Part 2
'k Stond aan 't fonteintje, goochelde met 'n stukje zeep. Zóó had je 't, zóó had je 't nièt. En de handdoek was zoek. Chris kon me niet helpen, want die was voor uren naar huis gestuurd met 'n halve ham en 'n flesch port. 'k Sloeg m'n handen uit, spatterde van Stralen in 't gezicht. Van Stralen is 'n aardige kerel, die iets bij de «belastingen» doet. Hij was me zoo maar achterop geloopen en wou zich nu ook wat verfrisschen.
«Gezellige pan, hè?» vroeg-ie enthousiast.
'k Stemde van harte toe, gestreeld, want eiglijk beschouwde 'k 't feestje toch als mìjn fuif.
«'t Gaat ze tegenwoordig goed» vervolgde van Stralen opgewekt en op zijn beurt begon-ie 't spelletje met de zeep. «Hij verkoopt meer dan-ie maken kan. 'k Heb vanmiddag net nog 'n aardig ding op de kop getikt. Twee uien met 'n sinaasappel en 'n achtergrond. 'n Fijn stukje».
M'n handen waren opeens droog, «Twee uien?» vroeg 'k.
«Ja» blies van Stralen, die bepaald te veel gegeten had, «en 'n sinaasappel en dan nog iets, dat je niet erg goed zien kan. 't Is heel mooi. Ga maar eens mee kijken».
Hij ging me voor, onafgedroogd. We traden weer in 't gezellige «vóor». Doch daar zag 'k juist Jos in druk gesprek met Bouwer--òòk 'n heel aardige kerel, 'k geloof aan 'n ministerie--vlak voor mijn uien, die nu van van Stralen waren. 'k Begreep de situatie, troonde van Stralen onder 'n voorwendsel mee naar 'n anderen hoek van de kamer. Geen drie minuut later, of Jos drukte Bouwer stevig de hand: de zaak scheen beklonken. Toen kregen we nog champagne.
Den volgenden morgen--'t was laat geworden 's nachts en 'k lag nog te bed--kwam Jos bij me met 'n mismoedig gezicht en.... de uien.
«Zoo? Zijn ze daar dan toch?» vroeg 'k verheugd en 'k richtte me half op.
«Ja» bromde-ie, «maar als je 't me niet kwalijk neemt, wou 'k er wel mee op stap».
«Hoe bedoel je?» vroeg 'k, op alles voorbereid.
«Die uien doen me de dood aan!» riep-ie woedend uit. «'n Croûte, 'n ding zonder idee! Wat is in 's hemelsnaam 'n ui! En ze zijn er allemaal dol op, stapel, gek. Ze vallen er op aan als uitgehongerde wolven. Jij, hij, zij! En die gehate dingen zullen op 't laatst nog m'n uitkomst zijn! Jij wou ze gister met alle geweld hebben, weet je nog wel? 'k Heb je nog teruggehouden, gezegd: «kerel, neem de doode kraai. Van dat dier zul je plezier hebben». Maar nee, jij zou en moest de uien. Nu, je hèbt ze dan ook».
Hier wou 'k protesteeren, want 'k dacht aan Bouwer en van Stralen. Doch als Jos eenmaal op dreef is, krijg je er geen woord tusschen.
«'k Heb 'n dinertje voor je ingericht, omdat 'k je handelwijze zoo attent vond» vervolgde Jos met 'n razenden pluk aan z'n haar. «Ook is Co maar ééns jarig. Eenvoudigjes natuurlijk, onder ons. Maar 't valt toch niet mee. Er komen altijd meer lui dan je denkt en je wilt toch ook geen honger lijen. En vlak nadat je 's middags weg ging, kwam die fielt van 'n schoenmaker met zóó'n rekening. Die had wèl terug van zestig. Toen van Stralen dan ook--hij was wat vroeg--absoluut die uien wou (hij was er gewoon niet van weg te slaan, idioot!) heb 'k ze 'm maar gelaten, voor vijftig gulden, 'n krats, cadeau. O, dan krijg jij nog tien van me, hè? Ach, nee, hoe zit dat nu ook weer? M'n kop loopt om van al die misère en 'n ideeën als 'k vanmorgen weer had! Dat krijg 'k altijd na zoo'n avondje. 'k Kan er eiglijk niet tegen. Enfin, we rekenen nog wel af.
