Part 9
Dokter Bennecken kwam het verlichte vertrek binnen doch wilde, toen hij het gepraat en gelach in de andere kamer hoorde, dadelijk weer heengaan.
"Ben jij het Johan.... wil je geen kopje thee hebben?" riep Hilda hem toe. De dokter zag zich wel genoodzaakt binnen te komen; hij groette de jonge dames, maar verdween met zijn kopje thee weer in het salon. Hij was niet best geluimd; in de poort had hij Christine ontmoet en zij was hem voorbijgegaan, zonder de minste notitie van hem te hebben genomen.
"Mijn geleerde broer heeft vandaag veel trappen moeten klimmen," riep Alfred vrij luid.
"Wat meent gij hier mee" vroeg Sophie, die aan den toon, waarop die woorden gezegd werden, merken kon, dat er iets bijzonders mede bedoeld werd.
"Ja.... mijn broer is geen vriend van trappen klimmen; hij gaat het liefst daar, waar de kamers gelijkvloers zijn; soms heeft hij er echter niet op tegen een paar trapjes naar beneden te gaan."
"Het past al heel slecht voor eenen dokter bang voor trappen klimmen te zijn," merkte een der dames aan, die den zin van Alfreds woorden in het minst niet begrepen had.
"O, het is maar best de sympathieën en antipathieën van mijn broer niet al te nauwkeurig te onderzoeken; in alle zaken heeft hij nog al een' zonderlingen smaak. Kunt gij bijvoorbeeld raden, dames, hoe zijn ideaal van eene vrouw er uit moet zien?"
"Neen, neen, volstrekt niet, vertel ons dat," riepen eenige der dames hem toe.
"Alfred!" riep de dokter uit.
"Eerstens moet zij ten minste drie en een half el lang zijn.... op hare kousen nog wel."
De dames lachten en amuseerden zich zeer, maar Hilda begreep, waar hij heen wilde.
"Alfred!" zeide zij op half fluisterenden toon, "ga niet verder."
Hij stoorde zich echter niet aan hare woorden en vervolgde: "dan moet zij ten tweede vuurrood haar hebben, dat vóór alles zoo stroef moet zijn als de manen van een paard; ten derde moet zij in den boerenstand zijn geboren en naar den koestal ruiken...."
"Alfred.... Alfred!" riep mevrouw hem half lachende, half knorrende toe.
"O.... o, nu weet ik het!" riep Sophie uit, "je bedoelt Christine, die lange Christine, die bij den conciërge woont, niet waar?"
De dokter zette zijn kopje zoo hard neer, dat het rinkelde.
"De hartsgeheimen van mijnen broeder verraad ik maar zóó niet," zeide Alfred.
"Nu, bedoelt gij niet Hilda's nieuwe kennis, die Christine," vroeg Sophie, en zij boog haar hoofdje wat meer naar hem toe.
Zeer gevleid, dat hij de dames met zijn verhaal had kunnen boeien, ging hij verder: "O, het is volkomen een roman, gij kunt mij op mijn woord gelooven. De voorname minnaar en het eenvoudige maar buitengewoon deugdzame boerenmeisje, dan de zuster als de vertrouwde...."
"Alfred!" riep Johan nu uit op eenen toon, dat allen er van schrikten.
"Maar Johan," zeide nu mevrouw, "wat beteekent zulk een gedrag, ik verzoek je vriendelijk...."
"Ik heb het hem vroeger al gezegd mama, dat ik het niet langer dulden wil," riep de dokter uit, en stampvoette van drift.
"Mama," vroeg Alfred op sarrenden toon aan zijne moeder, die met Johan in het salon zat, "was het met het lange, of met het korte been?"
