Arbeiders: Roman

Part 2

Chapter 24,016 wordsPublic domain

"Heb ik misschien niet zoolang ik de Börevigshoeve gepacht heb, daar mijn wier gehaald?"

"Ja, Sören, dat hebt gij gedaan," antwoordde Njaedel bedaard, "en ik geloof zelfs, dat gij vele dingen hebt gedaan, die gij liever niet hadt moeten doen."

"Denkt gij misschien, dat het maar zoo gaat, oude steeds gebruikte wegen af te sluiten," vroeg Sören hem op zachtmoedigen toon, "dat kunt gij niet meenen Njaedel?"

"Ik heb mijn eigendomsbewijs.... en een dat echt is, ik heb het land van de kerk gekocht en ik betaal er belasting voor aan den Bisschop te Kristiansand. Geen woord staat er in te lezen, hoor, dat de eigenaars van Börevig verlof hebben, over mijn land te rijden, en zoo vind ik, dat het mij vrij staat, slooten te graven waar ik wil."

Na deze woorden gezegd te hebben, sloeg hij den weg naar den huizenkant in.

"Ja, maar het wier.... het wier!" riep Sören uit, en hij wreef zich harder dan gewoonlijk in de handen.

"Het erts is in de bergen, en het wier in de zee, hebt ge geene bergen, zoo hebt ge geen erts, hebt ge geen strand, zoo hebt ge geen wier. Ik vind, dat ge dit moest begrijpen Sören, gij, die zoo buitengewoon schrander zijt."

"Ja maar, ja maar," begon Sören opnieuw, "maar alle Godsgaven moeten wij toch met elkander deelen, zijn wij niet allen broeders?

"Ik wil je broêr niet zijn, Sören Börevig.... voor geen tweehonderd groote lasten zeewier," antwoordde Njaedel, en er lag iets sombers in den blik, waarmede hij hem aanzag.

"Nu ja.... Njaedel, dan schiet er wel niet anders over, dan de zaak voor het gerecht te brengen," zeide Sören bedaard, "de advocaat Tofte is nu juist hier, dat komt al heel goed uit, ik zal hem er over raadplegen."

"Ga je gang, Sören, ik heb mijn koopcontract," antwoordde Njaedel, en hij ging verder.

Midden op den weg, tusschen de huizen in, stond eene menigte mannen om een voertuig, dat zoo even was aangekomen. Een klein gezet man, met een zeer rood gelaat een' grijzen baard en eene pelsmuts op het hoofd, stapte uit den wagen.

"Is hier iemand," sprak hij, de omstanders aanziende, "die mij kan vertellen wien het stuk van den weg toebehoort, dat van het hek van Börevig tot aan het Zwarte Moeras loopt, dien kerel zou ik gaarne een hartig woordje willen zeggen."

Niemand kon hem er bescheid op geven, doch eindelijk antwoordde een oud man: "ja, daar heeft de opperloods gelijk in, de geheele kust langs is de weg niet zoo slecht als juist daar."

"Een weg!" riep de opperloods uit, "noem je dat een weg? neen, ik noem het een moeras, waarin hier en daar eenige steenen zijn gegooid, kijk maar eens, hoe mooi wij eruitzien," en hij wees met de hand naar het paard en den wagen, die er vreeselijk beslijkt uitzagen.

"Het best zou maar zijn, bij den Lensmand eene klacht in te dienen," riep één uit de menigte.

"Ja, zoo het wat hielp," luidde het antwoord van den opperloods, en hij krabde zich het hoofd.

Njaedel Vatuemo stond niet ver van den opperloods af, en toen deze hem bemerkte, knipoogde hij hem vertrouwelijk toe.

Eén der loodsen begon het paard nu uit te spannen, en de opperloods ging tot Njaedel en zeide tot hem op fluisterenden toon: "zij is welbehouden aan boord geraakt."

"Kreeg zij eene goede plaats aan boord?" vroeg Njaedel.

