alles aan voor de tafel, benevens hetgeen verder in de ménage noodig is, daar tot betere aankweeking van den corpsgeest de epheben gezamelijk, stam aan stam, eten.
Men zou kunnen vragen of niet, afgezien van de ideëele behoeften, hier boven geschilderd, naast de militaire overheden de sophronist vrij overbodig is. Het antwoord kan luiden, dat de Atheensche jongens--ondanks de zorg in het onderwijs aan hun sophrosyne gewijd--van aanleg zeker nog al onstuimig zijn geweest. In eene van Demosthenes' oraties, die een klacht wegens mishandeling toelicht, is eene beschrijving van de wijze waarop jonge soldaten, sinds kort aan de ephebie ontwassen, zich tegenover kameraden van wellicht iets minderen stand gedroegen. Al schetst de redenaar een uitzonderingsgeval, en al overdrijft hij dat misschien, toch doet zijne teekening een merkwaardig licht vallen op de alles behalve straffe tucht, welke in een Grieksch legerkamp kon heerschen in de jaren die aan de nieuwe regeling der ephebie voorafgingen.
"Het is nu twee jaar geleden", zoo laat Demosthenes den eischer zijne lotgevallen verhalen, "dat ons regiment werd opgecommandeerd om een post bij Panakton te betrekken. Nu kregen de zoons van Konon, mijne tegenpartij, hunne tent vlak bij de onze--geenszins naar mijn wensch, want oorspronkelijk is onze vijandschap uit dat feit en uit de botsingen, die daarvan het gevolg waren, ontstaan. Zij hadden de gewoonte, geregeld, onmiddellijk na hun eersten maaltijd hun drinkgelag te beginnen, en dat den ganschen dag voort te zetten, en die gewoonte hielden ze vol zoolang als we daar in garnizoen gelegen hebben. Wij van onzen kant gedroegen ons daarginds echter op geene andere wijze dan wij in de stad gewoon waren. Als nu voor de andere soldaten de tijd aanbrak om voor het middagmaal te zorgen, dan was het meestal met hen wel zoo ver, dat zij in dronkenschap allerlei onbehoorlijkheden begonnen te bedrijven, meest tegen onze bedienden, maar tenslotte ook tegen ons zelven. Want onder de bewering dat onze slaven bij 't vleesch braden hen in den rook zetten, of dat ze hen uitscholden, of wat dan ook, sloegen ze er op los en smeten hen met vuiligheid, of ze deden nog erger, want eigenlijk was er geen onbeschoftheid of onbehoorlijkheid die zij niet bedreven. Toen wij dit nu zagen en er natuurlijk ergernis van hadden, onderhielden we hen eerst er over; maar daar zij ons hoonden en niet ophielden dezelfde onbehoorlijkheden te bedrijven, hebben we eindelijk--geenszins ik alleen zonder de anderen, maar onze tafelgenooten en corps--de zaak voor den strateeg gebracht. De commandant berispte hen streng en bestrafte hen niet alleen wegens hun wandaden ten opzichte van ons, maar ook wegens hun geheele gedrag in het kamp. Evenwel, verre van zich daarover te schamen of een eind aan hun onbehoorlijkheid te maken, kwamen zij dien zelfden avond, zoodra het goed donker was, bij ons binnendringen, en na ons eerst uitgescholden te hebben begonnen ze mij af te ranselen en veroorzaakten ze zooveel geschreeuw en lawaai om onze tent heen, dat de strateeg en de compagniecommandants en eenige van de soldaten kwamen aansnellen, die gelukkig verhinderden dat ons eenig onherstelbaar leed overkwam of dat wij, door hen in hun dronkenschap mishandeld, hun iets aandeden dat niet meer ongedaan kon worden gemaakt...."
