Arbeiders: Roman

Part 18

Chapter 181,225 wordsPublic domain

Iederen morgen zag men met verlangen uit naar den "Waren Vriend des Volks," maar deze bewaarde het stilzwijgen; geen heftig hoofdartikel, dat den mond der schreeuwers kon stoppen en de gemoederen tot bedaren kon brengen, verscheen.

"Maar nu wordt het toch waarachtig tijd, dat Mortensen de zaak aangrijpt;" riep de commies Orseth uit en zijne vuist viel hard op de tafel.

"Ja voor den d..... dat moet hij;" herhaalde de kamerjonker Hiorth, die, nu hij zoo hoog was gestegen, zich verbeeldde ook wat te zeggen te hebben. En het geheele Departement was het eens, dat Mortensen nu wat doen moest. Allen verkeerden in eene gespannen en heftige stemming, toen de Redacteur binnenkwam en het nog vochtige nieuwsblad op tafel wierp.

Hiorth greep de courant en las: "Geruchten-uitstrooiers en Intriganten."

"Eindelijk!" eene doodsche stilte ontstond, toen hij begon te lezen.

Eerst werd de aandacht van de lezers gevestigd, op het gebrek aan wapenen der oppositie, nu zij zich liet verleiden, in politieke quaestiën, geruchten en oudewijvenpraat te mengen. Daarna werd onder de aandacht gebracht, dat de voor het oogenblik bestaande politieke toestand ieder welgezind en verlicht burger tot tevredenheid moest stemmen.

"Dat intusschen," las Hiorth verder, maar de Redacteur trok hem de courant uit de hand: "laat mij lezen!".... "dat intusschen eene zoo alledaagsche zaak, als het ontslag van eenen bejaarden conciërge aan het Departement tot zulke artikelen vol schandalen aanleiding kan geven, is, op zich zelf genomen, een teeken des tijds, dat waard is ad notam te nemen. Want achter dit.... achter deze gehuichelde belangstelling voor de minste bijzonderheden van het Staatsbestuur ligt heel iets anders, iets dat iederen dag meer en meer veld bij ons wint, iets dat wij van den aanvang, van den wortel af, ernstig moeten trachten uit te roeien, indien wij willen verhinderen, dat er schadelijke vruchten aan rijpen voor onze maatschappij. Het is de ingewortelde haat, die alle lage karakters, alle slechts ten halve ontwikkelden tegen alle autoriteiten, tegen allen, die geestelijk boven hen staan, voeden; een haat die zich openbaart tegen de van God over ons gestelde Overheid, en die, terwijl hij aan het schandelijkste ongeloof de hand reikt, tot in de heiligste schuilhoeken van het familieleven doordringt, met het verhevenste den spot drijft, en dreigt onze maatschappij geheel ten onder te brengen, ons tot de wildste anarchie te voeren. Zekerlijk zijn er velen onder ons, die zich geruststellen met de gedachte, dat de Noorsche ambtenaarsstand zich aan dergelijke uitvallen niet zal storen--en met recht. Maar toch beschouwen wij het als onzen plicht den vinger op deze wondeplek te leggen, want hier begint een gevaar, waardoor de geheele maatschappij wordt bedreigd. Eene grens moet er gesteld worden aan de al meer en meer toenemende onbeschaamdheid, die in woorden en geschrift zich het recht aanmatigt te oordeelen over hetgeen, naar de verordeningen Gods en der menschen, boven hun oordeel verheven is; en zoo dit niet door gemeenschappelijke krachtsinspanning van alle burgers geschiedt, zoo zullen wij spoedig van het ergerniswekkende schouwspel getuige zijn, dat eene oproerig gestemde menigte openlijk de wetten trotseert en met de handhavers der wet den spot drijft. Laat ons daarom waakzaam zijn en acht geven op de teekenen des tijds.

Niet dat wij eenige vrees koesteren, neen Goddank! Zoowel in onzen verhevenen monarch, als in de vereeniging met ons broedervolk en werkelijk niet het minst van allen in den sterken kring van intelligente, begaafde staatslieden en ambtenaars, die zoolang onze maatschappij met hunne krachten bijgestaan hebben en die aan de dagen van voorheen getrouw zullen blijven--in alle dezen hebben wij te goede waarborgen, dan dat er reden zou kunnen bestaan eenige vrees te koesteren. Maar--wij herhalen het--laat ons waakzaam zijn en op de teekenen des tijds acht geven. Booze, het licht schuwende machten staan in onze maatschappij op den loer; laat het volle daglicht maar eens op hen vallen en als booze geesten zullen zij terugvliegen naar de duisternis, die hen geboren deed worden."