En 's avonds kreeg Bouwer 't ook al te pakken. Hij wou er 'n moord voor doen, zei-ie. Nu, je begrijpt, dat wou ik niet, voor nog geen honderd uien! En we moesten den volgenden dag toch òòk nog leven. Met die paar blikjes zalm doe je niet lang. Dus, om van 't gezeur af te zijn, heb 'k 'm maar niet teleurgesteld, voor veertig gulden. Belachelijk! Maar vanmorgen hebben ze gewoon de bel bij ons uit de deur gehaald--of ze 't ruiken, de hyena's!--Chris heeft geen woord kunnen inbrengen en nu heb 'k nog precies dertien en 'n halve cent. Haha, 'n kunstenaarsbestaan! Je verkoopt al je hebben en houwen voor 'n krats en nog lijd je armoe! En je echte, zuivere, mooie werk--'k bedoel nog niet eens «de dooie kraai»--willen ze niet aan!--En nu wou 'k je vragen, beste kerel, omdat jullie alle drie die uien toch niet kunt hebben en omdat daar nu zoo'n verkoop in schijnt te zitten, leen me even 'n fatsoenlijk overhemd en 'n boord en vijf pop. Dan rij 'k naar die nieuwe kunstzaak in de Langstraat en 'k ben weer in bonis en je neemt maar uit m'n «hol» wat je wilt. Je weet, vrienden kan 'k niets weigeren».
'k Dacht weer aan Co, Jopie en 't aardappelmandje en.... 'k was overgehaald. Jos trok m'n beste overhemd en m'n hoogste boord aan en 'k gaf 'm vijf pop, om mìjn uien te verkoopen. Toen ben 'k nog maar wat blijven liggen. En 'k heb veel nagedacht.
Jos heeft de uien niet verkocht. De kunstzaak wou ze niet aan. Daarop heeft Jos, zonder aan de drie eigenaars te denken, ze uit kwaadaardigheid verscheurd mèt den sinaasappel en den onduidelijken achtergrond. En hij heeft gezworen, dat-ie nooit meer één ui schilderen zou, al moest-ie ook verhongeren.
Tegenwoordig loopt Jos elk oogenblik bij me op, of 'k niet eens iets bij 'm kom uitzoeken in ruil voor 't vernietigde stilleven. Maar 'k durf niet goed. 't Komt altijd duurder uit, dan je denkt. En Jos is zoo slordig met overhemden!
«Van Stralen en Bouwer laten zich niet meer zien» vertelde-ie me met 'n zucht. «En dat allemaal om die verwenschte uien! Heb 'k gelijk, dat 'k ze nooit meer schilder?»
«Of je!» stemde 'k toe. En 'k heb 'm beloofd, dat 'k morgen bij 'm zou aanloopen.
Maar 'k gà niet!
DE NOOD-EXPOSITIE.
Omdat 'k, door de algemeene malaise, toch niets te doen had, belde 'k bij m'n vriend Jos aan.
Dat is m'n noodlot. Ieder heeft zoo z'n buitenissigheidjes, z'n zwak, z'n zonde. De een houdt er 'n villa op na, waar-ie nooit komt, 'n ander 'n «stoom»-fiets, waar-ie niet op terecht kan, 'n derde 'n meisje, dat-ie niet meer bezoekt. Ik heb m'n vriend Jos. Ofschoon 'k weet, dat-ie me nooit anders dan onaangenaamheid bezorgt en 't me altijd, hoe 't ook draait, geld kost, kan 'k toch de verleiding niet weerstaan, 'm nu en dan weer eens te bezoeken. M'n heiligste voornemens zelfs zijn daar niet tegen bestand. 't Is de drang naar zelfvernietiging, welke in elk mensch schuilt. 'k Vecht er maar niet langer tegen.
