Part 3
«Uitstekend!» wreef Jos zich andermaal de handen. «Waar gaan we naar toe?»
'n Oogenblik dacht 'k er over, of 'k maar niet dadelijk naar bed zou gaan, hoeveel moeite me dat misschien ook zou geven. Daarop heb 'k 'm echter toch maar mee naar «Riche» genomen. 'n Dineetje had-ie met z'n zwoegen werkelijk wel verdiend.
Hij heeft 't zich heel goed laten smaken. En den wijn, daar was-ie ook kolossaal handig mee. 'k Dacht tenminste, dat we nog aan de tweede flesch waren, toen de derde al op tafel stond. Hij werd erg spraakzaam en drong er sterk op aan, dat 'k 't «geval» mooi zou aankleeden. De tentoonstelling moest niet van mij uitgaan, 'n gewoon particulier, doch van 'n naamlooze vennootschap. Hij zocht al naar 'n naam. Eindelijk vond-ie iets. «Artis Pictura» leek 'm bijzonder fraai. 'k Twijfelde eraan, of dat vloeiend Latijn was. Ook herinnerde 't me te sterk aan 'n welbekenden dierentuin. Doch Jos, koppig als-ie bij den wijn zit, hield voet bij stuk. Zoo werd m'n huis, of wat daarvan was overgebleven, onder 'n Triple Sec «Artis Pictura» gedoopt.
Hij is weer met me mee terug gegaan (Jos was àltijd aan me gehecht). Bij me thuis is-ie nog wat aan den timmer geslagen, doch met onvaste hand. Toen z'n eene duim heelemaal blauw was, hield-ie er mee op. We hebben ons daarop onder de whisky gezet. Dat maakte 'm weer zoo fiksch, dat-ie opnieuw bovenop m'n piano wou. Dat heb 'k 'm echter krachtig belet. 'k Vind, leelijke gewoontes moet je niet in de hand werken.
«Breng me dan maar naar bed», gaf-ie gewillig toe. «Waar slaap 'k?»
«Dat weet 'k niet», bracht 'k aan z'n verstand, «maar hièr niet».
't Scheelde weinig, of-ie begon te huilen.
«Niet in Arti Pictus?» drijnde-ie.
«Nee», zette 'k door. «'k Heb momenteel maar één bed. En of 'k daar in kan komen, valt nog te bezien. In elk geval, 'n logé kan 'k niet hebben. En.... denk aan Co!»
«Daarom juist», bekende-ie kinderlijk. Maar hij is dan toch gegaan, met onder elken arm 'n gemberpot. Hij schijnt nu eenmaal gek op die dingen te zijn.
De eerste dagen kreeg Artis Pictura niet één enkelen bezoeker. En 'k had toch flink geadverteerd. Uit deurwaarders-overwegingen had ik den naam «Henkeman» maar weggelaten. Ook op de helft der geëxposeerde werken ontbrak die. Dat kon echter al niet anders dan 'n aanbeveling zijn. Waarin zat 't 'm dus?
't Begon er somber uit te zien. Jos liep den heelen dag heen en weer als 'n gekerkerde leeuw. Alleen gedurende den lunch ging-ie zitten en stond dan voorloopig niet op. Z'n goede eetlust, zei-ie, was z'n redding.
«Hebben we den prijs misschien toch nog wat te hoog gesteld?» vroeg 'k voorzichtig.
Jos, die juist 'n blikje zalm bewerkte, sprong woedend op.
«Wou je ze den arbeid van m'n leven dan heelemaal cadeau doen?» riep-ie, zich verslikkend. «Vijf gulden! Jij met je eenheidsprijs! 'k Gooi m'n naam toch al te grabbel. Je bent al net zoo'n uitzuiger als die anderen».
'k Zweeg. En 'k zag, hoe 't blikje totaal verdween.
