Atheensch Jongensleven

Part 13

Chapter 133,502 wordsPublic domain

Er zullen vele vaders zijn geweest die in Plato's waarschuwing juist een sterke aanbeveling der sophistiek zagen; zelfs als zij verder toeluisterden en hoorden hoe reeds Socrates hartelijk gelachen had, toen hij van den schatrijken Kallias vernam dat hij zijn zoons door Euenos van Paros had laten opleiden tot volkomen burgerlijke en politieke bekwaamheid voor de som van f 250.--

In den grond der zaak echter voorzag zeker--ook reeds het feit dat de sophisten zoo hooge honoraria konden bedingen bewijst dit--het sophistenonderricht in eene "bestaande behoefte". En wat bij de groote verscheidenheid in onderwijs en karakter dezer buitenlandsche leeraars de kern van hun onderricht was, kan in hoofdzaak niet twijfelachtig zijn. De jongens wilden knap worden, ja, maar bovenal knap in het spreken. Protagoras' theologische scepsis en Prodicus' levensmoede ernst lieten hen waarschijnlijk vrij koel. Maar in den trant van Protagoras uit de filologische ontleding van een oud lied eigene wijsheid met smaakvolle eruditie toe te lichten; door de kunde van Prodicus te leeren hoe zwaar ieder woord weegt en wat men bereikt door uit het onderscheid van elk synoniemenpaar op te klimmen tot scherpe scheiding van alle begrippen; dan eindelijk al die oefening en die wetenschap tot leven, tot nieuw en schitterend leven te brengen door ze te vergulden en te louteren in de kunst van Gorgias--dat was het wat de jonge Atheners hoopten te leeren van de sophisten. Met andere woorden: zij begeerden te dingen naar de glorie der rhetoriek.

Op zeer verschillende wijze hebben de mannen, wier woord op het gebied der opvoeding gezag had in het Athene der vierde eeuw, die sophisten-wijsheid bejegend. Van volgelingen der sophisten kunnen wij zwijgen. Dat die niet schaarsch waren, spreekt bij de toenemende macht des woords in de volksvergadering van zelf. Maar ook in de methode van hunne bestrijding openbaart zich een groot onderscheid. Plato, die juist de rhetoriek, de kunst van het woord als middel van overreding, met bitterheid haat, kent geen genade tegenover Gorgias, den Sophist van Leontini. Er is wellicht geen enkele onder Plato's dialogen, waar op zoo onverbiddelijke wijze de vijand in het nauw wordt gedreven als de Gorgias. Want het is er Plato om te doen geweest, als het ware ten aanhoore van alle Atheensche vaders die een' "Theages" thuis hadden, den sophist zelven te laten erkennen dat inderdaad de kunst die hij aanprijst slechts eene kunst om de dingen aannemelijk te maken mag heeten, niet eene wetenschap die zoekt naar de waarheid, dat dus voor de rhetoriek--wier terrein de kring der onbevoegden, immers de volksvergadering, is--zaakkennis overbodig is, dat scherp onderscheiden tusschen zedelijk goede en zedelijk slechte dingen niet door haar wordt nagestreefd; kortom, dat zij eene kunst is als die van den kok en den confiseur, of den coiffeur zelfs, d.i. eene schijnkunst.

Dialogen als de Gorgias hebben een element van onbillijkheid in zich, dat gewoonlijk aan jonge lezers van onzen tijd veel eerder in het oog valt dan de hooge dialectische waarde der bewijsvoering. Gorgias en zijne medestanders worden door hun geestigen bestrijder al te onbarmhartig uitgekleed, en dat nog wel uit een plunje die hij zelf hun had aangetrokken. De aanleiding echter van die verbitterde vijandschap zal zeker wel hierin zijn te zoeken dat, ook nadat de eerste, grootste Sophisten reeds lang uit Athene waren verdwenen, de utilistische, karakter-ondermijnende africhtings-methode, die in den Gorgias wordt gegeeseld, bleef heerschen in het voortgezette onderwijs.

Maar indien dan nu een of andere tegenhanger van Theages eens niet tot zijn vader had gezegd: "ik wil knap", doch "ik wil wijs worden", zou dan op het verzoek van zulk eenen vader Plato hebben geantwoord: "zend hem maar bij mij"?