"Eene beste hoor.... men zou bijna zeggen, dat het eene van de groote booten op Amerika was, en toch was het maar eene plaats op het voordek. Morgen avond komt zij te Christiania aan."

"Morgen avond; dat treft ze niet goed, dat de boot 's avonds aankomt, zoo zij Anders nu maar in de duisternis vinden kan."

"Daar heb ik voor gezorgd, Njaedel, ik heb voor jou aan je broer laten telegrafeeren, dat hij Christina aan de aanlegplaats moet gaan afhalen."

"Wel heb ik van mijn leven, dat ge er op kwaamt dat te doen," zeide Njaedel, "dat kostte heel wat geld, hé?"

"Precies eene kroon."

"Kon-je het niet wat goedkooper gedaan krijgen?"

"Neen.... buurman, daar staat een vaste prijs voor."

"Ja, ja, dat kan ik wel denken; ik ben maar in mijn schik, dat je er voor hebt gezorgd," zeide Njaedel, en hij grabbelde in zijnen zak naar eene kroon.... "wel bedankt, hoor!"

"Kom, niet te danken.... Ben je al vóór geweest, Njaedel?"

"Neen, en men zegt, dat ik eerst laat aan de beurt zal komen."

"Heb je wat teerkost meegenomen?"

"Neen!" en het antwoord werd eenigszins kortaf gegeven.... "er was nu niemand t'huis om wat voor mij klaar te maken."

"Hm.... dat is waar ook," mompelde de opperloods, "weet je wat, wij zullen nu maar zien, wat eten bij den loods Tobias op te loopen."

De boeren gingen een weinig op zij om plaats voor den opperloods te maken en allen groetten hem; den langen Njaedel, die achter hem aanging, scheen niemand te willen bemerken.

De lucht betrok meer en meer. De zee zag er onstuimig uit en dreigende regenwolken vertoonden zich in de verte. Eene ferme bries uit het zuidwesten zweepte de schuimende golven over en tusschen de groote ronde steenen aan het strand, en lange slijmachtige zeeplanten voerden zij in hun vaart met zich.

Verder op het strand, waar dit iets hooger gelegen was, hadden de bewoners hunne huizen gebouwd.

Nauwe wegen vol mest en vuilnishoopen bevonden zich tusschen de huizen, overal lagen hier en daar gebroken mestgaffels, roestige ploegijzers, halve wielen en wrakken van vaartuigen van allerlei soort, die in den loop des tijds door de zee aangespoeld waren.

Vóór elke woning bevond zich meestal echter een plekje, dat netjes in orde werd gehouden, waar de bewoners gaarne vertoefden, wanneer het 's avonds mooi weer was, gezeten op den steenen drempel van de buitendeur of op de bank tegen den muur.

Hoewel het zomerdag was, lag er nu toch iets sombers over alles. Donkere regenwolken hingen laag neer en de zee zag grauw. De met donkerroode teer bestreken huizen hadden niets aantrekkelijks voor het oog. Dit was niet altijd het geval: wanneer de zon helder scheen, konden zij er met hunne heldere, van witte gordijnen voorziene vensters, waarvoor meestal eenige bloempotten stonden, recht vriendelijk uitzien; zelfs het witgeverfde huis van den Lensmand zag er vandaag ook niet op zijn voordeeligst uit.

De dichte drommen van boeren, die hier vandaag verzameld waren, pasten volkomen bij het geheel; allen droegen dikke wambuizen van donkerblauwe stof, en dit costuum scheen ook iets gedrukts aan het landschap te geven. Levendig ging het volstrekt niet toe, het gesprek scheen nergens te willen vlotten ; men groette elkander even in het voorbijgaan, maar men zag elkaar nauwelijks aan; soms gebeurde het, dat eenige boeren hunne groote, klamme handen tot eenen groet uitstaken, maar geen hartelijke handdruk werd er gewisseld, wat trouwens ook niet bij de boeren gebruikelijk is: stijf als stokken strekken ze de vingers uit. Luid gepraat of geschreeuw werd niet gehoord, veel minder nog een hartelijk gelach, ook was hier die eigenaardige lucht te bemerken, welke aan duffel eigen is, wanneer het in iets wordt geverfd, dat men "potteblaat" noemt,--een woord waarvan men maar niet al te nauwkeurig de beteekenis moet uitvorschen.

