Arbeiders: Roman

Part 8

Chapter 84,066 wordsPublic domain

"Ik wil u iets in vertrouwen meedeelen," fluisterde de minister hem in 't oor, "die man heeft, wat zijn verleden ook geweest is, eene schitterende toekomst vóór zich. Hebt gij notitie van zijne courant genomen? Ik durf u zeggen, dat zijn blad grooten invloed.... ja, zeer grooten invloed zal verkrijgen."

Juist kwam Mo met eenige papieren binnen.

De groothandelaar was volstrekt niet met de audiëntie, die hem gegeven was, tevreden. In plaats van den anderen het mes op de keel te hebben gezet, was hij met dezen in eenen woordentwist geraakt, waarin hij, volgens gewoonte, aan het kortste eind had getrokken. Toch wilde hij niet weggaan zonder zijne kaart te hebben uitgespeeld en daarom zeide hij, zóó dat de minister het alleen kon hooren: "ik wil alleen maar zeggen, dat ik op uwe stem zeker reken."

Het was den minister of zijn hart een oogenblik ophield te kloppen. Falck-Olsen's geelachtige oogen zagen hem aan, zooals zij zulks gewoonlijk deden, wanneer er van "contante voorschotten" of dergelijke onaangename zaken sprake was. Hij stak hem echter heel vriendschappelijk de hand toe, toen hij in de deur afscheid van hem nam. "Nu ja.... beste vriend, komen die tijden, dan komen die plagen.... en ik ben er zeker van, dat wij vóór dien tijd het op alle punten eens zullen worden."

De heer Falck-Olsen bromde iets tusschen de tanden, wat niet gemakkelijk viel te begrijpen, en de minister was overtuigd, toen de groothandelaar de deur der kamer achter zich toe trok, dat het de volgende maal niet zoo malsch zou toegaan.

Hij wendde zich nu tot Mo, nam de papieren en legde ze met onverschilligen blik op de tafel.

"Hebt gij de rekeningen meegebracht?" Mo haalde zeven of acht rekeningen voor den dag.

"Al te veel, al te veel.... meer dan de afspraak is," riep de minister boos uit. "Zeg aan Madam Gluncke dat zij niet aan al hare nukken moet toegeven, dat gaat volstrekt niet aan."

"Ja, Excellentie," zeide Mo op klagenden toon, "ik preek voortdurend hetzelfde, maar Malle Bimbam beweert...."

"Wie?" vroeg de minister op strengen toon.

"O, neem mij niet kwalijk, Excellentie, ik wil zeggen, madam Gluncke beweert, dat zij het tegenwoordig allen zoo hebben."

"Hm!" viel hem de minister in de rede, en hij opende eene kleine lade van zijne schrijftafel.

Terwijl hij bezig was het geld te tellen, zeide Mo: "weet uwe Excellentie met wien de hoofdcommies Delphin veel omgaat?"

"Nu, met wien?"

"Met den ouden Hansen."

"Den ouden Hansen, daarbinnen?"

"Ja, onlangs was de hoofdcommies den geheelen avond bij Hansen en toen hij weg ging, stopte hij de vrouw van Hansen veertig kronen in de hand. Ik weet het positief," voegde hij er bij.

"Nergens vertrouwbare lui, waar men ook om zich heen ziet," mompelde de minister, terwijl hij de bankbilletten aan Mo ter hand stelde. "Ja, dat is waar ook, daar valt mij iets in, waarnaar ik je wou vragen. Je hebt eene zustersdochter bij je aan huis, is niet, Mo?"

"Een broersdochter, Excellentie."

"Nu dat is hetzelfde.... het is mijn wensch, dat gij ze wegzendt, hebt gij 't verstaan? Gij kunt in de andere kamer wachten, tot ik schel."

De minister ging voor zijne schrijftafel zitten, maar de bode Mo bleef wachten.

"Wilt gij nog iets?"

"Ik wil mijne nicht niet gaarne wegzenden," zeide Mo op eerbiedigen toon.