Men stelt het dikwijls zoo voor, alsof Plato, behalve den kring van volwassen of bijna volwassen beoefenaars der wijsbegeerte, in zijne Akademie een school van aankomende knapen zou hebben gehad, waar dan--om een betrouwbaren grondslag te leggen voor de studie der dialectiek--voornamelijk mathesis en logica zou zijn gedoceerd. Zeer zeker is die voorstelling in hare algemeenheid onjuist; want Plato, die geen geld voor zijne lessen aannam, heeft zonder twijfel nooit anders dan eene keur van jongens of jongelieden in zijne Akademie toegelaten. Die Akademie zelve is ook geenszins eene inrichting voor knapen. Toen Plato, even buiten Athene, zich een park kocht, bouwde hij zich zelven daar eene woning; hij vereenigde daar in eng aangesloten kring zijne volgelingen om zich heen, en toen hij stierf legateerde hij als fideïcommis de geheele plek, met schoolgebouw, Muzentempel en woningen, aan hem die zijn opvolger als scholarch was.

Zoo is de Platonische Akademie eene fundatie geworden, eene op religieuze grondslagen gebouwde, en daardoor ook in hare eigendommen onaantastbare stichting, en zóó werd zij tevens eene particuliere inrichting van onderwijs.

Maar eene school voor knapen was die Akademie--zooals wij haar kennen--niet. De vrienden, voor wie Plato op zoo onnavolgbare wijze in zijn Symposion de roeping der wijsbegeerte heeft geteekend, de genooten der Akademie die aanzitten aan de gemeenschappelijke maaltijden, uit hun midden een bestuurder van den Muzentempel kiezen en straks een nieuwen scholarch, dat zijn geen knapen of jongelingen, maar volwassen beoefenaars der philosophie, tot eene vast aaneengesloten corporatie of secte, bijna zou men zeggen "eene gemeente", vereenigd.

En nu hebben om die engere groepen, eerst van Plato's Akademie, straks van Aristoteles' Peripatos, zich zeker van den beginne af wel langzamerhand scharen van jongelieden geschikt, aspiranten voor de eer der toelating, edelen-expectant van deze balye des geestes, jonge Atheners van goeden huize, vaak ook zoons van belangstellenden uit den vreemde, ja het is in verloop van tijd mode geworden, dat aanstaande geleerden, dichters of zelfs politici een tijdlang te Athene kwamen studeeren; maar ook deze jongelui--voor welke gaandeweg de onderrichtingsvorm van het Socratische gesprek zich wijzigde tot dien van eene geregelde voordracht--waren geene knapen, doch jonge mannen, die zonder eenige grootspraak kunnen zeggen, dat zij te Athene de colleges van een professor in de philosophie hebben gevolgd.

Deze toestanden voeren ons buiten den kring der knapen van de vierde eeuw, ofschoon ook toen reeds de jonge volgelingen der Akademie te Athene bekend genoeg waren, inzonderheid door de voornaamheid van hun optreden, de buitengewone verzorgdheid hunner kleeding en hunne aristocratische afzondering. De eigenlijke scholen van voortgezet onderwijs echter moeten wij zoeken bij mannen als Isocrates.

Isocrates! Voor velen onzer tijdgenooten is de naam van dezen "volmaakten stilist" alleen reeds voldoende om hun de langwijligste uren uit hunne worstelingen met het "moeilijke Grieksch" te binnen te brengen en hen met wrevel te vervullen. En inderdaad, de verzameling oraties ons van zijne hand bewaard, hebben in de onkreukbare gladheid harer perioden, iets zeldzaam irriteerends. Ook komt het dezen rhetor niet ten goede, dat het lot zijne gekunsteldheid heeft geplaatst tusschen den bevalligen eenvoud van Lysias en Demosthenes' gespierden hartstocht, terwijl de mededeeling van den ijdelen woordkunstenaar, dat hij meer jaren had noodig gehad om zijne groote Lofrede op Athene te voltooien dan de Grieken hadden gebruikt om Troje te veroveren, weinig geschikt is om onze sympathie voor dien Panegyricus van zoo langen adem wakker te maken.