«Je moet ook 'n bord aan je huis slaan», beweerde Jos met vollen mond, «En de deur moet àànstaan. De menschen bèllen liever niet. En zet 'n aardigen groom of 'n livrei-knechtje in 't portaal onder de tweede lampion. Zoo iets klèèdt».
'k Ging er maar niet op in. 'k Had al groote onaangenaamheid gehad met de vrouw, die 's morgens bij me werkte. Ze verkoos niet langer te komen, wanneer de voordeur open bleef. Ze was gewoon, in fátsoenlijke huizen te werken, zei ze.
Intusschen legden we de laatste hand aan den uitgebreiden catalogus. 'k Had de lijst persoonlijk met m'n fraaiste letter in elkaar gezet en 't ding zag er goed uit. Alleen deed 't wellicht wat eentonig aan. Er zat dan ook weinig afwisseling in 't oeuvre van Jos. 't Was maar: Appelen met ui, Stemming, Ui met appelen, Appelen met peer, Stemming, Peer met ui, Ui met boek, Boek met appelen, Stemming. 't Begon op 't laatst voor je te dansen. Daardoor heb 'k me bij de nummering wel eens vergist. 'n Studie tenminste, welke als Ui, met 'k weet niet meer wat, stond aangeduid, leek van dichtbij vaag op Co, wanneer ze langzaam van 'r merkwaardige sofa verrijst. Ook waren er verschillende krabbels, waaruit Jos zelf niet meer wijs kon. Die werden dan maar weer «Stemming» gedoopt. En ongeveer 'n vijftal doeken hingen onderste boven. Doch dat merkte je zoo gauw niet. Door een en ander kwam 'k echter tot 't begrip, dat kunsthandel 'n apart en zéér moeilijk vak is.
Den vierden dag van de expositie «ten bate van 't Steuncomité» verschenen er twee bezoekers. Jos was juist even uit. 'k Trad ze minzaam tegemoet. En leidde ze rond.
De heeren deden wat gereserveerd. Maar 'k dacht: «Komt er niet op aan. Als jullie maar kóópen». En 'k prees 't oeuvre Henkeman's aan als 't werk van eenige jeugdige, veel-belovende artisten, die zich gedrongen hadden gevoeld, in deze tijden, enzoovoort. «Je bent 'n flesschentrekker» signaalde m'n geweten. En 'k stond er zelf versteld van, dat 'k zoo liegen kon. Doch 'k deed 't voor 'n ànder.
«En wil 't nogal?» informeerde dan hoogjes een van 't tweetal.
«Beroerd» wou 'k zeggen. Maar 'k bedacht me, dat men in zaken nooit te eerlijk moet zijn. Onverschillig sneed 'k daarom op:
«Langzaam aan, heeren, langzaam aan. Er is tot heden voor 'n vijftig gulden verkocht».
«Ha! Vijftig gulden?» riep m'n ondervrager verrast uit. Daarop haalde-ie 'n opschrijfboekje te voorschijn en teekende er iets in aan.
'k Keek verwonderd toe. Iemand van de pers misschien?
M'n bezoeker hielp me echter uit den brand.
«Mag 'k me eens voorstellen?» kraakte-ie correct. «Van Haersten tot Vleujen». (Te drommel, waar had 'k dien naam meer gehoord?) «Lid van 't Steuncomité hier ter stede. We stellen 't natuurlijk zeer op prijs, dat u zoo ijvert voor de goede zaak. Maar, u houde 't mij ten goede: als u eens wist, op hoeveel manieren onder ónze vlag 't eigen voordeel wordt gediend! Ze exploiteeren ons maar, ze exploiteeren ons maar! Ja, ja! Vijftig gulden dus! Mooi! We zullen van onzen kant wat menschen aanmoedigen, de expositie te bezoeken. U beseft, dat helpt enorm. En dan, sta ons toe, dat we uw taak wat verlichten. Wij willen niet, dat u alles alleen doet. Elken dag van tien tot vier hier te staan, dat mogen we niet van u vergen. Meneer hier, die, om zoo te zeggen, een van onze inspecteurs is, zal u bij den verkoop behulpzaam zijn. Hij is 'n zeer werkzame en vertrouwde kracht. 'k Wil intusschen ook mijn steentje bijdragen tot 't goede doel».