Klokke één uur werd de morgenzitting opgeheven.

In het vertrek, waar de zitting plaats had, werd nu de tafel voor de heeren gedekt, en dezen gingen zoolang wat op en neer vóór het huis.

Eenige boeren, die wat meer moed dan de overige bezaten, beproefden een gesprek met hunnen advocaat aan te knoopen, om hem toch vooral hunne zaak op het hart te drukken; de man met de leepoogen kon den zijne maar niet in het oog krijgen. De ambtman Hiorth, die altijd gaarne voor zeer humaan werd aangezien, mengde zich meer dan de anderen onder het volk en gaf er nauwlettend acht op, welke boeren hem groetten. Wanneer hij een bekend gezicht meende te zien, bleef hij een oogenblik staan, en sprak eenige vriendelijke woorden. Zijne handen hield hij op den rug onder zijne rokspanden: op handdrukken was hij niet bijzonder gesteld. Juist nu werd een gevangene door een paar veldwachters over de plaats gevoerd. Voor alle zekerheid had men hem in boeien geklonken, want uit het hok, waarheen hij gevoerd werd, was het gemakkelijk te ontvluchten, en buitendien was het voor hem, die er op wacht moest staan, het gemakkelijkst.

"Kent iemand hier dezen man?" vroeg de ambtman.

"Ja.... meneer de ambtman, hij hoort te Krydsvig t'huis," antwoordde de opperloods, die juist uit een der huizen naar buiten kwam.

"Goeden dag, opperloods Sechus," zeide de ambtman, en als een bewijs van de hooge gunst, waarin deze bij hem stond, reikte hij hem de twee vingers zijner rechterhand... "gij kent den arrestant dus...? Diefstal.... is het niet zoo?"

"Ja... arme kerel.... hij heeft bij den kruidenier aldaar ingebroken en er eenen zak meel en eene kan stroop gestolen."

"Het is inderdaad treurig," zeide de ambtman, en hij zag de omstanders met gestrengen blik aan, "dat de diefstallen zoo toenemen. Het komt natuurlijk hierdoor, dat ons volk tegenwoordig ongelukkigerwijze maar al te geneigd is een gewillig oor te leenen aan de woorden van hen, die schijnbaar hun welzijn bedoelen.... Verkeert hij in behoeftige omstandigheden.... heeft hij eene talrijke familie te verzorgen.... zijn er veel kinderen?"

"Vele en kleine als Komlene [3] te Njàa," antwoordde de opperloods.

"Komlene, Kumle?" vroeg de ambtman en zag om zich heen. De advocaat Tofte, die altijd zoo dicht mogelijk bij den ambtman bleef, om dadelijk van dienst te kunnen zijn, zeide op zijnen innemenden toon en half glimlachend: "O, het is eene soort pannekoeken van aardappelenmeel."

"Ah zoo.... pannekoeken...." mompelde deze, en hij ging verder.

De lieden zagen elkaar even van ter zijde aan, en toen de ambtman hun den rug had toegekeerd, konden eenigen zich niet weerhouden, even te lachen. Altijd bewonderde men den opperloods zeer, dat hij op zoo familiaren toon met de groote lui durfde spreken; hij stond zoo tusschen de beide klassen in, daar hij noch tot den eenen, noch tot den anderen stand behoorde.