"Zij heeft natuurlijk reisgeld noodig," zeide de minister, en hij nam den sleutelbos, die nog in de lade stak, weer in de hand.

"Ik wensch haar bij mij te houden," zeide Mo droogjes.

De minister keek hem aan. "Waarom?"

"Omdat.... omdat ik zulks wensch," luidde het antwoord op onderdanigen toon.

"Nu, kort en goed, Mo; mijne vrouw heeft mij verteld, dat zij de hoofden van onze jongens op hol maakt.... en ik heb haar beloofd te zullen zorgen, dat zij weg kwam."

"Ik hoop dat uwe Excellentie mij het niet kwalijk zal nemen, maar uwe Excellentie moet toestaan, dat ik haar bij mij houd," antwoordde Mo, en verdween in het kleine vertrek, dat aan de kamer van den minister grensde.

De minister zat een oogenblik in gepeins. Het gebeurde soms wel, dat Mo zwarigheden maakte, maar gewoonlijk werden die uit den weg geruimd, wanneer de minister de kleine lade van zijne schrijftafel opende. Het ergste van de zaak was, dat hij er nu zeker van kon zijn eene scène met zijne vrouw te zullen krijgen.

De kleine bange secretaris voor de verzendingen had het eerst van het slechte humeur des ministers te lijden; de hoofdcommies Delphin zelfs liep niet geheel vrij, en weldra was het in al de kamers van het Departement bekend, dat de minister slecht geluimd was. Er was een geloop en een gefluister in de vertrekken, de hoofden werden over de lessenaars heengestoken om te vragen, wat er eigenlijk aan de hand was; de vreeselijkste voorspellingen over ontslag of mogelijk wel degradatie gingen van inktkoker tot inktkoker, en ieder maakte voor zichzelf in stilte zijn zondenregister op.

Mo alleen sloop op zijne vilten schoenen en glimlachend als altijd door de verschillende kamers, en wanneer hij voorbijging, zagen allen even van het "werk" op: hij zag er zoo geheimzinnig uit.

Wat de minister verwacht had, gebeurde, zoodra mevrouw hem ontmoette vroeg zij: "nu, heb je de zaak in orde gemaakt?"

De minister wachtte even, voor hij haar antwoordde. Zijne vrouw was de eenige persoon in de wereld, tegen wie hij den deftigen diplomatieken toon niet kon aanstaan. Hij antwoordde dus: "neen ronduit wil ik je bekennen, dat ik de zaak nog niet in orde heb kunnen brengen, maar...."

"Nu, waarom niet?"

"Mo wil niet; hij wil haar bij zich houden."

"Mo.... altijd Mo," riep mevrouw op boozen toon uit; "wanneer Mo niet wil, is het precies of gij er niets meer aan doen kunt. Men zou bijna gaan gelooven, dat hij je op de eene of andere manier in zijne macht heeft, waardoor gij het niet waagt hem den voet dwars te zetten."

"Ha, ha, ha! de arme Mo," riep de minister lachend uit maar zijn lachen klonk eenigszins gedwongen, en hij zag voortdurend uit het raam, toen hij antwoordde: "gij kunt toch wel begrijpen, dat het meisje het huis uit gaat, wanneer gij er zoo op gesteld zijt; ik kan Mo zeggen, dat ik het bepaald wil hebben en...."

"Ja, vindt gij zelf niet, dat het tijd wordt, hem te toonen, dat gij de macht hebt hem te bevelen.... zoo gij die ten minste bezit," zeide mevrouw. "Gij weet niet half, hoe Johan zich aanstelt. Alfred vertelt honderden zaken...."

"Neem mij niet kwalijk, maar naar ik bemerk, legt Alfred meer bezoeken in de kelderwoning af dan Johan."