De gevoelens waarmee de rechters deze rede, omstreeks 340 gehouden, hebben aangehoord, kunnen wij ons zonder moeite voorstellen. Zeker, ze zullen onder 't luisteren naar deze schets van 't garnizoensleven wel even zich aan 't genot der herdenking van eigen ondeugendheden hebben overgegeven; ze zullen bij den voortgang van het pleidooi den jongen, braven pleiter, die hun van zijne deugden geene verzwijgt, wel min of meer een sukkel zijn gaan vinden; onverdiend vonnis misschien, maar niet onbegrijpelijk! Doch zonder twijfel zullen ze tevens hebben gedacht: "met jonge mannen als de zoons van Konon kunnen wij Philippus niet weerstaan; en kampen als dat van Panakton vernietigen alle discipline. Sophronistentoezicht op onze epheben kan dien toestand althans voor den aanvang der militie en voor de kern onzer jongelingschap verbeteren".
De werkzaamheid van den kosmeet en de sophronisten, die aanvangt terstond na hunne benoeming, opent de ephebie op zeer karakteristiek Atheensche wijze. Optochten behooren in het algemeen tot de onontbeerlijkste genietingen van dit volk, dat gaarne vertoont en gaarne toekijkt. Maar de optocht die dezen dag wordt gehouden, heeft een eigenaardige beteekenis. De epheben worden namelijk in plechtigen rondgang door hunne bestuurders geleid door de stad "langs de heiligdommen der Goden". Alsof thans voor het eerst de omheining wegviel die den zedigheidsweg der schoolgaande knapen afscheidde van het algemeene stadsverkeer, zoo gaan zij nu onder hunne sophronisten overal rond. Natuurlijk wordt--in de vierde eeuw!--hier niet de schijn gehandhaafd, als zouden deze jongens nooit vóór dezen de propylaeën hebben bestegen, nooit de oogen hebben opgeslagen naar de majesteit der Olympische goden, rustig tronende op de gevelstukken van het Parthenon. Hunne vaders hebben het ook niet nagelaten hen mee te nemen naar de Acropolis en hun de heerlijkheid van Phidias' tempel te toonen, hen te wijzen op de gratie der karyatidenhal, hen in hun jeugd te brengen voor de geweldige statue van Athene Polias. Zeker, er zijn in den stoet die daar onder de sophronisten voortmarcheert, niet velen die den optocht der Panathenaeën nooit hebben zien gaan langs den heiligen weg over de burcht, die nooit in de Propylaeën hebben staan turen naar de schoonheid van de Aphrodite Sosandra, die nooit langs den Ilissus hebben gewandeld en den tempel van Aphrodite "in de Tuinen" zijn binnengetreden. Weinigen hunner zullen zeker heden voor het eerst staan voor het altaar van de Twaalf Goden op de markt, dat het middelpunt is van het geheele religieuze leven der Atheners. Maar de epheben zien dat alles op dezen dag met andere oogen. Het is alsof heden hunne stad hun voor het eerst wordt voorgesteld en wel als een stad "vol van de goden". Maar tevens, terwijl zij voortgaan van altaar tot altaar, langs den tempel van Apollo Pythios, langs het onvoltooide reusachtige heiligdom van Zeus den Olympiër, langs het altaar van Artemis Agrotera--langs al die plekken, wier historische en religieuze beteekenis hun vaders hen op zoo menige stadswandeling hebben doen verstaan, beseffen zij ook dat die rondgang nog iets anders beteekent. Niet alleen worden hun de goden getoond, niet alleen zegt de tocht zelf tot hen: "Jonge Atheners, ziet hier uwe stad. Godsdienstiger zijn er weinige in Griekenland, schooner in hare religie is er geene--beschermt haar en bewaart hare eere!" Maar bovendien, het is hun alsof, op den dag zelven die hen in zekeren zin losmaakt uit de voogdij van hunnen vader, de sophronisten hen opdragen aan eene hoogere voogdij, aan de bescherming der goden die Athene hebben grootgemaakt.
