Part 12
Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en openbare feesten. Wanneer er een oom of een broer trouwt, dan mag de kleine jongen--en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is--naar de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen, laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt, doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht--want meestal gold zoo iets voor hooge eer,--in den cultus diensten tot bijstand van den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor, dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen, hebben het zeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het hen had geleerd, en eindelijk in een' tijd van veldwinnend rationalisme diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.
III
Indien onze belangstelling zich bepaalde tot het leven der schooljongens in de periode die aan den Peloponnesischen oorlog voorafging, dan zouden wij met hetgeen hierboven over het onderwijs is gezegd, kunnen volstaan. Heel veel meer dan hetgeen wij hebben opgenoemd leerde--afgezien van het onderricht dat sommigen hun kinderen met het oog op een bepaald vak van levensonderhoud lieten geven--toen ter tijde een Atheensche knaap niet.
Maar het spreekt van zelf dat de groote veranderingen, door verkeer met het buitenland zoowel als door eigen nadenken in de godsdienstige en politieke inzichten der Atheensche vaders gebracht, zich ook in den kring hunner zoons lieten gevoelen; trouwens, ook de feiten bewijzen dat. In de vierde eeuw kent men te Athene naast het lager onderwijs ook voortgezet en daarna zelfs hooger onderwijs. En over de juiste inrichting van die beide laatsten was men het te Athene zéér oneens.
De theorieën dienaangaande ontwikkeld, gaan voor een deel over de hoofden der knapen heen. Het is niet te hopen, dat de Atheensche jongens in Plato's Politeia hebben zitten lezen, om te onderzoeken hoe zij moesten worden opgevoed. Maar andere volgelingen van de Socratische school brachten hun opvoedings-idealen in meer populairen vorm ter tafel. De Cyropaedie is zóó geschreven, dat zij volkomen onder het bereik van jongens valt. Of derhalve de Atheensche jongens ook het model van deugdzame eukosmia, hun in de eerste hoofdstukken van Xenophons boekje voor oogen gesteld, gewaardeerd hebben, is zeer de vraag; maar wel kunnen zij zoowel uit de Cyropaedie als uit de tafelgesprekken hunner vaders geleerd hebben, dat te Athene onvoldaanheid met de resultaten van het lager onderwijs begon te heerschen.
Er is een pseudoplatonische dialoog, die deze stemming bijzonder duidelijk in 't licht stelt. Al is Theages, de jonge Athener, die aan dien dialoog zijnen naam geeft, eigenlijk geen knaap meer, zijne opvatting was die van vele knapen en jongelingen.
Ziehier den toestand. Een vader, die heel wat te tobben heeft gehad met de opvoeding van zijn zoon, wendt zich in zijne verlegenheid tot Socrates. Hij heeft diep leeren gevoelen dat het in zeker opzicht met kinderen gaat als met planten--van welke deze heereboer blijkbaar meer ondervinding heeft dan van zoons--: "de grootste bezwaren vertoonen zich eerst dan, wanneer het kiempje boven den grond is". Zoo is het hem ook met zijn jongen gegaan. Iedere dag heeft hem in de opvoeding van dat kind nieuwe moeilijkheden gebracht en nieuwe vragen voorgelegd. Hij heeft die, zoo goed als hij dat kon, beantwoord: hij heeft den jongen laten leeren wat men in zijn' tijd zoo aan zijn kinderen leeren laat: lezen en verklaren, schrijven, ook muziek en eindelijk de gymnastiek. Maar de knaap is niet tevreden. In plaats van dankbaar, in het bewustzijn dat het nu genoeg is en hij niet meer naar school hoeft, met zijn vader zijne aandacht aan de boomen en de planten te wijden, is hij met een zeer onrustwekkend verlangen voor den dag gekomen: hij wil knap worden. Wat hij daarmee eigenlijk bedoelt, is den vader niet recht duidelijk. "Ik denk haast"--zegt deze--"dat eenige van zijne makkers uit onze buitenwijk hem wonderen hebben verteld van hetgeen de Sophisten aan de jongelui verhalen. Althans hij houdt niet op er bij mij op aan te dringen, dat ik aan den een of anderen Sophist het noodige honorarium zal betalen om hem in de leer te nemen. Nu, om het geld zou me dat zooveel niet kunnen schelen! Maar ik vrees, dat die sophistenopleiding wel eens heel gevaarlijk zou kunnen worden."