"Nu ja, wat beteekent dat? Alfred is verstandig.... een man van de wereld! Zoo hij aan zulk een eenvoudig boerenmeisje wat het hof maakt, weten wij wat dat beteekent. Maar met Johan, ziet gij, dat is wat anders. Gij hebt zijn karakter nooit goed kunnen vatten; gij weet, hier onder ons gezegd, niet, hoe bekrompen hij in zijne denkbeelden is. Heeft hij zich eenmaal iets in het hoofd gehaald, dan is hij in staat de grootste domheden te begaan; het zou mij volstrekt niet verbazen, wanneer hij ons op een mooien dag kwam vertellen, dat hij van plan is met het meisje in het huwelijk te treden."

"Maar beste Adelaïde, hoe kunt gij op zulke gedachten komen! Zoo iets mag natuurlijk volstrekt niet plaats hebben, hoegenaamd niet!"

"Ja, ja, ik heb er in mijn leven genoeg voorbeelden van gezien," antwoordde Mevrouw Bennecken. "Men zegt zoolang: "het is onmogelijk," tot eindelijk het geval er toe ligt, en men tot over de ooren in een schandaal zit. Neen, zoo iets moet men bij tijds zien te voorkomen.... dat is mijne meening; en weg wil ik haar hebben.... die afschuwelijke roodharige meid! Bedenk eens, Daniel, wat een afschuwelijken smaak hij heeft!"

"Ja, maar gij weet wel, dat Alfred ook...."

"Komt gij nu weer met Alfred aan! Gij hebt altijd iets tegen hem gehad. Alfred bezit een kunstenaars-natuur zooals zoo velen in onze familie. Het roode haar dat zoo fraai tegen de blanke gelaatskleur afsteekt, of zoo iets trekt hem aan. En buitendien, toen gij van zijnen leeftijd waart, waart gij ook niet zoo moeielijk tevreden te stellen.... is het wel?"

Dit argument was altijd mevrouw's grof geschut, dat nooit miste een eind aan den twist te maken; juist kwam men zeggen, dat de tafel gedekt was. "Waar is Alfred," vroeg de minister, toen hij in de eetzaal komende, alleen het kamermeisje zag. "Alfred.... ja de goede jongen komt niet t'huis eten," antwoordde mevrouw, "hij kwam van morgen even inwippen om te zeggen, dat hij dadelijk van het Departement naar Eriksen wilde gaan.... je weet wel, zijnen vriend.... den candidaat Eriksen.... die zoo ziek ligt."

De minister maakte bij zich zelf de opmerking, dat de ziekte van den candidaat Eriksen zeer lang duurde.

"Maar waarom is juffrouw Hilda hier niet," vroeg Mevrouw aan het kamermeisje.

"Juffrouw Hilda komt dadelijk," antwoordde deze. "Zij heeft gevraagd om haar, zoodra het eten opgebracht was, te laten roepen. Zij is in de woning van den conciërge."

"Nu hoort gij het Daniel," fluisterde Mevrouw hem in 't oor, "dat listige schepsel legt het er ook al op aan met de zuster op goeden voet te komen."

Toen Hilda aan tafel plaats nam, wilde zij over Christine beginnen te spreken maar hare moeder gaf met een bits woord eene andere wending aan het gesprek, en daar zij bij haren vader ook geen instemming vond, zweeg zij maar.

En zwijgend bleven allen gedurende den maaltijd.... een vervelende, ongezellige maaltijd, dat moet gezegd worden.

X.

De opperloods had in den loop van den winter heel wat brieven voor Njaedel te schrijven, nu aan Christine, en dan weer aan broer Anders over die zaak, die nooit tot een eind scheen te komen. Een weinig mistrouwen begon de opperloods te koesteren jegens dien broer Anders; het kwam hem voor, alsof het met al die geldzendingen, en telkens werd er meer gevraagd, niet recht in den haak was, en het minst van allen stond hem aan, wat Anders in zijn laatsten brief over Christine had geschreven.