Lauritz Boldemann Sechus was de zoon van eenen tolbeambte, een' dronkaard van de eerste soort. In zijne jeugd had hij ter zee gevaren; toen hij echter wat ouder werd, kocht hij een stukje van den gemeente-grond te Krydsvig, bouwde er een huisje, waaruit hij van alle kanten de zee kon zien, en kreeg toen het postje van opperloods. Sechus was nu zoo wat om en bij de zestig, was ongetrouwd, en zag er half als een schipper, half als een boer uit. Bij hen, die over hem gesteld waren, stond hij niet al te goed aangeschreven. De ambtman Hiorth beschouwde hem dan ook min of meer als iemand, die gevaarlijk voor de maatschappij was.

Hij bekleedde eene rijksbetrekking en ontzag zich niet, gemeenzaam met de boeren om te gaan, en dit kon de ambtman volstrekt niet goedkeuren; zoo licht kon zulks toch oorzaak worden, dat dit soort van menschen minder ontzag voor den ambtenaarsstand begon te koesteren..... eene zaak welke zeer te betreuren zou zijn, wijl dit ontzag toch eene van de vaderen geërfde deugd was!

Daar Sechus ondertusschen zijn dienstwerk nauwgezet verrichtte, bestond er weinig vooruitzicht van hem af te komen, vooral ook wijl de boeren zeer met hem ingenomen waren. Zelf had hij er in het minst geen vermoeden van, dat zijne superieuren niet hoog met hem wegliepen. Zijne openhartige wijze van spreken was hem van het zeemansleven bijgebleven, en wanneer de ambtman hem nu en dan de groote eer aandeed, twee vingers tot begroeting toe te steken, vond Sechus, dat de ambtman een kerel was, die wist wat een mensch toekomt.

Zijn naaste buurman was Njaedel Vatuemo. Eigenlijk behoorde deze niet aan de kust thuis.

In de bergen was hij geboren. Vele jaren reeds had de hofstede, die hij daar bewoonde, gevaar geloopen door eene bergverzakking bedolven te worden, doch steeds was het nog bij kleine schade gebleven.

Op zekeren nacht echter, het was in de lente, gebeurde wat Njaedel reeds lang had gevreesd. Eene vreeselijke verzakking had plaats; de hoeve werd geheel verwoest, en Njaedel, die zich half gekleed, nog met moeite op een vooruitstekend rotsblok had kunnen redden, stond eenzaam en verlaten. Des morgens haalde men van onder het puin de lijken zijner vrouw en twee kinderen voor den dag; de oudste dochter was in het leven gespaard gebleven.

Het was hem niet langer mogelijk op zijne geboorteplaats te blijven. Hij verkocht, wat hem was overgebleven en zette zich aan de kust neder.

Njaedel volgde niet het gewone gebruik der boeren, zich te noemen naar de plaats, die hij nu bezat. Hij had een stuk land gekocht, waarvan de opperloods ook een gedeelte had. Het goed Krydsvig, met al de landerijen er om heen, had vroeger het bisdom Kristiansand toebehoord.

Dáár in de bergen had Njaedel de eenzaamheid lief gekregen, een groot deel van zijn leven had hij er ook gesleten. Bij den aankoop had hij dan ook dat gedeelte gekozen, hetwelk onmiddellijk aan het strand grensde; eene groote onontgonnen zandvlakte behoorde bij den koop.

Vele jaren had hij nu reeds hier met zijne dochter Christina en een dienstmeisje gewoond.

Hij bebouwde zijn land en het gelukte hem zelfs iets te sparen. Met niemand had hij omgang dan met den opperloods; deze had groote genegenheid opgevat voor dien reusachtigen kerel, die er tevens zoo goedmoedig uitzag, en wiens knappe dochter het een lust was aan te kijken vooral daar opgeruimdheid van gemoed haar in de oogen te lezen stond.

