Part 3
"Neen, neen.... van bevelen kan geen sprake zijn.... ik meende alleen, dat het zeer aangenaam zou zijn, wanneer wij, het is zoo'n hondeweer, wat vroeg naar de stad konden terugkeeren."
De rechter kneep weer even zijne oogen toe, en er werd besloten, dat hij de zitting van den namiddag zou presideeren.
Onder het dessert, dat uit een echt nationaal gerecht bestond, eene soort vla van vruchtensap, werd er sherry geschonken: de gezichten der meeste heeren begonnen er uit te zien, alsof zij in het schijnsel van de ondergaande zon zaten.
De advocaat Kahrs beweerde, dat de klerk van den drost werkelijk een onbeschaamde kerel was, wijl hij het waagde, na zulk een ernstig "memento mori" als het brokje vleesch, drie groote porties van het dessert te verorberen. Er werd tot het laatst toe luid gepraat, gelachen en gedronken, de boeren alleen volhardden in hun stilzwijgen, en eenigszins wantrouwend zetten zij nu en dan het glas aan den mond.
Juist toen het leven aan tafel het grootst was, tikte de ambtman met zijn mes tegen zijn glas, tot teeken dat de maaltijd als geëindigd was te beschouwen. De boeren op straat bemerkten, dat het maal was afgeloopen, aan de vele roode gezichten, die zich voor de ramen en in de deur vertoonden: in dat vervl..... regenweer, kon men geen voet buiten zetten. De eetzaal werd, nadat de heeren koffie hadden gedronken, weer tot gerechtszaal ingericht, en met alle plechtigheid hervatte men den arbeid. De officier van justitie, die zou presideeren, zag er in de rechtszaal op zijn best uit. Het welgevormde hoofd, voorzien van eene witte pruik, gaf hem iets, dat eerbied inboezemde, en zijne scherpe licht-grijze oogen wierpen die doorborende blikken op aangeklaagden en getuigen, waardoor niemand beter dan hij het verstond tot bekentenissen uit te lokken, welke, zoo een ander rechter had ondervraagd, misschien aan den mond niet ontglipt zouden zijn. Hij stond dan ook als een knap rechter bekend. Hij toch wist zoo de beteekenis van een woord te draaien of wel te verklaren, dat het hem, volgens zijne eigene bewering, altijd gelukte, de waarheid uit de lui te halen.
Vandaag ging alles bijzonder vlug toe, toch zorgde hij er voor, dat de waardigheid der rechters er niet onder leed. Eene menigte civiele zaken werden spoedig afgedaan, want alle advocaten wisten, dat het er om te doen was, zoo spoedig mogelijk aan de "cause célèbre" te komen. In stilte verheugde men er zich reeds over, men stootte elkander aan, en wierp elkander geheimzinnige blikken toe. Van lange pleitredenen kon er dus ook geen sprake zijn, de eene zaak na de andere werd tot latere beslissing verschoven. Alleen de advocaat Kruse, die niet zeer hoog timmerde, scheen maar geen haast te hebben: hij dicteerde het eene protocol na het andere. De advocaat Kahrs trok hem bij zijn jas, en Alfred Bennecken, die de protocollen schreef, gaf hem door allerlei teekenen te kennen, dat hij korter moest zijn, niets hielp; zelfs liet hij zich in zijn werk niet storen, toen de president-rechter door luid den neus te snuiten, en ongeduldig op zijnen stoel heen en weer te schuiven, hem wilde te kennen geven, dat het tijd was met het dicteeren op te houden. Eindelijk was Kruse klaar, en kwam de concubinaire zaak aan de beurt. De voor- en achterdeur van het huis stonden beide wijd open, in de gang was het even vol als in de gerechtszaal, waar het publiek zeer dicht op elkaar gepakt stond. Eenigen moesten er zich dus mee vergenoegen op straat een heenkomen te zoeken.
