Part 10
Het onderwijs was, zooals wij reeds vroeger zagen, te Athene in den tijd dien wij voornamelijk bespreken, geheel vrij. Ieder die wilde mocht er zich aan wijden. En ofschoon nu inderdaad de positie van een schoolmeester te Athene weinig geëerd was, zoo is het toch denkbaar dat er onder hen die het elementaire onderwijs als broodwinning kozen, enkelen waren, die door hun opvoedkundigen aanleg en hunne sympathie voor de jongens tot die keuze waren gebracht. Voor zulke onderwijzers nu was misschien geen vraag zoo boeiend en prikkelend als die van de taal. In de vijfde eeuw namelijk heeft de taal der Grieken een tweeledig beteekenisvol proces doorgemaakt: uit de vormen der poëzie, die zelve ten gevolge van het conservatisme der dichters althans in de epische en de elegische dichtsoort hoe langer hoe meer zich met de herhaling van het oude begon te vreden te stellen, was een jong, levenskrachtig en bloeiend proza geboren, en geen kundig onderwijzer zal, zooals reeds boven werd opgemerkt, lang hebben geaarzeld, of hij de jongens niet ook eens wat uit Herodotus in plaats van uit Homerus zou laten lezen.--Maar hij kon ook weldra met de oude taak, de knapen bij 't voorlezen te doen letten op eene zuivere uitspraak, niet meer tevreden blijven: de grammatica had haren intocht gedaan, en ofschoon men de grammaticale onderzoekingen van de sophisten, als Protagoras en Prodikos, zeker liever onder de oogen van ontwikkelde jonge mannen dan van kleine knapen bracht--er was toch in die nieuwe wetenschap het een en ander dat in de praktijk ook tot de laagste jongensklasse begon door te dringen. De belangrijkste grammaticale ontdekkingen namelijk van Protagoras, althans diegene die het meest bekend zijn gebleven, zijn zijne regels over 't geslacht en zijne opmerkingen over de wijzen en tijden der werkwoorden. De eerstgenoemde zijn wel geschikt om ons te doen zien, dat de Grieken even goed hunne moeite en zorgen daarmee hadden als wij. Socrates althans maakt in de Wolken den armen Strepsiades duizelig en suf door hem slag op slag te overvallen met de vraag, waarom hij eene zeef vrouwelijk maakt, doch een hoen zoowel manlijk als vrouwelijk, en geeft hem daarna een even vermakelijk als vruchteloos lesje in de leer der manlijke en vrouwelijke buigingsuitgangen.
De strekking van deze geheele scène is duidelijk. Niet zoozeer bepaalde sofistenscholen bestrijdt hier de vechtlustige comediedichter, doch eene nieuwigheid (een euvel volgens hem) die onder de volgelingen der moderne, intellectualistische richting zich allerwege te Athene, ook in het lager onderwijs, openbaarde.
De voordeelen, of nadeelen, van dit alles geniet de kleine knaap: niet slechts bij den grammatist heeft zich zijne taak ongemerkt uitgebreid, doch ook bij den citharist. De voortdurende aanwezigheid van dezen in de trits der Atheensche opvoeders is een van de duidelijkst sprekende bewijzen voor het groote verschil tusschen Grieksche en moderne opvoeding.
Wanneer men de oud-Grieksche theoretici de stelling steeds weer ziet poneeren of althans beamen, dat niets zoo geschikt is als de muziek om de ziel van den knaap te vormen tot harmonischen eerbied voor de deugd, ja zelfs, dat ingrijpende verandering in de muziek kans heeft eene geheele bestaande staatsregeling omver te werpen, dan beseft men licht, dat in de antieke wereld bij het gebruik van het woord muziek aan iets anders moet zijn gedacht, dan alleen aan de kunst die wij met dien naam aanduiden. Wat Solon op het oog had, toen hij de Atheensche burgers zoo ernstig vermaande hunne kinderen, naast de gymnastiek, ook de muziek te leeren, en wat wij op de teekeningen der vazen den citharist aan zijn zeer oplettenden leerling zien onderwijzen, dat is in de allereerste plaats een zeer eenvoudig accompagnement. Dàt moet de jongen kennen, zoo goed als zijne poëzie. Een virtuoos behoeft hij niet te worden, maar aan zijns vaders tafel moet hij klaar staan om, als de vrienden het willen, een oud lied voor te dragen;--moest hij althans, vóór de zonen van het geslacht dat na Pericles opgroeide, hadden geleerd den neus op te trekken voor zulk ouderwetsch geneurie. Bovendien, als de tijd gekomen is dat hij zelf als jongeling mee aanligt, dan moet hij aan den nadisch, als de liederencyclus van het oud-Grieksche Commersbuch wordt gezongen, zonder aarzelen de lier, die hem wordt gebracht, kunnen aannemen en zich zelven begeleiden bij 't liedje dat juist aan de beurt is.
