Part 6
Vleeschpasteien, coteletten, ragoûts, wildbraad, kippen, heerlijk gestoofde groenten, pikante sausen, kleine gebakken aardappelen, alles verdween in een oogwenk; men zou hebben kunnen gelooven, dat er valluiken in den vloer waren verborgen. Neef Hans stond vlak voor een vleeschpastei met aspersies, en hij verroerde zich niet van de plaats, ofschoon zijne buren hem vrij gevoelig in den rug stompten. Naast hem stond de candidaat Smith, die goeden eetlust op zijne voetreis naar de Jotunheim scheen opgedaan te hebben; hij at filet de boeuf met eenen lepel, graag zou hij eene vork hebben gaan halen, doch zoolang als er nog champignons op den schotel voorhanden waren, had hij niet veel zin, zijn goed plaatsje er aan te geven.
Hiorth en Bennecken hadden het slimmer aangelegd; zij hadden zich bij de deur van de keuken geplaatst, en wanneer de bedienden met de gerechten aankwamen, maakten zij zich veelal van eenige meester. Eene tafel met sigaren en andere rookbenoodigdheden werd leeg gemaakt en in eenen hoek getrokken; daar aten zij nu op hun gemak; ook was het hun gelukt eenige flesschen achter eene portière te verbergen.
De voornaamsten onder de heeren zaten in het particulier vertrek van den gastheer, waar eene tafel voor hen gedekt was. Delphin had aan het gezelschap der dames de voorkeur gegeven en soupeerde met haar; in de balzaal wandelden eenige jonge dames heen en weer, die de grootste verachting voor eten en eters koesterden. Het meerendeel der dames had nu een zeer verzadigd gevoel, doch de sprinkhanen strekten hunnen tocht tot aan de kleine zaal zelfs uit, waar de dames gesoupeerd hadden. Uitgenomen een paar oudere dames, die nog naar eenige aspersiekopjes of malsche kippeboutjes snuffelden, was daar niemand meer.
De gastvrouw was er zeker van, dat zij genoeg had laten gereed maken; toen zij evenwel zag hoe de heeren de eene portie na de andere verorberden, begon zij min of meer ongerust te worden, en een der gasten die in hare nabijheid stond, hoorde haar mompelen: "goede hemel, het is alsof hunne maag een zak zonder bodem is."
Mevrouw Falck-Olsen verviel soms in de vulgaire uitdrukkingen van vroegere dagen, vooral wanneer zij in zenuwachtigen toestand verkeerde. Wanneer de bediende even de deur der kamer, waar de staatsraad en eenige andere heeren zaten, open liet staan, konden Hiorth en Bennecken, die in de nabijheid zaten, nu en dan een of ander woord opvangen, waaruit zij begrepen, dat er eene politieke discussie gevoerd werd.
"Die Falck-Olsen is eigenlijk toch een groote ezel, en goede manieren zal men hem zeker nooit kunnen leeren," zeide Bennecken, en hij hield even met eten op, "hij begrijpt nooit, welke menschen hij eigenlijk moet inviteeren."
"Wat?" antwoordde Hiorth, "de heele stad is hier bijna."
"Wat ben je onnoozel, Jonas. Nu, je gezondheid!" en hij leegde zijn glas. "Daar zit hem de knoop, zie je, dat hij Jan en alleman uitnoodigt. Je kunt wel begrijpen hoe onaangenaam het voor mijn vader is, hier met allerlei politieke tinnegieters samen te zijn."
"Daar heb ik waarachtig nog nooit aan gedacht," zeide Hiorth, en hij zag heel diepzinnig.
"Eenige dagen geleden hoorde ik mijnen vader tot Falck-Olsen zeggen: "wanneer gij niet partij kunt kiezen...."
"Zoo.... zoo.... nu verder," zeide Hiorth heel nieuwsgierig, en hij boog zich dichter naar zijnen vriend.
"Wat ben je een uilskuiken, Jonas, hij zei niets meer, maar je kunt begrijpen, wat het zeggen wil."
"Ja natuurlijk.... hm.... bl.... zei je vader dat werkelijk." Hiorth lachte en knipoogde zijnen vriend geheimzinnig toe.
Vóór de Française na het souper speelde het orkest, melodieën uit "le petit Duc." Het ging nu zeer geanimeerd toe; alle dansers, die in het begin van den avond hun werk zoo ernstig hadden opgenomen, zagen er werkelijk uit alsof zij zich amuseerden. De vroolijke muziek jaagde het bloed, dat door het lekkere souper en de fijne wijnen wat verhit was geraakt, sneller door de aderen.
