Part 7
De opperloods haalde dadelijk papier, pen en inkt voor den dag, die nu altijd bij Njaedel voorhanden waren, en schreef: "Lieve Christine!" toen kwam er een lange pauze.
"Nu opperloods, zit je aan den grond?"
"O, in het geheel niet;" antwoordde Sechus ietwat gebelgd over deze vraag, en hij schreef: Het gaat met de jonge lieden, evenals met den grooten Deenschen os, die te Sandsgaard was, maar nu ik mij wel bedenk, kan ik die historie van den os niet vertellen daar het einde heel leelijk is; maar nu laat je vader je zeggen, dat je in alle dingen Oom Anders om raad moet vragen, want aan verzoekingen is de jeugd overal blootgesteld, b. v. mijne zuster Amelia--ja, het is nu een twintig jaar geleden, dat zij stierf, en zij zei, dat haar doodsdag de gelukkigste dag van haar leven was;--het was juist op den eersten Februari van het jaar, toen de bliksem in den koestal van den Lensmand sloeg--alles door de betoovering der liefde en hij was op den koop toe een schurk; zijn gezicht leek op borstplaat, en hij woont nog in de stad, ik noem geenen naam, maar wanneer hij mij ontmoet, kijkt hij altijd recht voor zich uit, en doet of hij mij niet kent. Zoo is het menig braaf meisje gegaan. Daarom vraagt je vader je, dat je in alles je zult richten naar Oom Anders en dat ge volkomen vertrouwen in hem zult stellen.
Nu hebben wij hier alle dagen stormweer op zee, en geen schip is er te zien, wat heel goed is, want het is donkere maan, en dikke mist hebben wij ook, maar de stoombooten storen zich er in het geheel niet aan, wat een parabel voor mij is, vooral daarom, wijl zij geheel uit ijzer zijn gebouwd; maar ik las in eene krant dat nu alles aan boord van ijzer is, tot de masten en de tonnen zelfs, wat ik vind, dat vervloekt veel van eene leugen weg heeft. Je vader is wel, laat hij je zeggen.
Je toegenegene
Lauritz Sechus.
Postscriptum. Je moet aan je Oom zeggen, dat het geld, waarover hij heeft geschreven, hem gezonden zal worden zoodra je vader het bij elkaar heeft kunnen krabben, maar je moet ook vragen of het, daar de tijden zoo slecht zijn, niet voor wat minder kan afgemaakt worden, en dan vraag voor mij aan Oom Anders ook, of hij niet een woordje kan zeggen aan den persoon, die over alle Lensmands, rotmeesters en kapiteins gesteld is, want dat het nu een echte zwijnenboel aan het Zwarte Moeras is, wat ge zelf ook getuigen kunt, maar nu is het erger dan vroeger.
Toen de brievenbesteller dezen brief bracht, stond Christine juist,--en zij had er hare rokken wat voor in de hoogte gebonden--de keukendeur af te nemen; want, ofschoon haar oom er een dienstmeisje op na hield, hielp zij aan al het huiswerk.
Er waren ook brieven en couranten voor de familie bij, die gewoonlijk aan den conciërge ter hand werden gesteld. Alfred kwam juist het huis uit om naar het Departement te gaan, toen hij de brieven op de tafel in de woning van den conciërge zag liggen. De deur stond open, wijl het schuurdag was en de goede gelegenheid om een praatje met haar te gaan houden, wilde hij niet ongebruikt laten voorbijgaan.
Christine liet zich door zijne komst zelfs niet voor een oogenblik in haar werk storen. Zij spoelde de mat, die voor de deur lag in den emmer af, en doopte hare gezonde blanke armen geheel in het water. Daarna wrong zij de mat uit, strooide er wat zand op en begon toen de deur zoo te schuren, alsof zij de verf er af wilde boenen.