Zooals gezegd, Theages zal wel wat ouder zijn geweest dan de veertienjarige jongens, wier doen en laten ons op dit oogenblik bezighoudt. Maar zijn optreden verstoort toch de rustige harmonie der schilderij die wij van het oud-Atheensche jongensleven trachtten te geven. Vooral omdat zijn type niet alleen staat. Geleid door een meesterschap, dat diepe en aanhoudende sympathie verraadt juist voor de niet meer geheel naieve leergierigheid der knapen van het nieuwe Athene, bevolkt Plato den voorgrond zijner dialogen met zulke leergierigen, wakker in 't vragen en onvermoeid in 't luisteren. Charmides de Schoone, die wel zedig is, maar de zedigheid niet kan definieeren, Theaetetus de jongeling, wiens boeiende scherpzinnigheid alle uiterlijke schoonheid kan ontberen, de uiterst beminlijke Lysis, allen zeggen het ons: een nieuwe tijd is aangebroken. De jongens zijn evenmin tevreden met het oude ideaal als de ouders. En wat deze laatsten aangaat: bij hen is, als wij wederom Plato mogen gelooven, tegelijk een gevoel van ontevredenheid met zich zelven ontstaan; zij erkennen ronduit dat Athene achteruit gaat. In den "Laches" van Plato klaagt Lysimachus, de zoon van den grooten Aristides, eerlijk zijn nood aan zijn' vriend Laches. Hij zegt ongeveer het volgende: "Zie, Laches, mijn vriend Melesias en ik hebben de bittere ervaring opgedaan dat de tijden erg veranderd zijn. Als wij met onze vaders aan tafel zaten, dan wisten die ons altijd wat te vertellen van groote dingen, die zij hadden gedaan. Maar wij? Als Melesias bij mij eet en onze jongens zijn met ons aan tafel--ach, dan hebben we niets dergelijks van ons zelf te vertellen, en we schamen ons daarover genoeg! En daarvan ligt de schuld bij onze vaders, die ons maar in 't wild lieten opgroeien, toen we eenmaal volwassen jongens waren geworden. Daarom hebben wij besloten dat het zoo met onze zoons niet zal gaan. Ze moeten wat leeren!"
Het verwijt door Lysimachus aan de vaders van oud-Athene gedaan, wordt in verschillenden vorm dikwijls in de Platonische dialogen herhaald. Niet vele vaders zullen echter zóó weinig raad hebben geweten als Lysimachus en zijn vriend Melesias, die "omdat er nu toch iets gedaan moest worden" hun jongens schermen willen laten leeren! Ook willen de meeste knapen iets anders. Ze zijn als Theages, ze willen knap worden. Wat wonder! De opvoeding zelve had zich toch wel iets meer ten doel gesteld dan alleen het kweeken der eukosmia? De zedigheid, door de vrouw van Ischomachus genoemd als eenige vrucht van hare opvoeding, hoe begeerlijk eene deugd ook voor knapen, was toch niet alles wat de grammatist met zijn collega's hem leeren moest! Eerste en voornaamste eisch van dat onderwijs was: "open hunne oogen". Welnu, de oogen dezer knapen waren geopend en zij hadden veel gezien. Misschien had hun oor zelfs te veel gehoord. De lichte geestelijke wapenrusting van de Marathonstrijders en hunne zonen was niet meer voldoende voor hen die Athene's aangezicht hadden zien veranderen in den strijd om de macht, nà den grooten oorlog om de vrijheid ondernomen; het geslacht dat in Thucydides leest vraagt voor zijne kinderen iets anders, dan zij begeerd hadden die alleen Herodotus hadden gelezen.
