Part 4
Bommie was 'n heel aardige kerel. En 'k heb dikwijls veel pleizier met 'm beleefd. Alleen was-ie min of meer gevaarlijk, ook voor zichzelf. Hij had eigenlijk goochelaar moeten worden. Daar had-ie bijzonder veel aanleg voor. In die richting zou-ie 't 'n heel eind gebracht hebben. Maar 't lot wilde nu eenmaal, dat-ie de tooneelloopbaan koos. En dat was tot z'n eigen schade en tot die van anderen.
Niet, dat-ie geen aanleg had. Integendeel! 'k Geloof zelfs, dat-ie over meer talent beschikte dan velen, die slagen. Z'n stem klonk als brandgelui en hij kon vreeselijk gemeene gezichten trekken. Ook had-ie 't gebaar, 't breède, en nog meer dingen, die iemand geschikt maken voor acteur. Doch réusseeren was voor hem slechts mogelijk in zeer verre toekomst. Wil 'n jongmensch er tegenwoordig komen op 't tooneel, dan dient-ie vóór alles «de plooi» te hebben, in z'n ziel en in z'n pantalon. En z'n stem legge zich voornamelijk toe op 'n aangename smachting. Anders is-ie voor de eerste tien jaar reddeloos verloren. Te drommel, de directies willen jongelui, waar «aardigheid» aan is! Wie hebben succes in 't gewone salon? Zeker niet de kniesooren en strafkijkers! En op 't tooneel, dat 'n «publieke» salon is, kan men ze nog veel minder gebruiken.
Bommie nu had heelemààl de plooi niet. Nee, hij zat vol kreukels, van binnen en van buiten. Hij was nog van de romantische school, de oude, die z'n hart ophaalde aan zwierige vagebondage, bohémiensche frank- en vrijigheid. Hij hoorde heel en al niet thuis op de tabouret der maatschappelijke geëduceerdheid. Daarom was er voor hem geen plaats op de «Bühne». Over twintig jaar misschien.... O, dan kon men altijd nog eens zien!
't Sprak vanzelf, dat Bommie hierdoor gaandeweg in ongelegenheid geraakte. Doch meesterlijk was de wijze, waarop-ie zich daaruit telkens weer redde.
"Bommie komt!" Dat klonk, op repitities, samenkomsten, waar ook, als 'n waarschuwing, zoo ongeveer als: «Pas op, de tram!» Want dan was er gevaar, onmiddellijk gevaar. En we waren allen op onze qui-vive.
'k Heb daar eerst flink leergeld voor betaald. Bommie--hij heette eigenlijk Robert, waar ze Robbie van maakten en toen Bobbie en eindelijk Bommie--maakte geen te ondegelijken indruk, al zag-ie er wat verfomfaaid uit. Doch die fomfaaierigheid wist-ie altijd binnen 'n zekere lijn te houden, waardoor 't meer 'n gewilde nonchalance dan wel 'n gebrek aan gestreken garde-robe leek. Daarbij droeg-ie immer slobkousen, weer of geen weer, wat toch in elk geval iets gekleeds gaf. En z'n jas, hoewel niet van onberispelijken snit en lang niet gloednieuw, verried door 'r getailleerdheid toch 'n zekeren hang naar élégance, waardoor men 'm niet van onverschilligheid voor z'n uiterlijk kon beschuldigen. Ja, keek men niet al te nauw, dan kon men zelfs aannemen, dat-ie eenmaal baron gewéést was.
«Bommie komt!» Dat kon niet genoeg gewaarschuwd. Want telkens weer liep je er in. Hij had 'n manier, om je je laatste rijksdaalder uit je vestzak te goochelen, welke bepaald 'n creatie was. Daarom, hij had zich als prestidigateur moeten ontwikkelen. Z'n verbluffende wijze van optreden verzekerde bij voorbaat 't succes. Hij had 'n handigheid, om je aandacht af te leiden en je dan opeens te overrompelen, welke waarlijk buitengewoon was. Menig nooit weergezien muntje dan ook en riksje van me zijn door z'n vingers gegaan. 'k Neem 'm dat niet kwalijk. Volstrekt niet. 'k Bedank 'm zelfs nog voor 't genoegen, dat-ie me met z'n weergalooze gladdigheid verschafte. Originaliteit is zoo zeldzaam!