Maar vele van de eigenschappen, die Isocrates als schrijver ongenietbaar maken, komen hem als leeraar ten goede. In de eerste plaats die nooit falende juistheid van woordenkeus, dat zeldzaam fijne gehoor, die vaste tact in het schikken der woorden, die hem voor het practisch onderwijs in de rhetorica zoo bij uitnemendheid geschikt maakte. Want het was inderdaad rhetorica die hij onderwees; al noemde hij zelf het philosophie. Immers noch het dialectisch zoeken naar eene vèr boven het begrip der jongelingen zwevende waarheid--de "onvruchtbare" bezigheid der mannen van de Akademie--noch de gevaarlijke spitsvondigheden der Sophistiek konden--zoo meende hij--Athene's jongelingschap op den juisten weg brengen. Dat vermocht naar zijne overtuiging alleen de rhetoriek, gegrondvest op eene propaedeuse zooals slechts zijne school die geven kon.

Ons klinkt die belofte als eene zonderlinge grootspraak. De welsprekendheid heeft in onzen modernen staat bijna overal--alleen nog niet tegenover de massa des volks--haren voornaamsten invloed verloren. Maar wanneer wij bedenken hoe ontzaglijk hare macht was te Athene, het Athene der volksvergaderingen en der gerechtshoven van gezworenen, dan verbaast het ons niet dat vele Atheensche vaders, of uit eigen beweging, of gehoorgevend aan den aandrang van een zoon die "vooruit" wilde, de in meer dan één zin "kostbare" leiding van den grooten leermeester inriepen. Zelfs al waren die knapen niet bestemd voor de balie, of geroepen om het volk te leiden, het programma van Isocrates' onderwijs beloofde veel goeds. Inleiding tot zijne school vormt het geheele lager onderwijs met de muzische en de historische studie, en op den grondslag dezer elementaire ontwikkeling plaatst hij als bekroning van geheel de opvoeding zijne philosophische rhetorica.

In den grond was deze philosophische rhetorica niet veel anders dan de literair-historische opvoeding, wier eenzijdigheid Plato zoo aanhoudend had bestreden. Zij putte uit de geschiedenis van het voorgeslacht hare kennis van de ontwikkeling der menschheid, van de goddelijke rechtvaardigheid, van den burgerplicht, van de menschlievende beschaving. Zij deed dat met ernst en met zekere overtuigingskracht, want haar leermeester was niet alleen een man van groote geleerdheid, maar ook een man van politieke standvastigheid en van ruimen blik in de staatkundige verhoudingen zijner stad. En als rhetor èn als leeraar der rhetoriek dwingt deze idealist ons tot eerbied om de reinheid zijner overtuiging, om zijn geloof in de mogelijkheid van een terugkeer tot de oude tijden--te eenzijdig doch met groote zeggingskracht door hem verheerlijkt--en eindelijk om zijn vertrouwen op de zedelijke kracht der rhetorica, zooals hij die onderwees. Want dit was de grondstelling van zijn idealistisch programma: De roeping der rhetorische studie is, dengene die haar beoefent, te vormen tot een gids voor zijne medeburgers: wee dus den leermeester, die van de edelste kunst een onedel werktuig maakt, en door zijn onderwijs den leerling het gevaarlijke pad wijst, dat voert naar een politieke macht, die op andere grondslagen berust dan loutere en waarachtige burgerdeugd.

Het is moeilijk te zeggen, in hoeverre diegenen onder de leerlingen van Isocrates, wien het niet zoozeer te doen was om technische vaardigheid in het spreken, als wel om hetgeen wij zouden noemen de afronding hunner elementaire, zoowel muzische als literaire opvoeding, bevrediging in zijne lessen hebben gevonden. Wat hij hun heeft willen geven, is duidelijk genoeg. Niet de schijnbeschaving of de handige improvisatiekunst der sophisten, maar het rustig zelfvertrouwen, dat de eigenschap is dergenen die eene vaste kennis hebben, en daarbij de zekerheid dat zij daarvan kunnen meedeelen, wèl luidend, omdat hunne stemorganen, en welbehagelijk omdat hunne vrijmoedigheid is geoefend.