Dat "andere", men kan het voortgezet onderwijs noemen, en dan sluiten de wenschen van ouders en knapen zich vrij regelmatig aan bij hetgeen als gewoon programma van elementair onderricht door ons reeds is besproken, althans indien wij daarbij in het oog houden, dat vooral de lectuur en de literaire ontwikkeling in het laatste decennium van de vijfde eeuw en in den aanvang der vierde zeer waren uitgebreid. De polemiek, door Plato in zijnen "Staat" tegen de poëtisch-literaire opvoeding wegens hare eenzijdigheid en haren misleidenden invloed gevoerd richt zich nog wel in hoofdzaak tegen de oudere dichters; maar het is desniettemin niet lichtzinnig, te onderstellen dat allengs het onderwijs zich ook op dat gebied vrij wat uitbreidde. Naast de manlijke kloeke wijsheid van Solon's elegieën en jamben, naast de weeke liederen van Mimnermus, de weelderige oden van Sappho, Tyrtaeus' opwindende krijgszangen of de politieke vermaningen van Theognis moet wel spoedig de Anabasis van Xenophon of zijne Cyropaedie zijn gelezen; de meesten dier boeken zijn zeker wel bruikbare lectuur voor oudere knapen, doch niet voor jongens van acht of tien jaar!
Maar met een voortgezet onderwijs van hoofdzakelijk literairen aard waren niet allen tevreden. Velen, die een uitbreiding der leerstof eischten, doch daarbij de niet ongewone dwaling begingen dat zij niet recht onderscheid meer maakten tusschen onderrichten en africhten, althans niet tusschen opvoeden en opleiden, trachtten zonder het oude programma omver te werpen hun doel te bereiken. Zij zetten eenvoudig naast het oude wat nieuws: naast de lagere wiskunde wat hoogere mathesis, naast eenvoudige grammatica wat syntaxis, als voortzetting van de rekenoefeningen wat astronomische theorie!
Toch bleef die uitbreiding binnen de grenzen der school; d.w.z. zij gold slechts de voorbereiding tot algemeene beschaving. Levendig zien we dat geïllustreerd door de invoering van het teekenen. In de vierde eeuw begonnen de vaders elkaar meer en meer te vragen: "moeten onze kinderen niet leeren teekenen?" Voor de hand liggend schijnt die vraag niet. Nog in onzen tijd ontbreekt in het stelsel der humanistische opvoeding het teekenen. In ons gymnasiale programma vinden wij het noch als algemeen opvoedingsmiddel, noch als onmisbare voorbereiding voor hen die in hunne studiën de teekenpen dagelijks noodig zullen hebben. Maar de Atheners kenden in Plato's dagen aan den invloed van het schoone in de opvoeding eene ruimere plaats toe. Hoezeer zij ook het boek over den Staat een utopie noemden, hun hart moest kloppen van trots om 't geen zij bezaten en van hoop om 't geen zij verwachtten, als zij Plato's pleidooi voor de schoonheid lazen. "Wat dunkt u--zoo vraagt Socrates zijn toehoorders, in het vierde boek der Republiek--zullen wij kunnen volstaan met den eisch dat de dichters de beeltenis van de zieleschoonheid herscheppen in hun gedichten, of moeten wij ook toezien op hen die met de handen werken en er voor waken dat zij aan niets, dat in de ziel onedel is, aan niets, dat uit ongebondenheid, uit slaafsche onbeschaafdheid en onwelvoegelijkheid is geboren het aanzijn schenken, hetzij in de afbeelding van dieren en menschen, hetzij in gebouwen of andere werken van kunst. Immers, laten wij dat toe, dan zullen zij die wij wenschen op te voeden tot Wachters van onzen Staat, door al die afbeeldsels van hetgeen slecht is als door ongezonde spijs gevoed, terwijl ze dag aan dag bij kleine beetjes van alle zijden het kwade in zich opnemen, een groot geheel van slechtheid doen opwassen in hun eigene ziel, zonder dat wij dat hebben bemerkt. Neen, wij moeten zoeken naar werkers van het schoone, die met gezonden zin verstaan het karakter van hetgeen schoon en welvoegelijk is na te speuren, opdat onze knapen, als wonende in een gezonde streek, allerwege worden gebaat waar òf hun gezicht òf hun gehoor door de werken der schoonheid wordt aangeraakt, als waaide een luchtstroom hun te gemoet uit een oord van gezondheid".
