Part 10
Verder als het lichaam gewaarwording heeft, moet het of enkelvoudig of gemengd zijn. Maar het kan niet enkelvoudig zijn, want dan kan het geen tastzin hebben, die het noodzakelijk moet hebben. Dit blijkt uit het volgende. Daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle lichaam tastbaar, d.i. waarneembaar voor den tastzin is, moet ook het lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal blijven. Want de andere gewaarwordingen als reuk, gezicht, gehoor gaan door middenstoffen, maar als er aanraking is zonder gewaarwording, zal het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven. Daarom ook is de smaak als een tastgevoel, want zij betreft het voedsel en het voedsel is het tastbare lichaam. Geluid en kleur en reuk voeden niet noch veroorzaken groei of afname. Dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn, omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is; deze nu zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder tastgevoel geen levend wezen kan zijn. De anderen zijn voor het hoogere en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar voor sommigen, als voor het voortgaande; want indien dit zich zal handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand gewaarworden. Dit is mogelijk, wanneer het gewaarwording heeft door de middenstof, doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het levend wezen door de middenstof. Want zooals het plaatselijk bewegende tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder gestooten te worden, het laatste alleen gestooten wordt zonder te stooten en het midden beiden, terwijl het midden veelvoudig is, zoo is het ook met verandering, behalve dat die plaats heeft terwijl het voorwerp zijn plaats bewaart, zooals indien men (iets) in was doopt, de was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat; een steen in ’t geheel niet, maar ’t water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en één is. 435a. Daarom is het betreffende weerkaatsing beter (te zeggen), niet dat het gezicht uitgaande weerkaatst wordt, maar dat de lucht door den vorm en kleur aangedaan wordt tot zoover hij één is. Op het gladde is hij één; daarom beweegt weder deze het gezicht, even alsof het merk in de was doorgevoerd werd tot aan het einde.
Dat het lichaam van het levende wezen niet enkelvoudig kan zijn b.v. van vuur of lucht, is duidelijk. Want zonder tastgevoel kan het geen andere gewaarwording hebben; want alle bezield lichaam bezit tastzin, zooals gezegd is. De andere elementen behalve aarde kunnen zintuigen zijn, en allen bewerken de waarneming door iets anders, de middenstoffen. De tastzin vereischt de aanraking van de dingen zelf en heeft daardoor dien naam. Evenwel ook de andere zintuigen nemen door aanraking waar, maar door iets anders heen, de tastzin blijkt alleen door zichzelf waar te nemen. Dus kan geen lichaam van het levend wezen uit dergelijke elementen zijn. Ook niet van aarde. Want de tastzin betreft alle tastbaarheden als een gemiddelde en het zintuig neemt niet alleen de verschillen van aarde op, maar ook van warm en koud en alle andere tastbaarheden. En daarom nemen wij door beenderen, haren en dergelijke deelen niet waar omdat die van aarde zijn. 435b. En de planten hebben daardoor geen waarneming omdat zij van aarde zijn; maar zonder tastzin kan geen andere gewaarwording aanwezig zijn en dat zintuig is noch van aarde noch van een ander element. Het blijkt nu dat beroofd van deze waarneming alleen de levende wezens noodzakelijk moeten sterven; want het is niet mogelijk dat een niet-levend wezen deze heeft noch is het noodzakelijk dat een levend wezen een andere behalve deze heeft. En daarom vernietigen de andere waarneembaarheden door overmaat het levende wezen niet, als kleur en geluid en reuk, maar alleen de zintuigen, behalve bijkomstiglijk als b.v. met het geluid tegelijk stoot en slag komt en door gezichten en reuk andere dingen bewogen worden die door aanraking vernietigen. Ook de smaak vernietigt in zoover hij tevens als aanrakend werken kan. Maar de overmaat der tastbaarheden als warme koude en harde dingen vernietigt het levende wezen; want de overmaat van elke waarneembaarheid vernietigt het zintuig, dus ook het tastbare den tastzin en daardoor is het leven bepaald, want er is aangetoond dat zonder tastzin het levend wezen niet kan bestaan. Daarom vernietigt de overmaat der tastbaarheden niet alleen het zintuig, maar ook het levende wezen, omdat het noodzakelijk dezen zin alleen moet bezitten. De andere gewaarwordingen heeft het levend wezen, zooals gezegd is, niet om het bestaan maar om het hoogere, als gezicht omdat het in lucht en water, of in ’t algemeen in het doorschijnende is en moet zien, smaak om het aangename en onaangename in het voedsel waar te nemen en te begeeren en aangedaan te worden, gehoor om een mededeeling te ontvangen, de tong om aan een ander een mededeeling te doen [66].
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Zie ook beneden.
[2] en zuiverder in Prof. Bolland’s logica.
[3] Inleiding No. 7.
[4] B.v. die der meetkundige figuren.
[5] Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus.
[6] Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende.
[7] Inl. No. 6.
[8] Inl. No. 9.
[9] Naar ’t Grieksche idioom ἤ τις ἢ οὐδείς („bijna niemand”) vertaal ik zoo hier ἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον.
[10] „Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders.
[11] Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.).
[12] Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover den koperen bol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ook niet gescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben.
[13] Zie 432 b 29 vlg.
[14] Inl. No. 4.
[15] De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn.
[16] Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden.
[17] Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984 b 19).
[18] Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag.
[19] Zie beneden.
[20] D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato.
[21] Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn.
[22] Anaxagoras.
[23] Slaat misschien op ’t einde van p. 403b of eerder op de Physica (256 b 23 vlg.)
[24] D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus.
[25] Plato Tim. p. 34 B enz.
[26] Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”.
[27] Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken).
[28] Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet.
[29] Inl. 4.
[30] Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3).
[31] Of: bewustzijn.
[32] Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:
1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.
2. Zielsmonade in het lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.
3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.
4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.
5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.
6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.
7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk.
[33] Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur.
[34] Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden.
[35] Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel.
[36] Woorden van Plato (Phaedo 80 C).
[37] Inl. 9.
[38] Plato. Tim. 69 D.
[39] Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid.
[40] Bestaan niet meer van Aristoteles.
[41] Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b 18 vlg.
[42] Bij de afzonderlijke momenten der beweging.
[43] Ik lees ἐπιστήμη i. pl. v. den 4o. naamval.
[44] De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie.
[45] De aether.
[46] Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418 b 31).
[47] Lees καὶ ἅμα.
[48] Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware.
[49] „Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29).
[50] N.l. droog.
[51] nl. lucht en water.
[52] Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3.
[53] Lees het lidwoord vóór συμφωνία.
[54] Ik lees ᾗ δὲ (ἕν) ἑνὶ καὶ ἅμα.
[55] Odyss. σ136 sq. „... als de dag, dien Zeus aanbrengt”.
[56] Lees: (ἡ φαντασία) αὐτή.
[57] Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerp ongemerkt verandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening.
[58] Iets uitgelaten als onecht.
[59] Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426 b 12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid.
[60] Slaat op Plato.
[61] In de zoogen. Parva naturalia.
[62] Bij Plato.
[63] Lees: ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία.
[64] Ingevoegd: ὅτε δὲ vóór ὥσπερ σφαῖρα vgl. 419 b 27.
[65] Lees ἔχῃ met enkele H S S. en Bekker.
[66] Vgl. 420 b 18–20.