'k Belde dus aan bij m'n vriend Jos. Er werd niet opengedaan. Dit wist 'k van te voren. Bij Jos wordt nooit opengedaan. Dat is systeem. 't Leven leidt soms tot wrange consequenties.
'k Deed 'n stap naar achter, door de ramen van z'n benedenhuis te turen. Die zijn ondoordringbaar, wijl bijkans tot 't plafond dicht-begordijnd. «Dat is 't eenige, waarom je blij moet zijn, als je schilder bent» had Jos me wel eens gezegd. «Ze kunnen tenminste niet zien, of je thuis bent!»
'k Stond besluiteloos. Alle geheime teekens hadden indertijd op den duur gefaald. Zelfs 't driemaal zacht tikken, gevolgd door 'n luide kuch, was door schuldeischers afgekeken en had Jos in de grootste moeilijkheid gebracht. En 't werd lastig, telkens weer 'n nieuwe krijgslist te bedenken.
Daar schoot me 'n ouwe truc te binnen. 'k Belde nog eens, deed dan m'n kaartje glijden in de busklep--ook die «doorkijk» was hermetisch gesloten: er flapperde 'n gordijntje achter, naar 't heette voor den tocht--en kuierde langzaam op. Als Jos er nu maar op inging! Want ook met kaartjes was al gefraudeerd, zoodat Jos niets of niemand meer vertrouwde. Doch hoe zou een van z'n schuldeischers nu aan mijn visite-kaartje komen?
'k Keerde op m'n schreden terug. Gelukkig, 't had geholpen! Jos' deur kierde en, toen 'k er weer voor stond, werd 'k ijlings naar binnen getrokken door 'n energiek rukkenden, manchetloozen arm. 'k Raakte bijna van den voet. Met 'n bons sloeg de deur achter me dicht. 'k Was in de vesting!
Jos keek me verwilderd aan. «Goddank, dat je d'r bent!» fluisterde-ie me toe met 'n voor hem ongekende hartelijkheid. «We snakken naar afleiding. 'k Word gek van de eenzaamheid. We zitten hier als op 'n fort. 't Is verschrikkelijk!»
'k Drukte 'm de hand, begrèèp 'm. «Ja» zei 'k, «'k had al eerder plan gehad. Maar omstandigheden, hè? Vrouw en kinderen wel?»
Weer zag Jos me verbijsterd aan, alsof 'n langbegeerde prooi eindelijk in z'n macht was geraakt. «Hm» mompelde-ie dan, «vrouw en kin.... Laten we liever over wat prèttigs praten. Maar.... kom binnen.»
'k Trad in z'n voorkamer, waar 't er zeer «gemobiliseerd» uitzag. En aan 't hand-dikke stof op lamp, schoorsteen en de weinige stoelen, bemerkte 'k dadelijk, dat er van 'n dagmeisje sinds weken geen sprake meer was.
Rondziend, ontwaarde 'k op de sofa bij 't raam 'n beweeglijk pakket, dat zuchten in mijn richting afzond. Dat kon niet anders dan Co zijn, begreep 'k. En m'n hand weer uitstekend, zei 'k op goed geluk: «Dag, Co.»
't Pakket, in 'n eens zalm-kleurigen lap gewikkeld, welke desnóóds voor peignoir kon doorgaan, richtte zich half op van de krakende sofa. Twee doffe oogen bestaarden me, vijf slappe vingers raakten me even aan. Daarop zonk alles weer ineen, tot niet. Onwillekeurig dacht 'k aan 't beeld van de kaars, welke nog eenmaal flappert, vóór ze........ Ach!