Dit alles is nog maar weinig. Het zijn motieven, niet veel gewichtiger dan die, welke ons b.v. overtuigen dat het gewenscht is om aan onze kinderen danslessen te doen geven. Want voor het muziekonderricht gelden bij ons gewichtiger bewijsredenen. Intusschen ontbreken deze ook bij de Grieken niet, en zij zijn van tweeledigen aard. Een literair argument, en een meer beslist muzikaal.
Vooreerst moet het onderricht in het lierspel den knapen de bekwaamheid geven om lyrische poëzie te waardeeren. Lyrische liederen-poëzie namelijk zonder lier, zooals wij die kennen, zou zulk een Atheensche jongen zich niet gemakkelijk hebben voorgesteld. Dat er eens eene lyriek zou bestaan, bestemd om voorgelezen, niet voorgezongen te worden, om in stilte te worden genoten, niet met de ooren, doch met de oogen, dat heeft noch die jongen noch zijn vader vermoed. De Grieken van Pericles' tijd zijn niet enkel een volk van dichters, maar ook, wat zij steeds geweest waren, een volk van zangers. Herders, roeiers, maaiers, wachters, allen hadden hun liederen--helaas, dat alleen heel flauw en gansch uit de verte, op den achtergrond der literaire poëzie, daarvan een weerklank nog tot ons komt! Want de zang had in het leven der oude Grieken een ruime plaats. Niet alleen zong de eentonige welluidendheid van het wiegelied hun kinderen in slaap, zooals de onze; ook in het klaaglied van den threnos brachten zij zingend hun laatsten groet aan de lijkbaar. Menig Athener vond de welluidendste uiting van zijnen rouw hierin, dat hij een citherspeler deed beitelen op de grafzuil van een hem dierbaren afgestorvene. Het was derhalve geen wonder, zoo niet slechts eene keur van letterkundig ontwikkelden, maar alle burgers die de poëzie van hun volk liefhadden de overtuiging huldigden, dat men den knaap slechts ten halve het leven leerde verstaan, als men hem de lier niet in de hand gaf. Het gevoel voor poëzie is bij de Grieken met muzikaal inzicht ten nauwste verbonden, en dàt inzicht--zoo meenden althans ten tijde van Pericles nog de meeste vaders--kan eenen jongen niet te vroeg worden gegeven. De muzikale opvoeding moet in hem het besef doen rijpen, dat de toon van zijn eenvoudig instrument aandeel heeft in de bekoring der poëzie. Zijn spel moet het woord des dichters voorbereiden in het praeludium en dragen in het accompagnement, en de klank der melodie, door hem met aandacht bewaard, zal meehelpen om ook de gedachte van den dichter zuiver en in den juisten vorm te bewaren.
Deze overtuiging huldigen ook zelfs die Staten van het oude Hellas waar het literaire onderwijs overigens weinig in aanzien was. Te Sparta bijv. hebben wetgevers en bestuurders het langen tijd ernstig in twijfel getrokken, of het wel wenschelijk was de knapen, zonder onderscheid, door leesonderwijs in de gelegenheid te stellen kennis te maken met alles wat geschreven was: een goed soldaat immers heeft aan mondelinge commando's genoeg. Toch heeft dat zelfde Sparta niet slechts de elegische krijgsliederen van Tyrtaeus in eere gehouden, maar bovendien werd geen feest van Apollo Karneios gevierd, of de Spartaansche meisjes zongen in beurtreien de welluidende Partheniën (jonkvrouw-zangen) van hunnen Alcman onder muzikale begeleiding. En in deze functie der muziek, in de groote beteekenis van het snarenspel bij de godsdienstige feesten lag de tweede gewichtige aanleiding voor de zorgvuldige muzikale opvoeding der Atheensche knapen. Elk dezer jongens weet, hoe eervolle eischen op de godenfeesten zullen kunnen worden gesteld aan zijne bekwaamheid in het lierspel. In de verdere bespreking van de Atheensche opvoeding zal ons dit duidelijk genoeg blijken. Eerst moeten wij trachten ons van de schoolsche liermuziek zelve eenigszins een denkbeeld te maken.