Ook hielp het geen greintje of hij Njaedel zijne gedachten over diens broeder al meedeelde; geen kwaad wou hij van hem hooren, en waagde hij het ook al eens, dan werd Njaedel vreeselijk boos. Alles wat Njaedel had opgespaard, moest Sechus naar Anders zenden, en toen de spaarpenningen verdwenen waren, moest de opperloods hem op eene andere manier geld zien te verschaffen.

Njaedel leefde slechts voor de zaak; hij stond er 's morgens mee op, en ging er 's avonds mee naar bed. Elk oogenblik was hij overtuigd, dat er bericht van den koning zou komen, en dat hij--Njaedel--gelijk had.

Vervolgens moest de opperloods, wanneer hij aan Christine schreef haar raden en vermanen. Daar Anders altijd schreef, dat zij daaraan behoefte had, stond Njaedel er op, dat het gebeurde. Anders had er verstand van en wist voor alles raad. Daarom was het voor Christine niet gemakkelijk de brieven van den opperloods recht te begrijpen; zij kreeg er echter een voorgevoel van, dat de zaken thuis niet in orde waren, ofschoon er altijd in de brieven stond, dat het Njaedel in alles goed ging. Nog minder begreep zij, wat hij met al die wenken en vermaningen aan haar adres meende. Op een dag in Februari, toen zij juist weer een' brief van huis had gekregen, gaf een gedeelte haar veel te denken. "Ik heb een lang leven achter den rug en veel verdriet en veel honger heb ik zien lijden door de liefde en het bedrog van zulke fijne jonge heeren, op wie geen meisje vertrouwen kan. Je moet God bidden, dat je hart van het kortstondig genot der liefde afgetrokken moge worden, en tot een verstandig man, al is die wat oud, dat maakt niets uit, wanneer men er maar eenmaal over heen is, maar daarentegen is het naar mijne gedachten niet te verwerpen, goed zijn brood te hebben, en de grootste winst en het grootste voordeel op den duur."

Christine zat nog met den brief in de hand, toen zij juffrouw Hilda voorbij zag komen en de poort ingaan. Wanneer Hilda uit was geweest, liep zij altijd even de kelderwoning in, zoodat Christine, nog half in gedachten verzonken, opstond, om de deur te openen.

Hilda wilde, naar het scheen, eerst voorbijgaan, maar na voorzichtig naar alle kanten te hebben rondgezien, sloop zij naar binnen en trok de deur schielijk achter zich dicht.

Christine zag haar zeer verwonderd aan.

"Zeg aan niemand, dat ik hier ben geweest, Christine. Mama heeft mij verboden, je te bezoeken."

"Waarom?" vroeg Christine ernstig.

"Dat kan ik je niet zeggen," antwoordde Hilda, en zij draaide het hoofd om, "maar ik ben zeker dat, wat mama mij heeft gezegd, niet waar kan zijn."

"Wat heeft uwe moeder dan gezegd," vroeg Christine op denzelfden ernstigen toon.

"Och... beste Christine... vraag mij daar niet naar," zeide Hilda, en zij wilde weggaan.

"Ik wil het weten," zeide Christine en zij hield haar bij den arm vast.

"Mama zegt, dat wij te dikwijls komen?"

"Wie?"

"Ja, ik.... en.... en...."

"En?.... wie meer?"

"Mijn broers... Johan vooral, zegt mama, maar ik geloof er geen woord van, hoor.... Ik ben maar zoo bang dat mama te weten zal komen, dat ik hier toch ben."

Christine liet haren arm los, en daar oom Anders juist het vertrek binnenkwam, sloop Hilda weg, verward en onrustig over hetgeen zij had gedaan.

Christine stond doodsbleek en met vastgeknepen handen; ja nu begon zij te begrijpen, dat men haar beschuldigde de zonen van den minister tot zich te lokken. Manspersonen aan te halen was het schandelijkste, wat zij zich denken kon, en dan... vooral Johan, had juffrouw Hilda gezegd: de dokter... de oudste zoon van den minister.... en dat zou zij hebben gedaan!

"Ik wil naar huis, oom Anders."

"Het zou er slecht uitzien, als zij gelijk hadden," antwoordde hij bedaard.