«Wat scheelt er aan?» vroeg 'k, niet gerust. «Wat heb je?»
Er kwam geen antwoord. Slechts 'n verwijderd gekreun, dat ook 'n gesmoord snorken kon zijn, drong tot me door.
'k Herhaalde m'n vraag. Toen, na nog 'n pauze, welke 'n eeuwigheid scheen, verzuchtte, wat daar nog leefde op de rheumatische sofa, molto ritardando:
«Ik...... sl...... aap.»
Verlucht richtte 'k me weer op. Er was dus nog geen gevaar!
«Ja,» venijnde Jos, langs me heen slungelend, terwijl-ie z'n broek zóó hoog optrok, dat 'k niet begreep, hoe-ie nog vóórt kon. «Ze doet niet anders. Lollig voor mij! Maar je kómt er hier wel toe. Zelfs geen krant krijgen we. (Ze willen me niet meer als abonné, de geldknijpers!) 'k Weet nauwlijks, of d'r nog oorlog is! Nona! 't Eenige, wat er voor ons op zit!»
Hier loosde Jos 'n geeuw, welke als 'n gat in de ruimte sloeg. Ook ik sperde m'n mond, van den weeromstuit. En 't werd hoogst hoorbaar, hoe Co, zooal niet de ééuwige, dan toch 'n zeer langdurige rust was ingegaan. Gezellige boel!
«Maar hoe leven jullie hier dan?» belangstelde 'k nog, beleefdheidshalve.
«We leven heelemààl niet» knarste Jos, moeilijk verstaanbaar. «We zitten hier opgesloten. Gevangenen, man, gevangenen! Ze hebben de bel uit de deur getrokken. Wat de menschen toch koppig zijn, om nù nog met kwitanties te komen! Dat wordt gewoon 'n manie van ze. Maar wie er komen moet, blijft weg: de bakker, de kruienier. Tusschen licht en donker moet 'k er als 'n misdadiger op uit, om brood, boter. En altijd zie 'k nijdige gezichten van lui, van wie 'k al jàrenlang klant ben, de ondankbaren! En deurwaarders, o, o! Maar dat zal ook niet lang meer duren. 'k Heb nog precies 12-1/2 cent. Dan gaan we maar allemaal liggen, naast Co. En ze zullen ons later vinden, ontbonden, met verstarde gelaatstrekken, 'n artistentragedie. Ha ha!»
Wild stiet Jos 'n piep-geluid uit en z'n haren wàpperden.
't Koude zweet brak me uit. Had 'k maar weer nièt aangebeld!
In 't atelier, achter, klonk geritsel, hardnekkig. 'k Luisterde.
«Wat is dat?» vroeg 'k, nieuwsgierig.
«Muizen!» fluisterde Jos met 'n stem, die al zwakker en zwakker werd. «Dag en nacht gaan ze te keer. Ze vinden niets meer, geen kruim. Straks beginnen ze nog aan m'n stillevens. Haha! Als ik ze niet voor ben!»
In Jos' oogen flikkerde iets, dat op krankzinnigheid wees. Verteerde de innerlijke vlam 't broze omhulsel?
«Spreek toch wat harder» zei 'k. «'k Versta je haast niet. Ben je verkouwen? Je praat zoo heesch.»
Jos sloeg 'n zonderlingen blik naar 't plafond. Dan blies-ie geheimzinnig in m'n oor:
«De boven-buren! Ssst! Als d'r gebeld wordt, waarschuwen diè, dat 'k thuis ben. Ellendelingen! Omdat 'k eens 'n pakje voor ze heb aangenomen, dat we maar opgegeten hebben. Rolham, stel je voor! Wie laat zoo iets staan, in deze tijden! Die lui hebben geen hersens».
Weer trok Jos verwoed z'n broek op. 'k Werd bang, dat er op die manier weinig van dat kleedingstuk zou overblijven.