De doornatte baaien wambuizen begonnen nu in de warme lucht een onaangenamen geur te verspreiden; in de zaal was het benauwd warm, en de regendruppels kletterden eentonig tegen de ruiten. In de gang stond in het dichtste gedrang de man met de leepoogen. Van hetgeen in de zaal plaats had, kon hij, daar hij klein van gestalte was, niets zien; met gespannen oplettendheid luisterde hij naar elk woord dat gezegd werd, en begreep er geen zier van. Toen de president-rechter den naam van den aangeklaagde vernam, zeide hij: "Njaedel.... wat is dat voor een barbaarsche naam."
"Het is hetzelfde als Nils," verklaarde Tofte, die altijd heel dienstvaardig was, "daar verder op in de bergen, zegt het volk Njaedel, in plaats van Nils."
"Zoo.... maar wij zijn nu niet daar, maar hier, aldus heet de man Nils,--hoe meer?"
"Vatuemo."
"Vatuemo," vroeg de president-rechter ongeduldig.
"Op de kaart van het district staat "Vandmo," viel Tofte weer in.
"Natuurlijk, aldus heet hij, slechtweg Nils Vandmo; provincialismen kunnen wij in de protocollen niet neêrschrijven."
Toen hij deze woorden had gezegd, zag hij met gestrengen blik de zaal rond, eerst naar de zijde waar het volk stond, dan naar die, waar de ambtman zich bevond, en deze knikte hem goedkeurend toe.
Njaedel was intusschen voor de balie gekomen. In voorovergebogen houding stond hij daar; nu en dan wreef hij met de mouw van zijn wambuis langs het voorhoofd om de dikke zweetdruppels, die er op parelden, af te wisschen en krampachtig bewoog hij den mond.
De rechter zag hem doordringend aan, om te zien welke methode van ondervraging hij zou gebruiken. Op snijdenden toon, zoodat de woorden schielijk op elkander volgden, zeide hij: "O, gij zijt dus de man, die door je schandelijken levenswandel met je dienstmeid in de gemeente zulk een ergernis wekt... wie is de aanklager?"
"De pachter Sören Börevig."
"Hoort gij dat?... de pachter... schaam jij je niet... En zoo heb je de meid en het kind naar Amerika gezonden hé.... je ziet dat we met je knepen bekend zijn. Je dacht wel van de heele zaak af te zijn, maar neen, zoo gemakkelijk gaat dit niet--of misschien loochen je wel, dat het zoo is, hé?"
Njaedel trachtte eenige woorden uit te brengen, maar het was hem onmogelijk; eindelijk gelukte het hem, en hij zeide: "ik loochen het niet."
Op dit antwoord had de rechter zich niet voorbereid, doch, daar hij aan verrassingen gewoon was, herstelde hij zich spoedig en zeide:
"Dat is ook maar het beste, maar het is niet genoeg. De zaak moet nauwkeurig onderzocht, en getuigen moeten gehoord worden. Waar is je dochter?"
"Zij is vertrokken," antwoordde Njaedel.
"Vertrokken... zij ook... en waar naar toe?" riep de president-rechter uit, en hij spalkte zijne oogen zoo wijd mogelijk open; de kandidaat was niet minder verwonderd, de pen viel hem zelfs uit de hand, en al de advocaten spitsten evenals dashonden hunne ooren; de ambtman zelfs, die op de sofa naast den haard zat, zag uit het wetboek op, waarin hij schijnbaar had zitten te studeeren.
"Naar Christiania.... gisteren is zij vertrokken' zeide Njaedel.
"Het is alsof de duivel er de hand.... hm...." en vuurrood van toorn sprong de rechter van zijnen stoel op en zag hij Njaedel aan. Zelden gebeurde het hem, dat hij zich zoo vergat, en bij eene zitting vloekte, in het eerste oogenblik was hij zijne drift evenwel niet langer meester geweest. In de heftigste bewoordingen, (doch niet geheel vergetende waar hij zich bevond), sprak hij Njaedel aan, en gaf hem duidelijk te kennen, dat hij op een streng vonnis kon rekenen. De rechters legden onverholen hun misnoegen aan den dag, en toen Njaedel zich gereed maakte de zaal te verlaten, gingen al de toehoorders zooveel mogelijk voor hem uit den weg, alsof hij een pestzieke was.