Dat recept is bevredigend. Maar hoe was de uitwerking? Isocrates zegt herhaaldelijk dat zijne leerlingen hem zeer lief hebben gehad, en wij hebben niet het minste recht dat getuigenis in twijfel te trekken. Maar het is niet het zelfde een leeraar lief te hebben, en zijn onderwijs te waardeeren. Waarlijk, indien wij naar de uitwerking zijner epideiktische redevoeringen op onze eigene leerlingen onze meening over den smaak der Attische knapen mogen vormen, zal menige Athener van zestien jaar gehunkerd hebben weer vrij te komen van het vurig gewenschte en duur betaalde schoolonderricht van Isocrates. Niet in de eerste plaats om het eentonige van de wetten der techniek, want al werkte het voorschrift van al die beproefde zinsformaties, het opbouwen van die hecht ineengevoegde periodes, het toepassen van die vaste rhythmen, als welluidend aangeprezen, doodend op de individueele scheppingskracht van menigen hoorder, het fijn ontwikkelde schoonheidsgevoel van den meester opende toch zijne ooren en zijn gemoed voor eene waardeering van het proza, die hem wellicht zou in staat stellen om nieuw leven te brengen in de literatuur. Maar juist in hetgeen feitelijk behoort tot de groote deugden van den conservatief, ging deze man van nooit versagende welsprekendheid te ver. De vereering der voorvaderlijke zeden, de lofprijzing der daden van het voorgeslacht, de verheffing van Athene's heerlijkheid verloor, ondanks de oprechtheid van den redenaar, door hare eindelooze herhaling niet weinig aan overtuigingskracht.

Het is--alles bijeen genomen--geen wonder, dat in de vierde eeuw zoowel de Atheensche vaders als hun zoons iets anders begeerden naast dit louter theoretische schoolonderricht. Bovendien: met een nadruk die deze idealistische opvoedingsmethode overstemde, liet zich een nieuwe eisch hooren. De les, door een goed deel van Athene's burgers uit den noodlottigen oorlog met Sparta getrokken, was deze, dat tegenover de wisselzieke politiek van de democratie eene sterke aaneensluiting van het behoudend deel des volks, een nauwkeurig en streng disciplineeren der aristocratische jongelingschap noodig was. Uit dit beginsel ontstond nu in het laatste vierendeel der vierde eeuw een stiptere regeling--en wel eene regeling van staatswege--van het instituut der Ephebie.

Wie den naam "Epheben" hoort, denkt het eerst--en te recht--aan die reeks van jongelingen met slapgerande hoeden en fladderende ruitermantels die, gezeten op hunne typische kortnekkige Attische paardjes, in vluggen steigerenden gang ons voorbij snellen op de fries van het parthenon. Zoo goed als later, zijn deze epheben jonge soldaten en dus burgers in staatsdienst en onder staatstoezicht, en wij weten zelfs dat in de vijfde eeuw door de studentikoze dartelheid dezer jonge cavaleristen het staatstoezicht van tijd tot tijd eenige versterking heeft noodig gehad. Maar tegen het eind der vierde eeuw, d.i. in den tijd toen Athene meer en meer hare zelfstandigheid zag verminderen, is dat staatstoezicht hervormd tot eene staatsregeling, waardoor de ephebie als het ware de kroon moest zetten op de vorming van den jongen Athener van voornamen huize. Daarom verdient zij hier onze volle aandacht en zou het onredelijk zijn, op grond van de overweging dat ephebenleven geen knapenleven is, in onze schets de ephebie ter zijde te laten.

Epheben zijn letterlijk zij, die de periode van de manbaarheid zijn ingetreden, dus den leeftijd van zestien jaar hebben bereikt; maar in politieken zin worden daaronder verstaan die dienstplichtige jongelieden van 18-20 jaar, die door een onderricht onder staatstoezicht en grootendeels van staatswege gegeven, worden gevormd voor den hoogeren militairen dienst.

Zoo erkent dus--na den knaap langen tijd schijnbaar uit het oog te hebben verloren--de staat van Athene den achttienjarigen jongeling als medeburger. Maar niet zonder gewichtige formaliteiten.