Opeens voelde 'k 'n schrijnende pijn in 't meest rechtsche mijner beenen. 'k Keek omlaag. Er stak 'n pijl in m'n broekspijp.
«Au!» deinsde 'k onwillekeurig terug. Onder tafel zat Joop, de «aardige» oudste van de twee kleine Henkeman's, met opnieuw geladen boog. Schielijk week 'k nog op zij. En 'n tweede pijl vloog geruchtig tusschen m'n beenen door.
«Ze zijn niet vergiftig» lachte Jos satanisch. Hij scheen er bepaald plezier in te hebben, dat z'n jongen me vrees aanjoeg. 't Scheelde weinig, of hij hitste 'm aan met 'n: «Pak ze! Ks, Ks!»
Nu 'k z'n schuilplaats echter ontdekt had, was de aardigheid voor Jopie er af. Hij kroop onder de tafel vandaan en vermaakte zich 't verdere van de visite met voortdurend om me heen te draaien en me daarbij aan te gapen, of 'k 'n soort Boschjesman was. 't Was dan ook waar: de jongen was menschen ontwend.
'k Wou gaan zitten. «Pas op!» waarschuwde Jos met 'n gebaar, dat 'n trein tot stilstand zou hebben gebracht. «Die stoel niet! Dàar! Dàt is de goeie».
IJlings richtte 'k me weer op. In den huize Henkeman ontsnapte je elk oogenblik aan gevaren.
'k Zette me nu, volgens aanwijzing, dicht bij de schuifdeur, waardoor je in 't atelier kwam. 'k Keek er meteen binnen.
Daar hingen, stonden, lagen de mij welbekende studies, stillevens, krabbels, wonderlijke mensch-, ver- en andere gezichten. D'r kwam maar geen schot in den voorraad.
«Je moest eens iets actueels maken,» raadde 'k met de beste bedoeling. «Dat is 't eenige, wat op 't oogenblik pakt.»
Jos stoof op me af. 'k Dacht, dat 'k alweer op 'n verkeerden stoel zat!
«Schei uit!» raasde-ie, in spijt van de buren boven. «'t Heeft me al dol gemaakt. Iets actueels! 'k Heb 'n pracht-ding geteekend. Niet waar, Co? O, ze slaapt. Làat 'r. --'n Pracht-ding! De kanonnen reden door de lucht. Wat? Nee, ze renden, rolden, donderden. 't Was verschrikkelijk. Je hield je hart vast. Elk oogenblik dacht je: ze komen naar beneden. Kan 't spannender? Laat één me dat maar nadoen! En Co lag tegen 'n heuvel, handen voor 't gezicht, als schreiende vredes-maagd. Ze heeft me nog nooit zoo ontroerd. 'k Wist niet, dat m'n eigen vrouw zoo'n pracht-maagd was! En gewonden en vluchtelingen, voor alles had 'k gezorgd. 'k Ga er mee naar den Nieuwen Kunsthandel. 'k Denk: dàt neemt-ie zeker. Wat zegt de vent? «Neem weg dat ding! U ruïneert m'n zaak. U jaagt de menschen m'n winkel uit. Ze willen geen narigheid. Die lezen ze in de kranten al genoeg.» En ik met m'n kanonnen weer naar huis. 'k Verzeker je, dat ze me zwaar wogen.»
Jos streek z'n haren uit z'n voorhoofd, wat 'n heel werk was. Dan stak-ie z'n handen weer zoo diep in z'n broekzakken, dat 'k niet begreep, hoe-ie ze ooit weer terugvond en stapte als 'n opgejaagde kievit z'n atelier door. Werkelijk, de kerel behield toch altijd iets geniaals.
'k Volgde 'm, òòk om 'n oogenblik van Jopie bevrijd te zijn. De jongen maakte me bepaald verlegen.
«Waar zijn ze?» informeerde 'k, rondziend.
«Wie?» vroeg Jos, met z'n blik minstens bij 'n vergruizelde ster.