Nu kon Johan zich niet langer bedwingen; hij ging naar de deur der kamer, waarin de dames zaten, doch mevrouw hield hem tegen: "Maar Johan, ik geloof werkelijk, dat je vandaag niet recht bij je verstand bent. Een beetje scherts moest je toch wel kunnen verdragen, dunkt mij; je hadt beter gedaan, niet gekomen te zijn, dan hier zulk eene kibbelpartij te maken; vóór je komst zaten wij zoo gezellig bij elkaar!" Johan ging weg, maar het was zooals mevrouw had gezegd: hij had den avond voor hen bedorven. De dames spraken op fluisterenden toon tot hen die naast haar zaten, maar een gesprek wilde niet meer vlotten; zelfs gelukte het Alfred niet de vroolijkheid weer aan den gang te maken.
Toen mevrouw zich 's avonds gereed maakte naar bed te gaan, vertelde zij haren man den twist, die tusschen de broeders had plaats gegrepen. Heel slim wist zij de zaak zoo voor te stellen, dat het scheen, alsof Johan alleen de schuld droeg, van het onaangename voorval; zij schilderde overigens het tooneel in nog scherper kleuren af, dan het in werkelijkheid was geweest.
"Komt het je nu ook niet voor, dat het tijd wordt dat zij het huis uitkomt," vroeg zij.
"Ik geef toe, dat de zaak er bedenkelijker uitziet dan ik gemeend had," antwoordde de minister, "en zoo het werkelijk zoo ver gekomen is, ben ik bang, dat haar heengaan, niet veel zal helpen; met een karakter, als dat van Johan, vrees ik, dat de hindernissen, die men hem in den weg wil leggen, hem des te meer zullen prikkelen om bij zijn besluit te volharden; hij zal hare verblijfplaats trachten op te sporen, en zoo hij haar vindt, zullen er misschien nog erger dingen gebeuren."
"O, dat heb ik al lang gezegd," riep mevrouw jammerend uit, "maar nooit wilt ge naar mijnen raad hooren, altijd wilt ge...."
"Bedaard.... bedaard, lieve Adelaïde! Ziet gij... kunnen wij haar niet van den hals schuiven, zoo.... zoo...." hier maakte hij eene kleine diplomatieke pauze.
"Nu?" vroeg zij.
"Nu ja! zoo wij hem wegzenden."
Zulke kleine verrassingen verstond de minister meesterlijk. Mevrouw zag hem aan. "Ja, Daniël.... dat zou misschien niet zoo heel gek zijn."
"Zooals ik altijd zeg, lieve Adelaïde... wees bedaard... overijling deugt niet.... en bij kalm nadenken vindt men altijd eenen uitweg. Je weet, dat Johan al zoo lang naar Weenen wenscht te reizen; ik wil hem er nu verlof toe geven."
"En mag hij lang wegblijven?"
"Op zijn minst een jaar, zoo de reis hem, wat het wetenschappelijke betreft, van eenig nut zal zijn."
"Wat het wetenschappelijke betreft! Schalk!" zeide mevrouw schertsend. Een steen was haar van 't hart gevallen. Vóór te gaan slapen moest de minister aan zijne vrouw de belofte afleggen, dat hij, zoodra Johan was vertrokken, Mo er toe dwingen zou Christine weg te zenden; zij was dan ver weg en vergeten, als Johan van zijne buitenlandsche reis terugkwam.
XI.
In April zou dokter Bennecken op reis gaan. Toen zijn vader hem meedeelde, dat hij hem toestond naar Weenen te reizen, was hij er zoo blijde over, dat hij in het eerst er niet aan dacht, hoe zwaar het hem zou vallen Christine in langen tijd niet te zien. Nog minder viel het den goedhartigen dokter in er over na te denken, waarom dat hem de groote gunst eene reis te mogen maken, was toegestaan.
Toen hij zijn examen als candidaat in de medicijnen had afgelegd, was het zijn vurigste wensch geweest voor een jaar buitenslands te gaan. Zijn vader had het te kostbaar gevonden en zijne moeder had hem ronduit gezegd, dat het vrij belachelijk zou zijn, hem voor zijne studiën naar het buitenland te zenden; daar waren zijne examens niet schitterend genoeg voor geweest; hij kon best thuis voort studeeren. Johan had dus al die reisplannen op zijde gezet. Toen hij nu zoo onverwachts verlof kreeg naar het buitenland te reizen, was hij zoo vervuld van dankbaarheid, dat hij er volstrekt niet aan dacht, hoe hij eigenlijk zijn eigen meester was en zelf zijne reis kon bekostigen.