'k Boog. De spiegel hing er niet meer. Anders had ik waarschijnlijk kunnen constateeren, dat 'k er ongewoon bleek uitzag. De inspecteur keek me doordringend aan. 'k Moest me dus goed houden. En glimlachte.
't «Steentje» van 't comité-lid werd een van de ontelbare uien, ditmaal «met banaan». Vijf gulden werden op m'n tafel gedeponeerd ('k zie ze nòg schitteren) en dadelijk geboekt. Met 'n zorgvuldige buiging nam de heer van Haersten tot Vleujen afscheid. De ander bleèf.
Toen Jos terugkwam, heb 'k 'm mee naar boven genomen, naar zolder. Daar, tusschen de opgestapelde meubels, heb 'k 'm de situatie uitgelegd. 'k Deed nogal zenuwachtig. Jos staarde me wezenloos aan. Daarop begon-ie aan al z'n haren te rukken. Met z'n elleboog stiet-ie 'n pendule van 'n soort console en hij raasde:
«M'n werk! M'n kostbare werk! Sluit de tentoonstelling. Direct! Ben ik in de wieg gelegd voor filantroop? Hoe kan 'n vriend je zoo iets aandoen!»
'k Trachtte 'm te kalmeeren. En wees er op, dat sluiting op 't moment onmogelijk was. Wat moest 't comité er wel van denken?
«Maar m'n arbeid van jaren dan!» huilde-ie met weer 'n pluk aan z'n haar. «Straat-arm maak je me, 'n bedelaar!»
«In 's hemelsnaam, spreek wat zachter» smeekte 'k, met m'n gedachten bij den «inspecteur». Werktuiglijk tastte 'k naar m'n zak. 'k Leende Jos 'n tientje. En 's middags nam 'k 'm weer mee naar «Riche».
De volgende dagen belde er nu en dan iemand aan bij «Artis Pictura». De heer Tot Vleujen had nogal connecties. Er werd gekocht, al was 't niet veel. 'n Tiental rijksdaalders verdwaalden «tijdelijk» naar m'n portemonnaie.
Al die vreemde menschen in m'n huis, 't werd me 'n gruwel. Op 'n dag kneep 'k er 's morgens vroeg al tusschen uit. Tegen sluitingsuur kwam 'k thuis. De «inspecteur» zag er hoogst vergenoegd uit. 'k Keek 'm vragend aan.
«De verkoop stijgt» zei-ie verheugd. «Heden twaalf stuks verkocht».
'k Zocht op de tafel.
«O» hielp m'n zaalwachter me uit den droom, «die heeft die andere meneer, die vriend van u, onder z'n beheer. Of 'k u maar groeten wou».
't «Beheer» van Jos! De toestand werd onhoudbaar. Hoe meer succes de tentoonstelling kreeg, hoe meer 't me zou kosten. 'k Zat in 'n labyrint.
't Einde kwam zeer onverwachts. De expositie was zoowat twee weken geopend. Ze kreeg steeds meer toeloop. De kranten schreven er sympathiek over en meldden, op verzoek, niet den naam van den schilder. Deze bescheidenheid werd 'm als 'n extra verdienste aangerekend. Hij kreeg 'n anonieme vermaardheid.
Ik zelf voelde me als dakloos. 'k Sliep niet meer thuis. Die uien met en zonder, die appelen, 'k had ze tegengegeten. 'k Kon ze niet meer zien.