Op den duur echter werden z'n aanslagen verijdeld. Had 'k indertijd 'n zeer gewillig vestzakje, waar 'k gemakkelijk met duim en wijsvinger in dook, 't leven leerde me, wat voorzichtiger te zijn. En 'k liet er 'n knoop op maken. Dat is altijd secuurder. Dan heeft men meer bedenktijd bij 'n onverhoedschen aanval. Ook is zoo'n knoop op zichzelf al 'n waarschuwing. Als je 't ding voelt, gaat er zooiets door je hoofd van: «Pas op! Berg je! De vijand loert!» En je laat je zakje dicht.
Bommie ging dan ook tot wanhoopsmaatregelen over. Eens ontlastte-ie 'n collega van twintig pop òp 't tooneel. Dat leverde-ie 'm zóó:
We speelden in de provincie, 'n blijspel. Bommie, na 'n groote scène met Winkels, moest af. Maar bij de fond-deur keerde-ie zich weer om en hij stapte opnieuw op Winkels toe. Hij wist namelijk, dat die 'n vrééselijk dikke portemonnaie op zak had. Winkels toch had pas z'n gage ontvangen (Bommie zat zóó in 't voorschot, dat hij voorloopig niets kreeg) en had dat alles, gewisseld, bij zich gestoken, want in de kleedkamer dorst-ie 't niet achterlaten.... voor 't personeel. Bommie nu laschte brutaalweg 'n scènetje in, dat buitengemeen slaagde. Hij vroeg Winkels wat money te leen en deed dat met zulk 'n routine(!) en zooveel overrompelende kwinkslagen en èchte gebaren, dat men in de zaal hartelijk zat te lachen, want daar dacht men natuurlijk, dat 't alles zoo in 't stuk hoorde, Eindelijk maakte-ie 'm gewoon z'n portemonnaie afhandig, nam er twintig popjes uit en verliet dan met 'n hoofsche strijkage 't tooneel. Men riep 'm terug bij open doek, maar hij kwàm niet!
Zulke uitersten echter wezen op 't begin van 'n volstrekt einde. En daar liep 't voor Bommie dan ook al aardig naar toe. Z'n naam alleen reeds verspreidde 'n schrik. Of er 'n bòm in aantocht was in plaats van 'n Bommie! Men zou zich zelfs wettelijk tegen 'm moeten gaan verdedigen.
'k Had 'm in geen half jaar gezien, wist niet, of-ie nog engagement had of weer leefde op hoop van zegen. Daar, plots, op 'n snikheeten Juni-dag kwam 'k 'm tegen in de Kalverstraat. 't Was zoó smoor-warm, dat men de menschen met 'n stok zelfs niet naar 't paardenspel kreeg. In die fabelachtige temperatuur was 't geniale plan in 'm gerijpt, 'n «eigen» gezelschap te beginnen.
«Goed, dat 'k je zie», zei-ie dadelijk met z'n waarlijk klankvolle stem. (O, waarom kon-ie toch «de plooi» niet bemachtigen!) «'k Liep je juist te zoeken.»
«Wel toevallig», meende 'k. 'k Keek wat wantrouwend, dacht aan m'n knoop.
«Ja, dat is 't», stemde-ie toe. «Maar laten we ergens gaan zitten. 'k Moet je noodzakelijk spreken. Wat mag 'k je aanbieden?»
Hij vroeg dit «breed». Trouwens, 't «gebaar» was 'm toevertrouwd. 'k Nam 'm eens nauwkeurig op. Ja, z'n kreukels waren leelijk toegenomen. En dat-ie zelfs in deze hitte z'n slobkousen nog niet aflei, getuigde van 'n wel wat èrg gewilde nonchalance. Doch in z'n jas zat nog 'n aangename getailleerdheid, welke 'm wel 'n gentlemennig fleurtje gaf. En z'n blik fonkelde van durf. Had-ie 'n bofje gehad? 'k Zou 't er nog maar eens met 'm op wagen. En we traden «Polen» binnen.
'k Zat nog geen tien minuten, of Bommie had me ten volle van z'n juisten blik in zaken overtuigd. En 'k twijfelde niet in 't minst meer aan de levensvatbaarheid van z'n plan, ja, aan 't noodwendige daarvan. 'k Kwam volkomen onder den invloed van z'n melodieus geluid en hij had bepaalde gestes, waarvoor zelfs 'n deurwaarders-argument wijken moest.