De candidaat Smith neuriede onophoudelijk eene Fransche melodie, uit eene operette, hem door een' oud vriend, die in Parijs geweest was, geleerd.
Caroline Hjelm, met wie hij danste, wilde o zoo gaarne weten, welke woorden hij eigenlijk zong; maar hoe zij hem ook verzocht ja zelfs plaagde, ze mede te deelen, haar cavalier weigerde hardnekkig. Hij beweerde dat men ze niet goed in 't Noorsch kon vertalen.
Caroline, die zich nooit zoo gauw uit het veld liet slaan, verzekerde hem, dat hij het gerust kon wagen ze te zeggen; zij was niet voor zoo'n beetje vervaard; en kon heel wat verdragen; hij neuriede maar steeds dezelfde melodie tot antwoord, totdat zij zeide, dat zij den inhoud er bijna van begreep.
Dit nu was de dans, voor welken Delphin Hilda Bennecken had geëngageerd; waarom hij zulks had gedaan, was hij bijna vergeten. In de eerste toeren nam hij ook bijna geene notitie van zijne dame maar voerde een levendig gesprek met mevrouw Hjelm, die bij de deur vlak achter de dansende paren zat.
Hilda Bennecken merkte dit natuurlijk dadelijk, en vond het allesbehalve aangenaam. Den geheelen avond had zij er zich deels over verheugd, deels over beangstigd den kamerheer Delphin tot cavalier te krijgen.
Wel was hij altijd, wanneer hij bij hare ouders aan huis kwam, heel vriendelijk tegen haar, maar meer op een wijze, alsof hij haar nog voor een kind aanzag; hij had haar trouwens ook gekend, lang vóór zij hare belijdenis had afgelegd.
Dikwijls had zij bij zich zelf gedacht, hoe prettig zij het zou vinden, zoo hij haar eens voor een' dans engageerde, en nu het er eindelijk toegekomen was, voelde zij zich zeer teleurgesteld in hare verwachtingen; al de pikante woorden, welke zij den geheelen avond van hare vriendinnen over de onderscheiding, die haar ten deel was gevallen, had moeten aanhooren, schoten haar nu te binnen, en zij wenschte maar, dat hij haar de eer van met haar te willen dansen, niet had aangedaan.
Toen de derde toer zou beginnen, vroeg hij haar het een en ander, om toch ten minste wat aan zijne dame gezegd te hebben. Zij keek hem aan, en Delphin zei bij zich zelf: "zij heeft werkelijk een paar mooie oogen!"
Na deze ontdekking, zette hij zijn gesprek met wat meer belangstelling voort, om haar te dwingen, hem aan te zien. De goedhartige bruine oogen bezaten eenen glans, waarom velen haar zouden hebben kunnen benijden, en toen zij langzamerhand door den vroolijken toon, dien hij aansloeg, den moed kreeg hem op dezelfde wijze te antwoorden, had het leelijke gezichtje eene uitdrukking, die men er al te zelden op lezen kon.
Toen de dans geëindigd was, zei hij: "neen, maar is de dans werkelijk uit, lieve juffrouw Bennecken!... daar begrijp ik niets van. Wij hebben niet meer dan vier toeren gedanst.... op zijn hoogst nog wel!"
Zij zag hem eerst een weinig wantrouwend aan, maar antwoordde toen glimlachend: "het komt omdat u de twee eerste toeren met mevrouw Hjelm hebt gedanst." George Delphin wist een goed antwoord altijd zeer op prijs te stellen. Hij was er door verrast en juist wilde hij haar antwoorden, toen zij door een paar werden aangesproken, dat weer door andere gevolgd werd. Eer de kamerheer zijne dame echter verliet, vroeg hij haar, hem de eer aan te doen, op al de bals gedurende dezen winter de eerste Française na het souper met hem te willen dansen.
De stemming in de balzaal werd meer en meer vroolijk: "men was onder stoom." Onmogelijk was het bijna in de paren, die daar op de tonen der muziek zoo luchtig heen zweefden, de "daglooners" van het begin van den avond te herkennen, en toen na middernacht het dessert en de champagne rondgediend werden, had de vroolijkheid haar toppunt bereikt.