De epheben zijn nu na dezen rondgang soldaten, maar men doet het best ze te beschouwen als boven de formatie: in eigenlijk actieven krijgsdienst zijn ze niet, want ze moeten nog allerlei leeren. Crates of een ander anti-militaristisch philosoof moge hen daarom beklagen, hoogstwaarschijnlijk zullen ze dat zelf niet doen: het onderwijs, dat hen wacht bij de van staatswege aangestelde paedotriben, bij den schermmeester, bij de mannen die hen het boogschieten, het speerwerpen, de bediening van de katapult zullen leeren en hun eindelijk de lessen in het zwemmen en 't paardrijden zullen geven, wat is het voor hunne jonge levenskracht anders dan een lust?
Niet meer naar de palaestra voert hen nu de paedotribe, maar naar de gymnasia, naar de schoongelegen Akademia, naar het Lycëum, of elders, waar technischer en strenger de oude oefeningen worden voortgezet. Natuurlijk geldt het hier in de eerste plaats herhaling van al datgene, wat bevorderlijk is voor de euandria. Want eukosmia en euandria zijn nu eenmaal de eigenschappen die de Atheners in het uiterlijk van hunne zoons bovenal willen terug vinden: euandria, de evenredige ontwikkeling van alles wat aan het jonge mannenlichaam bevallige kracht en weerstandsvermogen geeft, en eukosmia, die rustige zelfbeheersching die evenver verwijderd is van te zelfbewust pronken met eigen schoonheid als van de onhandige verlegenheid door welke de schroomvallige elke houding en iedere beweging ontsiert.--Het onderscheid van deze gymnasiumoefeningen en de oude palaestra-lessen ligt natuurlijk voornamelijk in de verzwaring, meer dan in de verandering der werkzaamheden. Zoo bijv. in het zeer geliefde oefenspel met den korykos, den Romeinschen follis, den windbal dien wij in het Engelsche sport als punchball kennen. Men hing in de Atheensche gymnastiekscholen dien bal aan den zolder op; bij de eerste oefeningen was hij met lucht gevuld, doch voor het ephebenspel eerst met kaf of gerst en straks met zand; ook nam men naar gelang van toenemende kracht en leeftijd grooter model van bal.--De bal hangt juist op de hoogte van den buik des gymnasten. Deze tilt hem op, werpt hem in de hoogte, grijpt hem in de vaart, wacht hem af als hij komt aansuizen, om hem dan met een stevigen vuistslag af te weren of door handig duiken te ontwijken, kortom hij doet den bal draaien en tollen en zwaaien, juist zooals hij wil, om hem daarna door een handig toegepast geleidelijk ritardando van zijne vuist- en palmslagen juist op het oogenblik dat hem dit wordt bevolen weer stil te doen hangen.
Voor het pijnlijk en stalend boksen, dat in de palaestra nauwelijks kan zijn beoefend, is dit spel met den hangenden bal eene uitnemende voorbereiding. Intusschen zal ook hier het vuistgevecht, door den paedotribe geleid, wel alleen in den meer eenvoudigen vorm en zeker niet op de bloedige wijze van de Homerische helden of zelfs van de athleten, door Hellenistische dichters beschreven, zijn behandeld. In dezelfde gymnasia kunnen de Atheners getuigen zijn zoowel van de bloedige stooten die twee beroepsathleten, in training voor de Olympische wedstrijden, elkaar toebrengen met hunne met ijzer beslagene handschoenen als van den ephebenstrijd. Deze geschiedt alleen met vuistriemen, die de vingers en de vuist bedekken en dus wel, terwijl ze deze beschermen, de pijnlijkheid van den slag verhoogen, maar niet de kans vermeerderen dat een bloedige wond wordt geslagen.