«Wel, de kanonnen!»
«O, die! Kapot. Verscheurd. Jammer genoeg. Maar 'k was ook zóó nijdig. En dan, 't maakte me beroerd, Co altijd vlak onder dat oorlogstuig te zien. Of je wou of niet, je kreeg 'n gevoel: straks gebeurt er wat! Dat houdt geen mensch uit.--Maar, 'k zal je verder vertellen. De menschen willen geen akeligheid, denk ik? Goed, dan maar wat lolligs. En 'k heb me daar 'n karikatuur op den oorlog geleverd.... ik ben d'r zelf drie dagen ziek van geweest; van 't lachen! Om bij dood te gaan! Soldaten met 'n kiespijn-doek achter 'n boterton, de vluchtende vijand op steigerende ezels, 'n generaal onder 'n paraplu; enfin, je kan 't je voorstellen. Ik er mee naar 'n zekeren--hoe heette-ie ook weer?.... o ja, van Haersten tot Vleujen. Die was me nog wel aanbevolen als 'n eerste collectionneur! Tot Vleujen ontvangt me aan 'n stevige kip met compote en meer van die sausnegerij. Hij ziet m'n teekening niet, of-ie vliegt op, razend, smijt servet, mes en vork over de tafel en hij brùlt: «M'n huis uit! Schaam u, meneer, in deze benarde tijden den spot te drijven met de onnoemlijke ramp, welke Europa teistert. Foei, foei!» De man werd zoo rood, dat 'k voor 't ergste bij 'm vreesde. «Eet smakelijk», zeg 'k en 'k laat 'm met z'n benarde tijen bij z'n lunch, die er wezen mocht, hoor! Maar je begrijpt, de liefhebberij bij mij was er af».
Jos lachte bitter. «Multatuli!» dacht 'k. Daarop deed-ie me 't ergste aan, dat-ie maar bedenken kon: hij stak z'n steenen pijpje op.
'k Draaide me om, hoestte. Joop verdween naar de voorkamer.
«Oorlogs-tabak!» grinnikte Jos. 't Was 'n onbeschrijflijke lucht. Of-ie z'n pijp met 'n stukje heel oude zool had gestopt! En m'n sigaren-koker lag thuis. In zóóverre hielp z'n tactiek 'm dus niet.
'k Begreep, dat 't met Jos op z'n ergst gesteld was. Wie dàt rookte! Daar móést verandering in komen.
«Hou 'n expositie van je volledige werken», verzon ik. «Tegen 'n heel lagen prijs. 't Is toch noodtoestand».
Jos schudde halsstarrig van «nee». En na 'n paar rookwolken, waartegen ik bepaald meende te moeten protesteeren, knorde-ie:
«Kán niet. Heb 't al geprobeerd».
'k Keek 'm vragend aan.
«Helpt toch niet», ging-ie verder. Nog wou 'k aandringen. Toen sprak-ie één vreeslijk woord, dat alles expliceerde:
«Deurwaarders».
Daar zàt 'k met m'n idee. Jos' pijpje begon gootig te slobberen.
«Is d'r geen mouw aan te passen?» vroeg 'k nog.
«Hoè?» knerste Jos.
'k Peinsde.
«Als», kwam 't er langzaam bij me uit en 'k begon waarlijk al wat aan de oorlogs-tabak te wennen, «als die schilderijen van 'n ander waren, zoogenáámd. Hm, ja. Maar dan moeten ze vóór alles hier uit huis. Zou de kunsthandel niet....»
Jos deed 'n verwoeden trek, wat me haastig deed zwijgen.
«De uitzuigers?» barstte-ie los en àl z'n haren trilden. «Liever snij 'k m'n vingers af».
Dat wou 'k natuurlijk niet op m'n geweten hebben. Om 'm af te leiden, opperde 'k ondoordacht:
«Bij 'n particulier dan. Iemand wil je toch wel helpen?!»