Hoe meer de dag van het vertrek naderde, des te onrustiger werd hij. Er was zooveel, dat hij vóór zijn heengaan volstrekt aan Christine moest zeggen. Vóór alles wilde hij haar op de eene of andere wijze te kennen geven, hoeveel hij van haar hield, en dan wilde hij haar vragen, ja, dat was het eigenlijk, hij wilde haar vragen aan hem te denken in zijne afwezigheid. Met dit denkbeeld was hij zeer ingenomen, want hij vond, dat aldus veel met weinig woorden kon gezegd worden, en de dokter oefende zich voortdurend op welke wijze den zin samen te stellen, als bijv.: "zoo gij wildet...." of "zoo gij zoo goed wildet zijn...." of "zoo ik kon gelooven, dat gij zoo vriendelijk zoudt willen zijn een weinig aan mij te denken." Zou hij "een weinig", of zou hij het wagen "veel" te zeggen, of misschien "dikwijls?" En ééne zaak bovenal woog hem zwaar op het hart: hij wilde haar voor Alfred waarschuwen. Dat hij haar alleen met Alfred moest laten, gaf hem de meeste onrust. Hij kende al te goed, ja hij bewonderde zelfs de behendigheid van zijnen broeder in het maken van intriges, en hij kon zich best voorstellen, hoe licht een onervaren meisje als Christine zich door Alfreds aardige manieren zou laten medesleepen.
Maar men kon Alfred niet vertrouwen, en het was zijn plicht, zijn dure plicht Christine voor hem te waarschuwen. Heel gemakkelijk ging het echter niet, eene geschikte gelegenheid te vinden haar te spreken. Zoo dikwijls mogelijk ging hij in de laatste dagen vóór zijn vertrek langs hare vensters of bleef even in de poort staan; de twee of drie treden durfde hij echter niet af te gaan. Tweemaal ontmoette hij haar, maar hij voelde zich zoo beklemd en de stem stokte hem zoo in de keel, dat hij blijde was toen zij voorbij was. Zij zag er ook zóó niet uit, dat het hem aanmoedigde, haar aan te spreken.
Eindelijk was de dag, die voor zijn vertrek bestemd was, aangebroken. Nu moest hij dus trachten haar te spreken te krijgen; toen hij in de poort was, verschoof hij het oogenblik nog wat: hij kon eerst toch wel boven gaan afscheid nemen. Hij was zoo verstrooid, dat allen er een weinig om lachten, uitgenomen Hilda, die hem schreiend beloofde, te zullen schrijven.
Toen hij uit het kamertje van den conciërge de weinige treden, die naar Christine's kamer voerden, afging, draaide alles voor zijn oogen, en hij viel bijna in de kamer. Gelukkig was er niemand, maar Christine, die iemand met zoo'n leven had hooren binnen komen, kwam dadelijk uit de keuken.
"Ik ben het maar," stamelde de dokter, "ik struikelde over de mat.... ik ga op reis."
Ja, Christine had het reeds gehoord.
"Ik kom nu afscheid nemen."
Christine droogde de rechterhand wat aan haren boezelaar af.
"Ik.... ik wou u vragen," maar verder kwam het niet. Al de mooie wendingen van den zin, dien hij had willen uitspreken, waren als weggevaagd.
Onwillekeurig moest Christine even glimlachen. Dit gaf hem moed. "Ik wou zoo graag, dat gij veel.... een weinig meen ik.... aan mij dacht, wanneer ik zoover weg ben." Al het bloed steeg hem naar het hoofd; hij wilde zoo gaarne den zin nog eens gezegd hebben, maar vond zulks wat heel gek. Christine was ook rood geworden, zij zag voor zich neer, maar glimlachte tevens.