Eens, nadat ik 2 maal 24 uur onder water was gebleven, belandde 'k weer in Artis Pictura. Nauwelijks boven, werd er gebeld. Jos, vol-ijverig (z'n oogen kregen langzamerhand de schittering van 'n dubbelen rijksdaalder) deed open. Plots hoorde 'k 'm echter de trap opstuiven, in vlucht. 'k Trad naar 'm toe. Hij duwde me op zij, rende de zoldertrap op. «Deurwaarder!» fluisterde-ie me nog toe. Daarop hoorde 'k boven 'n sleutel tweemaal in 't slot draaien.
'n Dik heer hijgde zich naar de expositie-zaal. Schuin over z'n buikglobe betuurde-ie m'n wanden. Bij den eersten blik echter reeds keek-ie verrast. Dan ontsnapte 'm 'n verbaasd «tsjs, tsjs». 't Was precies, of 'n ketel stoom uitliet.
«'k Had--'t--moeten--begrijpen», stuwde-ie moeizaam uit. «Natuurlijk! Hen--ke--man! O, maar--dat--gaat--zóó--niet!»
Hij koerste op me af. 'k Besefte ten volle 't gevaar, waarin 'k verkeerde. Onversaagd moest 'k er me doorheen slaan.
«Me-neer!» begon de deurwaarder en hij gaf me 'n breed exposé van z'n verhouding tot J. Henkeman, kunstschilder.
«Pardon!» hoopte 'k 'm te overrompelen. «De heele collectie is sinds kort m'n eigendom».
«Ha ha!» lachte de vreeslijke man en 'k kreeg de gewaarwording, dat m'n «Artis» met 'n nijlpaard verrijkt was. «Dat kennen we. Jawel!»
«Ach, neemt u mij niet kwalijk, wat zei u, uw eigendom?»
'k Dacht zóó bij m'n beneden-buren terecht te komen: de grond onder me wankelde. Waar kwam die meneer van Haersten tot Vleujen opeens vandaan? 'k Had 'm nog niet opgemerkt.
«Doorgestoken kaart, meneer» lucht-exploosde de gevreesde man van dagvaardingen en andere gruwlijkheid. «We hebben dat--meer--bij de hand gehad».
«Ach, laat u mij even uitspreken, hè?» kriegelde Tot Vleujen met z'n gewoon aplomb, waarvoor zelfs het wettelijke, monster, dat mijn salon bestookte, moest wijken. En zich tot mij wendend, ging 't comité-lid verder:
«U zei.... Hm! En de jeugdige, talentvolle kunstenaars, die zoo belangeloos.... Expliceert u mij dat eens».
'k Heb den heer van Haersten terzijde genomen en alles uitgelegd. 't Was 't eenigste, wat er voor me opzat. Dat kwartier uit m'n leven vergeet 'k nooit.
M'n toehoorder wond zich 'n oogenblik zóó op, dat-ie z'n correctheid bijna verloor. Daarop begon-ie 't geval echter wat menschelijker te bezien en 't eind was, dat iets van 'n glimlach over z'n welgedaan uiterlijk toog. Toch bleef-ie zakelijk.
«Enfin» besloot-ie. «U draagt 't Steuncomité 50 pCt. af. Dan zullen we er niet meer van spreken. Men exploiteert ons maar, men exploiteert ons maar! En we sluiten vandaag de expositie».
«Graag!» stemde 'k van harte toe. Eindelijk zou 'k dus weer 'n huis hebben!
«Sluiten?» vroeg de deurwaarder, die nog steeds als 'n Atlas z'n globe stond te torsen. «Enne....»
Toen heb 'n lange explicatie met hèm gehad. Met z'n visch-oogen keek-ie me wantrouwend aan. En telkens als er 'n adem-stoot kwam, was 'k bang, dat 'k weggeblazen werd.
Ten slotte was-ie er achter.
«Dan ìk de andere 50 pCt. Of--'k maak 't bekend».
'k Protesteerde. 't Hielp niet. 'k Vocht tegen 'n walvisch.