De bewoners van de streek waren niet zeer met Njaedel ingenomen, wijl hij een vreemdeling was. Buitendien vonden zij, dat hij iets stroefs in zijn wezen had, zoodat zij liefst zoo weinig mogelijk met hem te doen wilden hebben. Wanneer hij daar zoo diep in den grond met graven bezig was, had hij werkelijk iets, dat schrik kon inboezemen; daar hij altijd blootshoofds liep, uitgezonderd op feestdagen, maakte de dikke rosachtige haarbos een vreemd effect, wanneer men die van uit den grond zag opkomen, en alle reizigers, die den landweg kwamen langs rijden, konden niet nalaten, wanneer zij Njaedel zagen, aan den koetsier te vragen, wat dat voor een man was. Njaedel, die altijd zeer in zijn werk verdiept was, bemerkte nooit, dat hij zoo de aandacht trok. Met op elkaar geklemde tanden en gefronste wenkbrauwen groef en wroette hij met. spade en houweel in den grond, zoodat de klompen aarde wijd en zijd heenvlogen, en kwam er een steen in zijnen weg, die onbeweeglijk scheen, zoo scheen zijn ijver te verdubbelen: hij rustte niet, vóórdat het hem gelukt was dezen te verwijderen en hij bromde intusschen bij zich zelf als een beer.

Tegen het schaftuur, of wanneer het te donker werd om verder te arbeiden, kwam hij uit den grond te voorschijn, en stiet het slijk van zijne klompen. De spade werd in den grond gestoken en het werk met aandacht bekeken. Wanneer het gedane werk hem beviel, streek hij gewoonlijk met de knuisten door zijn haar, zoodat dit naar alle kanten uitstond en een tevreden glimlach lag er om zijnen mond.

Binnenshuis, vooral in gezelschap van vrouwen, was hij zoo zacht als een lam; hij liep altijd zoo voorzichtig door de kamers, alsof hij vreesde, in geval hij zich in zijne geheele lengte uitrekte, het dak van het huis te zullen aanraken.

Terwijl de heeren in het huis van den Lensmand aan het middagmaal waren, begon het te regenen, en de droppels vielen zoo gelijkmatig neer, dat men er zeker van kon zijn, dat de regen lang zou aanhouden.

Eenige boeren zochten eene schuilplaats in de omliggende huizen of schuren, het meerendeel bleef echter in den regen staan. Soms bogen zij zich een weinig voorover om het water van hunnen hoed te laten afdruipen, maar eigenlijk waren zij er zoo aan gewoon nat te worden, dat het hun niet veel kon schelen.

De regen sijpelde door het baai heen, en droop in licht blauw gekleurde droppels van hunne wambuizen. Sporen van ongeduld vertoonden zich over het lange wachten niet onder de menigte; allen wisten, dat een maaltijd op den dag dat er zitting was, iets was, waar de noodige tijd voor genomen moest worden.

III.

De ambtman zat aan het boveneinde van de tafel, rechts van hem de officier van justitie, links de drost, vervolgens naar den ouderdom de substituut-officieren, de advocaten, griffiers en klerken, ten laatste eenige boeren, namelijk de president van den gemeenteraad en een paar andere leden.

De Lensmand zat aan het benedeneinde der tafel.

"Voor vandaag heeft de Lensmand eene keukenmeid uit de stad laten komen," zeide de oude advocaat Kahrs, en hij smakte dat het een aard had; "het is heel wat anders dan vroeger, toen wij eene pruimensoep van welke stroop en kaneel de voornaamste bestanddeelen uitmaakten, naar binnen moesten werken."

Deze woorden zeide hij op half fluisterenden toon tot zijnen buurman, want men was nog aan het eerste gerecht--eene soort vischpudding met kreeftensaus--en de ambtman had tot dusver alleen het woord. De roode wijn was heel zuur, maar, daar hij veel alcohol bevatte, was de smaak zeer sterk. Brandewijn en bier waren in ruime mate voorhanden, en daar de heeren zich dit goed lieten smaken, werd de stemming aan tafel spoedig vroolijker.

De tegenwoordigheid van den ambtman veroorzaakte echter, dat alles in den aanvang zeer deftig toeging.