Het was dus werkelijk eene groote misrekening. De vroolijke stemming, waarin de maaltijd de heeren gebracht had, was hun bijgebleven, wijl zij het vooruitzicht hadden gehad, dat eene pikante zaak vóór zou komen, maar nu was alle opgeruimdheid op eens verdwenen. Het was bijna onmogelijk langer in dat bedompte schemerachtig verlichte vertrek te blijven, welks vloer van al de vuile laarzen vreeselijk glibberig was en waar de regen voortdurend tegen de ruiten kletterde.
De ambtman zag op zijn horloge, stond op, en na aan een der klerken een wenk te hebben gegeven, verdween hij met deze in de kamer naast de zaal. Men hoorde er een hevig gestommel met koffers, een bewijs dus, dat hij aan vertrekken dacht.
De president-rechter was zijnen toorn nog niet meester en ieder, vriend en vijand, moest het dus ontgelden. Alle andere zaken werden met den stormpas afgehandeld, en wee dengene, die het waagde hem op te houden. Zijn horloge legde hij voor zich op de tafel en telkens hield hij zich op de hoogte van de klok.
De advocaat Kruse, die voor geene verbetering vatbaar scheen, begon weer het protocol te dicteeren.
Ongeduldig schoof de president echter heen en weer op zijnen stoel. "Ik ben zoo vrij u opmerkzaam te maken, meneer Kruse, dat er ook voor het opmaken van een protocol eene grens bestaat."
Kruse trok heel bedaard zijn horloge uit zijn vestzakje en zeide: "ik heb den daartoe bestemden tijd nog niet overschreden."
"Mogelijk, maar het is niet meer dan passend, dat men ook eenigermate denkt aan de belangen...."
"Ik heb alleen op de belangen van mijn cliënt acht te geven," antwoordde Kruse, en hij ging voort met dicteeren.
"De volgende zaak," riep de rechter, toen Kruse eindelijk klaar was.
De man met de leepoogen, die nog altijd op dezelfde plaats in den gang stond, sprong verschrikt op.
Zijne zaak zou voorkomen, hij had zijnen naam hooren noemen.
"Nu," riep de rechter op boozen toon uit. "Wie heeft de zaak in handen?"
"Advocaat Bogesen," luidde het antwoord.
"Maar Bogesen woont het Thing niet bij.... wie is zijn plaatsvervanger.... wie?"
De advocaat Kahrs, die volstrekt geen acht had geslagen op hetgeen er voorviel en die met een vriend aan het raam had staan praten, liep nu ijlings naar de tafel.
"Welke zaak is voor, Kruse?" fluisterde hij dezen toe.
"Ik zal het even op de lijst nazien," antwoordde deze zeer luid.
"Uilskuiken!" mompelde Kahrs bij zich zelf, hij draaide zich echter dadelijk eerbiedig naar den president toe, en dicteerde: "voor den aanklager treedt de advocaat Bogesen op, die door den advocaat Kahrs vervangen wordt, welke verzoekt de zaak tot het volgende Thing te mogen uitstellen."
"En waarom?" vroeg de president op eenigszins scherpen toon.
"Wegens een getuigenverhoor," dicteerde Kahrs verder.
"Waar zal dat getuigenverhoor plaats hebben," vroeg hij op boosaardigen toon, want hij begreep heel goed, dat Kahrs volstrekt niet wist, waarover de zaak handelde
"In het Röedal," antwoordde Kahrs zonder een oogenblik te aarzelen op onverstoorbaar ernstigen toon. De welluidende stem en de ernstige, waardige houding van den advocaat Kahrs hadden altijd eene goede uitwerking.