"Goeden morgen.... juffrouw Christine," riep Alfred, en hij liep vroolijk het vertrek binnen; toen hij echter zag, hoe weinig zij op zijne onverwachte komst acht sloeg, was hij een oogenblik met zijne houding verlegen en zeide:
"Kan ik hier even de post nazien, misschien is er wel een brief voor mij bij van mijn liefje."
Deze woorden zelfs scheen zij niet te hooren. Het onaangename geluid, dat het schuren veroorzaakte, deed zijne ooren pijnlijk aan; het ergerde hem, dat zij zoo met hart en ziel aan dit ruwe werk bezig was, en dat het haar volstrekt niet kon schelen, dat hij haar, en nog wel in zulk een costuum, zag.
Twee mannen gingen nu juist het raam, dat op de straat uitzag, voorbij. Alfred zag op. "Kijk daar komt je Oom en.... Johan natuurlijk ook."
Deze was juist van plan, scheen het, de poort in te gaan.
"Mijn broer komt, dat kan ik mij zoo denken, meer in het onderhuis van den conciërge, dan in de eigenlijke woning; daar is hij een zeldzame gast; nu is het niet zoo?"
Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat Christine met emmer en al in de keuken was verdwenen en dat zij de deur had dicht gedaan.
Zeer boos gooide hij de courant, die hij in de hand hield, op de tafel en liep het vertrek weer uit. In de poort ontmoette hij Mo, die hem eerbiedig maar tevens half familiaar groette.
Oom keek nu na, wat de brievenbesteller bezorgd had en zocht er de brieven uit, die hij den minister aan het Departement moest brengen. Toen hij den brief van den opperloods aan Christine zag, riep hij haar toe, even binnen te komen.
"Christine," zei hij zeer ernstig, nadat hij haar den brief had gegeven.... "er is iets, waarover ik met je wil spreken. De zonen van den minister komen dikwijls hier een praatje met je houden, hé?"
"De deur stond open, de candidaat kwam binnen, en...."
"Ja, Alfred meen ik niet, maar de dokter.... zie je."
"Hij is hier niet geweest," haastte Christine zich te antwoorden.
"Neen, maar het kwam mij zoo voor, dat hij op weg hier naar toe was. Ja, zie je, lieve Christine," ging hij voort, en hij legde zijne hand op haren schouder,--zij was wat langer, dan hij--"het leven voor een jong meisje in eene groote stad is vol verzoekingen. Buitendien moet je vooral ook bedenken, hoeveel ik aan den minister, ja aan de geheele familie verschuldigd ben en hoe onplezierig het voor mij zoude zijn, zoo hun door mij of door hen, die bij mij wonen, eenige onaangenaamheid werd veroorzaakt. Gij begrijpt wellicht nog niet volkomen, wat ik met deze woorden meen, maar ik wil je vooral waarschuwen voorzichtig te zijn en je te wenden tot hen, die je welzijn bedoelen."
Hij klopte haar even op de wang, en ging met de brieven het huis uit.
Neen--zij begreep het niet, ten minste niet volkomen. Zij dacht wel, dat oom haar had willen zeggen, dat hij geloofde, dat de jonge heeren om haar zoo dikwijls binnenkwamen, maar welke onaangenaamheden dit aan de familie van den minister zou kunnen veroorzaken, kon zij volstrekt niet vatten. Christine, een eenvoudig boerenkind, bezat echter te veel gezond verstand, om niet volkomen te kunnen begrijpen, welke groote afstand er bestond tusschen den zoon van een' minister en een meisje zooals zij. Toen zij den brief van den opperloods had gelezen, waarin dezelfde waarschuwingen werden gegeven, werd zij een weinig ongerust. Maar wat zou zij doen? Wanneer de candidaat binnen kwam, was zij zoo weinig voorkomend als maar mogelijk was; zij kon toch niet aan den ernstigen dokter,--en hij kwam maar zoo zelden--rechtuit zeggen, dat hij liever niet moest komen. Zij rekende uit, hoe lang het was geleden, sedert zij het laatst met hem had gesproken, en daar waren meer dan veertien dagen over verloopen.