Gelukkig de stad, waar een wijsgeer zulke woorden mag schrijven, in de rustige verzekerdheid dat geen wansmaak of machteloosheid in de kunst zijn rede maakt tot spotternij. En zeker schreef Plato niet voor doove ooren. De Atheners hebben in de vierde eeuw niet geaarzeld om het voorbeeld van de kleine stad Sicyon te volgen, waar door den aandrang van een zeer bekende schildersgroep het teekenonderwijs op de lagere school was ingevoerd. Want de klimmende vaardigheid der schilders, vazen- en fresco-schilders beiden, en niet minder het gewijzigde karakter van de bouwkunst, waar het plastische, het schilderachtige de gestrengheid van den ouden Dorischen stijl meer en meer begon te verdringen, bracht toch zeker menig Atheensch vader die een' vraaglustigen zoon op zijne wandeling meenam, dikwijls in het nauw. Als zijn jongen wilde weten, wat nu eigenlijk aan den Dorischen stijl van het Parthenon dien wonderbaren ernst geeft, en waarom de Corinthische kolommen de grens der gekunsteldheid naderen zonder die te overschrijden, dan kwam èn hem en weldra anderen die zich voor het onderwijs interesseerden--dat wil dus evenals in onzen tijd zeggen "allen"--de vraag op de lippen: "hoe zullen onze knapen de tempels en de statuen of wandschilderingen, die den trots onzer stad uitmaken, kunnen waardeeren, als zij nooit eens bij eigen pogen om eene lijn van schoonheid na te trekken, hebben ervaren hoevele kansen van dwaling liggen naast dien éénen smallen weg die goed is? En velen voegden daaraan toe: ook de bekoorlijkheid van de natuur en de schoonheid van hare levende schepselen verstaat het best wie getracht heeft die te benaderen met de punt van zijne teekenstift.
De twijfel of het teekenen een propaedeutisch vak is of niet, toont reeds aan dat het op de grens ligt. Met steeds meer klem nu zal zich na de invoering van vakken als het teekenen de overtuiging doen hooren, dat een beschaafd man veel moet weten en een vader, die plichtbesef heeft, dus ook zorgen moet dat zijn zoon veel weet. Op het eind van dien weg zien wij in de verte den eisch der enkyklios paideia, de verbinding van het trivium (grammatica, rhetorica, dialectiek) met het quadrivium (arithmetiek, muziek, geometrie en astronomie).
De Cynische wijsgeer Crates, ijverig leerling van den bekenden Diogenes, spot met deze overlading van vakken, wanneer hij de rampen van den schooljongen, die volgens hem een waardige inleiding vormen tot het door de beschaving misvormde menschen-leven, met zeer sombere kleuren schildert. "Arme jongen," zoo roept hij, in eene boutade die veel navolging heeft gevonden, den Atheenschen schoolknaap toe: "Arme jongen! Eerst, toen je nog niet kon praten, legde je min je te slapen, als je schreeuwde van den honger; maar schreide je van slaap, dan wou ze je zoet houden met een rammelaar. Nu je aan die kinderrampen ontkomen ben, nu neemt de paedagoog je over, en de gymnastiekmeester en de schoolmeester en de muziekmeester en de teekenmeester. Wacht maar, straks volgen de rekenleeraar en de mathesisleeraar en de pikeur. En door die allen word je met de zweep geregeerd, vóór dag en dauw je bed uitgejaagd en nooit met rust gelaten."