«'t Tooneel is verrot». Hierop hoofdzakelijk kwam z'n redenatie neer. «De fantasie is weg, 't spel, 't èchte. Niets dan woordkunst, maniertjes. Maar 't publiek heeft er genoeg van. Dat merk je aan alles. En nu wil ik er 't eerste bij zijn, zie je? Heb ik geen gelijk? 'k Zal de lui weer eens toonen, wat 't eigenlijk zeggen wil: comedie-spelen. En nu is er in 't heele land maar één, die precies weet, wat 'k hebben moet, die me begrijpt. Dat ben jij».
'k Was zeer gevleid, vroeg, wat-ie gebruiken zou. Daarop legde-ie me nader uit:
«Geen breekbaarheidje voor den salon, hoor! Nee, 'n ding van hartstocht, geweld, waarin 'k me geheel geven kan, van alle kanten. Alle rollen zijn voor mij, tenminste de voornaamste. Dat spaart ook 'n boel op de reiskosten uit. En karàkters, asjeblieft, mènschen! Geteem hebben we nu al genoeg gehoord. 'k Wil eenvoùdig beginnen, in de provincie. Wat heb je aan al dien ophef? En zit 't ding er eenmaal in, dan komen we er mee naar Amsterdam en je zal eens wat beleven! Haha! Heb je al 'n idee? 't Moet als de drommel klaar, hoor!»
'k Heb 'n dagje loopen denken en toen hàd 'k 't. 'n Pracht-inval! 'n Eén-acter. Natuurlijk! Wie schrijft er tegenwoordig nog wat anders? 't Heette «Jantje Strop», speelde in 'n dievenkelder. 'n Vreeselijk lugubere geschiedenis. Achtereenvolgens kwamen zeven allergemeenste types op, nooit twee tegelijk natuurlijk, want ze moesten stuk voor stuk gecreëerd worden door Bommie. 'n Ongeëvenaard kluifje voor zijn talent. 'n Baron aan lager wal, 'n verver met loodwitvergiftiging, 'n ontsnapte boef, 'n valsche munter met 'n bult, 'n idioot, 'n opkooper van gestolen goed, die stotterde en mank liep en 'n vervallen inbreker met delirium. Hoe kreeg 'k 't stelletje bij elkaar! Bommie was diep getroffen, toen 'k 't 'm voorlas. Driemaal drukte-ie me zwijgend de hand. Daarop zei-ie, met den geroerdsten klank in z'n stem, welken-ie maar vinden kon: «Je krijgt 7 procent van de bruto recette.» Toen ben 'k maar us heel fijntjes gaan dineeren.
De repetities waren 'n lust. Bommie leerde alle zeven rollen tegelijk, wat vooral in 't begin wel eens akelig was om aan te zien. Dat-ie er niet stapel van werd! Er speelde ook nog 'n juffrouw mee met 'n onbeschrijflijk schor geluid, waardoor ze uitnemend in den dievenkelder paste. En 'n jongmensch, die eens persoonlijk de hand had mogen drukken van Louis Bouwmeester, wat-ie nooit meer te boven kwam: hij bleef voor z'n leven acteur.
't Was alleen maar vervelend, dat je nooit precies wist, waar eigenlijk gerepeteerd werd. Dan weer had Bommie 'n duister lokaaltje gehuurd, dicht bij 't Centraalstation, dàn 'n geheimzinnige gelegenheid heel aan 't eind van den Amstel. Dat gaf dikwijls aanleiding tot vergeefsche wandelingen, wat op den duur vermoeiend werd. De oorzaak echter zat 'm in de incoulantheid van Bommie's betalingen. Als je dan ook 'n gezelschap hebt, dat er nog in moet komen!
Eindelijk dan was «Jantje Strop» gekènd. En hoe! Bommie kon z'n rollen desnoods achterstevoren opzeggen. En de juffrouw met 't schorre geluid had heelemáál geen stem meer.