De president kon niet nalaten even vertrouwelijk tegen hem te knipoogen en een paar der klerken hadden groote moeite hunnen lachlust te bedwingen, doch Kahrs, die met het gezicht naar de menigte toe stond, behield dezelfde ernstige plooi in zijn gelaat, totdat uitstel van de zaak toegestaan werd. De advocaat Tofte, die voor de belangen van den paardenopkooper zou pleiten, had er toch genoegen mee genomen. Kahrs boog zeer eerbiedig voor den rechter en verdween in de menigte.
"De volgende zaak," riep de president.
"Er zijn er geen meer."
"Goddank!" Het horloge werd nu in het vestzakje gestoken en hij zei tot een der klerken: "vraag den ambtman of wij kunnen laten inspannen."
De zitting werd opgeheven, de protocollen geteekend, en voor dat de toehoorders recht hadden begrepen, dat het gedaan was, stonden alle rechtsgeleerden, die het Thing gehouden hadden reeds klaar, om weg te gaan.
De advocaten stoven naar buiten, terwijl de klerken voor de dikke protocollen zorg droegen om ze zoo spoedig mogelijk ingepakt te krijgen.
De man met de leepoogen volgde den stroom van menschen, die door de achterdeur naar buiten gingen; hij begreep volstrekt niet, hoe het eigenlijk met zijne zaak stond. Eindelijk ontfermde zich een der omstanders over hem door hem mede te deelen, dat zijne zaak verdaagd was.
"Verdaagd," mompelde hij, en nog begreep hij niet recht, hoe het was. Tusschen de karren door baande hij zich een weg, hoe wist hij zelf niet; het kwam hem voor alsof alles donker om hem heen was, eindelijk bereikte hij zijn karretje, klom er in en werktuigelijk sloeg hij den weg naar huis in.
De groote calèche stond vóór de deur van den Lensmand. De meeste heeren zaten reeds in de kleine boerenkarren, die in lange rijen er achter stonden. Tofte alleen was nog druk bezig met afscheid nemen; wanneer hij een paar boeren zag, met wie hij de kennis wenschte aan te houden, was hij bijzonder vriendelijk en hartelijk en had een schertsend woord ten beste.
Vóór het karretje, waar Kahrs in zat, was een vrij wild paard gespannen, en het kostte hem heel wat moeite het dier stil te doen staan. Hij vloekte dan ook, dat de ambtman zoo lang op zich liet wachten. Weg te rijden, neen, dat waagde hij niet, want hij wist dat de ambtman hem dit hoogst kwalijk zou nemen.
Ondertusschen praatte deze dood op zijn gemak met de vrouw van den Lensmand, en hij keek nu en dan eens door het raam, om te zien, hoe ver men met de toebereidselen voor de reis was gekomen. Hij had als regel aangenomen nooit buiten te komen, vóór alles klaar was, en hij hield er van, een weinig op zich te laten wachten.
Eindelijk stapte hij in, de wagen rolde weg en de boerenkarren volgden.
"Och ja," zeide de ambtman, en hij dook zoo gemakkelijk mogelijk weg in het hoekje van den wagen, "wanneer ik het volk, zooals b.v. vandaag ook het geval weer was, zoo eerbiedig voor zijne overheidspersonen zie staan, denk ik altijd: och, zij kunnen schreeuwen, zoo luid als zij willen die socialisten van den tegenwoordigen tijd, het zal hun toch niet gelukken dat oude overgeërfde ontzag, dat het volk voor de overheid koestert, weg te nemen; ons volk is hiervoor te loyaal.... te godsdienstig."
"En te traag," voegde de officier van justitie er bij.
"Nu ja.... gedeeltelijk kunt gij hierin gelijk hebben," antwoordde de ambtman, en hij leunde nog wat meer naar achteren, om een middagslaapje te kunnen houden.