Crates is een Cynicus en als zoodanig wel min of meer genoodzaakt, zoo niet op grond van hetgeen Antisthenes, de stichter dier secte geleerd had, dan toch als volgeling van Diogenes, de geheele schooleducatie af te keuren en openlijk te verkondigen, dat het dwaasheid was de jongens iets te leeren wat zoo weinig nut had als astronomie of muziek. Maar ook onder hen die minder onverzoenlijk tegenover de maatschappij van hun tijd stonden, was in deze dagen zoowel een verschil van inzicht als een ongelijkheid van behoeften ontstaan, die begon scheiding te maken tusschen de Atheensche vaders zoowel als tusschen de zoons. De conservatieven juichen Aristophanes toe, wanneer hij in een geestig geschikte doch brutaal eenzijdige scène van zijne Wolken de nieuwe en de oude Educatie zóó in debat tegenover elkaar stelt, dat al wat eerlijkheid, religie, vaderlandsliefde en ingetogenheid mag heeten, staat aan de zijde van de oude Educatie, aan den kant van de nieuwe daarentegen het eigenbelang en de list, de begeerte naar genot en de diefachtige bekwaamheid om daartoe de middelen te verwerven! De ouderwetsche vaders wrijven zich bij zulk eene voorstelling in de handen: "Ziedaar een dichter die weet wat hij wil! Juist zoo, de mooie gezondheid, de echte sophrosyne, zelfs hun schoonen blos verspelen die knapen door dat samenhokken bij Socrates." En thuis gekomen heet het tot den jongen die bedelt om "knap" te worden: "Naar de sophisten ga je niet."
Maar met een verbod alleen is tenslotte nooit een vader verder gekomen. Geen Atheensch vader kon er de oogen voor sluiten, dat hij een keuze moest doen, wilde hij niet zijn jongen na de jaren van de lagere school eenvoudig "los" laten loopen. Dat was niet alleen een eisch van zedelijken aard: ook het standsgevoel schreef het voor; en met Theages' vader zei menigeen: "om het geld kan het me niet schelen;" daar men besefte dat het hier een eisch gold van politiek zelfbehoud. Athene wordt democratisch bestuurd, de democratie aanvaardt zonder aarzelen de consequentie van haar systeem, en in stijgende mate wordt dus ook aan de onvermogenden door presentiegelden en vacatiegelden de weg geopend om deel te nemen aan de regeering die allen toekomt. Maar desniettegenstaande werden de grenzen, die te Athene de standen onderling scheidden, na den Peloponnesischen oorlog scherper getrokken. Wél maakte de staatswet het voor iederen burger mogelijk, op zijnen tijd zelfs de hoogste staatsambten te bekleeden; maar de economische toestand vergunt dit niet aan allen.--Geweldig bleef intusschen de macht van de Volksvergadering, en van hem die haar kon leiden naar zijnen wil. En daarom was het alleszins begrijpelijk, dat in steeds breederen kring de kern der gegoede burgerij, ook bij de keus van het voortgezet onderwijs, zocht naar de middelen om hunnen zoons de voorbereiding te geven, die hun in den strijd tegen "de mannen van de straat", de gunstelingen van den Demos, op politiek terrein de overwinning kon bezorgen.
Maar welken weg zullen zij daarbij inslaan?--Dat is eene vraag van hooger onderwijs, zal men antwoorden, en ten deele is dat waar. Doch in de hoofden en harten der Attische knapen zelf klonk die vraag toch ook. En zeker koesterden velen de begeerte van Theages: de Sophisten te hooren.