Oom Anders was al heel vreemd; zij kon niet recht wijs uit hem worden; ja, vriendelijk was hij altijd tegen haar, het zou schande zijn het tegendeel te zeggen, maar toch had zij, zij wist niet hoe het kwam, een zekeren angst voor hem.
's Avonds--hij kwam altijd nog al laat naar huis--kon hij, wanneer hij door hare kamer ging, naast haar bed wat met haar staan te praten maar zij begreep niet altijd, wat hij eigenlijk vertelde. Misschien kwam het, wijl zij slaperig was, of omdat oom 's avonds zeer moe was; hij sprak ten minste zoo vreeselijk onduidelijk. Hij tikte haar evenwel altijd vriendelijk op de wang, wanneer hij haar goeden nacht zei.
Het viel dokter Bennecken, die steeds veel lust had met Christine een praatje te houden, niet altijd meê. Hij wilde er Alfred niet gaarne ontmoeten en Mo wilde hij ook liever niet t'huis treffen; wanneer hij op weg naar haar was, zijn geweten scheen hem niet heel zuiver; 't kwam hem voor, dat hij iets kwaads in den zin had.
Het eindigde dan ook gewoonlijk met in het voorbijgaan even door het raam te kijken; soms liep hij naar boven om zijne moeder te begroeten in de zoete verwachting Christine in de poort of wel op de trap te ontmoeten.
Hij was op haar verliefd geraakt, hij wist het maar al te goed. En toch was hij er niet vroolijk door gestemd, zooals zulks gewoonlijk het geval is, wanneer de liefde het bloed sneller door de aderen doet stroomen. Vooreerst wist hij volstrekt niet met welke oogen Christine hem aanzag. Hij meende, dat zij, die zoo gezond van lijf en leden was, en er zoo knap uitzag, afkeer moest gevoelen van een kreupele als hij; de dokter meende namelijk, dat hij veel meer mank ging dan eigenlijk het geval was.
Dan was hij zeer ijverzuchtig op Alfred; wel verborg hij dit gevoel zoo veel mogelijk, maar uitermate jaloersch was hij op dien broeder, die hem steeds in den weg had gestaan, die overal steeds voorgetrokken, door allen vertroeteld werd, en ter wiens wille hij jaren lang zoo veel had moeten lijden.
Ten laatste bezat Johan Bennecken volstrekt geen zelfvertrouwen en geloofde hij, dat het geluk voor hem niet was weggelegd. Het was hem nooit meegeloopen,--altijd moest hij dat van een ieder hooren.
Daarom koesterde en vertroetelde hij den hartstocht, dien hij in zijnen boezem voelde ontkiemen, zooals men zulks een ziek kind doet. Aan dit sterke gevoel gaf hij zich geheel over zonder aan weerstand te denken; met stille weemoedige vreugde verborg hij die liefde in het binnenste van zijn hart, wijl hij niet durfde hopen, dat zij hem ooit geluk zou aanbrengen.
Gesteld zelfs, hij was zoo gelukkig, dat Christine hem werkelijk lief had, welke zwarigheden, en bijna onoverkomelijke, dit kon hij niet wegredeneeren, zouden er zich opdoen. Wat zou zijne moeder, de vrouw van den minister er van zeggen?
En zoo hij het zich al als mogelijk voorstelde, dat hij zich om den tegenstand zijner moeder niet zou bekommeren, hoe zou hij ooit den moed krijgen vóór zijnen vader te verschijnen, om hem mede te deelen, dat hij van plan was met een boerenmeisje in het huwelijk te treden.
Die vader, die er zoo deftig en voornaam uitzag, was voor Johan Bennecken de type van al wat achtenswaardig, braaf en edel was.