Een Grieksche, althans een Atheensche jongen zou zich zijne voorouders, en de helden van zijn geslacht, of zelfs de heroën uit het epos dat hij op school leest, niet goed kunnen voorstellen als menschen die geen muziek verstonden. Toch maakte hij, te recht of ten onrechte het oude afmetend naar zijn eigen tijd, onderscheid bij de scènes die hij las. Wanneer hij hoorde, hoe bij het feestmaal der Vrijers van Penelope de heraut placht binnen te komen en de kitharis in handen placht te geven aan Phemios "die door den nood gedwongen zangersdienst deed bij de Vrijers", of wanneer hij gedacht, hoe aan den maaltijd der Phaeaken de heraut den welbeminden zanger binnengeleidde, Demodocus, "dien de muze zeer lief had en wien zij de gave van het lied had geschonken daar hij het licht der oogen moest derven", en hoe dan de heraut zorgvuldig aan een pilaar waartegen Demodocus' stoel leunde, de phorminx van den blinde boven diens hoofd ophing en hem deed gevoelen, hoe hij die tastend met de hand zou kunnen vinden, dan wist onze jonge Athener twee dingen, vooreerst dat hij in beide die scènes te doen had met ongeveer dezelfde kunst waarvoor men hem zelven de muziek wilde leeren. Niet dat hij dan even als Phemios en Demodocus epische stukken, van het "Trojaansche paard" of van "Agamemnons twist", met lier-accompagnement zal leeren voordragen: Homerus zingt men in zijn tijd niet meer, zooals die Aoiden deden--die er al zingend ook nog wel eens wat bij dichtten!--Homerus reciteert men op de wijze zooals hij het de rhapsoden heeft zien doen, in fraaie feestkleedij, met een krans op het hoofd en een staf in de hand, of zooals hij 't zelf doet, desnoods den rhythmus aangevend met de hand. Maar overigens weet hij dit zeer wel: bij deze oude Aoidenvoordrachten was evenmin sprake van eigenlijk muzikale praestatie als in het onvergetelijke tooneel, zoo levendig beschreven in het Negende boek der Ilias, wanneer laat in den avond Achilles, in de eenzaamheid van zijn jongen wrok neerzit voor zijne tent alleen met Patroclus, en, terwijl deze ernstig toeluistert, bij den klank der phorminx zingt van de "daden der Vaderen".
De knaap, die dat gedenkt, weet ook wel hoe de oude phorminx er uitziet. Hij heeft te dikwijls op drinkschalen en vazen de voorstelling gezien van Achilles' leeruren bij Chiron "den uitnemendste aller Centauren"; zou hij niet, als eens zijn verrassing over dien braven, gebaarden leermeester met zijn goedaardige gezicht en zijn forsche, bijna wilde paardenlichaam wat bedaard was, telkens weer met gespannen aandacht hebben nagegaan, hoe de centaur de jonge vingers van Achilles leidde over de snaren van het vier- of zevensnarig instrument?