De wagens waren reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen de menigte nog op den weg verzameld stond, en allen hadden veel te vragen. De rechters waren zoo hals over kop weggereisd en waren zoo moeielijk te genaken geweest, dat velen onverrichter zake naar huis moesten terugkeeren. Door geen enkel woord gaf men echter zijn misnoegen te kennen; hier en daar ontmoette men een knorrig gezicht, of zag men den een of ander ontevreden het hoofd schudden; misschien was het maar goed voor den ambtman, dat hij onbekend bleef met de gedachten der lieden--hij zou misschien zijn middagslaapje dan niet zoo ongestoord hebben kunnen genieten.
De avond was nu gevallen, een koude regenachtige avond. In het westen vertoonde zich aan den horizon eene smalle roodachtige streep. Voor de stoep van het huis, waar de Lensmand woonde, stond de keukenmeid met hare helpsters om de heeren te zien wegrijden. Rood en warm zagen zij er uit; na al de drukte van den geheelen dag was het niet te verwonderen, dat zij naar het vertrek des rechters hadden gesnakt om gelegenheid te hebben wat frissche lucht te scheppen.
Men verstrooide zich nu naar alle richtingen, sommigen alleen, anderen in gezelschap van een paar makkers, allen echter met de handen in de broekzakken. Nat en moede van zoo den geheelen dag in den regen te hebben moeten drentelen en wachten, sleepten zij zich op den weg voort naar huis.
De opperloods reed in zuidelijke richting, en daar hij een flink paard had, haalde hij de meesten in. Na een poosje zag hij Njaedel te voet naar huis gaan.
"Klim achter op, Njaedel!" Het aanbod werd aangenomen, en men reed verder.
Een oogenblik later haalden zij een karretje in, dat zeer langzaam voortrolde.
"Haal uit!" schreeuwde de opperloods.
Het duurde vrij lang, eer het karretje wat op zij was en de andere wagen voorbij kon komen.
De leepoogige man zat in het karretje. Hij had geen haast, een lange weg lag vóór hem en hij bracht geen vroolijk bericht naar huis. De oude bruine merrie, die vóór de kar was gespannen ging op een sukkeldrafje; bruinvaal was zij van ouderdom en ruigharig als eene geit. De man zag zijn bruintje aan, en dacht aan zijn Isabella; hoe dichter hij bij huis kwam, des te beklemder werd zijn gemoed. Hij wist toch te goed, hoe zijne vrouw en kinderen in de zekere verwachting leefden, dat hij van avond het beest meê naar huis zou brengen. Zijn oudste jongen had reeds bij voorbaat eenen halster in de kar gelegd om er het paard meê achteraan te binden. Hij zag ze reeds allen daar op de hoogte vóór zijn huisje op den uitkijk staan. Zij zouden dan in allen geval reeds op verren afstand zien, dat hij het verloren paard niet terugbracht, maar natuurlijk zouden zij dan meenen, dat hij de zakken vol geld had.
Hij keek in de kar.... ja, daar lag de halster. Hoe zou hij ze aan het verstand kunnen brengen, dat de zaak "verdaagd" was. Het oude bruine paard was zoo nat als een kat, en hij dacht maar voortdurend aan de mooie manen van de Isabella en hoe rond en fijn van leden die was.
IV.
Toen de kar vóór de hoeve van Njaedel stilhield, ging de opperloods meê naar binnen. Het huis was als uitgestorven; alle deuren stonden wijd open en de kat liep mauwende rond.
Zonder een woord te zeggen, ging Njaedel dadelijk naar de etenskast en zette, doch het ging zeer langzaam, het eten op de tafel. De opperloods was dadelijk gaan zitten en hij volgde hem met de oogen; hij zag, hoe onbeholpen dit werk Njaedel afging en zeide dan ook: "Hoor Njaedel, ik denk, dat je wel genoodzaakt zult zijn naar eene andere dienstmeid uit te zien."