We zijn gaan rekenen. De inspecteur had alles onaangenaam nauwkeurig geboekt. Een en vijftig Stemmingen, Appelen met dit en met dat, tegen 'n eenheidsprijs van vijf gulden, maakte.... 't Was heel eenvoudig. Op de tafel lag niets. En persoonlijk had 'k slechts 'n tientje opgestreken, want, hòe 't ook ging, aan Jos' «beheer» was niet te ontkomen. 'k Betaalde dus twee honderd vijf en veertig gulden. En annonces, «zaal-huur», alles was voor mij. Vervolgens is de nood-expositie zonder woord van dank gesloten.
'k Heb boven 'n hartig woordje met Jos gewisseld, hij àchter, ik vóór de zolderdeur. Op 't laatst werd-ie driest, kwam er uit en verweet me, dat al z'n bèste werk voor 'n appel en 'n ei gegaan was.
«Ja, appelen en uien!» maakte 'k me driftig. «Hou maar op! Dat is je dank. Haal die rommel dadelijk weg. Geen dag langer wil ik 't in huis hebben. 't Verslindt kapitalen. Artis Pictura!»
De Volksbond is er weer aan te pas gekomen. Het is merkwaardig, hoe doorzettend deze lieden zijn. En niets vergaten ze, zelfs geen gember-pot.
Jos heeft me 'n heel boozen brief geschreven. En Co krabbelde er nog 'n regeltje onder, dat lang niet slaperig was. Vrouwen laten zich nu eenmaal door haar echtgenoot verblinden.
Wanneer 'k weer eens langs de Henkeman's kom, bel 'k nièt aan.
DE SCHMINKDOOS.
Liefhebberijen zijn toch altijd wel aardig. Timmeren bijvoorbeeld en draaien en zoo. Dat heb 'k zelf ondervonden, zijdelings. Op deze manier:
't Zomerde. 't Werd vervelend in de stad als in 'n kapellen-verzameling. 'k Ging dus naar buiten.
'k Koos Geeswijk. Dat was «je», want je kon 't haast niet vinden. Eerst ging je natuurlijk per trein. Dan per stoomtram. Dan met 'n paardentrammetje in aanleg. Eindelijk nog 'n stukje zoo maar. Dan was je er, sóms.
Je vond er hei, naar allen kant, in alle kleuren, overal. 'k Zat dus maar in de warande van m'n hotelletje. Daar zag je de hei óók en op je gemak. Wat zal een mensch zich moe maken?
Maar op 'n vrééslijk mooien dag ging 'k toch wandelen. Als je ook buiten bent! 'k Kwam, langs hei, óver hei, dóor hei, aan 'n weggetje, waar 'n villa stond. 'k Had 't ding nog nooit gezien. Natuurlijk niet! Want 't lag àchter m'n hotel en 'k zat altijd aan den voorkant. Voor omdraaien was 'k te lui.
'k Verwonderde me, wat dat ding daar op dat weggetje deed tusschen al die hei. Toen zag 'k hèm.
'k Herkende 'm eerst niet. Hij was veranderd, heelemaal bruingebrand. Net 'n Arabier. 'n Hei-Arabier.
Hij kwam op me toe met uitgestoken hand (de andere hield-ie in z'n zak, uit verveling). Hij had 'n fluweelen buis aan en 'n tamelijke broek. Z'n schoenen waren in geen week gepoetst.
«Wat doe jij hier?» vroeg 'k verbaasd. Want 'k had 'm als student gekend, vóór jaren. Toen was-ie altijd akelig gesoigneerd. In dàt opzicht constateerde 'k althans verbetering.
«Schilderen» antwoordde-ie onverschillig. «Maar....» (en z'n oogen flikkerden op!) «'k timmer ook wel».
«Timmeren?» vroeg 'k.
«Ja», zei-ie, haast nijdig. «Natuurlijk. Je kunt niet altijd schilderen. Dan ga je dood».
'k Had daar geen ondervinding van, dus sprak 'm niet tegen.
«Kom binnen» deed-ie weer vriendelijk.