We haakten nu naar de première. Waar zou die plaats hebben? We hadden al naar allerlei mogelijke plaatsjes geschreven, waarvan 'k ook maar 't flauwste vermoeden had, dat er wel eens zomergasten op apegapen lagen. Uit één oord kregen we maar antwoord (ongefrankeerd) en dat luidde, dat 't te warm was. Nu, dat was ons óók opgevallen: Amsterdam schroèide onder je voeten. Maar 't zou nu toch zonde zijn na al die studie! En eindelijk dan toch sloot 'k af met den gérant van den «Trippenberg», 'n hotel op 'n heuvel van dien naam ergens tusschen Zutphen en Oldenzaal. De condities waren heel mooi: de hotelier zorgde voor alles, reclame, enzoovoort, en we deelden samen. 't Leek me 'n erg geschikt debuut.
Maar de moeilijkheden begònnen pas. Op 'n morgen kwam Bommie bij me met 'n heel bedrukt gezicht. Ik kènde dat. En 'k tastte al naar m'n knoop.
«Kerel», zei-ie, «nu gaat alles zoo prachtig, hè? De hemel weet, 'n uitverkocht huis in Trippenberg--komt er ook «pers»?--, zeven rollen als voor me geknipt en nu dreigt die lamme vent van 'n kapper alles in de war te sturen. En dat om 'n.... bagatel».
'k Liet me de zaak nader uitleggen. Voor de zeven boeven, die Bommie had op te knappen, waren zeven pruiken in de maak. 'k Had 'm nog gewaarschuwd, gezegd: «Kerel, vat je de zaken niet wat groot op? Zou drie boeven voorloopig voor jou niet voldoende zijn?» Maar hij moest en zou er minstens zeven hebben. 't Publiek kwam niet om minder. Enfin, hij had ze nu ook. Maar de pruikjes kreeg-ie niet los zonder contante betaling. Daar zàt 't jonge kunst-ensemble nu.
Maar op zoo'n hoopje haar wou 'k de onderneming toch niet doen stranden. 'k Maakte m'n knoopje wat los, klopte ook nog aan bij 'n kennis, die wel wat voor tooneel voelde en zoo stelde 'k Bommie 't benoodigde bedrag ter hand. Dat was 'n groote onvoorzichtigheid van me. Want vier pruikjes smolten al als sneeuw voor de zon, vóór Bommie den kapper nog gezièn had. En 't zal 'm zeker 'n verbazende zelf-overwinning gekost hebben, dat-ie de andere drie ook niet denzelfden weg liet opgaan.
't Gaf weer moeilijkheid. 't Stuk was berekend op zeven boeven, doch er was maar haar voor drie. 'k Ben toen natuurlijk enorm aan 't veranderen gegaan. De man met de loodwitvergiftiging verviel heelemaal--en van die figuur had 'k me juist zooveel voorgesteld!--en de inbreker met 't delirium loste zich op in den opkooper met de vele gebreken. Kwamen nog twee pruikjes te kort. Doch 'k zei 'm, dat-ie de ròòie best ook achterstevoren op kon zetten; dat gaf dadelijk 'n heel anderen kop. En één rol kon-ie gerust met z'n eigen gezicht spelen, want dat was al gemeen genoeg. 'k Bedoelde: daar kon-ie zònder extra haar wel de gewenschte uitdrukking aan geven. Mijn hemel, als je gezelschap dan ook nog jong is!
Wat 'n voeten 't in de aarde heeft gehad om naar Trippenberg te komen! 't Ligt ook zoo'n eind uit den weg! Aan 't Centraalstation weigerde de juffrouw, die nu totaal door 'r geluid heen was, langer tot 't ensemble te behooren. Ze maakte rechtsomkeert en 'k heb 'r nooit weergezien. Bommie zat in zak en asch. Maar 'k stelde 'm gerust: 'k zou 't stuk in den trein nog wel veranderen. Bommie bleef echter wat zwaarmoedig kijken. 't Directeurschap begon 'm te drukken. «En je kunt geen eens voorschot krijgen», zuchtte-ie half hardop.
Over 't debuut op den «Trippenberg» wil 'k liever kort zijn. De hotelier ontving ons met de grootste verbazing. Dat we nog gekomen waren met die warmte! Nee, wàt-ie ooit gedacht had, dàt niet. Daardoor was er voor niets gezorgd. Geen sterveling wist van ons optreden. Maar de première moest en zou doorgaan. En 's avonds is «Jantje Strop» dan voor 't eerst en voor 't laatst gespeeld voor zes logé's, den hotelhouder, den veldwachter, 'n man in 'n blauw boezeroen en de werkmeid. Pers hadden we niet.