Toen werd de dokter zelfs vermetel; "en zoo wilde ik u zeggen, dat gij voor Alfred op uwe hoede moet zijn."
Deze woorden moest Johan Bennecken niet hebben gezegd; ternauwernood was de zin aan zijne lippen ontgleden of Christine richtte zich trotsch in hare volle lengte op, kwam eene schrede nader en vroeg: "Wat meent gij hiermede?"
Zij sprak in het dialect, dat zij anders in de stad afgelegd had, toen hij haar aanzag, ging hij een paar schreden achteruit en vroeg:
"Ja, neem mij niet kwalijk, ik meende maar...."
"Ik ben oud genoeg, om op mij zelf te kunnen passen," beet Christine hem kortaf toe.
"Ja.... ja.... zoo meende ik het niet. Vaarwel!" en Johan strompelde de twee, drie treden weer op. Toen hij weg was, wierp Christine zich op haar bed en weende bittere tranen; dat hij ook zulke slechte dingen van haar kon gelooven!
De arme dokter werd door duizenden verwarde gedachten geplaagd; eindelijk geloofde hij vast en zeker, dat zij Alfred beminde.
De kruier die op het bestemde uur kwam om voor zijne bagage te zorgen, kon uit mijnheer niet recht wijs worden: hij sprak zoo verward. Een paar vrienden kwamen even bij hem aanloopen om hem eene goede reis te wenschen; hij dronk een glas wijn met hen, gaf hen allerlei verkeerde antwoorden, zag hen beurtelings aan alsof hij hun wat wilde vragen, en zei, als het er op aankwam, geene syllabe.
Zij lachten hem hartelijk uit, en vertelden hem, dat hij aan een harden aanval van reiskoorts leed.
In die gemoedstemming verliet hij Christiania.
Een paar dagen later, vond de minister het maar het best nog eens met Mo over de zaak te spreken. Alle dagen had hij den verwijtenden blik, waarmee zijne vrouw hem aanzag, te doorstaan, waardoor hij zich niet op zijn gemak gevoelde. Toen hij dan ook op zekeren morgen met Mo alleen in zijn kamer aan het Departement was, zeide hij: "Ja Mo.... je nicht moet je toch wegzenden."
"Het spijt mij zeer, Excellentie, maar...."
"Zeg mij toch eens, waarom je haar volstrekt bij je wilt houden?"
"Ja,.... Excellentie, ik heb het mijn heele leven lang zoo eenzaam gehad, en...."
Nu ging den minister eensklaps een licht op; hij zag den kleinen glimlachenden man, die voor hem stond aan en zeide eenigszins toornig:
"Neen, maar Mo, hoe kunt gij aan zoo iets denken?.... op jouw leeftijd.... en buitendien...."
"Buitendien, Excellentie!" vroeg Mo, en hij zag hem zijdelings aan.
"Ja, dat is een zeer onaangenaam onderwerp om over te spreken, maar daar gij er mij naar vraagt zoo, zoo.... een paar malen zijt gij zwaar ziek geweest.... Mo!"
"Maar één maal, den anderen keer leed ik aan roos in het gezicht."
"Ja, ja, ik ben niet van plan mij in uwe zaken te mengen, maar ik vind, dat gij, wanneer ik je er om verzoek, het meisje weg kondt zenden."
"Uwe Excellentie zal, hoop ik, volstrekt niet aan mijne onderdanigheid en aan mijne volstrekte gehoorzaamheid twijfelen," gaf Andreas Mo ten antwoord, en hij boog heel diep, "maar ik meen dat uwe Excellentie zelf weet, hoe sterk dit gevoel bij den mensch is, en hoe...."
De minister gaf hem door een ongeduldig gebaar met de hand te kennen, dat hij het gesprek niet wenschte voort te zetten. Hij liep de kamer op en neer maar de vingertoppen werden niet tegen elkaar aangelegd. Wanneer hij uit zijn humeur was, en dus niet als diplomaat optrad, stak hij de handen in den zak en rammelde met zijne sleutels.