'k Trad 't tuintje in. 't Zag er verwaarloosd uit, als z'n schoenen. Ik màg zoo'n wildigheidje wel.
«Ga mee» zei-ie kort.
'k Dacht, dat-ie me z'n «villa» wou laten zien. Maar 't viel mee. Hij bracht me àchter, voorbij z'n moestuin.
Daar stond z'n atelier.
«Ha!» zei 'k. «Je werk. 'k Ben benieuwd».
«Ach wat» mompelde-ie weer onverschillig. En hij liet z'n atelier links liggen. En bracht me in 't schuurtje er naast.
«Hier timmer 'k» zei-ie stralend.
«Hum» deed 'k neutraal. 'k Nam 'm eens aandachtig op. 'k Vond 'm wat vreemd. En 'k begreep 'm niet goed.
«Timmeren?» vroeg 'k weer. «En je schildert?»
«Ook» bromde-ie ontstemd. «Daar!»
«En lóopt je zaak?» informeerde 'k belangstellend.
«Wélke zaak?»
«Wel, je timmer-zaak natuurlijk».
«O, dat is liefhebberij» lichtte-ie me eindelijk in. «M'n vak is schilderen».
Ha, 'k wàs er nu dan toch. Gelukkig!
«'k Had 't moeten begrijpen» verontschuldigde 'k me. «Jullie artisten zijn altijd onpractisch. Laat me je werk nu eens zien».
Hij krabde zich 't weelderige haar.
«'k Heb den laatsten tijd niet veel gemaakt» zei-ie, half verlegen.
«Zoo? Lui geweest?»
«Dat niet» legde-ie uit. «Maar 't vindt zoo weinig aftrek, weet je».
«Ja» troostte 'k 'm. «Dat is in de stad net zoo. Maar je hebt toch wel wàt?»
«O, jawel».
Hij keek rond.
«Kijk» wees-ie me dan. «Die stoof. 'n Moeilijk onderwerp. Vijf gaatjes».
«'n Stilleven?» vroeg 'k nog.
Maar hij bedoelde 'n héúsche stoof, die-ie getimmerd had. Hij nam 't ding op, liet 't me zien. 't Bleek 'n zeer schetsmatige stoof. Eiglijk moest 't nog stoof wórden. Of misschien 'n sigarendoos. 't Was twijfelachtig.
«Maar 'k vroeg naar je werk, je échte» maakte 'k me warm. «Al zijn 't maar studies, 'n krabbel. Daar smul 'k van».
«O!» haalde-ie z'n schouders op. «Als je dan bepaald wil. Maar.... 't is zoo vervelend!»
Hij duwde 'n deur open. We stonden in z'n atelier.
'k Snuffelde rond. Koeien, halve koeien, koeien in aanzet, koeien in opzet, koeien in eerste lijn. Ook portretten. Affe, half-voltooide, verdoezelde, schemerende. 'n Enkele maal was 't niet volkomen duidelijk, of 'n koe bedoeld werd dan wel 'n portret. Ook 'n paar landschappen, veel gras, érg groen. 'k Hoùd niet van groen. Ieder z'n smaak. Hij had gelijk. 't Wàs.... vervelend.
«Kom toch hier» hoorde 'k uit de schuur. Beukers--o, ja, eindelijk herinnerde 'k me z'n naam. 'k Zat er al over in--was weer terug naar z'n zagen en schaven en spijkers. Andermaal gaf 'k 'm gelijk. Die onménschlijke koeien!
M'n hei-vriend peuterde met 'n beitel aan 'n plank. Uit z'n zak stak 'n drilboor.
«Timmeren is heerlijk» sprak-ie als 'n kind.
«'k Kan 't me begrijpen» stemde 'k toe. Als je ook geen keuze had dan tusschen dat en.... dat andere!
«Kijk» wou-ie me winnen voor z'n liefhebberij. Maar 'k moest even naar buiten. 'k Zag nòg die portretten!