Men fluisterde alleen met zijnen buurman; overigens zat men doodstil en antwoordde alleen op de vragen, die het den ambtman behaagde aan den een of ander te doen. Het was zijne gewoonte een paar woorden tot een ieder te richten; bijzonder minzaam was hij jegens de aan tafel zittende boeren, daar hij zeer gaarne voor een populair man wilde doorgaan. Wanneer het gebraad opgediend werd, bracht hij altijd eenen toast op den koning uit, en gewoonlijk volgde, wanneer de gelegenheid er zich voor aanbood, een paar andere toasten. Vandaag zou die eer ten deel vallen aan een zeer jong jurist, den heer Alfred Bennecken, die als kandidaat in de rechtsgeleerdheid in den laatsten tijd was werkzaam geweest [4], en binnenkort zou vertrekken.

"Het is mij eene behoefte, meneer Bennecken," zoo ving de ambtman aan, "u een hartelijk vaarwel toe te roepen, nu gij op het punt zijt, deze streek te verlaten, alwaar gij een paar jaar zoo nuttig werkzaam zijt geweest. Onnoodig is het zeker u te zeggen, dat de tijd gedurende welken gij met ons samen gewerkt hebt, bij ons steeds in aangename herinnering zal blijven, doch daar gij nu eene baan gaat betreden, waarop niet alleen meer van uwe krachten zal gevorderd worden, maar waar tevens de verantwoordelijkheid ook zwaarder op uwe schouders zal rusten, zoo kan ons dit niet anders dan vreugde geven. Al scheidt gij van ons, toch blijft dezelfde werkzaamheid ons vereenigen. Ik maak mij zeker niet aan indiscretie schuldig, zoo ik aan de heeren meedeel, dat gij van plan zijt naar eene plaats bij een der Departementen te solliciteeren... waarschijnlijk wel bij dat van uwen geachten vader, nietwaar?"

Alfred Bennecken boog beleefd.

"Ik herhaal," dus ging de ambtman voort, "dat dezelfde band ons blijft vereenen. Want mijne heeren, hebben wij bij onzen gemeenschappelijken arbeid niet hetzelfde doel voor oogen? Is de ambtenaarsstand niet gelijk aan een' ring die als een kracht aanbrengende gordel ons volk omsluit? Terwijl gij nu, om zoo te zeggen, in dezen ring of ketting van plaats gaat verwisselen, zoo nemen wij deze gelegenheid waar, u te verzoeken, aan uwen geachten vader onze eerbiedige groeten over te brengen, en hem uit onzen naam te vragen aan zijne Majesteit onzen geëerbiedigden Koning mede te deelen, dat wij arbeiden,--want dit is het eigenlijk, mijne heeren--dat wij arbeiden als zijne trouwe dienaars voor het welzijn des volks. En u, meneer Bennecken, wenschen wij toe, dat gij, met het voorbeeld van uwen vader voor oogen, evenals hij in uwe loopbaan van trap tot trap in rang moogt stijgen, om ten laatste, evenals hij zulks nu is, een sieraad van het land te worden, aan welks voorspoed hij nu zijne beste krachten wijdt. God zij met u, meneer Bennecken!"

"Nu, die toast heeft hem heel wat zweetdroppels gekost," fluisterde de advocaat Kahrs zijnen buurman in, want het was eene bekende zaak, dat de toasten van den ambtman niet altijd even vlot van stapel liepen.

De rechter, bij wien Alfred Bennecken werkzaam was geweest, bracht nu ook een' toast op hem uit, die door humoristische zetten zeer in den smaak viel.

Alfred Bennecken beantwoordde beide, zoodat er aan toasten dien dag geen gebrek was.

De stemming werd meer en meer levendig aan tafel, totdat eene geweldige hoestbui van een der klerken, het was die van den drost, aller aandacht trok. De man was het stikken nabij, toen zijn buurman hem zulk een geduchten stomp in den rug gaf, dat het brokje vleesch, hetwelk hem in de keel zat, losraakte, maar helaas op de tafel terecht kwam.