Vier- of zevensnarig? Het is niet onwaarschijnlijk dat de Atheensche jongen die vraag met evenveel onzekerheid heeft gedaan als wij. Want zijn Homerus zegt het hem niet en de schilderingen op schalen, voortbrengselen van de kunst zijner eigene tijden, hebben toch ook niet de ware autoriteit; bovendien laten die schilders niet zelden op hunne tafreelen evenzeer de snaren van de phorminx weg als b.v. de pees van den boog.--Maar het allerminste wat wij van des knapen citharist mogen verwachten is toch wel dat hij den jongen leert, hoe de instrumenten er vroeger uitgezien hebben en ten zijnen tijde uitzien! Mij dunkt, dat zal een Atheensch muziekmeester ongeveer aldus hebben gedaan: "Vooreerst", zal hij hebben gezegd tot zijne leerlingen, "moet ge bedenken dat, als Homerus van een citharis spreekt dit ongeveer het zelfde is als onze lier, en dat er tusschen de citharis van Paris en de phorminx van Achilles ook geen groot verschil kan geweest zijn. Wilt ge weten, of die oude citharis ook in bouw met onze lier overeenstemt, let dan maar eens op hoe juist op de lier in mijne hand toepaslijk is wat in de Homerische Hermes-hymne wordt verteld van de wijze waarop Hermes de lier heeft uitgevonden: hoe hij de schildpad grijpt en haar schild openbreekt, hoe hij staafjes zet binnen in het rugschild, nadat hij het vleesch daar geheel heeft uitgesneden, hoe daarover een stuk huid wordt gespannen en dan in de openingen van dat zelfde schild twee andere staven worden gestoken--in mijne lier zijn die van hoorn. Die twee staven vereenigde Hermes door een juk, en van dat juk af spande hij op zijn klankbodem de snaren uit darmen bereid.--"Hoevele?"--Ja, in den Hymnus staat "zeven." Maar dat zal toch wel zijn omdat de zanger van dezen hymnus zelf al een zevensnarige lier bezat. Wie het eerst bij onze oudste vaderen de lierkunst heeft uitgevonden, hetzij Apollo--zooals ook in de homerische hymnen wel wordt gezegd--hetzij Hermes, die heeft geen zevensnarige lier gekend, maar een viersnarige!"
Het is een hachelijke onderneming de fictie, alsof we een Atheenschen citharist sprekend vermogen in te voeren, al te lang voort te zetten. Hij heeft zijn' leerling allerlei te beduiden, dat wij hier alleen uit de verte kunnen aanwijzen, daar wij ons op het gebied der muzikale techniek, als onbevoegden, niet willen wagen. Vooreerst zal toch de meester aan deze knapen wel hebben doen hooren, hoe eigenlijk de toonschaal van de zevensnarige lier gelegen was. Hij zal hun gewezen hebben dat de oude viersnarige lier met hare vier noten in drieërlei aard kon zijn samengesteld, daar zij bij eene samenstelling van snaren, welke ongeveer onze ef g a weergaven, een ander karakter had dan wanneer het kleine interval (ef) in het midden lag (d ef g) of op het eind (c d ef); hij zal hun hebben doen hooren, hoe die eerste toongroep (de Dorische) tot ernstiger muziek zich leende dan de tweede (de Phrygische) of de derde (de Lydische). Minder bezwaar dan deze theoretische uiteenzetting zal 't hem gekost hebben den jongens duidelijk te maken hoe schraal dit accompagnement was, en hen te laten zien hoe--waarschijnlijk door de inventie van den Lesbischen dichter-zanger Terpander--in de zevende eeuw de toonschaal was uitgebreid door de vereeniging van twee tetrachorden-schalen, zoodat men een zevensnarige tonenreeks op het instrument verkreeg (ef g a bes c d).
Of nu hiermee de lier, die hij zijn leerling in de hand legde, volkomen in overeenstemming was, weten wij niet; zelfs is ons onbekend, in hoever deze kleine Atheensche jongens reeds hebben geleerd den rijkdom der tonen te vermeerderen door met den vingerdruk de snaren te verkorten, zooals bij ons vioolspel geschiedt. De vazenschilderingen toonen ons wel duidelijk dat de meesters zoowel als de knapen dikwijls met de vingers in plaats van met het zoogenaamde plectrum (het staafje) de snaren aanraken, maar wanneer men let op de plaats waar zij met den vinger de snaar beroeren, is het wel duidelijk dat dit een eenvoudig tokkelen en niet een verkorten van de snaar is; het is dus vingerspel naar den ouden trant, naast slaan met het plectrum volgens de nieuwe manier.
Overigens vraagt het eigenlijke doel dezer oude liermuziek niet eene zoo rijke modulatie van tonen. Eigenlijke instrumentale muziek is bestemd voor de cither (kithara). De cither, die dus den ouden naam had behouden waarmee in de homerische poëzie het eenvoudiger instrument was aangeduid, is door haren bouw (haar houten klankbodem en hare holle armen aan weerszijden van de snaren) die later in den afgeleiden vorm van den psalter aan onze harp zou nabij komen, geschikter voor klankvolle muziek; zij is in de handen van den virtuoos, hetzij hij een lied zingt bij zijn muziek, hetzij hij zwijgend voordraagt, het ware instrument voor de technische muzikale voordracht, en deze wordt grootendeels overgelaten aan de musici van beroep, althans niet op school onderwezen.