Wanneer de oppositie-bladen op heftigen toon de regeering aanvielen, las de dokter die artikelen altijd in dien geest, dat de aanvallen niet op zijnen vader gemunt waren. Het was best mogelijk, dat in de regeering mannen zaten, die eene scherpe kritiek verdienden maar dat er iets op den minister Bennecken zou zijn aan te merken, viel hem nooit in de gedachte.
Terwijl de moeder slechts oogen had voor haren zoon Alfred, die er zoo knap uitzag, en met groote koelheid "de twee mislukten" zooals zij Johan en Hilda altijd noemde, behandelde, was zulks bij den vader gansch anders het geval; hij trok het eene kind, zeer zelden ten minste, boven het andere voor; ja soms gebeurde het zelfs, dat hij, wanneer zijne vrouw Alfred te zeer vertroetelde, het waagde zich daartegen een weinig te verzetten. Dit stelde Johan, die te dien opzichte volstrekt niet verwend was, zeer op prijs en hoe ouder hij werd, des te meer steeg zijne achting voor zijnen vader; zelfs zoo, dat dit gevoel bijna eene soort van vereering voor hem werd.
Maar nu zou Johan juist zijnen vader in zijn gevoeligste punt, in dat, wat bij hem de grondstelling van zijn leven was, namelijk het respectabele, het fijne, het passende krenken, met den stormpas er zelfs tegen inloopen door een abnormaal huwelijk te willen aangaan met een lang roodharig boerenmeisje. Johan begon er reeds over te denken, wat zijn vader wel zeggen en doen zoude wanneer hij het dwaze plan van zijnen zoon vernam. Was het hem toch niet eerst, na bezwaren in het oneindige, gelukt, verlof te krijgen om te solliciteeren naar de betrekking van armendokter in een der voorsteden--en wat was dit in vergelijking van hetgeen hij nu van plan was?
Telkens echter, wanneer de dokter zoo ver in den loop zijner gedachten was gekomen, zeide hij, om zich schijnbaar wat tot kalmte te stemmen: "Ja.... ja, waartoe mij hierover te verontrusten? Zij bekommert zich toch niet om mij."
IX.
Toen Mortensen de redactie van "de Vriend des Volks" op zich nam, veranderde hij den naam van het blad in "de ware Vriend des Volks", ook werd de courant op fijner papier en met helderder letter, dan zulks in den tijd van Hansen plaats had, uitgegeven. De illustratiën bleven echter nog een' tijd lang, zoo als zij tot nu toe altijd waren geweest, zwarte vlekken met een weinig wit hier en daar. Op zekeren dag maakte de redacteur aan zijne geabonneerden bekend, dat met het volgend kwartaal te beginnen de illustratiën voor goed zouden verdwijnen.
Hierdoor verloor het blad natuurlijk eenige abonnés onder de kleine burgerij, maar Mortensen had daar geen spijt van. "De ware Vriend des Volks" verkreeg weldra zijne lezers, en wat het geldelijke betrof, dit ging boven alle verwachting.
Wanneer Mortensen de courant 's morgens met zich naar het Departement nam, las één der jongere commiezen van het bureau gewoonlijk den inhoud voor "wanneer men tijd er voor had." De adjunct-klerk Hiorth had juist de voorlezing van een artikel geëindigd, waarin de onmogelijkheid was aangewezen, om te bepalen wat heden ten dage met de uitdrukking "het Volk" werd bedoeld; het naast lag wel voor de hand, dat men hier den Ambtenaarsstand mede moest bedoelen, omdat deze stand den kern van het volk uitmaakt.... toen de groothandelaar Falck-Olsen de lezing kwam storen en naar den minister vroeg.
Terwijl een der commiezen hem den weg naar het kabinet van den minister wees, verspreidde zich de kring der hoorders die zich om "den waren Vriend des Volks" geschaard hadden, naar alle richtingen. Ieder ging naar zijne plaats om zich daar geheel in zijn werk te verdiepen.