'k Heb Beukers die vacantie-week nog 'n paar keer bezocht. Hij was getrouwd, had drie kinderen, was dus compleet.
«En bevalt 't u hier buiten nogal, mevrouw?» vroeg 'k in den vorm.
Z'n vrouw zei er niet veel op, keek maar naar de hei. Dàt is 't, wat 'k tegen 't huwelijk heb. Er zijn altijd twee menschen voor noodig. En licht dat er dan één op een of andere manier bij te kort komt.
Bij m'n tweede bezoek al was Beukers minder opgewekt. Hij deed afgetrokken, melancholisch.
«Wat heb je?» vroeg 'k op den man af.
Toen lei-ie me z'n hart bloot. 't Kwam door z'n liefhebberij. Hij wist er geen weg meer mee. Hij wou timmeren, zagen, schaven, maar wàt? In Geeswijk kende-ie niemand. Z'n vrouw had al drie stoven, in z'n atelier stonden nòg meer lijsten (hoogst primitieve!) dan schilderijen, en z'n kinderen had-ie reeds met zòòveel houten speelgoed verrast, dat ze er niet meer van wenschten te accepteeren. Daar zàt m'n Arabier.
«'n Moeilijk geval», peinsde ik. Kon 'k 'm maar helpen!
Daar schoot me iets te binnen. 'k Zag licht!
«Kerel», zei ik, «als je us 'n schminkdoos voor me maakte?»
Beukers' oogen fonkelden. En de krul in z'n baard leek me meer geaccentueerd.
«'n Schminkdoos, zeg je?» vroeg-ie zenuwachtig.
«Ja», ging 'k door, verheugd om die vondst. «De mijne is stuk. Je weet, 'k speel 's winters comedie. 'k Wou wel graag 'n nieuwe hebben. Maar 't moet 'n beetje 'n stevige zijn, zie je? Want er wordt op reis nogal mee gesold en gegooid. Doè je?»
Hij was opgestaan, blij, verward. «Maar is dat niet moeilijk, zoo'n doos?» aarzelde-ie nog.
«Wel nee, kerel», sprak 'k 'm moed in. «'k Zal je natuurlijk precies opgeven, hoè 'k 'm hebben moet. Dat is voor jou 'n peulschilletje. Jij met je gereedschap!»
«Kom mee!» deed-ie opeens enthousiast. «We beginnen».
We gingen weer naar de schuur. Beukers haalde 'n vervaarlijk timmermans-potlood uit, nam groote vellen papier en tot driemaal ontwierpen we 'n schets. De eerste leek op 'n verhuiswagen, de tweede op 'n hondenhok, de derde had ièts van 'n schminkdoos.
«Kijk», lei 'k uit. «Hier 'n laadje voor pruiken. Daar ruimte voor handdoeken. Hier berg 'k m'n poeierdoos. Daar schmink-rommel. En boven....»
Beukers kon 't niet bijhouden. 't Duizelde 'm. 'k Begon opnieuw. Nog eens. Nog eens. Toen was-ie er eindelijk zoo wat achter. Maar z'n notities moesten nog gerangschikt. Dan kwam 't wel in orde.
Dien middag bleef 'k eten. We praatten tot diep in den nacht over 't plan. Beukers had wèrk!
Die schminkdoos bracht 'n algeheele verandering in Beukers' leven. Voor dag en dauw was-ie in de weer, sloot zich op in z'n schuur. Daar werd niemand toegelaten, ook ik niet. 't moest 'n verrassing voor me blijven. Z'n vrouw en kinderen zàgen 'm niet.
«Kerel, je overwerkt je», zei 'k beangst, toen 'k na de koffie weer eens bij 'm opliep. «Laten we 'n fietstochtje maken. Dat zal je opfrisschen».