Aan den leider dezer oefeningen wordt zonder twijfel overgelaten, waar hij de grens tusschen de voorbereidende militaire werkzaamheden der epheben, en de beroepsstudiën der athleten meent te moeten leggen, en wij behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of hij heeft dat met nauwkeurig overleg geregeld. De "quaestie der gymnastiek" is van Euripides' dagen af bij de Atheners eigenlijk nooit van de baan geweest. Zoowel de hygiënische zijde als de sociale, en zelfs de politieke, geeft aan mannen als Plato en Aristoteles uitvoerige beschouwingen in de pen. Bedenken we nu dat de laatstgenoemde zeer ernstig de vraag behandelt, in hoeverre het aan de politieke positie van een staat kan ten goede komen dat hij geregeld uit de kern zijner burgerij athleten vormt om bij de groote nationale wedstrijden te Olympia en elders den naam van de vaderstad hoog te houden, dan kunnen we het waarschijnlijk achten dat de ephebenoefeningen in het gymnasium tweeledig waren: vooreerst die welke, als de balspelen, het springen, de hardloop enz., allen te zamen moesten opleiden tot militaire bruikbaarheid, en daarnaast die waarbij rekening werd gehouden met elks persoonlijken aanleg en lichaamsgesteldheid. Het is toch duidelijk dat een zware, groote kerel tot andere dingen kan worden bekwaam gemaakt dan een klein rap ventje!
Het is de verdienste van een goed paedotribe zulk persoonlijk onderscheid vlug op te merken en er met onpartijdigheid in het belang van de epheben gebruik van te maken. Want al behoeven deze jonge Atheners niet juist voor den Olympischen wedstrijd te worden klaar gemaakt, toch heeft zonder twijfel op eenigen hunner de phyle waartoe zij behooren al lang het oog, om hem te doen "uitkomen" in een van de ephebenwedstrijden door welke de Atheners gewoon zijn hunne goden te verheerlijken. En niet minder dan de phyle heeft daarop de jongen zelf gehoopt. De gelegenheden om zich te oefenen hebben hem niet ontbroken: ook nadat hij den palaestra-cursus ten einde had gebracht, bleef hij daar een welkome gast, en na dien tijd staan de gymnasia voor hem open. Nu komt het er op aan, den paedotribe aldaar te overtuigen, dat zijn longen eene flinke capaciteit hebben, zijne borstkas de juiste welving bezit en zijne beenspieren stevig en lenig zijn. Dan zal hij--misschien met gedeeltelijke inkorting of wijziging van zijne militaire verplichtingen--worden aangewezen om zich met de andere uitverkorenen te presenteeren aan den zoogenaamden Gymnasiarchos, d.w.z. aan dien burger zijner phyle, aan wien door den tweeden archont, den Basileus, bij wijze van persoonlijke belasting de taak is opgedragen geworden om in dit jaar de zorg voor die jonge stamgenooten op zich te nemen, wien het vergund werd mee te doen aan den fakkelren op de Panathenaeën of op het Prometheusfeest.
Ieder van die feesten heeft te Athene elementen van religieuzen aard in zich, die bij uitstek geschikt zijn om de overwinnings-blijdschap van zulk eenen jongen burger te vermengen met edeler en dieper aandoeningen, gedachten van hoogere orde dan de in 't eind toch niet zeer diepgaande vreugde over het feit dat men sneller heeft geloopen dan anderen. Dat weet de ephebe, en hij kan het gevoelen wanneer hij mee is toegelaten tot den fakkelwedloop der Prometheia. Hij weet--want toen hij met zijnen vader in het Dionysustheater de Prometheus-trilogie van Aeschylus zag opvoeren is het hem getoond--dat het altaar van Prometheus nabij den ingang der Akademeia een zeer heilig vuur bewaart, een spraak van de oorspronkelijke gave van God Prometheus, dat de straks te houden lampadedromia (fakkel-loop) de symbolische uitdrukking is van de zelfde daad der voortplanting van het heilige offervuur, welke door het Prometheus-verhaal mythologisch wordt verheerlijkt. Ook is de reden hem niet verborgen, waarom de fakkel straks van het Prometheus-altaar zal worden gedragen naar het groote altaar der stadsgodin op den burcht. Zoo goed als het huiselijke vuur met een brandenden tak van het huisaltaar behoort te worden ontstoken, moet ook de heilige vlam van het stadsaltaar in reinheid worden bewaard--en, voor zoover menschelijke aanraking haar mocht hebben verontreinigd, worden ontsmet--door contact met het outer van den vuurgod. Hoe sneller nu dat geschiedt, hoe minder kans dat bij de overbrenging de vlam iets van hare smetteloosheid zou verliezen. Vandaar de wedijver in den fakkelloop.