Ook hier--en in meerdere mate nog dan bij het literaire onderwijs--deed zich in de bewegingsvolle tijden van den Peloponnesischen oorlog eene zeer sterke wijziging van inzicht gevoelen. Een ouderwetsch man is tevreden als zijn zoon een oud lied op de oude wijze zingt. De regels van het vers aldus recitatief voordragend dat iedere sylbe goed wordt verstaan, verheft hij, verdeelt hij en accentueert hij die voordracht door het aanslaan van zijne lier, zoo vaak versbouw en zinsnede het verlangen: zoo verduidelijkt zich de cadence, zoo zingt de jambe helderder, zoo huppelen de dactylus en de anapaest vlugger.
Maar die voordracht zelve moest ondanks het protest der conservatieven wel veranderen bij de ontzaglijke vlucht, die in de vijfde eeuw de kunst zelve der in het openbaar gezongene poëzie had genomen. Er ligt een wonderbaar snel afgelegde weg tusschen den statigen bouw der voorname Pindarische strofen en de onrustige modulatiën van een dithyrambendichter als Timotheos. Zelfs indien wij ons bepalen tot de chorische lyriek van de drie groote tragici kan ons die snelheid van ontwikkeling niet ontgaan. Welnu, indien de taak van den citharist inderdaad niet alleen was om zijn jongen leerling te wijzen, hoe hij aan tafel zijne lier moest gebruiken als hij op zijne beurt ging zingen:
In de myrten zal ik mijn zwaard verbergen Zooals Harmodios en Aristogeiton--
doch indien zijne propaedeuse den knaap tevens vatbaar moest maken om als een verstandig toeschouwer toe te luisteren in den schouwburg, ja zelfs misschien op zijne beurt mee te zingen in deze nieuwe koormuziek, dan had ongetwijfeld de muziekleeraar van den Pericleïschen tijd een vrij wat uitgebreider en moeilijker taak te vervullen dan zijn collega van Aeschylus' dagen. Meer en meer had in die eeuw de muziek geleerd, de rol haar oudtijds toebedeeld als al te bescheiden te beschouwen. Alleen maar draagster van het woord te zijn en in haren rhythmus zich te laten binden door zoo enge middelen als de slechts tweevoudige afwisseling van lang en kort toeliet, dat was haar niet genoeg: haar eisch was, zoo noodig de lettergreep niet slechts een kwart-noot of een halve noot aan te houden, maar zelfs een heele noot. En op dien zeer begrijpelijken eisch volgde weldra een tweede: de toondichter vorderde voor zich het recht, het lied van den poëet te behandelen naar dezelfde methode die in het operalibretto vóór de dagen van Richard Wagner gold, en hij rekte en knipte en ontwrichtte het woord, om te voldoen aan zijn tremolo's en alle verdere modulatiën.
Voor een jongen uit het allerlaatst van de vijfde eeuw was het dus een vrij belangrijke vraag, welke richting in de muziek zijn vader was toegedaan. Streng conservatief, zoodat hij van deze virtuositeit dergelijke gevaren voor de zedelijke opvoeding van zijn zoon vreesde als Plato, die al deze schijnbegeleiding uit den booze achtte en er even ernstig tegen waarschuwde als tegen de zuiver instrumentale muziek, in des wijsgeers oogen zoo verwerpelijk "omdat ze maar al te licht ontaardt in de vage vertolking van duistere, droomerige depressie of van zinlijke verbeelding"? Of flink geavanceerd als de zoon van Strepsiades in het blijspel van Aristophanes, zoodat hij zelfs Aeschylus ouderwetsch noemt en gezwollen? Het best zou hij het zeker getroffen hebben, indien Aristophanes zelf zijn vader of zijn leeraar was, want die zou hem hebben kunnen leeren de nieuwe muziek tegelijk kunstmatig na te volgen en in hare overdrijving te bespotten.