De staatsraad was altijd gewoon, wanneer het feest zoo ver gekomen was, eenen toast uit te brengen op den gastheer en zijne familie--eene korte speech, zooals het eenen staatsman betaamt; bloemrijke uitdrukkingen gebruikte hij nimmer. Op zulke kleine redevoeringen, waarin hij echter met de grootste omzichtigheid zijne woorden woog, was hij zeer gesteld; in gewone gesprekken beperkten zijne antwoorden zich veelal tot eenige wel aangebrachte handbewegingen, soms vergezeld van een bescheiden glimlachje, doch van het laatste maakte hij zeer matig gebruik.
De toast op de dames werd door een jong dichter uitgebracht. Niet lang geleden had hij een bundel gedichten uitgegeven onder den titel "Losse pennetrekken." Natuurlijk sprak hij nu ook in poëzie en grooten bijval viel hem ten deel; de dames vonden echter den inhoud zeer droefgeestig.
Daarna begeerde tot grooten schrik zijner vrienden, de candidaat Smith het woord. Hij vergastte het gezelschap met eene gloeiende schildering van den Jotunheim. Nooit is het volkomen opgehelderd geworden of het de wijn dan wel de liefde was, die hem zoo opwond. Als de gasten hem op zijnen verren tocht volgden, den hoogsten berg met hem bestegen--hij vertelde hun zelfs hoeveel honderd voet--tusschen afgronden en over gletschers met hem doolden, kwam daar op eens in zijne rede eene beschrijving van een paar oogen en eene feeëngestalte, die, zooals later eenigen beweerden, Caroline Hjelm had moeten voorstellen. Wat hiervan moge zijn, zeker zou het met zijnen toast gegaan zijn, zooals in zeker sprookje staat: "is het niet uit, dan duurt het nog voort," indien de jonge, bloode student Hansen niet plotseling als een raket de rede afgebroken had, met den uitroep: "Leve Jotunheim!"
Onder het gelach, dat hierdoor ontstond, werden op den toast tot groote ergernis van den spreker de glazen geledigd.
Voor den student Hansen hadden de zaken eene zeer treurige wending genomen. Toen het hem na het souper was gelukt, eene flesch portwijn machtig te worden, besloot hij zich er nu alleen aan te goed te doen, en zich niet weer zoo door de anderen voor den gek te laten houden. Hij school dus achter eene étagère weg; om zich te wreken, ledigde hij het eene glas na het andere; maar ongelukkigerwijze bleek de wijn machtiger dan de student Hansen, en toen hij met opgerichten hoofde en strak voor zich uitstarende oogen door de balzaal schreed om midden in eene Française iemand voor een dans te engageeren, sleepte een zijner vrienden hem bij den arm mede, terwijl hij zeide: "Maar Hansen, wat is het nu met je, je bent zoo stomdronken, dat je bijna niet op je beenen kunt staan, kerel!"
Deze onvriendelijke woorden maakten zulk een pijnlijken indruk op den student Hansen, dat zijn trots er voor goed door gebroken was en hij in bange vertwijfeling verviel. Uit dezen toestand ontwaakte hij juist vroeg genoeg om door eenen uitroep een eind aan den toast van den candidaat Smith te maken. De cotillon ging wild toe. Verscheidene paren belastten zich te gelijk met het arrangeeren der verschillende toeren om dan later in een woesten galop door de ruime zaal te dansen. De saaie Hans had den geheelen nacht met zijnen donkeren blik overal zijn meisje gevolgd en toen Louise eindelijk, door Caroline half voortgeduwd, naar hem toekwam om wat met hem te praten, draaide hij haar den rug toe en ging naar huis.
"Och stoor je niet aan hem," zeide Caroline om haar te troosten, "hij is zoo in vervelend, zoo...."
Louise stond een oogenblik geheel vernietigd, maar toen zij haren cavalier, met wien zij juist zou dansen, zag aankomen, fluisterde zij hare vriendin in: "Ik heb van avond zoo'n pleizier, dat ik er morgen wel wat knorren voor wil verdragen."