Reeds is van te voren eene keuring geschied, die de phylenafdeeling aanwijst welke door lichamelijke schoonheid en door gratie van houding de hoogste eer schijnt waardig te zijn; maar als de maanlooze nacht is aangebroken begint de wedloop. Tien jongelingen--uit iedere phyle een--steken hun fakkel aan op het altaar van Prometheus, geen harsfakkels die in den wind van zelf blijven branden, maar vetpotten wier behandeling in den wedloop voorzichtigheid en takt vereischt. Van den Kolonosweg af snellen zij voort, zorgvuldig wakend dat hun fakkel goed blijft branden, noch te fel, zoodat zij den geheelen loop niet zou kunnen strekken, noch zoo kwijnend, dat een windstoot haar dooven kan. Op vaste punten staat voor iederen concurrent een phyle-genoot te wachten die de brandende toorts overneemt. Uit vallen nu natuurlijk al die phylen die niet tot het einde toe hare fakkels brandend gehouden hebben. Maar die phyle is overwinnares, wier fakkel, dank zij de vlugheid en de behendigheid van al hare medewerkende epheben, het eerst brandend is neergelegd op het burcht-altaar van Athene.
Aan zulke wedstrijden was het jongelingsleven te Athene rijk. Het karakter dezer Agones is in hoofdzaak hetzelfde en opsomming der verschillende feesten aan welke epheben deel nemen is daarom hier niet noodig, maar wel dient er reeds hier op gewezen dat even als deze afzonderlijke oefening der aanstaande wedloopers zekere afscheiding bracht, ook in het overige onderricht zich, zelfs tusschen zoons van meer vermogende ouders, gaandeweg eenig onderscheid deed gevoelen. Al wordt de geheele ephebengroep van een jaar voor zoover de militaire voorbereiding betreft op een zelfde hoogte gebracht, gelijkheid blijft ook in dezen kring niet bestaan. In de eerste plaats zijn er onder de voornaamste epheben natuurlijk verschillende die, onder instemming zooal niet steun van staatswege, hunne wetenschappelijke studie tijdens de ephebie voortzetten. En dit behoefde nog geen duidelijke scheiding tusschen hen en hunne kameraden te geven; maar iets anders was het in de hoplomachie (de schermkunst). Speerwerpen zal voor de meesten wel een zeer gemakkelijk te leeren taak zijn geweest; in het mikken met de korte lans plachten reeds in de palaestra de Atheners zich vrij geregeld te oefenen. Maar reeds het zwaardschermen bracht verschil, omdat de rijkere jongelui daarin doorgaans allen privaat onderwijs hadden gehad en dus den anderen van 't begin af de baas waren of de lessen dezer aanvangers niet eens behoefden te volgen. Het belangrijkst echter was de klove, door de rijkunst ontstaan. Wel is het niet onmogelijk dat, even als het zwemmen, ook het paardrijden soms aan alle epheben van een bepaald jaar werd onderwezen; maar zelfs al is dat het geval, bij lange na niet alle epheben zijn financieel in zoo gunstige omstandigheden, dat zij zich straks, als hun tweejarige oefeningstijd is afgeloopen, kunnen doen aanmonsteren bij de cavalerie.