«Wie?» vroeg Jos weer en z'n oogen boorden diep in de mijne.
'k Voelde me als op 'n hellend vlak. Er groeide 'n benauwende stilte. Wat had 'k aangehaald?
«Wie?» herhaalde Jos, bijna dreigend.
Daar ontstond leven op de sofa. 'n Vreeslijk gekraak van 't trotsche meubel bewees, dat de vredes-maagd ontwaakte. Of had ze heel niet geslapen? Spoedig moest 'k 't haast wel denken, want Co, in al 'r bekoorlijkheid van schilderseega, die gewend is te poseeren, met losse haren, lossen peignoir (of wat daarvoor doorging) en zóó losse muilen, dat ze er een van verloor, stevende recht op me toe en, met 'n stem, die geen tegenspraak duldde, zei ze:
«Jij natuurlijk! Onze vriend! Je hebt zoo'n mooi bovenhuis en je woont alleen. Voor 't Steuncomité, zeggen we. Als dat niet helpt!»
'k Zat geslagen. Dat er ook in die slaperige Co zoo'n listige Eva stak!
Jos stiet 'n Indianengehuil uit. Hàdden z'n haren overeind gekund, ze waren omhoog gegaan als duin-helm, van vreugde. Nu wàpperde-ie er slechts mee, hartstochtelijk.
«Vrouw! Co! Engel!» kreet-ie en van enthousiasme duwde-ie 'r bijna 'n oog uit. «Wat 'n begrip! Wat 'n verstand! Waar haalt ze 't vandaan? O, vrouwen hooren in den hemel! Co, laat 'k voor je knielen».
«Pas op die punaise», waarschuwde Co practisch. Dan noemde ze 'm nog «lummel», omdat-ie 'r oog zóó fel geraakt had, dat 't bepaald begon te tranen. Een en ander weerhield 'm van verdere exaltische uitingen.
Ik maakte bezwaar tegen 't plan. Vooral dat «Steun-comité» had allerminst m'n goedkeuring. Doch Jos, door z'n atelier dravend, alsof-ie 'n jacht-akte veroverd had, sloeg al m'n bedenkingen breed-geniaal een voor een den kop in. Hij wees zelfs op 't morééle van 't geval. Diende in dezen moeilijken tijd ieder niet z'n eigen steuncomité te zijn? «En dan», deed-ie royaal, «ze kunnen voor mijn part 50 pCt. krijgen».
«Zou 20 niet voldoende zijn?» vroeg Co, wier slaperigheid geheel geweken was.
«Of 10,» krabbelde Jos terug, die zich de lapjes van vijf en twintig al bij bundeltjes ontrukt zag. «Enfin, dat regelen we allemaal wel. 't Voornaamste is nu: aanpakken! Morgen hang 'k den boel bij je op. M'n volledige werken, haha! Als je maar plaats hebt! M'n uitbouw staat nog vol. 't Zal 'n evenement zijn!»
Zalig staarde Jos, dwars door de kast, waarin waarschijnlijk de muizen zaten, naar 'n toekomst, welke ik nog niet bespeurde. Hij zag zich al beróémd. Mocht 'k die illusie verstoren?
Plots hief de jongste der Henkeman's, die, ergens achter, 'r middagslaapje gedaan had, 'n vervaarlijk geschreeuw aan. Co, nu zonder één enkele muil, snelde (of ze ook wakker was!) naar 'r kind. Opnieuw snorde 'n pijl door de lucht: Jopie, die zich weer verdekt had opgesteld, heropende de vijandelijkheden. Hoe ontsnapte 'k aan zooveel bedreiging? Daar stopte Jos ten tweede male z'n pijp. 'k Voelde dat 'k wijken moest. En onmiddellijk! Met vele zware handdrukken nam 'k afscheid, m'n hoofd slechts vervuld van één ding: de nood-expositie. 't Deed er pìjn van.