"Weet u er ook van," riep Christine uit, "maar wat heb ik dan toch gedaan?"

"Goddank, gij hebt nog niets gedaan lieve Christine.... en wees maar niet bang. Ik zal wel voor je waken, dit heb ik ook aan den minister gezegd."

"De minister.... weet hij het ook? Ik wil naar huis, och lieve, lieve oom laat mij dadelijk naar huis gaan," smeekte Christine.

"Ik vrees maar, dat je vader het treurig zal vinden, wanneer je om die reden terugkomt," zeide haar oom.

"Om die reden," herhaalde Christine, en al de wenken en vermaningen van den opperloods schoten haar in de gedachten! Zij kon niet meer geregeld denken, zij voelde zich zoo ontzettend eenzaam.

"Maar wat moet ik dan toch doen," riep zij eindelijk uit, en zij wrong de handen.

"Je behoeft je volstrekt niet ongerust te maken, Christine! Ik ben mans genoeg je tegen den minister en tegen mevrouw, ja, tegen wien ook te verdedigen, en zoo iemand je wil beleedigen, of je te na komen, vertel het mij dan maar;" terwijl hij deze woorden zeide, kwam hij wat nader bij, en drukte hare hand recht hartelijk.

Dit bracht haar wat tot kalmte. Het was toch maar goed, dat zij oom Anders had, op wien zij zoo volkomen kon vertrouwen; zij begon voor iedereen bang te worden en besloot zich op een' afstand te houden.

Christine haalde den brief van den opperloods weer voor den dag en ging zitten, om hem te antwoorden; zij wilde volstrekt niet hebben, dat men t'huis zou kunnen meenen, dat er met haar iets niet in den haak was.

"Beste Vader en beste Opperloods! met mijne gedachten ben ik meest altijd bij u, maar al verlang ik soms zeer naar huis, en ben ik wat neerslachtig, zoo ben ik evenwel God er recht dankbaar voor, dat ik het zoo goed naar lichaam en ziel heb. Eerst wil ik nu maar schrijven, dat oom gezegd heeft, dat de zaak nu mooi op weg is; hij zal zelf eerstdaags schrijven, maar hij heeft ontzaglijk veel te doen, en geeft zich veel moeite voor vaders zaak, en zoo er meer geld voorhanden was, zou alles zeker spoedig zijn beslag krijgen. Maar ieder zegt hier, dat Oom Anders de voornaamste van allen aan het Departement is, en hij is heel vriendelijk tegen mij, en het gaat met mij in alles heel goed.

Hier is in 't geheel geene zee te zien, veel geel water, dat leelijk riekt, en niet zoo als de zee bij ons, maar ontelbaar veel schepen en groote huizen van steen, en boomen, die zoo hoog zijn, als ik ze nooit heb gezien. Maar nu moet ik eindigen, met de hartelijke groeten aan mijnen goeden vader en den opperloods.

Uwe gehoorzame dochter,

Christine.

Bij Hilda Bennecken waren op denzelfden namiddag eenige jonge dames op theevisite; ofschoon zij nooit veel zulke visites gaf, was zij er van daag in 't geheel niet toe gestemd. Het speet haar zoo, dat het haar verboden was bij Christine in te loopen; haar angst voor hare moeder was echter zoo groot, dat zij, ofschoon zij reeds lang volwassen was, als een klein meisje voor haar beefde.

Van hare vroegste jeugd af, had zij steeds moeten hooren, dat zij een ongelukskind was.

Zij had zich gewend, het verdriet harer moeder over de leelijkheid harer eenige dochter, meer te beschouwen als een verwijt, dat deze er haar van maakte, dan als eene zaak, die voor haar zelf treurig was.