Die dat wèl kunnen doen, voelen zich zonder twijfel vrij wat voornamer dan hun collega's welke maar voor den hoplitendienst bestemd zijn. Het ruitercorps der Atheners was klein en gold, niet om bijzondere strijdbaarheid of deugdelijkheid, doch om den glans van zijn optreden, als een keurbende. Geen wonder! De ruiter moet zelf zijn paard leveren en jaarlijks zich zelven met zijn paard aan eene keuring, ten overstaan van den raad, onderwerpen. Onderhoudt hij zijn paard niet goed, dan wordt hij beboet, heeft zijn paard geen onberispelijke dressuur, staat het niet straf op 't commando pal, of heeft het moeite mee te komen, dan wordt het dier op reform gesteld en hij zelf uit de lijst der ruiters geschrapt. Kortom, alles wat van een paradecorps kan worden gevorderd, wordt van hem geëischt.
Maar daarvoor is dan ook heel wat afzonderlijke oefening noodig. Vergezellen wij dus de epheben op hunne exercitiën, dan zullen wij naar mij voorkomt splitsing in hunne dagtaak moeten maken, en een deel bij de schermles, een deel bij den paedotribe, enkelen bij hun rhetor denken. De jonge ruiters oefenen zich buiten de poort. Nu eens ziet men hen in aaneengesloten gelederen regelmatig voortdraven, zooals ze moeten doen bij den Panathenaeën-optocht, als ze den stoet zullen openen en hunne moeders en zusters tehuis op het platte dak zullen stijgen om hunne glorie te zien. Een andermaal brengt hun rijmeester hen op het doorgraven terrein aan de berghelling en hij laat hen galoppeeren in 't mulle zand en over de greppels of slooten springen en draven, de gloeiende wegen bestijgen en in den ren afdalen van de steilte, kortom, hij laat hen alles zoo doen, dat het boekje van Xenophon over de ruiterkunst, op school gelezen en tehuis door hunne vaders geroemd, als uit de echte praktijk herboren voor hen leeft.
Maar die afscheiding der standen duurt althans voorloopig nog niet voort. Want aan tafel vereenigt zich de geheele groep der phyle. Dat eischt de nieuwe verordening, alsof men gehoopt had de verzwakte en verwende Atheensche burgerij door Spartaansche instellingen weer tot de oude kracht te brengen. En niet alleen vereenigen hen die dagelijksche maaltijden--voorproef van het kampleven der aanstaande hoplieten--, ook de intrede in den eigenlijken dienst doet dat. Want nu gaan ze ook den garnizoensdienst leeren, aan den Piraeus betrekken zij de wacht, alsook aan de Munichia-haven, en op den grooten muur die Akte omgeeft, het plataanbladvormige schiereiland dat aan de groote haven ten zuid-westen grenst.
De keuze dier plaatsen verdient wel opmerking. In den tijd der reorganisatie van de ephebie zijn dat strategisch uiterst gewichtige punten. Ieder die bedenkt, dat in het laatst der vierde eeuw de Macedoniërs, door eene bezetting in de vesting van Akte te leggen, de stad geheel in hunne macht hielden, zal dit erkennen. Er kan dus ook moeilijk sprake van zijn dat de bewaking dezer linie aan zee eenvoudigweg uitsluitend aan deze achttienjarigen werd toevertrouwd. De regelmatige bezetting zal zeker uit volwassen en geoefende manschappen hebben bestaan. Maar het was goed gezien, onder hunne leiding en toezicht de epheben daarheen te zenden. Op menigen stormachtigen avond konden zij daar de zee, die Athene eens had groot gemaakt en die thans die zelfde stad met zoo vele gevaren bedreigde, hooren slaan tegen de klippen, en terwijl zij in de duisternis staarden, of reeds de vijand naderde, leerde daar hun hart door anderen aandrang dan dien van jongensachtige vrees te kloppen.
De oefeningen van het eerste jaar zijn met dezen garnizoensdienst afgeloopen. Maar vóór de ernstiger en zwaarder militie van het tweede ephebenjaar begint, wacht de jongelieden nog een drieledige plechtigheid. Bij de onzekerheid die omtrent de volgorde dezer drie handelingen heerscht, is het niet ongeoorloofd die te bespreken in de orde welke ons het natuurlijkst voorkomt. Allen behooren zij tot de indrukwekkendste gebeurtenissen in het leven van den jongen Atheenschen burger.