Na deze lichtzinnige woorden, zweefde zij weer de zaal door. Het was vier uur in den morgen. Dicht in hare mantels gewikkeld stonden de moeders doodmoede in de vestibule en de aangrenzende kamers op hare dochters te wachten, die nog eventjes een enkelen toer wilden dansen; de vaders stonden ook reeds met de overjas aan en de sigaar in den mond gereed om heen te gaan en ledigden nog staande een glas. Maar in de zaal danste men nog steeds alsof het om het leven te doen was. De paren vlogen als waanzinnigen van het eene einde der zaal naar het andere, de lichten in de kronen flikkerden en walmden in de van stof opgevulde zaal. Onder en naast de stoelen en sofa's lagen verwelkte bouquetten, afgescheurde garneersels van baljaponnen, dansprogramma's en zakdoeken, die veel van vodden hadden, terwijl de reukzenuwen zeer onaangenaam werden aangedaan door de vieze geuren van pommade en andere odeurs waarmede de lucht bezwangerd was. Toch stormden de heeren er maar moedig op los; hun fraai gefriseerd kapsel was in wanorde geraakt, en viel hun telkens in de oogen, terwijl de das scheef zat; met de dames was het niet beter gesteld; de baljaponnen waren niet veel meer dan flarden van tulle en tarlatan, die zich om de beenen van hare cavaliers heenslingerden.
Wie zich nog het best van allen gehouden had, was Sophie Falck-Olsen. Haar kapsel, hare handschoenen, haar japon zagen er uit, alsof zij zich juist voor het bal had gekleed, en geen oogenblik was de vriendelijke glimlach van haar gelaat verdwenen. Toch was zij niet over den avond tevreden. Delphin had zich zeer weinig aan haar gelegen laten liggen, Alfred Bennecken was onuitstaanbaar, Jonas Hiorth afschuwelijk geweest. Eindelijk waren de gasten gereed afscheid te nemen, en het laatste rijtuig rolde over de straat.
Meneer Falck-Olsen stak eene versche sigaar aan en vlijde zich toen zoo gemakkelijk mogelijk in eenen leuningstoel. Mevrouw Falck-Olsen, die vreeselijk warm was, maakte hare japon los en deed zich te goed aan de overblijfsels van het dessert, want, zeide zij tot haren man, zij had honger als een wolf.
Sophie beknorde, terwijl zij zich ontkleedde Louise een weinig en deze snikte zich eindelijk in slaap.
Bennecken had nog geen lust naar huis te gaan en zat nu bij Hiorth op de kamer nog een glas punch te drinken. Beide vrienden waren in eene bewogen stemming en onder het storten van heete tranen zwoeren zij elkander eeuwige vriendschap--neen niet eens zou de liefde, die zij beiden voor Sophie koesterden, dien band kunnen verbreken; daarna kwam het gesprek op den kinderdoop, en hierover geraakten zij hevig in eenen twist, die niet eindigde, vóór dat eindelijk Alfred zijne eigene kamer opzocht.
VIII.
Den zuidwester vast onder de kin gebonden--het was stormweêr--kwam op een der laatste Novemberdagen de opperloods onder het neuriën van zijn lievelingswijsje "mijn liefste Katrijn, je ziet mijn hartepijn" de hoogte af.
Er was een brief van Anders gekomen, en de opperloods wist, hoe ongeduldig Njaedel naar bericht, de zaak betreffende, uitzag.
Daar in de vlakte lag Njaedels lage huis, tusschen de akkers, die hij zelf had ontgonnen; verderop zag hij in het zand de sloot, die half klaar was. Juist reden een paar karren vol wier, naar de hoogte. "Sören wist wel, wat hij deed, toen hij Njaedel overhaalde, zijne zaak voor den koning te brengen;" mompelde hij bij zich zelf.
Uit het Zuidwesten blies de felle wind over het lage strand. Het was een zware herfststorm en ofschoon het nog niet laat op den middag was, begon de duisternis reeds te vallen. De opperloods bleef een oogenblik staan; met den blik van een' zeeman zag hij naar alle zijden over de zee, vóór hij van de hoogte naar beneden ging. Naar het Zuiden eindigde de zandvlakte in naakte klippen, van welke eenige ver in zee uitstaken; de golven stieten er met geweld tegen aan, soms stonden zij zoo hoog in de lucht, dat zij voor een oogenblik als eene witte kolom zich tegen de loodkleurige lucht afteekenden, om daarna in woest schuimende vaart over de steenen zich eenen weg te banen.
Naar het Noorden kon zijn oog in eene lange kromming de schuimende streep van de branding volgen; zij was zoo breed, dat volgens de berekening van den opperloods de branding reeds op tien vadem water begon. Recht voor hem uit naar het Noorden, kon hij soms tusschen de schuimende golven door het zoo even aangestoken licht van Bratvolds' vuurtoren te zien krijgen.