"Neen!" riep Njaedel, en hij stampvoette zóó, dat de vloer dreunde.
"Nu, nu.... eet mij niet op," antwoordde de opperloods.
Toen zij aan 't eten waren, verzocht Njaedel hem eenen brief aan Christina te schrijven, maar daar er bij hem aan huis geen schrijfgereedschap was, kwam men overeen, dat zijn buurman den brief t'huis zou schrijven; hij kon dien dan later aan Njaedel voorlezen.
"Maar wat moet ik in den brief schrijven?"
"Geen woord over van daag," antwoordde Njaedel.
"Neen, neen, waar zou dat ook toe dienen... maar..."
"Schrijf haar, dat zij niet boos op mij moet zijn en dat zij zich ook niet bezorgd om mij moet maken.... dat ik het heel goed heb.... heel goed zelfs.... dat mij niets ontbreekt."
"Dat je je heel goed alleen kunt redden en je haar volstrekt niet mist...."
"Och ongelukkig genoeg mis ik haar zeer.... dat moet je haar schrijven hoor," zeide Njaedel en hij schoof op zijnen stoel heen en weer.
"Maar als zij leest, dat je haar zoo mist, dan heeft zij geen rust meer, en...."
"Ja.... dan moogt gij er niets van inden brief zetten," zeide Njaedel op gejaagden toon.
"Schrijf.... maar dat moet je zelf toch wel het best weten, buurman, die schrijven hebt geleerd. Schrijf vooral zoo, dat Christina er vroolijk door wordt.... hoe ik het heb, komt er niet op aan."
"Zou je het niet goed vinden, als ik ook eenen brief aan je broer schreef?"
"Zeker, buurman, en vraag hem vooral voor Christine vriendelijk te willen zijn. Betaling kan hij voor haar krijgen, zoo hij het wil hebben."
"Hij zal zeker kostgeld voor haar nemen."
"Anders zit er warmpjes in," antwoordde Njaedel. "Dat is me een kerel, die het ver in de wereld heeft gebracht. Ja mijne moeder wist het wel; jij Njaedel, zei ze altijd, je bent een groote slungel, zoo stijf als een stokvisch, maar Anders is fijn en glad als een aal."
"Waarom nam hij na den dood van je vader de boerderij niet over, hij was toch de oudste?"
"Met alle geweld wilde hij, dat ik die overnemen zou."
"Hij wist drommels goed, waarom hij zulks deed--hij liet jou met den vervallen boel zitten en trok zelf met zijn geld de wijde wereld in."
"Zoo moogt ge niet over Anders spreken, hoor," antwoordde Njaedel, "hij was altijd zulk een flinke jongen. Het komt mij voor, alsof het gisteren gebeurd was, dat wij voor moeder heidekruid gingen plukken. Anders wist de mand zoo vol te pakken, dat er geen sprietje meer in kon."
"Maar jij droegt ze naar huis, hé?"
"Wat?.. ja dat sprak van zelf, ik was van ons beiden de sterkste."
"Maar wat doet hij eigenlijk voor den kost.., die Anders," vroeg de opperloods.
"Hij is werkzaam aan iets heel voornaams, maar hoe dat eigenlijk heet, schiet mij niet te binnen."
Njaedel ging naar de kast toe, om naar een ouden brief van zijn broer te zoeken.
De klink van de achterdeur werd zachtjes opgelicht en men hoorde iemand door de keuken gaan. Het was er reeds tamelijk donker door het regenachtige weder; in het Noordwesten alleen was er aan den horizon eene lichte streep te zien, die een geelrood schijnsel in de kamer wierp.
Zoodra Njaedel zag, dat het Sören Börevig was, die binnenkwam, sloeg hij de deur van de kast toe, en zeide ruw: "Gij komt zeker eens kijken, of ik alleen in huis ben. Ja zie nu de bedden goed na.... misschien kunt gij nog wat ontdekken, dat ergernis wekt.... gij...."