Met spanning heeft zeker de zeventienjarige, van de beteekenis der burgereer door het onderricht van de laatste jaren zoo diep doordrongen, de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) zien naderen. In die maand komt de phratria tot welke zijn vader behoort bijeen, om het zeer heilige feest der Apaturiën te vieren, een feest dat jaarlijks in den nazomer, als ook de zeevarenden weer thuis zijn en ter gemeentevergadering verschijnen, door plechtige offers aan den beschermgod Apollo, krachtiger dan eenig feest bij de stamgenooten het gevoel verlevendigt dat zij tot één geslacht behooren. De derde dag van het feest geldt bijzonder den aanstaanden Ephebe. Hebben niet reeds vroeger, kort na zijne geboorte, de leden der phratria bij zijne voorstelling beslist over zijn recht tot erkenning, dan geschiedt dit thans. Ouderwetsche plechtigheid, zeer geschikt om indruk op hem te maken, kenmerkt de gansche handeling. Eerst ziet hij zijn vader met de rechterhand het altaar van Zeus aanraken en hij hoort hem onder plechtigen eed de verzekering afleggen van zijne wettige geboorte; dan volgt de geheime stemming van de evenzeer onder eede staande phrateres, en eindelijk, als de afloop dier stemming gunstig is, brengt hij met zijnen vader voor de phratria het heilige offer dat koureion heet, omdat dien ochtend het scheermes zijne lange jongenslokken heeft afgesneden. De dag blijft verder een feestdag, want van zijn offer en dat zijner genooten worden aan de leden der phratrië, als onthaal, stukken offervleesch gebracht.

Is hij nu burger? Hoe zou dit, daar immers de phratrië wel een religieus-historische gemeente doch geen organiek deel van het Atheensche volk uitmaakt! Zonder de erkenning door de phratriën ware iedere verdere erkenning onmogelijk, doch deze opent hem nog slechts de poort om tot de tweede keuring te worden toegelaten.

Eenige maanden nl. na de koureotis, in Juli, vóór den aanvang van het Attische ambtsjaar, komen de leden van den Demos zijns vaders bijeen. De demen zijn de districten in welke het geheele Attische gebied is verdeeld. Bij de eerste indeeling van land en bewoners in--toenmaals honderd--demen, woonden dus natuurlijk alle leden van eenzelfden demus bij elkaar. Maar daar het lidmaatschap van een demus niet wisselt door verhuizing, geraakten gaandeweg de leden van eenzelfden demus verspreid over de andere districten, en ontstond eene niet ongewenschte vermenging van parochiale en nationale belangen. Want ieder blijft stemmen in zijn ouden Demos. Gestemd--en onder eede gestemd--wordt nu ook over den aanstaanden burger in den demos. Hij vraagt zich wellicht af, op welken grond en onder welken eed die demoten nu nog weer gaan overdoen, wat de phratrië reeds zoo zorgvuldig heeft gedaan. En de phrateres kennen althans zijnen vader persoonlijk; ze zijn er om zoo te zeggen bij geweest, toen zijn vader zijne moeder trouwde. Maar wat weten de demoten, in wier district hij misschien niet eens woont, van de geheele zaak?

Maar--wie onder de adspirantburgers alzoo spreekt, heeft zeker niet in de jaren die achter hem liggen de pleitlessen van een advocaat als Isaeus gevolgd, en te huis weinig gehoord van de hardnekkigheid waarmee bij de erkenning als burger bedrog wordt gepleegd. Dat van tijd tot tijd de phratriën in haar geheel eene zuivering tot uitstooting van alle onrechtmatiglijk ingedrongene leden houden, bewijst wel dat er voor eene contrôle van staatswege door de demoten aanleiding was. Voor wie te Athene woont is het burgerschap om politieke, sociale en religieuze redenen zéér veel waard--ook wel een douceur aan de stemhebbende phrateres. Zoo hebben dus de demusleden alle reden om scherp toe te kijken, en lichtvaardig schijnen ze niet tot verwerping te zijn overgegaan. De redenaar Aeschines althans verklaart, dat hij steeds sterk onder den indruk is van den ernst dezer rechters en niet twijfelt, indien hij ten opzichte van een of anderen man hoort verklaren: "Zie hier, dezen hebben de demoten op eer en geweten verworpen als burger."