Hij dacht aan al de onaangenaamheden, die hem t'huis te wachten stonden wanneer Christine niet weg ging en hij was niet zoo bang voor de geheele pers der oppositie, als voor zijne vrouw, wanneer zij eenen veldtocht, geheel naar den regel, aanving. Zij snuffelde dan overal naar alles, wat haar licht over de zaak zou kunnen geven, en bespiedde alle zijne gangen; veel kon er aan den dag komen, dat nu voor haar bewaard en verborgen was en zou blijven, zoo lang de verhouding vriendschappelijk bleef en hij zijne vrouw in goeden luim hield.
Terwijl de minister heen en weer liep, pookte Mo heel voorzichtig in de kachel het vuur wat op, en hij was er, om den minister wat tijd te geven, heel lang mede bezig.
Van tijd tot tijd keek deze Mo eens aan; na over alle punten van deze onaangename zaak goed te hebben nagedacht, kwam hij tot het besluit, dat een huwelijk tusschen Mo en die nicht in den grond eigenlijk de beste uitweg zou zijn.
Zonder twijfel zoude die Adelaïde tevreden stellen en tot kalmte brengen, en dat was de hoofdzaak. Verder zou Mo, wanneer de minister zich tegen het huwelijk niet verder aankantte, nog meer verplichting aan hem hebben, en het was toch zijn plicht niet er acht op te geven, dat de lieden, die wilden trouwen, gezond waren.
En eindelijk--zoo Mo wilde gaan trouwen, wat had hij daarmede te maken? Kon hij,--de minister--het hem misschien verbieden? Hoe kon hij zoo dom zijn zich er boos over te maken?
De minister legde nu de vingertoppen weer tegen elkaar, en vroeg op den toon, dien hij gewoonlijk tegen Mo aansloeg: "Hebt ge met je nicht over eene zoodanige verbintenis gesproken?"
"Rechtstreeks heb ik de zaak nog niet aangeroerd; ik wilde mij van de toestemming van uwe Excellentie verzekeren alvorens er met haar over te praten."
"Wat? mijne toestemming! het is eene zaak, die jou alleen aangaat, en waarin ik niets heb te zeggen."
"Ik zou mij toch nooit zulk eenen stap hebben willen veroorloven, zonder eerst...."
"Goed.... goed!" viel de minister hem boos in de rede, "zoo gij gelooft, dat het meisje je nemen wil, zoo...."
"Duizendmaal dank, Excellentie!" riep Mo uit en hij wilde de hand des ministers grijpen, "ik twijfel er niet aan, dat nu ik de toestemming van uwe Exc...."
"Geen woord wil ik meer over die zaak hooren Mo, hebt gij mij begrepen?"
De minister zag er zoo verschrikkelijk boos uit, dat Mo het maar het best vond hem alleen te laten; met een dankbaren glimlach om den mond verliet hij het vertrek.
De minister kon zich niet dadelijk aan den arbeid zetten--dit tooneel had hem zeer ontstemd; nog lang liep hij hoofdschuddend in zijn kamer heen en weer, en slaakte vele malen eenen diepen zucht.
Des avonds zeide hij tot zijne vrouw: "Beste Adelaïde, het spijt mij zeer voor je, maar Mo is maar niet van zijn besluit af te brengen om het meisje bij zich te houden."
"Zoo, werkelijk Daniël," antwoordde zij vrij heftig, "ja, ik begin inderdaad te gelooven, dat gij op de eene of andere wijze in de macht van dien man zijt."
"Wees toch bedaard, Adelaïde, wees toch bedaard!" zeide haar man, en hij gesticuleerde even met zijne mooie hand, "zij--ja, ik meen dat meisje, kan geheel onschadelijk worden gemaakt, zonder dat het noodig is, dat wij haar wegzenden."
"Zoo, en hoe? als ik mag vragen?"
"Zij kon bij voorbeeld gaan trouwen?"