"Het recht moet zijn loop hebben," antwoordde Sören op zachtmoedigen toon, "en dringend vermaan ik je.... Njaedel...."
"Wat komt gij doen?" viel hem de ander in de rede.
Sören waagde niet te beweren, dat hij, ofschoon hij pachter van den predikant was, alleen was gekomen om hem te vermanen; tegen zijne gewoonte begon hij dus zonder omwegen, "ik heb met den advocaat Tofte gesproken."
"Over het wier aan het strand?"
"Ja, daar praatten wij ook wat over. Hij meende, de advocaat.... dat het maar zoo niet aanging, dat ik het wier, dat ik noodig heb, daar niet van daan kon halen,.... dat kon.... dat kon...."
"Misschien ergernis verwekken," merkte de opperloods droogjes aan, terwijl hij bij den haard zijn pijpje aanstak.
"Neen, dat meende hij nu juist niet, maar hij vond, dat het te betwijfelen viel of die sloot...."
"Ik heb mijn bewijs van eigendom," zeide Njaedel.
"Ja, ja, dat hebt gij...." en Sören ging weer naar de deur.... "ik kwam hier maar even binnen loopen, om te zeggen, dat wij dan wel moeten beginnen."
"Beginnen?" vroeg de opperloods.
"Ja.... met het proces."
"Proces!" riep de opperloods en hij kwam dichter bij "bedenk je tweemaal Njaedel, vóór je daarmee aanvangt. Ik ken er, die voor geringer zaak dan deze, huis en hof verloren hebben, alleen door dat ongelukkige procedeeren. Meer dan één eerlijke kerel ligt eenige voeten diep in de aarde.... en de advocaat Tofte was aan dien vroegtijdigen dood schuld."
"Gij moet zoo niet over uwen naaste spreken, opperloods, want de advocaat meende ook, dat het een lang en kostbaar proces kon worden."
"Ik graaf mijne sloot en daarmee uit," zeide Njaedel.
"Dat zult gij wel laten Njaedel, wanneer de drost hier geweest is en hij het verbiedt."
"Het mij verbiedt?"
"Ja, ziet gij," antwoordde Sören, "want gij moet dan met graven wachten, totdat er uitspraak in de zaak is gedaan."
Njaedel ging heen en weer in het vertrek, zette eenen stoel wat te recht en zag besluiteloos den opperloods aan, doch eindelijk kwam hij weer tot de hoofdzaak terug en zeide op vasten toon, terwijl hij de eene hand tegen de andere sloeg: "ik heb mijn koopcontract van den Bisschop te Kristiansand."
"Gij kondt den bisschop wel eens vragen, hoe het eigenlijk met dat wier aan het strand geschapen is," zeide Sören op zoetsappigen toon en hij keek hem van ter zijde aan.
"Ja,--daar zegt gij wat Sören," mompelde de opperloods, "het zou dan niet op zoo groote onkosten loopen."
"Of misschien zouden wij nog beter doen, het aan den koning te vragen," zei Sören schijnbaar los weg en hij keek door het raam.
"Ja, de koning staat toch boven den bisschop," zeide Njaedel, "maar zou hij er ons op antwoorden?"
"Wanneer wij de zaak bij het Departement indienden, en de beslissing...."
"Waar zegt gij?"
"Bij het Departement," antwoordde Sören, die goed op de hoogte scheen te zijn.
"Buurman," zeide Njaedel tot Sechus.... "daar is Anders werkzaam, dat woord wou mij maar niet te binnen schieten.... Maar hoort de koning dan van de zaak?"
"Ja," verklaarde Sechus, "dat is de weg naar den koning." Njaedel dacht een oogenblik na.
Dit voorstel viel meer in zijnen smaak, dan een proces. Buitendien was Anders daar werkzaam en op deze wijze kon de zaak in eens afgedaan worden; het was toch zonneklaar, dat hij in het gelijk zou gesteld worden.