Over een ander onderdeel van het onderwijs in de muziek, het zangonderricht, kunnen we na 't geen over de cither is gezegd kort zijn; de zang is namelijk met het lierspel geheel één. Maar kort na de Perzische oorlogen kwam het fluitspel te Athene in de mode, niet als technische begeleiding alleen door musici van beroep gegeven bij offerplechtigheden, dansen en theatervertooningen, waar de fluit wisselt met de harpbegeleiding, doch ook als liefhebberij voor gewone burgers en weldra als vak van onderricht; en zoo ziet men dan ook op verschillende schalen die schoolscènes weergeven den welbekenden dubbelen aulos (die in den klank meer van onze clarinet dan van de fluit had) in de handen van den Atheenschen jongen. Weldra stellen de burgers van Athene er eene eer in, als hun naam wordt genoemd onder de medewerkers in een Dionysisch koor van fluitspelers, en men vindt het de moeite waard van eenen of anderen grooten staatsman te vertellen, wie zijn meester--dan toch zeker zijn privaatonderwijzer--in het fluitspelen was geweest.--Maar deze liefhebberij voor het fluitspel is eene mode geweest en als zoodanig spoedig verdwenen. Misschien werd de techniek, vooral bij het gelijk behandelen der beide fluiten, voor dilettanten gaandeweg te zwaar, misschien dachten velen over de zaak als Alcibiades, die zijnen leermeester het instrument voor de voeten wierp dat den speler dwong een zoo leelijk gezicht te trekken en hem bovendien verhinderde te praten onder het spel. In elk geval heeft zeker omstreeks het einde van den Peloponnesischen oorlog de lier, althans in de school het terrein, dat zij tijdelijk aan de fluit had moeten afstaan, weer heroverd.
De vraag, of in deze afschaffing van een vrij jong leervak ook moet worden gezien de practische uiting van eene veldwinnende vrees voor overlading van het onderwijs, kan nauwelijks bevestigend worden beantwoord. Het zal in eene volgende afdeeling van dit hoofdstuk blijken dat integendeel in de eerste jaren van de vierde eeuw de leeftijdsgrens voor het onderwijs tegelijk met zijne eischen is gestegen; bovendien achtte men het gevaar voor schade, door de geestelijke inspanning aan de gezondheid toegebracht, wel opgewogen door de groote zorg aan de gymnastische oefening gewijd.
Bij de Atheners--zooals ook elders in Griekenland--is deze gymnastische oefening der jeugd in haren eersten oorsprong natuurlijk niet het gevolg eener theorie. Zonder twijfel: de "harmonische ontwikkeling van lichaam en geest", het mens sana in corpore sano, hebben de Grieken wel begeerd. Maar in hare geschiedenis was de eisch tot gymnastiek deze, de jonge burgers te maken tot rappe krijgers, en tot schoone medespelers in al de reiën, de dansen en de tournooien, die Grieksche staten ter eere van hunne goden plachten te houden. Maar toen, bij de ontwikkeling van den Staat in zijne onderscheidene standen, de gymnastiek evenals het verdere onderwijs meer los werd gemaakt van hare oorspronkelijke, practische bedoeling, toen stond begrijpelijkerwijze meteen de deur open voor het gevaar dat de lichamelijke opvoeding de overhand zou krijgen, dat de gymnastiek athletiek zou worden, d.w.z. die eigenlijke athletiek welke menschen fokt die voor niets anders leven dan voor enkele op zich zelf staande en onnutte krachtpraestaties. Ook Plato heeft ze reeds gekend, de krachtmenschen met gezwollen spierbundels en leege hersenen, de beroeps-worstelaars, die leefden op een bepaald dieet, maar die in den oorlog het moesten afleggen tegen den eersten den besten goed-geoefenden ephebe. Ja, lang reeds vóór Plato was over de athletiek een met hartstochtelijkheid gestreden twist uitgebroken. Hoe spot reeds de oude Xenophanes met den man die vooraan zit aan den eeremaaltijd alleen omdat hij--of misschien zijn paard--het vlugst heeft geloopen, terwijl hij zelf, de wijsgeer-dichter, als een rondreizend zanger voor een kleine gave zijn lied moet voordragen. Geheel anders daarentegen spreekt Pindarus! Is niet de athleet door zijne hymnen verheerlijkt als de roem en eer der stad die hem het leven schonk?