Geen enkel zeil was in het gezicht; de zwartachtige wolken scheurden wel vaneen, doch zonder echter van plaats te verwisselen--zwaar, lang aanhoudend stormweer was te verwachten. Een onafgebroken golfgeklots!--Het geraas der zee was vreeselijk, nu en dan hoorde men een geknal, als van kanongebulder op grooten afstand. De wind joeg over de heide en piepte langs de telegraafdraden langs den straatweg; de meeuwen, die over de zee naar land kwamen, vlogen met uitgespannen vleugels in schuine richting tegen den storm in.
Toen de opperloods aan het gedeelte van den weg was gekomen, dat van het hek van Brevig tot het Zwarte Moeras liep, was het gedaan met neuriën; integendeel mompelde hij iets dat op een vloek geleek.
Groote ronde steenen lagen midden op den weg, het regenwater, dat van de hoogte naar beneden dwars over den weg was gestroomd, had daar eene diepe gleuf achtergelaten vol kleine steenen.
"Het zou toch maar het best zijn, dien Anders, die zoo bl.... knap moet zijn, er over te schrijven," bromde hij bij zich zelf; de ergernis welke dit gedeelte van den weg hem altijd veroorzaakte, was een nagel aan zijne doodkist.
Njaedel zat midden op zijnen akker dwars over eenen grooten steen, waarin hij bezig was een groot gat te houwen. Met forsche slagen kwam zijn werktuig telkens neer. Van tijd tot tijd hield hij even op, en droppelde in het gat wat water uit eenen natten lap, die in eene oude blikken doos lag, welke door lieden uit de stad, die een dag buiten hadden doorgebracht, vergeten was. Door zijn rood kroes haar blies de wind zóó, dat het naar alle kanten uitstond, en hij was met zulk een' ijver voor zijn werk bezield, dat de opperloods reeds naast hem stond, vóór hij zijne komst had bemerkt. "Goeden dag buurman!" zeide Njaedel. Hij hield met kloppen op en haalde zijnen maatstok voor den dag om te zien, hoe diep het gat al was; toen hij hoorde, dat er een brief van Anders was gekomen, gooide hij alles weg, en sprong van den steen op. Zij gingen naar binnen en staken eene kaars aan. Het vertrek zag er zeer wanordelijk uit, de vloer was ondenkbaar morsig en het bed lag nog onafgehaald. Njaedel ging vlak voor den opperloods zitten en volgde nauwkeurig al zijne bewegingen. Hij was zeer mager geworden; zijne handen bewogen zich zenuwachtig heen en weer.
Zijn buurman had ook wel wat vlugger te werk kunnen gaan, maar brieven lezen is geene kleinigheid en eischt tijd. De brillenglazen moeten naar behooren gepoetst worden, de enveloppe moet bekeken en eindelijk voorzichtig aan den bovensten kant worden geopend. Het was een breed grijs omslag van het Departement en met lak verzegeld. "Den Hoog edelen Heer, den Opperloods Lauritz Boldemann Sechus" zoo luidde het adres.
"Bl......, wat een omhaal!" mompelde de opperloods.
"Door dezen wordt u de ontvangst meegedeeld van twee brieven gedateerd den eersten September en den twintigsten October laatstleden. Daar Gij de volmacht mijns broeders in zekere zaken schijnt te bezitten, zoo wend ik mij tot u met mijn schrijven, om u te verzoeken, mijnen evengenoemden broeder den inhoud er van mede te deelen. Uit het hierboven reeds geciteerde schrijven van den twintigsten October schijnt te blijken, dat mijn broeder de niet zeer gegronde meening schijnt te koesteren, dat de twist, die tusschen hem en den pachter Sören Börevig aangaande het recht op zeewier ontstaan is, reeds onmiddellijk ter behandeling zou zijn voorgekomen. Zulks is intusschen niet het geval. Ten gevolge van andere rechtszaken, die eerst afgehandeld moeten worden, hebben wij ons met de genoemde zaak nog niet bezig kunnen houden."
Sechus hield even met voorlezen op.
"Lees dat nog eens," zeide Njaedel.
De opperloods las het begin van den brief nog eenmaal langzaam voor.
Njaedel schudde het hoofd; op eens sprong hij heftig van zijnen stoel en sloeg met de vuist zoo hard op de tafel, dat het brillenhuis van zijnen vriend hoog in de lucht sprong.
"Nu, nu Njaedel, maak je niet zoo driftig.... de brief is nog niet uit, misschien komt het beste op het eind."