Hij vond 't goed. En we zijn gaan trappen. Verschrikkelijk! Als zoo'n hei-Arabier er eenmaal 'n gangetje in zet! 'k Moest wel mee, want 'k had 't plannetje voorgesteld. Maar 'k zag geen heilig huisje, of 'k stapte even af. En dronk wat. En hìj dronk wat. En ìk betaalde. Zoo wàs Beukers nu eenmaal, erg aan den zuinigen kant.
Voor 'k uit Geeswijk vertrok, heb 'k 'm bij me te dineeren gevraagd in m'n hotel--z'n vrouw was dien dag toevallig niet erg lekker. 'k Heb 'm iets heel fijns voorgezet. Iemand die ook zoo aardig voor je is! En 'n flesch! En 'n sigaar! En 'n likeurtje! Enfin, 'k haalde uit.
«Wordt-ie mooi?» vroeg 'k nieuwsgierig.
«'n Pracht-stuk!» betoogde Beukers. 'k Liet nóg twee likeurtjes komen.
«'t Zal wel 'n erg peuterwerk voor je zijn», informeerde 'k verder.
Beukers zette 'n paar oogen op als de koeien (halve, heele en de andere) in z'n atelier.
«Peuterwerk?» vroeg-ie verbaasd, «'k Heb geen handen meer aan m'n lijf».
«Zwaar hout?» opperde 'k.
«Vreeslijk zwaar», stemde-ie toe. 'k Liet champagne aanrukken.
Thuis vertelde 'k m'n vrouw van de schminkdoos, welke in aantocht was. Ze was niet mee naar Geeswijk geweest wegens familie-omstandigheden. Zoo heette 't tenminste. Maar 't geheim zat 'm hierin, dat ze wel 'n straat- en 'n strandpakje, maar geen hei-costuum had. En dan gaat gèèn vrouw naar Geeswijk.
«Aardig voor je», zei ze vriendelijk, «zoo'n doos».
«Ja», zei 'k blij.
De schminkdoos kwam maar niet. 'k Wachtte, weken, weken. Toen vergat 'k 't ding.
Op 'n Zondagmorgen--de meid was uit, dus 'k moest zelf open doen--hield er 'n wagen van 't spoor voor onze deur stil. 'k Ging de trap af. Wat kon dat zijn?
«Asjeblieft, meneer», zeien twee mannen, zonder stem meer, zoo sjouwden ze. «Afteekenen». En ze zetten iets voor m'n huis, onbeschrijflijk!
«Wat moet dat?» vroeg 'k onthutst. «Geen aardigheid alsjeblieft. Je bent verkeerd».
«Toch niet, meneer». En ze lazen 't adres op.
'k Monsterde 't monster, 't gevaarte. Zat er 'n piano in dat getimmerte? En wat 'n ijzerbeslag en 'n hangslot!
«Waar komt dat vandaan?» vroeg 'k nog, verward.
«Uit Geeswijk, meneer».
Toen begreep 'k. 't Was de schminkdoos....
Voor twee kwartjes wilden de mannen de brandkast wel naar boven hijschen. Maar dan moesten ze ook nog 'n fleschje bier. 'k Stemde toe in alles.
M'n vrouw was bleek van den schrik. Zelf stond 'k met stomheid geslagen.
Er was 'n briefje bij. 'k Las 't, werktuiglijk.
«Amice,
Hierbij je schminkdoos. 'k Hoop, dat er ruimte genoeg is voor de handdoeken. Je hoeft me natuurlijk alleen maar 't hout te betalen en 't ijzer en de andere kosten, samen f 23.35. Wil je er me bepaald 'n aardigheidje voor terugsturen, ga je gang. Maar 't hoéft niet. Gegroet!
Je Beukers».
'k Denk nog altijd over 't «aardigheidje», dat 'k 'm zenden zal. Als iemand misschien eens iets weet, een of ander martelwerktuig?
Met die schminkdoos kan 'k nergens meer 'n engagement krijgen. 't Wordt te duur op reis. Zooveel vracht!
We zijn er ook grooter voor gaan wonen.
"BOMMIE".