En hieraan was mevrouw Bennecken grootendeels zelf schuld. Want daar zij er nog goed uitzag, en een goed voorkomen zeer op prijs stelde, kon zij er zich soms bitter over beklagen, dat zij aan zulk eene dochter het leven had moeten schenken; en vele malen had Hilda in hare kinderjaren het moeten ondervinden, dat hare moeder, wanneer deze haar zoo fraai mogelijk aangekleed had, ten laatste alles weer uittrok en wegwierp, half schreiend zeggende: "waarvoor dient het? Je bent eenmaal leelijk, en dat zal wel nooit anders worden."

Die tranen harer moeder brandden Hilda diep in de ziel, en al wat in den loop der jaren bij haar tot beter ontwikkeling had kunnen komen, kwam niet tot vollen wasdom, wijl zelfvertrouwen haar geheel ontbrak. Voor hare moeder koesterde zij zulk eene vrees, dat zij, wanneer deze tegenwoordig was, zich bijna niet durfde verroeren.

Juffrouw Hilda was nu drie en twintig jaar oud; om in het huishouden wat te verrichten, had zij de gelegenheid niet; daar had men bepaald iemand aangesteld, die over alles het oog hield, en in gezelschap werd zij, wijl zij zoo leelijk was, slechts geduld; zij was daar blootgesteld aan al die kleine bittere krenkingen, die zoo in ruime mate aan leelijke en onbeduidende personen, die zich op zijde laten schuiven, ten deel vallen.

In Johan stelde zij het meeste belang: de twee verschovelingen steunden elkander. Toen zij ongeveer zestien jaar was, verkreeg zij vergunning aan eene cursus voor onderwijzeressen deel te nemen; de minister vond, dat men tot zekere hoogte het streven der vrouwen, om meer kennis te verkrijgen, moest aanmoedigen. Toen zij echter, na met ingespannen ijver gewerkt te hebben, want bijzonder begaafd was zij niet, eindelijk klaar was om haar examen te kunnen afleggen, werd haar dit niet toegestaan: dit paste niet voor de dochter van een' minister.

Hiermede was de zaak uit.

Hilda Bennecken was gelukkig, noch ongelukkig. Haar leven ging kleurloos en eentonig daarheen, veel eentoniger nog, dan zulks gewoonlijk het geval is met de dames uit haren stand. Wat haar uiterlijk betrof, hierover konden de meeningen niet uiteenloopen, zoodat zelfs die kleine triomfen en nederlagen, welke anders de jonge jaren meêbrengen, voor haar ook niet waren weggelegd. Zij had eens voor altijd eene groote nederlaag geleden, namelijk geboren te zijn, zooals zij was. De kring, waartoe zij behoorde, kon haar verder geenerlei vergoeding bieden. Daarom had Delphins houding gedurende den winter zulk een sterken indruk op haar gemaakt. Nooit vergat hij, wanneer zij elkaar op een bal ontmoetten, na het souper de Française met haar te dansen, en zoo langzamerhand kwamen zij met elkander op vertrouwelijken voet. Natuurlijk begonnen hare vriendinnen haar zeer met den kamerheer te plagen, en Sophie Falck-Olsen begon, toen de dames eindelijk rustig om de tafel zaten, het gesprek op Delphin te brengen.

"Hoe was het toch eigenlijk met dat engagement van Delphin? Jij Hilda, weet er zeker wel alles van, hé?"

"Ik.... waarom zou ik dit zoo goed moeten weten," vroeg Hilda, en zij werd bloedrood.

"Och, jij bent toch de eenige, onder ons jongere dames ten minste, wie de eer ten deel valt met den kamerheer te mogen dansen!"

"Och geloof toch niet, dat ik er iets voor doe; ik zeg hem integendeel telkens, dat hij zich niet behoeft op te offeren, met mij de Française te dansen, wanneer hij er geen lust in heeft," verzekerde Hilda.

"Och ik begrijp heel goed, dat hij gelooft er mee te moeten voortgaan, nu hij het eenmaal is begonnen."

"Overigens," voegde Sophie er op eenigszins boosaardigen toon bij, "deed hij het voor de eerste maal een beetje uit gekheid, het was op ons bal, als ik mij wel herinner."