De oude Hansen was vóór zijnen lessenaar blijven zitten. Hij hield zich altijd, alsof hij geen woord van de voorlezing hoorde. Dit hielp hem echter niet veel; want wanneer er een gedeelte kwam, waarvan men wist, dat zulks hem zoude ergeren, werd het hem in de ooren geschreeuwd. De oude Hansen was een waarschuwend voorbeeld voor de jonge lieden aan het Departement geworden: aan hem konden zij zien, waartoe het koesteren van afwijkende meeningen leidt. Allen wisten, dat hij het niet verder in de ambtenaarsloopbaan kon brengen. Waar hij nu zat, met het gezicht naar den muur, bezig het werk in orde te brengen, dat anderen verzuimd hadden te doen, zou hij blijven zitten, tot dat hij in zijne doodkist zou liggen,--zoo men er zich ten minste niet toe genoodzaakt zag, hem zijn ontslag te geven; want de oude Hansen dronk, werd er algemeen in den laatsten tijd gefluisterd.
Toen de minister zijn vriend Falck-Olsen zag binnen komen, begreep hij dadelijk, dat deze hem over zaken kwam spreken, en die gesprekken waren gewoonlijk niet opwekkend. Hij vroeg daarom dadelijk op vroolijken toon of zijn vriend hem voor eene jachtpartij kwam uitnoodigen; het was een mooie winterdag, een weinig had het maar gevroren, het woei volstrekt niet en de zon scheen zoo helder.
Maar Falck-Olsen begon droogjes over zaken te spreken, over de slechte tijden en over verlies van alle kanten.
"Ja, ja," viel de minister hem in de rede, terwijl hij in het vertrek heen en weer ging, en de handen zoo hield, dat de uitgespreide vingers aan de toppen elkaar raakten, "de industrie en de handel verkeeren hier tegenwoordig in slechten staat.... dit kan niet ontkend worden maar wij hopen echter...."
"Och het zal heel wat duren, eer hier verbetering in komt! Ik weet niet, waaraan het in dit land ligt. Voor een poosje gaat alles goed, ja brillant zelfs, maar plotseling komt er een stilstand en de heele boel valt uit elkander; niets kan bij ons tot bloei komen, alles wat wij ondernemen komt zoo vervl.... langzaam tot stand. Laten wij b.v. de Actienbank maar tot voorbeeld nemen, die verleden jaar met zooveel champagne opgericht werd, en van 't jaar?--nu gij weet zelf, hoe de boel staat."
Bij deze woorden slaakte de minister eenen zucht van verlichting.
Hij had gevreesd, dat de groothandelaar was gekomen om hem mede te deelen, dat het zeer moeielijk was, geld te verschaffen, dat hij groote contante betalingen had moeten doen en meer dergelijke onaangename zaken, over welke Olsen gewoon was, hem te komen onderhouden, wanneer hij slecht geluimd was. Maar de Actienbank was een heel onschuldig onderwerp van gesprek, en hij antwoordde dus op schertsenden toon: "Als lid van het bestuur in de bank moet ik protesteeren tegen dien aanval. Integendeel hebben wij, zooals de boeken zulks bewijzen...."
"Och de boeken," antwoordde Falck-Olsen toornig, "de boeken mooi te laten sluiten is zoo'n kunststuk niet; iedere domkop kan dit tegenwoordig. Maar de fout zit daarin, dat het bestuur geen zweem begrip heeft van zaken te doen. Wat kan men verwachten van al die geleerde juristen, die nooit van hun leven zaken gedaan hebben, van die raadsheeren, advocaten en rechters--zij hebben geen jota verstand van zaken, neen waarachtig, zij begrijpen er niets van."