'k Geloof niet, dat 't stuk erg begrepen werd. Als je dan ook opeens twee rollen moet laten uitvallen en je eenigste actrice vlak voor de voorstelling de plaat poetst! En dan vergiste Bommie zich telkens met z'n pruiken. En 't décor leek heelemaal niet op 'n dievenkelder. En de bult van den valschen munter zakte af. En juist, toen Bommie 't publiek er 'n oogenblik onder kreeg met z'n ontsnapten inbreker, viel 'n coulisse om. Dat zijn allemaal dingen, die de stemming bederven. 'k Heb tweemaal laten «halen», om Bommie 'n pleizier te doen. Maar in de zaal zag je niemand meer.
M'n contract met den hotelier bleek toch niet geheel in orde. We meenden, dat 't logeeren van 't jonge ensemble op zijn rekening kwam. Doch daar dàcht-ie niet aan, zei de gérant, die niets voor kunst bleek te gevoelen. 't Wanhoopsgezicht toen van onzen «directeur» smartte me tot in de ziel. En 't jongmensch, dat eens Bouwmeester de hand gedrukt had en mijn persoon betaalden van harte 't séjour van onzen «directeur». De 7% bruto-recette schonk 'k 'm. Toen werd 't ensemble op staanden voet ontbonden.
Waar Bommie tegenwoordig zit? 'k Weet 't niet. 't Gaat soms zoo gek in de tooneelwereld. Lui, waar je in geen jaren van hoort, duiken plots op in 'n pracht-rol, die ze voor 'n seizoen beroemd maakt. Straks verdwijnen ze weer als explicateur in 'n bioscoop. Of ze reizen, als impressario, met 'n visch-mensch. Ook geloof 'k, dat onder de èchte wilden, die je op elke fatsoenlijke tentoonstelling ontmoet, altijd goeie acteurs schuilen, lui met 't breede gebaar en de romantische kreukel in hun ziel. Dit laatste zou wel iets voor Bommie zijn. 'k Zie 'm al als stamhoofd met veeren in 't haar!
Maar, onder ons gezegd, 'k verdenk 'm ervan, dat-ie in alle stilte naar 'n compagnon zoekt. Daarom houd 'k m'n adres angstvallig geheim. 't Zou me hard vallen, onze vele tooneelgezelschappen 'n zware concurrentie aan te doen.
HET KOOPJE.
«Hallo, Bob!» stond Chris 'm al uit de verte toe te juichen tusschen de rog. Bob, op 't voorbalcon van 't paardetrammetje, dat slechts uiterst langzaam z'n weg naar Heezum vond, wou iets terugroepen. Maar de te felle klatering der mooi gepoetste bel, waaraan de boerenslungel-koetsier trok, of-ie daar 'n fijne muziek aan z'n dorp bracht, weerhield 'm. «Hallo, hallo!» schreeuwde Chris weer. Bob knikte, woof, dat-ie 'm wel hoorde. Meteen greep-ie naar z'n hoed, want hij ving nogal wind. Dan, met 'n hevig gekners en ge-rem, hield 't makke vervoermiddel stil. Zich bukkend, want hij stond vrij benauwd, steeg Bob van de voorplecht en de twee vrienden begroetten elkaar met groote hartelijkheid.
«'k Was je wel komen halen», schreeuwde Chris; hij schreeuwde nòg, ofschoon er niet de minste reden meer voor was; maar hij was altijd wat lawaaierig, «maar je weet, hè? Ik en tijd! 'k Stond net m'n kwasten uit te spoelen, toen 'k op eens dacht: Hé, die Bob! Toen was 't al te laat voor den trein. Ja, je moet me nemen, zooals 'k ben».
Jovialig klopte-ie z'n vriend, ofschoon die 'n heel stuk langer was, 'n paar maal op den schouder. Daarbij moest-ie telkens 'n soort klim-beweging maken en wapperde z'n kap-jas, die-ie de hemel wist waarvoor droeg, of-ie vogels verschrikken wou. Dat alles paste heel goed bij z'n komische verschijning van kabouter-man met gewichtig langen baard en grooten glinster-bril, waarachter de slimme oogen voortdurend felletjes loerden. Hij had best dienst kunnen doen als grappig tuinbeeld, dat men aan 'n vijver zet als stomme bewaker van karper en goudvisch.