"Ik weet, wat er eigenlijk van dat engagement van Delphin was," zeide nu Caroline Hjelm, die in het begin het gesprek niet had gevolgd, daar zij eene biecht van Louise, met welke zij op de sofa zat, had aangehoord. "Hij raakte geëngageerd met eene nicht van mama, maar acht dagen nadat het engagement publiek was geworden, dwong hare familie haar, hem zijn woord terug te geven; zij is nu met een' grondbezitter in Zweden getrouwd."

"Och, dat is eene oude geschiedenis," zeide Sophie op stekelachtigen toon, "maar waarom wilde de familie volstrekt, dat zij haar jawoord terugvorderde?"

Sophie stelde belang in het minste, wat Delphin betrof.

"Meent gij, dat ik dat ook niet weet," antwoordde Caroline, "het was omdat het gerucht ging, dat Delphin in het Westland, waar hij een tijd lang bij de rechtbank was aangesteld, met eene getrouwde dame eene schandelijke betrekking had aangeknoopt. Zelfs kan ik vertellen, zoo gij zulks wilt weten, met wie het was; het was met de eenige zuster van den candidaat Hiorth.... daar hebt gij nu de gansche geschiedenis!"

"Van Hiorth! nu dat is een buitenkansje," riep Sophie uit, en zij behandelde Caroline een weinig minder uit de hoogte, "dan kan ik er alles van te weten komen, want hem kan ik geheel om mijn vinger winden."

"Was het werkelijk zulk eene schandelijke geschiedenis," vroeg Hilda aarzelende.

"Een van de allerverschrikkelijkste," antwoordde Caroline op beslisten toon.

"Och, onzin," zeide Sophie, "zeker niet erger, dan andere dergelijke histories. De heeren zijn elkander allen hierin gelijk, geloof mij maar op mijn woord, en volstrekt niet zulke modellen van deugd... en zoo zij dat waren, zou het ook al niet goed zijn."

"Wat zeg je daar Sophie," vroeg Louise op verschrikten toon in het hoekje van de sofa.

"Och jij, met je deugdzamen Hans, dien reken ik niet! Ik meen, wat ik heb gezegd, dat zulke onervarene, zulke model-brave heeren ontzettend vervelend zijn en in gezelschappen alleronverdraaglijkst."

Deze woorden veroorzaakten eene heftige woordenwisseling, doch juist, toen het gesprek het levendigst werd, stak mevrouw het hoofd door de half weggetrokken porte-brisée, en zeide: "goeden avond jonge dames! Nu, nu! gebrek aan discours is er, naar ik merk, niet, wees voorzichtig Hilda.... dat kopje staat te ver op den kant, het zal dadelijk vallen. Wanneer de dames het veroorloven, zouden twee jonge heeren gaarne een kopje thee mede drinken."

De assistent-commiezen Hiorth en Bennecken kwamen achter mevrouw aan. Zij hadden elkander plechtig beloofd, dat zij zouden trachten het geliefde voorwerp te winnen onder volkomen gelijke omstandigheden, en Alfred verzocht daarom Hiorth altijd mee naar zijn huis te gaan, wanneer hij wist, dat Sophie bij zijne zuster was.

De avond was intusschen gevallen en mevrouw liet in het groote salon de lampen aansteken, zoodat het licht door de half opengetrokkene deur in het vertrek viel, waar de jongelui praatten en lachten. Alfred kon zeer goed een gesprek voeren, en juffrouw Sophie speelde uitmuntend de coquette.

Jonas Hiorth had daarentegen eene andere methode gekozen. Hij zat zwijgend en in melancholieke houding in het meest schemerachtig gedeelte van het vertrek; wanneer haar blik op hem viel, zag hij haar aan op eene wijze, die zeggen moest: "valsche slang, ik heb u ondanks alles innig lief."

Het gesprek was levendig, zonder dat er echter over een bepaald onderwerp werd gesproken; men lachte, maakte toespelingen, was hatelijk of wel lieftallig al naar het viel.