Een groot gejubel ontstond er onder de hoorders, toen Mortensen had geëindigd. Orseth wreef zich vergenoegd de handen en riep: "Kijk, dat is ferm--heel ferm gezegd. Hebt gij er naar geluisterd Hansen, dat was ook wat voor u!"

De oude Hansen boog zich wat verder over den hoop papieren, die voor hem lag.

Al de anderen voelden zich als van eenen zwaren last ontheven. Het schandaal was tot eene kleinigheid teruggebracht en den schreeuwers was een goed pak toegediend.

Mortensen zag den kring, die zich om hem heen had gevormd, rond en zeide: "Ja.... nu ziet gij eens, kereltjes, wat gij zonder mij waart! Bestaat er iets zoo zegenrijk voor een land als eene verlichte, waarheidlievende en rechtvaardig gezinde pers?"

Toen Mortensen deze woorden zeide, had de dubbelzinnige glimlach, die hem meestal eigen was, om zijne lippen gespeeld; men was er nooit van verzekerd, of hij oprecht meende, wat hij zeide, dan of het satirisch bedoeld was.

Maar thans lachte niemand, want op dit oogenblik gevoelden allen, dat Mortensen gelijk had.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Een overheidspersoon in eene kleine gemeente. (Vert.)

[2] De ambtman van het district woont altijd de zittingen bij, welke de rechtbank van tijd tot tijd op het land houdt. (Vert.)

[3] Komlene beteekent in het Noorsch een hoop steenen, die de plaats aanduiden waar de asch van een Noorsch zeekoning of held in eene urn begraven is. Deze urnen werden altijd zeer dicht naast elkaar in de aarde begraven, vooral geschiedde dit, wanneer de overledenen tot ééne familie behoorden, of ook wanneer de begraafplaats in den smaak viel.

Njàa is zulk eene oude begraafplaats, waar de asch van eene talrijke familie is begraven. De steenhoopen zien er zeer klein en onaanzienlijk uit, wijl de leden dezer familie maar tot het volk behoorden, die er zich niet aan gelegen lieten liggen groote steenhoopen op te richten voor hunne dooden. Iets ironisch ligt er in de woorden: "Vele en kleine als de Komlene te Njàa."

Het is hier Kiellands bedoeling de onwetendheid van de geleerden een weinig te geeselen, en daarom laat hij den rechter vragen, wat het beteekent en den advocaat antwoorden, dat het een soort pannekoeken van aardappelenmeel is. (Vert.)

[4] In het Noorden oefenen zich de gepromoveerden in de praktijk, als assistenten bij rechters of advocaten.

[5] In Noorwegen heeft een minister den titel van staatsraad. (Vert.)

[6] Dezen naam geeft men in het Noorden aan getrouwde dames, die niet op den titel van Mevrouw aanspraak kunnen maken. (Vert.)

[7] In Scandinavië is het nog zeer de gewoonte in den derden persoon, in plaats van den tweeden iemand aan te spreken, en wordt het laatste als te familiaar aangezien. In de laatste jaren is men echter begonnen ni (gij) te zeggen, doch de ouderen van dagen, in de steden minder, zijn er echter nog op tegen.

[8] Op groote partijen is het in Scandinavië, de gewoonte dat men niet aan de tafel gaat zitten; ieder gaat naar de tafel toe, bedient zich van wat hij verkiest en maakt dan plaats voor anderen. (Vert.)

[9] Het komt mogelijk vreemd voor, dat een minister in den zomer zoo weinig overeenkomstig zijnen stand zou wonen, doch in het Noorden behelpen ook voorname familiën zich gedurende dit jaargetijde, want men is zelden binnen's huis. (Vert.)

[10] Zweden.

[11] In Scandinavië heeft men in vele restaurants geene kellners, maar jonge meisjes bedienen de gasten: vooral is zulks het geval in kleinere hotels. (Vert.)