Den volgenden morgen (Jos was voor zijn doen bijzonder vroeg uit de veeren) hielden drie wagens voor m'n deur stil. Mannen van den Volksbond zeulden 'n uur lang m'n trappen op en af. Toen er volstrekt niets meer bij kon, hielden ze er eindelijk mee op. Het waren hardnekkige lieden.
Jos, die met 'n stralend gezicht van m'n beste sigaren zat te rooken--hoe-ie die zoo dadelijk gevonden had?--zei gedachteloos:
«Ach, betaal jij even?» en 'k voldeed de stoere werkers.
«Je hebt ze toch gefooid?» vroeg-ie nog, achter 'n dichte wolk.
«Ja», zei 'k kort. «'k Dacht, dat je dat wel goed vond».
Jos knikte grootmoedig. Dan sprong-ie elastisch op en riep:
«Komaan, laten we maar dadelijk gaan ophangen!»
«Hang», meende 'k vriendelijk.
Er is tot 's avonds laat in m'n huis verwoed geklopt, geprikt, getimmerd. Jos is boven op m'n piano geklommen--z'n hakken zaten met spijkers--en heeft twee vazen gebroken en maar één aschbak. Niet één stoel, of hij heeft er op gestaan, gedanst, gezwengeld. Al mijn schilderijen, behalve 'n merkwaardig stilleven, dat 'n Henkeman was, zijn afgehaald en vervangen door de volledige werken van Jos. Waar 'k ook keek, overal gaapten z'n binnen- en buitenhuizen, z'n sinaasappels met en zonder ui, z'n portret-studies, z'n mystische krabbels van Co me triomfantelijk aan. Zelfs in de gang hingen ze, boven de trap. Ze waren niet te ontloopen.
«Waar laten we de meubels?» zwoegde Jos met aan elk zijner haren 'n druppel.
'k Keek 'm verbijsterd aan.
«Moeten die ook al weg?» vroeg 'k angstig.
Hij wierp me 'n blik toe, of-ie me opeten wou. Doch voorloopig begon-ie maar weer aan m'n sigaren.
«De menschen moeten toch kunnen lóópen», expliceerde-ie nog tamelijk bedaard. «'t Is hier 'n ex-po-si-tie! Die spiegel moet er ook af. Daar kan nog wat hangen».
Met dien spiegel heb 'k 'm geholpen. 'k Dacht aan m'n vazen en den aschbak. Daarop hebben we ons weer tot den Volksbond gewend en de drie zelfde stoere werkers hebben andermaal met zwaar bemodderde schoenen 'n vol uur door m'n huis gezworven, tot ze alles, wat hinderde, op den zolder, de bovengang en in m'n slaapkamer hadden geplaatst. Hoe 'k 's nacht in m'n bed moest komen, begreep 'k niet. Doch 't leven hééft nu eenmaal moeilijkheden.
«'t Begint er al aardig uit te zien», wreef Jos vergenoegd z'n handen. 'k Keek eens rond. 'k Zag enkel Henkeman's.
Toen is Jos met sjaals gaan drapeeren en doeken en oud lappen-goed en op de meest geheimzinnige plaatsen stelde-ie onverwacht 'n gemberpot op, waarvan-ie 'n onbeschrijflijke hoeveelheid bij zich had. Hier en daar kwam ook 'n lampion te bungelen, zoodat m'n huis langzamerhand min of meer 'n Oostersch aanzien kreeg. 'k Hoopte, dat 'k er aan wennen zou.
«Hoe heb 'k dat opgeknapt?» vroeg Jos, weer stralend.
'k Knikte, sprakeloos. 'k Had geen hoofd meer. 't Duizelde me en m'n ooren suisden. Ook vond 'k 't niet strikt noodzakelijk, dat al m'n Havana's in één dag werden opgerookt.
«Ja, neem me niet kwalijk», zei 'k dan met toonlooze stem, «maar 'k wou nu wel 'n stukje gaan eten».