"Hier aan huis?"
"Ja zeker, beste, met haren oom."
"Met Mo! dat jonge meisje met dien ouden vent?"
"Ja, zie je," antwoordde haar man, en hij deed zijne das voor den spiegel wat los, "dat is nu eene zaak, die ons eigenlijk niet aangaat."
"Neen, daar kunt ge gelijk aan hebben," antwoordde mevrouw eenigermate aarzelend, "maar ik vind toch...."
"Door dit huwelijk zou zij voor ons onschadelijk worden," ging hij voort.
"Ja, dat zou zeker het geval zijn; maar met dien akeligen Mo! en hebt ge mij buitendien niet eens verteld, dat hij...."
"Officieel is daar niets van bekend, en buitendien! zoo men bij ieder huwelijk nauwkeurig wilde gaan onderzoeken of...."
"Ja, je hebt gelijk, Daniël, ja, gij mannen....! en zoo als gij ook zegt, het gaat ons eigenlijk niet aan!"
"Ja, lieve Adelaïde, zoo denk ik over de zaak, het gaat geheel buiten ons om."
Toen mevrouw een poosje had nagedacht, kwam zij ook tot het besluit, dat een huwelijk de beste uitkomst was.
"Zijt gij op dat denkbeeld gekomen, Daniël," vroeg zij hem op schalkschen toon.
"Nu.... dat wil ik juist niet beweren.... hm!"
"Je bent toch een slimmerd, Daniël," zeide mevrouw, en zij trok hem naar zich toe.
Christine begon te begrijpen, waarvan eigenlijk sprake was. Oom Anders had, na haar zeer voorzichtig te hebben voorbereid, haar ronduit gezegd, dat de minister wenschte, dat de geruchten, die zooals zij zelf wist in omloop waren, op eene duidelijke wijze werden gelogenstraft.
Een huwelijk met Oom Anders was naar hare begrippen eene goede partij. In den stand, waartoe zij behoorde, waren zoogenaamde "mariages de raison" eene gewone zaak; wanneer er nu nog bijkwam, dat haar vader het ook zoo gaarne zag, kon zij er niets op tegen hebben.
Nooit had zij eenig man aangemoedigd; zij was volkomen vrij, en daarom maakte zij er zich dubbel boos over, dat men haar daarvan had kunnen beschuldigen. Inzonderheid ontvlamde haar toorn, wanneer zij aan dokter Bennecken dacht, en--die toorn deed meer pijn, dan zij vroeger ooit had gevoeld.
Ofschoon zij dus geene liefde behoefde te offeren, schreide zij echter den ganschen nacht, die op den avond volgde waarop Oom haar gevraagd had of zij zijne vrouw wilde worden. Na goed uitgeweend te hebben, werd zij kalm en verstandig; de gedachte dat zij, trouwende met haren oom, allen zou kunnen bewijzen--en den dokter in de eerste plaats,--welk onrecht men haar had aangedaan, scheen haar kracht te verleenen.
Den volgenden morgen kreeg haar oom het jawoord.
XII.
In dichte scharen zaten aan den Nijl de vogels en blakerden zich in de heete zon. Zij poetsten en plukten hunne veêren, vlogen een paar slagen om de vleugels te beproeven, en hapten lui naar de vette wormen waarvan het in het slijk wemelde. Maar er was àl te veel voedsel, àl te veel warmte en àl te veel windstilte; zij reikhalsden naar frisschen regen, grauwe lucht en stormweer.
Ontelbare troepen wilde ganzen en zwanen zwommen rond in de tamelijk groote waterplassen, tusschen de biezen die het uitgestrekte moeras vulden. Reigers en ooievaars staken hier en daar met den kop boven de andere vogels uit; dicht in één gedrongen stonden zij op één been en lieten den kop op zij hangen:--zij verveelden zich allerverschrikkelijkst. Alle mogelijke soorten van snippen, watervogels, kieviten, waterhoenders, wilde ganzen, kwartels, zwaluwen--ja, zelfs tot gemeene spreeuwen toe--allen verveelden zich zoo, dat hun de veeren bijna uitvielen.