Vooral wordt de opperloods verzocht het mijnen broeder duidelijk te maken, dat eene zaak van zulk eenen grooten omvang als de bovengenoemde niet zonder veel extra werk, waarop groote kosten zullen komen, zoo spoedig ten einde kan worden gebracht. Intusschen valt hier aan te merken, dat de som van twee honderd kronen, indien dit geld per ommegaande werd gezonden, van eenige uitwerking zou kunnen zijn om de genoemde zaak wat schielijker afgemaakt te krijgen en verklaar ik mij bereid voor de uitbetaling van dit geld zorg te dragen, zonder daarvoor de partijen op grootere onkosten te willen jagen.--
"Begrijpt gij, wat hij meent buurman?"
"Neen," antwoordde Sechus, en hij las het nog eens over; op eens riep hij uit: "nu ben ik er achter--hij meent, dat wij moeten smeren!"
"Wat moeten wij doen?"
"Ja, zie je, dat kan ik beter begrijpen dan jij; ik ben op de hoogte van zulke zaken," zeide Sechus op loozen toon, "want toen ik in der tijd met "De Hoop der Familie," voor den consul Garman te Sandsgaard voer, zei de consul altijd, wanneer ik in de lente met haring naar de Oost-zee reisde: "hoor Sechus, wanneer je nu in Riga ankert, moet je, zooveel als je maar kunt, de tolbeambten, de sjouwers en allen met wie je te doen mocht krijgen, smeren. Het is niet goed spaarzaam te zijn, waar het noodig is geld uit te geven," zei de consul. En heel wat roebels, en heel wat sterken drank kostte dat, dat kunt ge wel denken. Het is zeker wel zoo iets, dat je broeder meent."
"Geloof je dan, dat de koning er betaling voor wil nemen?"
"De koning," antwoordde Sechus, en hij zag Njaedel met eenen meêlijdenden glimlach aan; "neen zeker niet, buurman. De blanke daaldertjes zijn wel versmolten, eer zij zoover gekomen zijn. Het is zeker een van die voorname heeren met goudgalon op de jas, aan wien hij het geld moet geven; die gaat dan naar den koning en vraagt hoe het met je zaak gelegen is. In Petersburg heb ik eenmaal zulk een snuiter gezien; hij reed in eigen rijtuig met twee paarden er voor en het tuig was van echt zilver; toch was hij geen enkelen roebel van zich zelf rijk; hij leefde enkel van fooien, vertelde mij de klerk van den makelaar."
"Ja, dan geloof ik, dat zóó de vork in den steel zit," zei Njaedel.
"In allen geval verlangt hij, dat ge hem dadelijk twee honderd kronen zendt.... misschien wil hij voor zijne moeite betaald worden."
"O, zou Anders geld van mij willen hebben," antwoordde Njaedel, eenigszins beleedigd door deze woorden.
Sechus las verder:
"Wat nu de tegemoetkoming betreft voor het verblijf van de dochter van mijnen eigenen broeder in mijn huis, waarover in bovengemelden brief ook gesproken werd, zoo zal hier van mijne zijde nooit aan gedacht worden."
"Nu, zei ik het niet," riep Njaedel trotsch uit.
"Mocht het verblijf onder mijn nederig dak slechts tot een waren zegen voor haar worden. Het jonge gemoed wordt helaas al te licht medegesleept door de ijdelheden dezer wereld, en is zoo geneigd de vermaningen en waarschuwingen van oudere menschen in den wind te slaan. En aan veel gevaar is een jong meisje in eene groote stad blootgesteld, zoodat wij wel voor haar mogen bidden en haar toewenschen, dat zij geen gewillig oor aan de stem der verleiding en der vleierij moge leenen, maar integendeel, dat zij luisteren moge naar hen, die haar met hunne ervaring willen voorlichten. Ja, mogen wij allen een geopend oor hebben voor de stem der waarheid zoo lang het nog dag voor ons is.
Met bijzondere hoogachting,
Andreas Mo."
"Ja, die Anders--die Anders," zeide Njaedel op den toon van de grootste bewondering, "het is juist als moeder altijd zei: jij Njaedel," zei zij, "jij bent een groote slungel, maar...."
"Ik zou wel willen weten, wat hij eigenlijk meent," viel Sechus hem in de rede, en hij trok een heel bedenkelijk gezicht, "het ziet er bijna uit, alsof iemand op Christine loert."
"Ben je gek, opperloods? Maar wat zullen wij nu doen?"
"Ja, wij moeten haar schrijven, dat zij op moet passen en...."
"En met Anders moet spreken, schrijf dat vooral, en ook, dat zij Oom Anders in alles moet gehoorzamen."