«Hij is dezelfde nog», dacht Bob, terwijl-ie 'm van terzijde opnam. Maar verder kon-ie niet veel aandacht aan 'm wijden, want de lange dorpsstraat, hoewel er niet veel aan was, interesseerde 'm. Des te meer echter bemoeide Chris zich met hèm, wees 'm de kerk en de pastorie en de sigaren-fabriek en den weg, die naar 't kasteel liep. Bob knikte, er met z'n hoofd niet erg bij, dat aan al dat nieuwe nog moest wennen. Hij was 'n fijne kerel, die, als-ie maar even kon, aan de letteren deed; z'n overigen tijd zat-ie op 'n kantoor. Hij was er nu met vacantie 'n paar dagen tusschen uit, die-ie graag doorbracht bij z'n ouwen vriend Chris, die 'm geïnviteerd had. De rust van 't dorp deed 'm nu al weldadig aan. Wat moest 't heerlijk zijn, àltijd buiten wonen!
Opeens hielden beiden stil. «We zijn er», beduidde Chris met breed gebaar, waarbij-ie weer rumoerig fladderde. «Ziehier mijn stulp».
De «stulp» was 'n aardig buitenhotelletje, waar de schilder al sinds 'n paar maanden z'n intrek had genomen, met achter 'n boerderij en verdere landelijkheid. De beschutte warande vóór trok Bob dadelijk aan. Maar Chris vond, dat-ie zich eerst op moest knappen en z'n kamer zien en kennismaken met de lui, die 't hôtel hielden. Dàn was 't nog vroeg genoeg om te «genieten».
Bob zàg z'n kamer, knàpte zich op, drukte 't boeren-echtpaar, dat Chris al even druk bebaasde als z'n logé, de hand en toen, omdat 't bij halfeen was, zouden ze meteen maar koffiedrinken, bòven. Bob, hongerig van de reis, liet zich 't mik-brood, de versche eitjes, de ongerookte ham en den vruchten-koek goed smaken. Ze zaten in de gezellige balconkamer, alléén. De overige, weinige gasten toch waren er den heelen dag op uit met de fiets. «'t Gaat er nogal bij je in», lachte Chris, die zelf voor drie at. Daarop, 'n sigaar in 't hoofd--Bob, die niet rookte, bedankte--bracht-ie 'm naar z'n eigen kamer, welke-ie zooveel mogelijk als atelier had ingericht, toonde z'n jongste werk, 'n voltooid schilderij, schetsen, krabbels. Bob, zwijgzaam, knikte, keek. Dan, rondkijkend, wees-ie:
«'n Aardig tafeltje heb je daar».
«Ja, hè?» ging Chris er dadelijk met vuur op in, want «antiek» was z'n liefhebberij, z'n passie. «Voor 'n koopje op den kop getikt. Je vindt hier anders niet veel meer. De joden hebben den boel afgegraasd. Die kandelaar heb ik gisteren nog gekocht».
Hij haalde z'n koperen vondst van den schoorsteen, reikte 't Bob bewonderend aan. Bob die al zooveel van die dingen had gezien, kon er weinig bijzonders aan vinden, maar zei er toch iets aardigs van. Z'n blik echter ging weer naar 't tafeltje.
«Weet je wat?» stelde Chris opeens voor, die 't nooit lang binnen uithield. «We maken 'n wandeling. Dan breng 'k je naar 'n boerderijtje, dat 'k al 'n paar dagen op 't oog heb. Daar valt wel wat te schilderen, geloof 'k. En jij schrijft er 'n schetsje van, kerel. Prachtig, hè?»
Bob, natuurlijk, vond 't goed. Die warande, waar-ie droomerig te luieren dacht, scheen nu eenmaal voorloopig niet voor 'm weggelegd. En, nadat Chris nog 'n teekenboek en potlood bij zich gestoken had, togen ze op marsch.