De minister was nu door deze woorden op de hoogte gekomen, wat "de zaak" was, die den heer Falck-Olsen zoo bezig hield; hij legde de vingertoppen voorzichtig tegen elkander aan, en zeide: "Hierin hebt gij voor een groot gedeelte gelijk, beste vriend, voor een groot gedeelte, maar,"--hij bleef voor hem staan en hield den groothandelaar bij de jas vast, terwijl hij vervolgde: "het is toch vreemd, heel vreemd zelfs, en jammer tevens, dat een man zoo als gij volstrekt niet eerzuchtig zijt."
"Wat meent gij hiermede?" vroeg de heer Falck-Olsen, en hij zag den minister eenigszins weifelend aan.
"Is het u nooit ingevallen, dat gij u al te weinig van den invloed bedient, dien gij bezit.... of ten minste bezitten kunt? Daar hebt gij de Actiënbank bijvoorbeeld, waarover gij zoo even hebt gesproken; waarschijnlijk zal op de volgende vergadering, de oude Raadsheer Falbe zijn ontslag als Directeur der bank wel aanvragen, en zou die post nu niet juist iets voor u zijn?"
"Ja, dat is juist de post, dien ik wil, dat men mij zal aanbieden," riep de heer Falck-Olsen uit.
"Onmogelijk.... ongelukkigerwijze, onmogelijk: mijn vriend," antwoordde de minister, en hij ging weer in de kamer op en neer.
"Zoo, en mag ik vragen, waarom?"
"Wijl de Consul Lind waarschijnlijk voor dien post gekozen zal worden en hij gaarne Directeur wil zijn...."
"Wil?... wil? Heeft men ooit zoo iets gehoord," riep de groothandelaar met een gedwongen lach uit; "het zou wel eens aardig zijn te hooren, waarom allen naar de pijpen van dien heer moeten dansen! hij is niet rijker, dan ik."
"Neen.... zeker is hij dat niet, maar men kan zich op hem verlaten."
"Wat meent gij met deze woorden, Excellentie? Ben ik misschien iemand, op wien men zich niet verlaten kan?"
"Niet zoo driftig!... niet zoo driftig.... beste vriend," zeide de minister glimlachend, en dwong hem te gaan zitten. "Sta mij toe, u mijne bedoeling met een eenvoudig voorbeeld op te helderen. Gij gaaft,--zooals gij u wel herinnert--een paar maanden geleden een bal, een prachtig feest, moet ik zeggen: niets ontbrak, alles was volkomen zoo als het zijn moest, in het kort "comme il faut." En toch.... veroorloof mij u aan eene kleine scène, die er toen plaats had, te herinneren." Nu was de minister in zijn eigenlijke element. Kleine, geheime conferentiën, zoo onder vier oogen en met gesloten deuren vielen in zijnen smaak. Hij kon dan zoo echt vertrouwelijk zitten praten, het was of hij geheel in het belang van hem, met wien hij sprak, zijn hart uitstortte en meedeelde, wat hij anders aan niemand toevertrouwde, en wat hij eigenlijk beter zou gedaan hebben te zwijgen; alles ging op zulk eene wijze toe, dat hij, met wien hij gesproken had, bij het heengaan de volle overtuiging koesterde het volkomen vertrouwen van den minister te bezitten en geheel op de hoogte was van alle geheimen der regeering. En toch werd van den minister gezegd, dat de voornaamste eigenschap, die hij als staatsman bezat, juist bestond in eene buigzame en toch onwrikbare bescheidenheid.
Hij schoof zijnen stoel wat dichter bij dien van den groothandelaar, zag hem vertrouwelijk aan, en zeide:
"Het kan eenigszins vreemd schijnen, dat een gast zijnen gastheer gaat critiseeren maar wij kennen elkaar zoo goed, niet waar?.... en daar wij nu juist op dit onderwerp gekomen zijn, is het mij wel vergund eenigermate mijne verwondering uit te spreken over uwe uitnoodigingen."
"Zoo? Dit kan ik mij niet begrijpen."