Wat verwachtten zij dan toch van die Sophisten? Niemand teekent dat zoo levendig als Plato in zijn Protagoras. Hippocrates, de jonge, rijke Athener--hij is zeker ouder dan zestien jaar, maar mag ons toch als type dienen--brandt van begeerte om den grooten Protagoras te hooren. Driftig dringt hij bij het krieken van den dag binnen in Socrates' slaapkamer en schudt dezen wakker met de blijde tijding dat Protagoras in stad is! Uiterst bereidwillig gaat Socrates met hem mee, om hem in het huis van Kallias aan Protagoras voor te stellen, onderweg hem op zijn rustige wijze, doch voorloopig zonder zichtbaar resultaat, aantoonend dat hij in zijne opgewonden begeerte naar de "knapheid", die Protagoras als een "kleinhandelaar in geleerdheid" te koop biedt, verzuimd heeft te onderzoeken of hij inderdaad begeert op die wijze "knap" te zijn, en of Protagoras wel de man is die hem inderdaad wijsheid kan schenken.--De wijsgeer die alzoo de methode van Socrates tegenover de techniek der sophisten plaatste, heeft wel beseft dat zijne lezers, voorzoover ze behoorden tot de geestverwanten van den jongen Hippocrates, door dat korte gesprek niet van hunne begeerte naar de sophistenwijsheid zouden worden genezen. Daarom doet hij in het vervolg van den dialoog zoo duidelijk uitkomen, hoe hij die mannen der "parate kennis" beschouwt.--Wie het tooneel van Socrates' en Hippocrates' intrede in den kring der gasten van Kallias (dien Maecenas der moderne knapheid) eenmaal heeft gelezen, vergeet het niet licht: eerst Protagoras rondwandelend met den stoet van heilbegeerigen, Atheners en vreemdelingen, want ook vreemdelingen zijn hem gevolgd op zijne wegen, vastgehouden door het geluid zijner stem, gelijk eens de dieren, die Orpheus' schreden volgden geboeid door de betoovering van zijn gezang. Dan Hippias--die Hippias die alles kon, zelfs zijne eigene schoenen maken--tronend op een hoogen zetel, terwijl hij aan de groep der mannen die op lage stoeltjes eerbiedig om hem heen zitten, de geheimenissen der astronomie openbaart. Eindelijk Prodikos, gemakkelijk uitgestrekt op een rustbank en met zijn zware stem aan zijne hoorders eene wijsheid meedeelend, waarvan alleen de gonzende nagalm de ooren van Socrates bereikt.
Parodieën op de sophistenwijsheid geeft ons Plato in den Protagoras zoowel als in verscheidene andere dialogen, soms fijn en niet zonder waardeering hunner persoonlijkheid, zooals in den Protagoras, soms spottend bij het minachtende af, zooals in den Euthydemus, soms met vlijmender kunst, in fellen toorn, als in den Gorgias. En ofschoon nu deze bestrijding buiten den kring der jongenswereld ligt, gelijk ook het onderricht zelf der Platonische school, de oorzaak van Plato's verbittering ligt niet daarbuiten: zij geldt de luidruchtige sympathie met welke de jongelieden deze sophisten inhaalden.
Want de sophistiek was een modeartikel. Wat beloofden zij eigenlijk, deze rondreizende leeraars, deze conférenciers, deze specialisten? Is het ons moeilijk op deze vraag een billijk en vooral een juist antwoord te geven, reeds de enthousiasten als Theages of Hippocrates hadden dat antwoord niet zoo gemakkelijk klaar, wanneer hunne vaders, een weinig ontzet over de hooge prijzen--Prodicus vroeg f 25 voor een korte private instructie in het juiste gebruik der woorden--hen op den man af vroegen, wat nu eigenlijk die vreemdelingen hen kwamen leeren dat zij niet evengoed van hunne eigene meesters hadden kunnen hooren.
Het antwoord was zoo moeilijk omdat de sophisten zooveel beloofden. Het duidelijkst klinkt die belofte in de algemeene termen van Protagoras: "wij voeden knapen op tot mannen" d.i. "wij leeren hen politiek inzicht, en dat doen wij op grond van onze ervaring". Maar als de mannen van Plato's richting zulk eene belofte hooren, dan trekken zij de weifelende vaders bij het kleed en zeggen: "Gelooft het niet te snel. Protagoras bedoelt niets anders dan dit: "Ik geef aan de jongens zooveel handigheid, dat ze over alles kunnen meespreken en daardoor geschikt schijnen voor de hoogste posities in den staat."