De ambtman hield zijn servet voor den mond, en de drost bracht verontschuldigingen voor zijnen klerk uit, de advocaat Kahrs bekeek echter het stuk nauwkeurig, en beweerde, dat het wel een half pond zwaar was.

Deze gebeurtenis veroorzaakte, dat de tongen meer en meer los raakten, en men de tegenwoordigheid van den ambtman wat begon te vergeten. De jonge advocaten begonnen luid met elkaar over tafel te spreken, anders iets ongehoords wanneer de ambtman aanwezig was. Deze was zelf een weinig uit zijn humeur geraakt; wanneer de een of ander begon te hoesten, zag hij verschrikt op, schoof zijnen bril heen en weer, en gaf door allerlei bewegingen zijne ontevredenheid te kennen; hij verzocht dan ook een paar maal aan den klerk, wien het ongeluk overkomen was, vooral zijn vleesch toch aan kleine stukjes te snijden en niet te gulzig te eten.

"Blijft ons nog veel werk te doen?" vroeg de ambtman eindelijk aan den officier van justitie, wijl het hem ergerde, dat niemand zich meer aan zijne tegenwoordigheid scheen te storen.

"Ja, eigenlijk weet ik het niet," antwoordde deze, en hij zette zijn glas neer, "staan er nog vele zaken ter behandeling op de lijst, Bennecken?"

"O, ja.... heel wat, en eene heel interessante zaak is er onder." Hij boog zich voorover en fluisterde den rechter iets in.

"Welke zaak," vroeg de ambtman.

"Eene concubinaire zaak, ambtman, niets minder," antwoordde de rechter en hij kneep even zijne kleine grijze oogen toe. Hij was klein en gezet, droeg eene pruik en was zeer roodwangig.

"Zou u wellicht de zaak vandaag zelf niet willen in handen nemen?" vroeg de kandidaat Bennecken aan den officier van justitie, bij wien hij werkzaam was, "de zaak krijgt dan spoediger haar beslag, en buitendien kan niemand beter dan gij zulk soort van zaken behandelen."

"Och ja.... doe het vriend, dan krijgen wij nog eens gelegenheid te lachen," zeide de drost onvoorzichtig genoeg.

De ambtman kuchte, schraapte zich de keel, streek met de hand over den grijsachtigen baard, zette den gouden bril te recht, maar niemand sloeg er acht op. Het ging volstrekt niet aan, zulke dingen in tegenwoordigheid der boeren te zeggen; hij begon dus met den president van den Gemeenteraad een gesprek aan te knoopen en vroeg verlof met hem te klinken.

Terwijl eenige advocaten aan het benedeneinde der tafel over eene zaak in heet dispuut waren, werd het gesprek aan het boveneinde op gedempten toon gevoerd.

"Zijn de aangeklaagden jonge menschen?" vroeg de rechter.

"Neen, de man is niet jong meer, hij is weduwnaar, het was zijne dienstmeid, maar de dochter, ziet gij...."

"Ah zoo.... gij meent als getuige...."

"Wat de dienstmeid betreft," viel de advocaat Tofte in, "zij is, naar ik hoor, met haar kind naar Amerika getrokken."

"Och dat is hetzelfde, het verhoor met de getuige is juist het interessante van de zaak," zeide de advocaat Kahrs lachend, "ik ken Christine Vatuemo, zij is een van de knapste meisjes uit de streek."

"Zoo de zaak spoediger van de hand gaat, zoo u die zelf leidt, verzoek ik zulks te doen," zeide de ambtman, en hij deed, of hij het laatste gedeelte van het gesprek niet had gehoord.

"Gaarne ben ik hiertoe bereid, wanneer de ambtman mij zulks beveelt...." antwoordde de officier van justitie.