"Ziet, beste vriend, de scène, waaraan ik u wil herinneren, had plaats onder het souper dat--tusschen twee haakjes--charmant was.... en wel in uwe kamer; zoo als gij u zeker nog wel herinnert, had er een politiek dispuut plaats."
"Ja, maar gij weet wel Excellentie, dat zulks tegenwoordig overal geschiedt. Noem mij eene enkele familie, waar op de eene of andere partij niet over politiek wordt gesproken."
"Ja, ziet gij, daarin ligt het juist," riep de staatsman uit, "overal wordt over politiek gesproken, in zoover hebt gij gelijk--volkomen gelijk, maar geef nauwkeurig acht op de omstandigheden"--hier sloeg de minister hem zachtjes op de knie; "wanneer er over politiek wordt gedisputeerd, zoo geeft dit te kennen, dat het gezelschap niet bij elkaar hoort,--hierin ligt het onderscheid."
"Maar enkel mannen van naam waren op deze soirée aanwezig. Ik had mij juist bijzondere moeite gegeven personen van maatschappelijken invloed uit te noodigen, lieden, die ik vroeger nooit het genoegen had gehad bij mij aan huis te zien."
"Zeer juist gezegd,--en dat was juist het ongeluk. Mannen van allerlei kleur waren daar,"--de minister sprak op meer gedempten toon, "zelfs rooden waren er onder! en onaangename zaken.... hoogst onaangename zaken zelfs werden er gezegd, moet ik zeggen. Niet dat het mij persoonlijk hinderde, dit begrijpt gij wel; ik gaf er niet in het minst om, het waren de gewone frasen, en meestal kwamen jonge lieden er mee voor den dag, maar voor u zelf, beste vriend, vind ik dat....!"
"Bah!" viel de heer Falck-Olsen hem in de rede, en hij stond op, "dat kan mij geen bl..... schelen, ik hang van niemand af, ik ben een self-made man, ik vraag naar niemand."
"Ja.... ja.... juist, zooals ik al heb gezegd. Gij bezit geen greintje eerzucht en dat vind ik jammer, zeer jammer;" de minister liep weer heen en weer en herhaalde: "zeer jammer!"
"Nu ja... hm," zeide Falck-Olsen en lachte op wat geërgerden toon, "wis en zeker ben ik eerzuchtig, in zooverre ik gaarne.... dien invloed zou verkrijgen, die mij eigenlijk rechtens toekomt. Met de politiek wil ik mij echter niet inlaten, dat heb ik u honderden malen gezegd; ik kies geene partij voor wien dan ook;--ik sta tusschen, of liever gezegd boven de partijen!"
Hij was werkelijk trotsch op dezen fraai klinkenden zin, maar de minister draaide zich naar hem toe en haalde de schouders op: "De uitdrukking, waarvan ge u hebt bediend, komt bij zekere gelegenheden zeer goed te pas en ik wil zelfs erkennen, dat zij dan van zeer goede uitwerking is. Maar beste vriend, hier zoo onder vier oogen, zullen wij het wel met elkaar eens zijn, dat het slechts eene frase, of ronduit gezegd, dat het louter onzin is. Neen, dan houd ik het met het oude spreekwoord: waar men meê verkeert, daar wordt men mee geëerd."
"Maar..... maar wien moest ik eigenlijk niet hebben uitgenoodigd," vroeg Falck-Olsen op wat minder zekeren toon.
"O, beste vriend, hoe kunt gij er een oogenblik aan denken, dat ik in bijzonderheden zal treden. In het algemeen bedoelde ik, dat het gezelschap niet al te goed bij elkander paste. Velen waren er, wier gezelschap wij heel goed hadden kunnen missen, en omgekeerd miste ik dezen en genen, die naar mijne meening, aanwezig hadden moeten zijn. Onder de laatsten ben ik zoo vrij den Redacteur Mortensen te noemen, een' man, die ongetwijfeld...."
"Die met de lucifers! Neen.... weet gij...."