De ibis maakte zich zeer kwaad op al dat grauw gevederde vreemde gespuis en vergat zijne waardigheid zoo zeer, dat hij zich bij den dommen flamingo, dien hij anders zoo diep verachtte, beklaagde.
De krokodillen knipoogden met hunne slijmachtige, lichtgroene oogen en snapten nu en dan naar eene vette gans; dan ontstond er een geschreeuw en gekrijsch, dat overal langs den stroom beantwoord werd, om eindelijk heel, heel in de verte weg te sterven, en--de doodsche stilte van de woestenij lag weer over het gloeiende landschap, terwijl de scharen van vogels met slaperig uitzicht, weder ter neder zaten en wachtten--ja zij wisten niet recht waarop.
Daar vloog een kleine grauwe vogel loodrecht de lucht in; een oogenblik bleef hij zweven, en klapwiekte met de vleugels, terwijl hij eenige tonen kweelde--dan vloog hij weer naar beneden en verschool zich tusschen het riet.
Alle vogels hadden de koppen in de hoogte gestoken en geluisterd; nu ontstond er een gesnater en een getjilp en een gedrang in elken hoek.
Jonge, verwaande kieviten vlogen hoog in de lucht en draaiden in alle mogelijke bochten rond om aan de anderen te toonen, hoe goed zij vliegen konden. Maar de oudste witte zwanen, die heel naar IJsland zouden reizen, belegden eene groote vergadering om het voorgeslagen reisplan van den leeuwerik te bespreken. Allen hadden toch den leeuwerik dadelijk aan het geluid herkend, ofschoon hij, want het gezang scheen nog niet goed uit de keel te willen, maar een paar tonen had laten hooren. Terwijl de zwanen nog aan het beraadslagen waren, werden zij door een hevig geplas in hunne debatten gestoord en de lucht werd geheel donker. Het waren de wilde ganzen, die dit leven maakten. In groote zwermen verdeelden zij zich, draaiden in de lucht heen en weer, schaarden zich dan in lange rijen en verdwenen in noordelijke richting, terwijl hun geschreeuw nog lang in de verte werd gehoord.
In zwarte massa's vlogen de spreeuwen weg, de kieviten volgden hun voorbeeld, de ooievaars stegen paarsgewijze loodrecht omhoog, tot zij bijna geheel uit het gezicht waren, en trokken dan Noordwaarts. In de algemeene verwarring en het leven dat er heerschte, konden de zwanen niet rustig meer zitten te overleggen en daarom werd de vergadering ontbonden; ieder wilde weg, tijd tot nadenken, gunde men zich niet meer. Alle bezinning was verloren, telkens vlogen nieuwe scharen over Noord-Afrika heen, en ieder begroette, naar dat hij gebekt was, de blauwe Middellandsche zee, die onder hem lag.
De mannetjes-nachtegalen vlogen in stille kleine gezelschappen des nachts weg; zij voelden zich getrokken tot de bekende plaatsjes in de rozenstruiken van Provence of wel tot de beukenwouden van Seeland; zij wilden hunne fraaiste melodieën instudeeren en ze kennen vóór de aankomst der wijfjes.
De Noorsche leeuweriken wachtten het langst; toen de Deensche wegtrokken, sloten zij uit oude vriendschap zich bij hen aan. De reiskoorts maakte zich tot zulk eene hoogte van allen meester, dat zelfs de zwaluwen en de koekoeken langer rust noch duur hadden; zij wilden in allen gevalle toch over de Middellandsche zee,--daar kon men zien hoe verder te handelen.
De ibis herkreeg zijne kalmte van gemoed, en als een bisschop zoo deftig wandelde hij langs den oever; de roze-roode flamingo's maakten voor Zijn Hoog Eerwaarde eerbiedig plaats, terwijl zij met vroom vertoon den dommen kop met den krommen bek bogen.