«'t Is hier mooi met die hei», merkte Bob 'n paar maal op, Chris, nu zònder kapjas, in z'n fluweelen buis, stappend, of de heele wereld van hem was, gaf enthousiaste beschrijvingen van de omstreek, de binnenhuizen, de boerentypes. Bob luisterde maar, z'n hoofd vol van de zomerschheid, welke zich als 'n weelde van overal aan 'm opdrong. Hij kon zich Chris' bewondering zoo goed indenken, vond alleen, dat 't zonder die vermoeiende luidruchtigheid ook wel ging, Enfin, zoo wàs Chris.
Ze hadden 'n goed half uur geloopen. Bob, dat wandelen niet gewoon, zette er al 'n kalmer gangetje in. «Kijk», onderbrak Chris zichzelf, wijzend. «Hier is 't».
Links van ze, aan 'n mullen zandweg, die 't rechte spoor niet volgde, stond 'n oud, vervallen huisje. 't Half weggevreten stroodak helde onrustbarend naar voren, scheen 't scheefgezakte boeltje nog extra te drukken. De steenen, 't kozijn, de deur, alles was van 'n hoogst onbestemde kleur en wees op armoe. 't Heele gedoetje school half weg achter 'n paar zwaar-groene boomen, die 't nog 'n zeker fleurigheidje gaven. 't Was 'n kijkje voor 'n schilder, om niet van weg te komen.
«Ja, ja», knikte Bob. Zooiets had-ie zich wel gedacht.
«Kom mee», zei de ander, die manhaftig op de deur toestapte en hij lichtte de kling op.
«Gaat dat zoo maar?» vroeg Bob nog, die wat bedeesd was aangelegd.
Chris lachte luid. «We zijn hier in 'n vrij land», riep-ie dan en hij trad naar binnen. Schuchter volgde 'm Bob.
Eerst zagen ze niet veel, want 't was er donker. 't Wende echter dra en ze ontwaarden in 'n hoek 'n al bejaarden boer, die ze van onder z'n pet, al maar aan 'n zwartige pijp halend, leepjes zat aan te kijken. Verderop stond nog 'n vrouw, die 'r half dichtgeknepen oogen eveneens den kost gaf. En beiden bleken van 'n groote zwijgzaamheid.
Chris, met z'n gewone lawaai, maakte 'n praatje. «We mogen hier wel 'n kijkje nemen, hè?» vroeg-ie parmantig. De boer knikte, langzaam. De vrouw bleef onbeweeglijk. En de schilder sprak over 't weer, 't veld, den oogst als iemand, die daar alle verstand van had. Meteen scharrelde-ie wat rond.
Bob, niet op z'n gemak--hij hield niet van dat binnendringen bij vreemden, al waren 't dan ook nog zoo eenvoudige menschen--was gauw uitgekeken. Trouwens, dat bedompte, lage vertrek met den hobbeligen vloer, de weinige, verbruikte meubels, de groezelige ruitjes, waardoor 't licht zuinigjes naar binnen zeefde, hij kènde dat als de schetsen en de koperen kandelaar van z'n gastheer: 't geleek elkaar alles als twee druppels water. Op zij kierde 'n deur. Daarachter speelde de zon haar blakerend spel. Bob, aangetrokken, liep er op af. En hij stond in 'n soort van hof van bijna enkel groen, doch in alle schakeeringen, waartegen alleen 'n paar kippen hier en daar feller plekten. «Wat 'n rust!» dacht Bob. En hij keek z'n oogen vol.
Hij had zoo 'n minuut of wat gestaan, toen 'n slag op z'n schouder 'm weer uit z'n gedroom deed ontwaken. «Bliksems mooi van kleur, hè?» schreeuwde Chris, die z'n hand dadelijk beschuttend boven z'n oogen hield. «En kijk die lucht eens!» Bob kéék, beleefdheidshalve. Doch 't mooiste van den groenen hof was er nu al voor 'm af.
Opeens stootte Chris 'm aan. «Te drommel! Kom eens mee», zei die geheimzinnig. Bob, volgzaam, ging 'm na. Druk stappend, liep z'n vriend naar 't schuurtje--links, vlak achter de pomp--, waarvan de scheeve deur wijd open hing. Vaster plantte Chris zich den bril op den neus en z'n oogen vlamden, als in ontdekking. Wat hàd-ie?
«Zie je dat?» vroeg-ie schor.
Bob zocht. Wat bedoelde Chris?