Onzen knaap verwerpen natuurlijk de demoten niet: zijne stukken zijn in orde, en hij heeft zijne jaren. Toch zal dit laatste nog in een officieel onderzoek voor den Raad der Vijfhonderd worden vastgesteld. Voor het eerst in zijn leven treedt dus de jonge achttienjarige het gebouw binnen, waarin de gewichtigste besluiten van zijnen Staat worden voorbereid. Achttien jaren is hij en hij toont ze; het staat dus niet te vreezen dat hij, zooals de term luidt: "tot de knapen zal worden teruggezet". Maar minder dan zijn eigene positie van heden, zal hem hier in het Raadhuis, voor welks opengewerkt hek hij zeker wel eens naar binnen heeft gegluurd als er zitting was, de gedachte aan zijne toekomst vervullen. Nog weinige jaren en het lot zal ook hem kunnen aanwijzen om voor een jaar zitting te nemen in de rij dergenen die hem thans met keurend oog aanstaren.

Maar deze plechtige zitting duurt niet lang: hij is goedgekeurd; zijne inschrijving in het demos-boek, die hem alle rechten van het volle burgerschap verleent, is hier bekrachtigd. Als vrij burger van Athene treedt hij uit het Raadhuis; straks wordt hem de ephebenhoed met slap neerhangenden rand op het hoofd gezet, de korte ruitermantel wordt hem omgeslagen; hij is Ephebe.

Het allereerste gevolg van deze bevordering is, dat hij nu voor het eerst van zijn leven niet slechts feitelijk, gelijk voorheen, maar ook wettelijk zijne vrijheid kwijt is. Hij is volstrekt onderworpen aan de militaire en civiele autoriteiten, en de samenwerking dezer beiden zal hem zijn ridderslag als afgeëxerceerd en afgestudeerd burger na twee jaren geven. Zijn vader en diens stamgenooten hebben de zaak van deze voorbereiding lang niet luchthartig opgevat: dank zij hunne zorgen is zijne Ephebie thans nauwkeurig gereglementeerd. Vermoedelijk is die regeling wel voor een deel het gevolg van de alles behalve rustige wijze waarop de jonge lieden hunne eerste militaire plichten plachten te vervullen in de vervlogen jaren, toen Aristophanes hun prachtcorps, schitterend, gezien bij de dames--en aanmatigend als Duitsche Corpsbrüder "in Mütze und Kanonen"--op het tooneel bracht. Thans komen de vaders stamsgewijze bijeen, d.i. ieder in die van de tien phylen (stammen) waartoe zijn demus behoort, en zij zoeken te zamen, iedere groep vaders dus uit zijne eigene phyle, drie, d.i. samen dertig mannen boven de veertig jaar, die zij èn het meest achtenswaard èn het meest geschikt achten om met jongelieden om te gaan, en uit die drietallen wijst dan de volksvergadering, door het gemoedelijk vertrouwen der wetgevende macht van den Demos zelfs in deze zaak als hoogst bevoegde geëerd, tien sophronisten of zedemeesters aan, terwijl ten slotte een kosmeet of ordenaar de opperleiding aanvaardt.

Met de hedendaagsche begrippen omtrent de vrijheid van achttien- tot twintig-jarigen en omtrent de wenschelijkheid eener geleidelijke oefening in zelfstandig handelen strookt zeker deze instelling niet; maar wij kunnen uit tal van opschriften zien, dat de Atheensche volksvergadering met de nieuwe, strenge organisatie zeer ingenomen was. Hebben de jonge burgers zich behoorlijk gedragen, zijn ze gehoorzaam geweest aan hunne sophronisten, hebben zij in onderworpenheid aan den kosmeet hunne militaire diensten vervuld, dan worden er onmiddellijk eeredecreten voor hen opgesteld; zij worden bekroond, de schermmeesters, de gymnastiekmeesters worden bekroond, de sophronisten worden geëerd door een gouden krans. En opdat de herinnering aan zooveel burgerdeugd niet spoorloos zou voorbijgaan, wordt het verslag hunner voortreflijkheid gebeiteld in onvergankelijk marmer.